Waar het verhaal zich afspeelt, kan ook een functie hebben:
1. Concretisering:
- Gedetailleerd beschreven ruimte zodat de lezer een goed beeld ervan heeft.
2. Sfeer oproepen:
- Beschrijving van een ruimte zodat de lezer in de juiste stemming komt.
3. Contrast oproepen:
- Een gebeurtenis laten gebeuren in een tegenovergestelde sfeer van ruimte.
4. Relatie met thematiek:
- De ruimte staat in de sfeer van het thema.
5. Relatie met personage:
- De ruimte staat in de sfeer van een personage.
6. Weersomstandigheden:
- De ruimte staat in de sfeer van/typeert een gebeurtenis.
7. Symbolische betekenis:
- De ruimte staat symbool voor een gevoel/gedachte.
Tijd
In wat voor soort opbouw van tijd een verhaal is geschreven geeft een gevolg van aantrekkelijkheid, spanning en uitdaging.
Chronologisch en niet-chronologisch:
• Chronologisch: We hebben een begin en daarop gaat de tijd verder.
• Niet-chronologisch: We vallen in een verhaal en d.m.v. terugwijzingen of lange terugwijzigingen/flashbacks snappen we de gebeurde gebeurtenis.
Verteltijd en vertelde tijd:
• Verteltijd: De verteltijd is de tijd die nodig is (gebruikt wordt) om een verhaalgebeuren te vertellen. De verteltijd wordt gewoonlijk uitgedrukt in aantallen woorden, regels of bladzijden.
• Vertelde tijd: De vertelde tijd is de hoeveelheid tijd die verloopt vanaf het begin van een gebeurtenis of een reeks gebeurtenissen tot het einde ervan.
Leesvaardigheid
Argumenteren
Leerdoelen
Aan het eind van deze opdracht kun je in eigen woorden vertellen welk soort standpunten er zijn, wat het verschil is tussen feitelijke en niet-feitelijk argumenten en welke argumentatiestructuren er zijn.
Eindproduct
Deze opdracht sluit je af met het schrijven van een redenering met de geleerde argumentatiestructuren.
Werkwijze
Groepsgrootte
Deze opdracht doe je samen met een klasgenoot.
Benodigdheden
computer;
of pen en papier.
Tijd
Voor deze opdracht heb je 2 lesuren de tijd.
Stap 1
Standpunten en argumenten
Bestudeer de theorie over standpunten en argumenten uit de Kennisbank Nederlands.
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
Je gaat nu de onderstaande redeneringen in het argumentatieschema zetten en benoemen.
Nepal is een ideaal vakantieland voor mij. De zon schijnt er altijd. Als ik veel in de zon ben voel ik me fitter en zelfverzekerder.
Volgens de gemeenteraad moeten danceparty’s verboden worden. Het drugsgebruik op die party’s vormt een gevaar voor de gezondheid en de politie heeft niet genoeg mankracht om de orde te handhaven.
Ik wil geen lid worden van die club. Mijn broer is ook al lid. Ik wil niet bij dezelfde club als mijn broer spelen.
Zij is een goede mentor. Ze heeft veel ervaring als mentor. Ze kan heel goed met moeilijke leerlingen opschieten. Zij heef er een bijscholing voor gevolgd.
De heer Pietersen moet uit zijn woning worden gezet. Hij bedreigt regelmatig zijn buren.
Rond de grote steden moet de maximumsnelheid 80 blijven. Dat is goed voor het milieu. Er is minder luchtvervuiling
Je moet geen partydrugs gebruiken. Het is erg slecht voor je gezondheid.
Controleer je argumentatieschema wanneer je klaar bent met de antwoorden.
Stap 3
Eindopdracht
Deze opdracht sluit je af met het schrijven van een redenering met de geleerde argumentatiestructuren.
Ik ben anders dan anderen
Ik denk dat veel mensen zich erin herkennen; het gevoel dat je anders bent. Eigenlijk een logisch gevoel, omdat iedereen uniek is en je dus inderdaad allemaal verschilt. Maar je anders voelen dan anderen kan soms ook lastig zijn. Misschien ervaar je het als een probleem, hoor je voor je gevoel nergens bij en voel je je alleen. Anders zijn dan anderen is niet altijd even leuk.
Als kind al voelde ik mij anders dan anderen. Ik was de vreemde eend in de bijt en soms zelfs het zwarte schaap van de klas. Ik was een indiaan, een buitenlander, een hippie of gewoon raar. Ik was in ieder geval niet doorsnee. Dat klinkt nu leuk, dat je uniek bent of bijzonder, maar als kind en ook tijdens mijn tienerjaren en misschien soms nog steeds, voelde dat niet zo positief.
Kinderen zijn vaak erg onzeker en ook in de puberteit komen er vragen in je op zoals; ‘'Waar hoor ik bij?'' ‘'Wie ben ik?" of ‘'Wat vinden anderen van mij?'' Aan de ene kant probeerde ik mezelf te zijn, door mijn eigen stijl, gekke dingetjes of enthousiaste gedrag. Maar het was dubbel. Wanneer ik mezelf was, hoorde ik nergens bij. Als ik anderen nadeed en mezelf een beetje inhield, mocht ik echter juist wel weer overal aan meedoen.
Soms begrepen mensen mij niet. Ze wisten niet waarom ik veel lawaai maakte als ik iets leuk vond, glittertjes op mijn hoofd plakte of een gele muts met pompons droeg in de winter. Sommige mensen dachten dat ik aandacht wilde, maar dat was het niet. Ik wilde dragen waar ik van hield, doen wat ik leuk vond en eigenlijk alleen maar gewoon mezelf laten zien.
Anders zijn dan anderen kan lastig zijn, zeker wanneer je onzeker bent. Die onzekerheid zorgt ervoor dat je jezelf misschien wel gaat verbergen, inhoudt of jezelf anders voordoet dan je bent. Zonde, want in jou zit juist die bijzondere vrouw, dat unieke meisje.
Ik kan nu zeggen dat je jezelf niet moet verstoppen, dat je jezelf mag zijn en dat je trots moet zijn dat je anders bent, maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Neem deze boodschap in ieder geval wel mee, zelfs ook al kun je er niet direct iets mee. Jezelf durven zijn en positief kijken naar jouw ‘'andere'' kanten, is een proces. Iets wat hoort bij het leven en waar je doorheen gaat als je volwassen wordt.
Anders zijn heeft namelijk ook voordelen. Lange tijd keek ik naar anderen en hoe die waren. Ik vergeleek mezelf met mijn omgeving, maar vond weinig gelijkenissen. Ik was anders en dat kon ik als kind maar moeilijk accepteren. Op latere leeftijd leerde ik mijzelf steeds beter kennen. Ik ontdekte wat er leuk aan mezelf was, voelde geen haat meer tegenover mijn ‘'andere'' kanten maar leerde deze te waarderen en zelfs te gebruiken op een positieve manier.
‘'Anders zijn'' kun je veel negatieve namen geven. Je kunt zeggen dat je raar bent, vreemd bent, buiten de boot valt, niet goed genoeg bent, stom bent en misschien vind je jezelf zelfs waardeloos hierdoor. Door positief over jezelf te leren denken en je creatieve, bijzonder of ‘'andere'' kanten te gaan benutten, kun je dat ‘'anders zijn'' ook anders gaan leren bekijken. Ga dingen doen met die ''andere kant'', leef je uit.
Leer jezelf zien als bijzonder, uniek, lekker anders dan de rest, niet doorsnee, origineel of excentriek. Je mag zijn wie je bent. Probeer die zin te onthouden, hoe afgezaagd hij ook klinkt. Maar onthoud het tijdens alles wat je doet. Heb lak aan wat andere denken, je mag zijn wie je bent, hoe je er ook uitziet, wat je ook doet en of je daardoor nou anders bent of niet.
Een meervoudige argumentatie met de stelling: Anders zijn dan anderen is niet altijd even leuk.
En een onderschikkende argumentatie met de stelling: Anders zijn heeft ook voordelen.
Maak gebruik van argumenten uit de tekst, teken een bijpassend argumentatieschema en vul dat in.
Nieuwsbegrip
In de tekst van deze week staat ook een stelling met meerdere argumenten.
Wat is de stelling bij deze tekst?
Wat zijn de argumenten?
Zijn dit feitelijke of niet-feitelijke argumenten?
Is dit een nevenschikkende of onderschikkende argumentatie? Licht je antwoord toe.
Bedenk zelf nog een goed argument.
Over taal
Woordenschat
Schrijf de 20 dikgedrukte woorden uit onderstaande tekst onder elkaar in Word of in je schrift. Schrijf achter de woorden wat ze betekenen.
Slijk
'Tafel acht wil bestellen,' zegt de bazin kortaf tegen Amy. Ze (1) rept zich naar de gasten aan de kleine tafel. 'Heeft u een keus kunnen maken?' 'Ja, we nemen graag de satéschotel.' Amy, net vijftien, werkt sinds de zomervakantie als serveerster in pannenkoekenrestaurant 'De Beslagkom', twee avonden per week. Ze is nog wat (2) onwennig, maar de bazin is tevreden. Voor Amy is het een aardige bijverdienste, vooral vanwege de fooien.
Veel tieners van 14 of 15 jaar zoeken hun eerste baantje in de zomervakantie. En van de groep 15- tot 19-jarigen verdient maar liefst zestig procent er een centje bij, (3) ongeacht de financiële situatie thuis. Of de ouders nu (4) goed in de slappe was zitten of juist een inkomen ver beneden (5) modaal hebben, jongeren gaan tegenwoordig massaal aan de slag. De belangrijkste (6) beweegreden om zelf geld te verdienen is de wens wat financiële (7) armslag te hebben. Die hebben ze misschien nodig als ze weinig zakgeld krijgen. Of als pa en ma - bij wijze van (8) sanctie voor het te laat thuis komen - (9) beknibbelen op de maandelijkse (10) toelage voor bijvoorbeeld kleding. Het is altijd prettig wat extra's te hebben. Nog fijner is het om dat zelf te verdienen.
Wat voor werk doen jongeren het liefst? Favoriet zijn de horeca en de supermarkt. Een terras bedienen, in een strandtent serveren, schappen vullen bij Coop, je kunt er een bescheiden kapitaal (11) vergaren. Jongeren storten zich vaak met grote gretigheid op hun eerste baantje. Maar door die (12) begeerte naar (13) het aardse slijk vergeten ze soms goed te informeren naar hun rechten en plichten. Niet zelden maakt de werkgever misbruik van die onzakelijke houding. Vooral met werktijden en het verstrekken van loonstrookjes (14) wordt de hand gelicht. De werkgever moet zich houden aan bepaalde (15) arbeidsvoorwaarden. Die vermelden bijvoorbeeld het minimumloon voor elke leeftijd en ook de maximale arbeidstijden.
Als je geld verdient, kun je het vervolgens gaan uitgeven. Maar (16) verkwisten is niet de bedoeling. Je moet leren omgaan met geld. Sommige jongeren (17) staan in het krijt nog voor ze goed en wel op eigen benen staan. Ze zijn niet in staat (18) de tering naar de nering te zetten. Werken geldt vaak als goede remedie. Tieners die deels hun eigen geld verdienen, zijn in het algemeen goede boekhouders. Die kennen het (19) alternatief voor (20) spenderen: sparen! Zoals Amy, die het geld spaart voor volgende zomer. Ze wil graag met een georganiseerde reis door Europa mee. Haar ouders betalen de helft van de trip en de andere helft spaart ze zelf bij elkaar.
Uitdrukkingen
BIJ IEMAND IN HET KRIJT STAAN
Wanneer je schulden hebt bij iemand wordt wel gezegd dat je bij diegene in het krijt staat. Deze uitdrukking is al eeuwen bekend en wordt in de literatuur voor het eerst teruggevonden in een klucht uit de 17e eeuw. Waar krijt tegenwoordig vrijwel alleen nog op scholen gebruikt wordt, was het gebruik ervan vroeger wijd verspreid en daar heeft deze uitdrukking dan ook iets mee te maken.
Oorsprong in de zeventiende eeuw
Vroeger had men de gewoonte om, vooral in openbare gelegenheden, dingen met krijt op een lei op de muur te schrijven. Zo schreef men bijvoorbeeld in herbergen de schulden die iemand nog open had staan op een lei op de muur. ‘In het krijt staan’ is de meest gangbare uitdrukking die nog van de oude gewoonte om schulden op de muur te schrijven afkomstig is.
Gerelateerde uitdrukkingen
Er bestaan nog meer uitdrukkingen in het Nederlands die een economische oorsprong hebben. Zoals 'de tering naar de nering zetten' een uitdrukking die betekent 'je uitgaven aanpassen aan je inkomsten' en 'in het krijt staan bij iemand' een uitdrukking die betekent 'schulden hebben'. We leren er nog 10 dit hoofdstuk.
In blok 1 hebben we geleerd dat een vergelijking en een metafoor vormen van beeldspraak zijn. Dit blok leren we nog een vorm van beeldspraak, namelijk een metoniem (ook wel metonymia genoemd). Bij een metoniem noem je een kenmerk of eigenschap van het object. Er zijn verschillende manier om dit te doen:
Je noemt een deel van het geheel: Bijvoorbeeld: Gelukkig heb ik een dak boven mijn hoofd.
Je noemt het deel in plaats van het geheel: Bijvoorbeeld: Katwijk is in rep en roer.
Je noemt het voorwerp maar bedoelt de inhoud: Bijvoorbeeld: Ik lust nog wel een glaasje.
Je noemt een kenmerk of eigenschap van de persoon: Bijvoorbeeld: Die rooie kan goed basketballen.
Je noemt de maker van het object: Bijvoorbeeld: In het museum hangt een Rembrandt.
Grammatica
Hoofdzin en bijzin
De theorie
Enkelvoudige en samengestelde zinnen
Een enkelvoudige zin heeft maar één persoonsvorm.
Een meervoudige zin heeft meerdere persoonsvormen. Een meervoudige zin bestaat eigenlijk uit verschillende losse zinnen die een geheel vormen.
Vergelijk:
Ik heb mijn huiswerk gemaakt. Mijn tante zegt dat ik een snoepje mag.
Een hoofdzin ziet er over het algemeen zo uit: onderwerp + persoonsvorm (+ andere zinsdelen). Tussen de persoonsvorm en het onderwerp kan niks anders staan en de persoonsvorm staat op de tweede plek. In een hoofdzin kan wel inversie voorkomen, dan draaien onderwerp en persoonsvorm om, maar nog steeds kan er niks anders tussen onderwerp en persoonsvorm staan.
♦ Hoofdzin zonder inversie: Anna gaat iedere dag hardlopen. ♦ Hoofdzin met inversie: Iedere dag gaat Anna hardlopen.
Wat is een bijzin?
Een bijzin is een zin die deel uitmaakt van de hoofdzin. In de bijzin staan onderwerp en persoonsvorm vaak ver uit elkaar, er passen dus wel andere woorden tussen het onderwerp en de persoonsvorm.
♦ 'Ik heb gehoord, dat Danny een tablet heeft gekocht.'
♦ 'Ik heb gehoord' is de hoofdzin, 'dat Danny een tablet heeft gekocht' is de bijzin.
Je ziet dat ook in deze bijzin het onderwerp (Danny) en de persoonsvorm (heeft) niet naast elkaar staan.
Het aantal bijzinnen binnen een zin is in theorie oneindig
Je kan net zoveel bijzinnen toevoegen als je wilt. Dit heet recursie. Dan krijg je bijvoorbeeld een zin als ‘Kim zei dat Benjamin dacht dat Nathan had gezegd dat David had verteld dat Lieke niet komt’. (ja, die zin moet je misschien even twee keer rustig lezen)
In bijzinnen staat het werkwoord achteraan, in hoofdzinnen vooraan
♦ Hoofdzin: Ilse dronk cola.
♦ Bijzin: ...... dat Ilse cola dronk
Een nevengeschikte zin bestaat uit twee (of meer) hoofdzinnen.In onderstaande voorbeelden zie je nevenschikkend samengestelde zinnen, met daarnaast de enkelvoudige zinnen. (HZ-HZ)
Samengestelde zin Enkelvoudige zinnen
Renee eet veel fruit en Thijs eet veel patat.
Ik ga Nederlands studeren of ik ga een baan zoeken
Ik hou op met werken want ik ben rijk.
Renee eet veel fruit. Thijs eet veel patat. (GOED)
Ik ga Nederlands studeren. Ik ga een baan zoeken (GOED)
Ik hou op met werken. Ik ben rijk (GOED)
Ondergeschikte zinnen
Een ondergeschikte zin bestaat uit een hoofdzinen een bijzin. In onderstaande voorbeelden zie je nevenschikkend samengestelde zinnen, met daarnaast de enkelvoudige zinnen. (HZ-BZ of BZ-HZ)
Gert is mijn vriend omdat hij me 100 euro heeft gegeven
Gert is mijn vriend. Hij me 100 euro heeft gegeven. (FOUT)
Het tweede deel is hier fout. Deze zin is dus niet nevenschikkend, maar ondergeschikt. We spreken over onderschikking als de samengestelde zin bestaat uit een hoofdzin en een bijzin.
Nog meer voorbeelden van samengestelde zinnen die een ondergeschikt verband hebben:
Daan eet veel fruit omdat dat gezond is.
Ik ga Nederlands studeren, voordat ik een baan zoek.
Ik hou op met werken, omdat ik rijk ben.
Job, die nogal dik is, eet te veel.
Wie dit leest is gek.
Daan eet veelfruit. Dat gezond is. * (FOUT)
Ik ga Nederlands studeren. Ik een baan zoek * (FOUT)
Als je een bijzin schrijft zonder een hoofdzin, noemen we dat een onvolledige zin, net als zinnen zonder persoonsvorm. Voorbeelden van antwoorden die je leraar als taalfout moet rekenen:
En een land al helemaal niet. (geen pv)
Of de veiligheid. (geen pv)
Dat we allemaal ook echt gaan voelen dat het beter gaat.
En dat verhuisplannen werden uitgesteld.
Zodat het hier, in ons land, gebeurt.
Een contract dat je de zekerheid geeft die je fijn vindt.
Zodat het écht stapje voor stapje beter wordt.
Zodat we allemaal de vruchten gaan plukken.
Zodat onze kinderen het weer beter krijgen dan wij.
Zodat we dat fijne land blijven.
Al deze zinnen komen uit een open brief van minister-president Rutte. Hij mag ze wel schrijven. Jij niet, tenminste niet tijdens je examen.
Woordsoorten: werkwoorden en voegwoorden
zww, kww, hww in samengestelde zinnen
Je hebt in. klas 2 geleerd wat hulpwerkwoorden, zelfstandige werkwoorden en koppelwerkwoorden zijn. Om in een samengestelde zin vast te stellen of een werkwoord een hww, zww of kww is, splits je die zin in twee of drie enkelvoudige zinnen. Vervolgens pas je de regels toe.
Bijvoorbeeld: Omdat Joop ziek was geworden, vroeg de docent mij of ik zijn huiswerk wilde gaan brengen.
zin 1: Omdat Joop ziek was geworden
zin 2: vroeg de docent mij
zin 3: of ik zijn huiswerk wilde gaan brengen
In zin 1 hebben we een NG: was ziek geworden. was = hww, geworden = kww
In zin 2 hebben we een WG: vroeg. vroeg = zww
In zin 3 hebben we een WG: wilde. wilde = hww, gaan = hww, brengen = zww
Onderschikkende en nevenschikkende voegwoorden
Een samengestelde zin bestaat uit twee of meer zinnen. Een voegwoord zorgt ervoor dat deze zinnen een goed lopend geheel vormen. Het voegwoord plakt de zinnen als het ware aan elkaar.
Er zijn twee soorten voegwoorden: onderschikkende en nevenschikkende.
De meeste voegwoorden zijn onderschikkend. Er zijn maar een paar nevenschikkende voegwoorden.
Nevenschikkende voegwoorden zijn:
en, maar, want, of, noch, doch. Als tussen twee zinnen een nevenschikkend voegwoord wordt gebruikt, zijn beide zinnen even belangrijk. Oftewel: De zin bestaat uit twee hoofdzinnen die door middel van een nevenschikkend voegwoord aan elkaar zijn geplakt. Vandaar het woord ‘nevenschikkend’. De twee zinnen worden dan ‘nevenschikkende zinnen’ genoemd.
Onderschikkende voegwoorden zijn:
omdat, terwijl, daardoor, dat, zodat, doordat, nadat, als, indien, opdat. Als tussen twee zinnen een onderschikkend voegwoord wordt gebruikt, heb je te maken met een hoofdzin en een bijzin.
In de hoofdzin staat de belangrijkste informatie. Deze zinnen worden ‘onderschikkende zinnen’ genoemd.
Telwoorden als alle(n), beide(n), dezelfde(n), enkele(n), sommige(n), weinige(n) en vele(n) schrijf je soms met -n en soms zonder -n.
Voorbeeld 1: Alle boterhammen zijn gesmeerd. Ze zijn alle in de pauze opgegeten.
Voorbeeld 2: De docent heeft vier leerlingen, die allen even slim zijn.
Bij beide voorbeelden is het woordje 'alle' in de eerste zin bijvoeglijk gebruikt. Een bijvoeglijk naamwoord schrijf je altijd zo kort mogelijk, dus zonder -n.
In de tweede zin is het woordje 'alle' zelfstandig gebruikt. In voorbeeld 1 slaat alle terug op de brieven. In voorbeeld 2 slaat allen terug op de leerlingen. En daar zit het verschil!
Je schrijft de -n achter allen, beiden, dezelfden, enkelen, sommigen, weinigen en velen als het zelfstandig gebruikt is en terugslaat op personen.
Let op: soms lijkt het woord zelfstandig gebruikt, maar is het een geval van samentrekking. Bijvoorbeeld: In de middag eten alle leerlingen hun brood op. Sommige lunchen op school, sommige lunchen thuis.
(Achter 'sommige' kun je gewoon 'leerlingen' invullen: sommige leerlingen lunchen op school, sommige leerlingen eten thuis.)
Je schrijft in dit geval dus geen -n achter het woord.
Telwoorden als tientallen, honderden, duizenden en miljoenen schrijf je altijd met een -n.
Bekijk dit filmpje voor een duidelijke uitleg van meneer Kuijpers
Zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden
Zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden die zaken aanduiden, eindigen altijd op een -e.
Zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden die personen aanduiden, eindigen in het enkelvoud op een -e en krijgen in het meervoud een -n.
Bijvoorbeeld: Wat een mooie pruimen. Geeft u mij maar een kistje van die grote.
Je ziet dat met grotede pruimen bedoeld worden. grote duidt dus iets aan.
Bijvoorbeeld:Waarom kijkt een dove naar het journaal voor slechthorenden?
Je ziet dat met dove één persoon wordt bedoeld en met slechthorendenmeerdere personen
In de volgende oefening worden de zelfstandig gebruikte telwoorden en bijvoeglijke naamwoorden door elkaar gebruikt.
Er was eens…
…en ze leefden nog lang en gelukkig.
Bovenstaande zinnetjes roepen al snel het beeld op van een prins op het witte paard en een prachtig kasteel. De begin- en eindzin zijn erg bepalend voor de rest van je tekst.
Schrijf een kort verhaal (max. 300 woorden) dat begint of eindigt met de zin: ’Het kon echt niet meer wachten, het moest nu gebeuren.’ Je mag je tekst ook starten èn eindigen met deze zin.
Hier enkele tips voordat je gaat beginnen:
Tip 1 – Begin te schrijven op sfeer
Een kort verhaal schrijven is vooral een kwestie van juist sfeer vinden en daarop vervolgens improviseren, daarover zijn veel auteurs het eens.
‘Vind de belangrijkste emotie, dat is alles wat je nodig hebt om een kort verhaal te vinden.’ – F. Scott Fitzgerald
‘Het schrijven van korte verhalen is als jazz improvisatie, het verhaal neemt me mee naar waar het wil.’ – Haruki Murakami.
Kortom: heb je eenmaal een idee voor een kort verhaal, breng jezelf dan in een bijpassende sfeer. Dagdroom over de omgeving waarin het verhaal zich moet afspelen, zet muziek op je in de juiste stemming brengt, zoek online naar foto’s en filmpjes die je kunnen inspireren, en typ de zinnen die in je opkomen zonder er al te veel over na te denken. Niet alles hoeft te worden verklaard.
Tip 2 – Geef je personages een doel
Elk personage moet iets willen, al is het maar een reep Tony Chocolonely. De hoofdpersoon gaat in jouw verhaal op weg naar zijn doel en komt onderweg allerlei hindernissen tegen.
Tip 3 – Leg niet te veel uit
Een kort verhaal krijgt het meeste vaart als je niet te veel bijzaken vermeldt. Leg niet alles uit. Laat de lezer verbanden leggen en zijn verbeelding gebruiken, daar wordt het verhaal vlotter van en dus leuker om te lezen.
Schrijf jij ook graag verhalen? Laat je verhaal dan eens beoordelen door een professionele jury. Als je snel bent, kun je nog met deze schrijfwedstrijd meedoen:
Je kunt met maximaal twee verhalen deelnemen; deelnamekosten zijn € 10 per verhaal. De inzendtermijn is van 1 oktober tot 1 november 2018.
Prijzen
De hoofdprijs bedraagt € 1.000 en er zijn een tweede en derde prijs van respectievelijk € 300 en € 100. Extra prijzen zijn de Debutantenprijs en de Fenixprijs, elk van € 50. De Debutantenprijs gaat naar de hoogst eindigende deelnemer die nog niet eerder aan de wedstrijd heeft meegedaan, en de Fenixprijs naar de deelnemer met de hoogste stijging op de ranglijst ten opzichte van vorig jaar.
Je mag meedoen als je tussen de 12 en 18 jaar oud bent. Je schrijft een verhaal van ongeveer 500 woorden lang.
Het thema voor jouw verhaal is dit jaar: ‘Wat doe jij morgen?’. De wereld verandert snel door technologische uitvindingen.
Een future-proof baan als drone verkeersleider of (verticale) stadstuinier bestaat nu nog niet, maar straks wel! Hoe ziet de
wereld van morgen eruit? En wat ga jij doen in deze nieuwe, spannende wereld? Heb je daar al eens over nagedacht?
Wat staat je dan te wachten?
Inspiratie nodig? Bekijk dan de winnende verhalenvan de vorige jaren!
De 20 beste verhalen worden geïllustreerd en gebundeld in een speciaal boekje. De genomineerden van deze verhalen gaan
allemaal naar huis met een prachtig exemplaar. Uit deze verhalen kiest de vakjury een top 3 tijdens de feestelijke prijsuitreiking
op woensdag 12 juni 2019. De auteurs van deze verhalen winnen allemaal een professionele schrijfworkshop voor hun hele
klas! En de hoofdwinnaar? Die wordt het beste schrijftalent van 2019.
Deadline: 4 april 2019 Winnen: een gloednieuwe iPad
Samenvatting
Fictie
Ruimte
Waar het verhaal zich afspeelt, kan ook een functie hebben.
Tijd
Chronologisch en niet-chronologisch
Verteltijd en vertelde tijd
Leesvaardigheid
Bestudeer de theorie over argumentatiestructuren uit de Kennisbank Nederlands. En gebruik het schema om zelf structuren in teksten te vinden.
Beheers de volgende begrippen: 1. Feitelijke en niet-feitelijk argumenten 2. Enkelvoudige argumentatie
3. Meervoudige argumentatie
4. Nevenschikkende argumentatie
5. Onderschikkende argumentatie
Over taal
Woordenschat
rept zich – haast zich, spoedt zich
onwennig – onbekend met de gewoonten en gebruiken
ongeacht – los van, zonder te letten op
goed in de slappe was zitten – veel geld hebben
modaal – gemiddeld
beweegredenen – motieven, redenen om iets te doen
armslag – ruimte, mogelijkheid om verschillende dingen te doen
sanctie – strafmaatregel
beknibbelen – bezuinigen
toelage – geldbedrag dat je toegewezen krijgt
vergaren – verzamelen
begeerte – sterk verlangen
het aardse slijk – geld
wordt de hand gelicht – wordt gesjoemeld, wordt niet volgens de regels gehandeld
arbeidsvoorwaarden – condities waaronder je werkt (bv: loon, vakantiedagen, werktijden)
verkwisten – veel geld uitgeven voor nutteloze zaken
staan in het krijt – hebben schulden
de tering naar de nering zetten – niet meer geld uit (te) geven dan je verdient
alternatief – andere mogelijkheid
spenderen – besteden (tijd, geld)
Uitdrukkingen:
De sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen.
De kost gaat voor de baat uit.
zij verdient (heeft) geld als water.
Geld over de balk smijten.
In je portomonnee treffen.
Kosten noch moeiten zijn/waren gespaard.
Van de hand in de tand leven.
Geld stinkt niet.
Zich diep in de schulden steken.
Geld in het laatje brengen.
Beeldspraak
Bij een metonymia noem je een kenmerk of eigenschap van het object.
Het arrangement Blok 2 is gemaakt met
Wikiwijs van
Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt,
maakt en deelt.
Auteur
G Laats
Laatst gewijzigd
2019-03-08 13:41:41
Licentie
Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding 4.0
Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding vrij bent om:
het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of
bestandsformaat
het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.
Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten
terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI
koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI
koppeling aan te gaan.
Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.
Arrangement
Oefeningen en toetsen
Positief, negatief of twijfel?
Feitelijk of niet-feitelijk?
Economische uitdrukkingen
IMSCC package
Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.
Oefeningen en toetsen van dit arrangement kun je ook downloaden als QTI. Dit bestaat uit een ZIP bestand dat
alle informatie bevat over de specifieke oefening of toets; volgorde van de vragen, afbeeldingen, te behalen
punten, etc. Omgevingen met een QTI player kunnen QTI afspelen.
Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en
het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op
onze Developers Wiki.