Voegwoorden
Wat zijn voegwoorden?
Voegwoorden zijn woorden die zinnen of woorden aan elkaar verbinden, samenvoegen.
Als een voegwoord tussen twee zinnen staat, krijg je een samengestelde zin.
Als een voegwoord tussen twee woorden staat, is dat binnen een enkelvoudige zin.
Elk voegwoord heeft een bepaalde functie zoals opsomming, tegenstelling, oorzaak en reden.
Voorkennis
Je kunt voegwoorden pas herkennen, benoemen en toepassen als je weet:
- wat een persoonsvorm is;
- wat een enkelvoudige zin is en een samengestelde zin is. Als je namelijk twee enkelvoudige zinnen aan elkaar verbindt met een voegwoord, krijg je één samengestelde zin;
- het is ook handig als je weet wat de woordjes 'mits' en 'tenzij' betekenen. |
1. Voegwoorden midden in een zin.
Een zin met een voegwoord is een samengestelde zin.
Stap 1: kijk welke twee zinnen de samengestelde zin heeft.
Stap 2: kijk welk woordje die twee zinnen aan elkaar verbindt, aan elkaar voegt.
Voorbeeld
- We gaan naar de kermis, omdat er feest is in het dorp.
zin 1 is: We gaan naar de kermis.
zin 2 is: Er is feest in het dorp. |
Het verbindingswoord is omdat. Omdat is het voegwoord. |
- De auto vloog uit de bocht, want het was heel glad op de weg.
zin 1 is: De auto vloog uit de bocht.
zin 2 is: Het was heel glad op de weg. |
Het verbindingswoord is want. Want is het voegwoord. |
- Het heeft dit jaar niet gevroren, daardoor konden we niet schaatsen.
zin 1 is; Het heeft dit jaar niet gevroren.
zin 2 is: We konden niet schaatsen. |
Het verbindingswoord is daardoor. Daardoor is het voegwoord. |
Je ziet dat in de samengestelde zinnen het tweede deel soms een andere volgorde heeft en soms ook niet. Dat komt door het soort voegwoord dat je gebruikt.
Voorbeeld
Kijk naar de plek waar de persoonsvorm staat.
- We moeten naar huis. Het regent. (want) |
We moeten naar huis, want het gaat straks waarschijnlijk hard regenen. |
- We moeten naar huist. Het regent. (omdat) |
We moeten naar huist, omdat het straks waarschijnlijk hard gaat regenen. |
- Het was heel glad op de weg. De auto vloog uit de bocht. (en) |
Het was heel glad op de weg en de auto vloog uit de bocht. |
- Het was heel glad op de weg. De auto vloog uit de bocht. (waardoor) |
Het was heel glad op de weg, waardoor de auto uit de bocht vloog.
|
Je hoeft dit niet uit je hoofd te leren, je oefent dit bij de opdrachten.
2. Voegwoorden aan het begin van de zin.
Soms staan voegwoorden orden aan het begin van de zin. Ook dan verbinden ze twee zinnen aan elkaar.
Voorbeeld
Ik heb mijn huiswerk af. Ik mag naar het feest. (als) |
Als ik mijn huiswerk af heb, mag ik naar het feest. |
Je gaat schilderen. Je moet alles goed schuren. (voordat) |
Voordat je gaat schilderen, moet je alles goed schuren. |
Mijn broer ruimt zijn kamer op. Ik veeg de keuken aan. (terwijl) |
Terwijl mijn broer zijn kamer opruimt, veeg ik de keuken aan. |
3. Voegwoorden tussen woorden.
Voegwoorden tussen woorden geven vaak een opsomming, een keuze of een tegenstelling aan. Het is dan vaak een enkelvoudige zin met één persoonsvorm.
Voorbeeld
- Hij is niet groot, maar klein.
- Ik koop appels en peren.
- Wil je cola of water?