Thema: Een dier in huis? vmbo-b34

Thema: Een dier in huis? vmbo-b34

Thema: Een dier in huis?

Intro

Een dier in huis?
“Ruim 56% van de huishoudens in Nederland heeft één of meer huisdieren.
Dat betekent dat er miljoenen honden, katten, knaagdieren, vogels en andere dieren als gezelschapsdier worden gehouden.

De Dierenbescherming vindt dat niet alle dieren geschikt zijn als huisdier. En we vinden ook dat je vóórdat je een dier in huis neemt, goed moet nadenken of je geld hebt voor bijvoorbeeld de dierenarts en voer.

Laat je dus niet verleiden als je een schattig nestje kittens of pups ziet, voordat je je goed verdiept hebt in wat het inhoudt om een dier te verzorgen.

Kijk in de volgende video naar het werk van de dierenbescherming. 

Een huisdier kost tijd. Een hond moet je uitlaten, met een kat moet je regelmatig spelen.
En bedenk dat sommige dieren liever niet in hun eentje bij je wonen. Konijnen bijvoorbeeld, hebben altijd een maatje nodig, anders vereenzamen ze.

Ga ook niet blind af op het uiterlijk van een dier, of een bepaald ras. Het is belangrijk dat een dier bij jou,
je woonsituatie en leefstijl past.”

Dit thema gaat over verschillende huisdieren, maar ook over dieren die je liever niet in huis hebt
of kunt hebben. Je leert hoe verschillende dieren zijn gebouwd (skelet en ogen).
Je leert ook op welke verschillende manieren ze ademhalen en ze zich voortplanten.

Je rondt dit thema af met een aantal examenvragen.
 

Wat ga ik leren?

Kennis
K6 Skelet en bewegen

  • De functies van een (inwendig of uitwendig) skelet beschrijven.
  • Van dieren aangeven of ze een inwendig of een uitwendig skelet hebben.
  • Minimaal twee voorbeelden geven dieren die geen skelet hebben.
  • Uitleggen hoe dieren zonder skelet aan hun stevigheid komen.
  • Aan de bouw van poten zien of een dier een teenganger, hoefganger of zoolganger is.

K6 Ademhaling bij dieren

  • Omschrijven welke organen organismen gebruiken om zuurstof op te nemen en koolstofdioxide af te geven.
    • Insecten gebruiken tracheeën.
    • Vissen gebruiken kieuwen.
    • Amfibieën gebruiken longen, kieuwen en de huid.
    • Reptielen, vogels en zoogdieren gebruiken longen.
  • Omschrijven wat ademhaling, verbranding en fotosynthese met elkaar te maken hebben.

K11 Kijken

  • De onderdelen van het oog aanwijzen in een afbeelding.
  • De functie(s) van de onderdelen van het oog beschrijven.
  • De werking van het oog uitleggen.
  • Omschrijven hoe het oog wordt beschermd tegen vuil.

K12 Voortplanting bij dieren

  • Met behulp van voorbeelden duidelijk maken wat het verschil is tussen inwendige en uitwendige bevruchting.
  • Aangeven welke groepen dieren eieren leggen.

Vaardigheden
Aan het eind van dit thema kan ik:

  • Het skelet van een mens vergelijken met een skelet van een dier.
  • Kenmerken van een klasse dieren opzoeken met behulp van filmpjes en internetbronnen.
  • Een natuurgetrouwe tekening maken van een oog.
  • De opgedane kennis over een onderwerp presenteren door vragen (+ antwoorden) over het onderwerp te maken.

Wat kan ik al?

Weet je het nog
Het thema Een dier in huis? is het tiende thema.
De theorie uit enkele modules die je in de eerste thema's bent tegengekomen, heb je ook nodig bij de afsluiting van dit thema.
Als je twijfelt of je het nog weet, klik de modules hieronder dan nog eens door.

Module

Levenskenmerken

Module

Dissimilatie

Module

Determineren

Module

Relaties tussen organismen

Module

Biotische en abiotische factoren

Module

Geraamte

Module

Hart en bloedsomloop

Module

Hormonen

Module

Man en vrouw

Wat ga ik doen?

Het thema Een dier in huis? bestaat uit de volgende onderdelen.
In de tabel staat per activiteit hoeveel lessen je ongeveer nodig hebt.

Activiteit

Aantal lessen

Inleiding

 

Wat kan ik straks?

0,5

Wat kan ik al?

2

Wat ga ik doen?

0,5

Modules

 

Module: Skelet en bewegen

3

Module: Ademhaling bij dieren

2

Module: Kijken

2

Module: Voortplanting bij dieren

2

Afsluiting

 

Samenvattend

0,5

Eindopdracht: examenvragen Een dier in huis?

0,5

Terugkijken

0,5

Totaal:

13 à 14

 

 

Modules

Skelet en bewegen

Skelet en bewegen

Intro

Open de interactieve schoolplaat van SchoolTV.
Deze schoolplaat gaat over je geraamte.

Start de videotour 'Reis door je skelet'.
Bespreek na het kijken van de tour met een klasgenoot welke functies ons skelet heeft.

Wat kan ik straks?

Aan het eind van deze module kan ik:

  • de functies van een (inwendig of uitwendig) skelet beschrijven.
  • van dieren aangeven of ze een inwendig of een uitwendig skelet hebben.
  • minimaal twee voorbeelden geven dieren die geen skelet hebben.
  • uitleggen hoe dieren zonder skelet aan hun stevigheid komen.
  • aan de bouw van poten zien of een dier een teenganger, hoefganger of zoolganger is.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag

Stap

Activiteit

Stap 1

Je bestudeert het Kennisbankitem dat past bij dit onderdeel en test je kennis.

Stap 2

Vergelijk het skelet van een mens met het skelet van een paard.

Stap 3

Maak het gewervelden kwartet.

Stap 4

Bekijk de video over zoolgangers, teengangers en topgangers en beantwoord de vragen.

Afronding

Onderdeel

Activiteit

Samenvattend

Hier vind je de begrippenlijst die hoort deze module.

Examenopgaven

Maak de examenopgaven die passen bij de module.

Terugkijken

Terugkijken op de module.


Tijd
Voor deze opdracht heb je drie lesuren nodig.

 

Aan de slag

Stap 1: Kennisbank

Je hebt dieren met een skelet en dieren zonder skelet.
Dieren met een skelet kun je onderverdelen in dieren met een inwendig skelet en
dieren met een uitwendig skelet.

Hoe dat precies in elkaar zit, bestudeer je in de onderstaande Kennisbankitems.

Skelet en bewegen

Geraamte


Test je kennis
Beantwoord de volgende vragen over de theorie in de Kennisbank.

 

Stap 2: Mens en paard

Een mens is een zoolganger. Het paard is een hoefganger.
Een paard loopt letterlijk op de top van zijn tenen.
Het onderste deel van een paardenbeen bevat dan ook minder botten dan het onderste deel van een mensenbeen.

Stap 3: Gewervelden kwartet

Benodigdheden:

  • 4 kaartjes van karton per groepje
    Maak een kopie van het werkblad in je eigen omgeving (Bestand - Een kopie maken...) of download het werkblad (Bestand - Downloaden als).
  • Schaar en lijm
  • Printer
  • Tekenmateriaal

Het dierenrijk bestaat uit allerlei afdelingen, klassen en soorten.
Dieren kun je verdelen in twee groepen: ongewervelde en gewervelde dieren.
Gewervelde dieren hebben een inwendig skelet hebben en een wervelkolom.

De gewervelde dieren kun je verder indelen in vijf klassen:
vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren.

Je werkt in groepjes.
Overleg met je docent welke klasse jouw groep gaat onderzoeken.
Ga op zoek naar kenmerken over jullie klasse.
Daarna maak je een kwartet (vier kaartjes).

  • Bekijk dan de filmpjes waarin informatie wordt gegeven over jullie klasse.
  • Noteer de kenmerken van de klasse die je hoort en ziet.
    Let daarbij op:
    • koudbloedig of warmbloedig
    • de huid
    • de manier van voortplanten (inwendig of uitwendig en wel of geen eieren)
    • de manier van ademhalen
    • de omgeving waar ze leven
  • Noteer de soorten die je in het filmpje hoort en ziet.

  • Maak nu het kwartet. Een kwartet bestaat uit 4 kaartjes van verschillende soorten dieren die tot jullie klasse behoren.
  • Op elk kaartje komt:
    • een afbeelding (geprint of getekend) van het dier
    • de naam van de soort
    • 4 kenmerken van de klasse
    • Geef één van de 4 kenmerken een afwijkend kleurtje.
  • Overleg met je docent wie de kaartjes kopieert (zo mogelijk in kleur). Knip de kaartjes samen uit.
  • Je krijgt in je groepje van alle klassen een kwartet.
  • Speel het spel.

Kwartet maken

Een kwartetspel is een creatieve manier om informatie te presenteren.

 

Stap 4: Op poten staan

Bekijk de video en beantwoord daarna de volgende vragen:

Afronding

Begrippenlijst

Hier vind je de begrippenlijst die hoort bij deze opdracht.

Inwendig skelet
Het geraamte bij gewervelde dieren.

Uitwendig skelet
Het pantser bij geleedpotige dieren (bijvoorbeeld insecten).

Borstels
De lichaamssegmenten van regenwormen zijn steeds voorzien van kleine, verharde en borstelachtige uitsteeksel.

Gewrichten
Beweeglijke verbinding tussen twee botten/beenderen.

Botten
Bot is een hard beenweefsel dat aanwezig is bij veel dieren en bij de mens.

Spieren
Een spier is een weefselstructuur van cellen die de eigenschap hebben te kunnen samentrekken waardoor beweging mogelijk is.

Zoolgangers
Zoolgangers hebben een vrij langzame gang. Voorbeelden van zoolgangers zijn mensen, beren en apen.

Teengangers
Maken alleen met de teenkootjes en middenvoetsbeentjes contact met de grond. Voorbeelden van teengangers zijn de katachtigen en honden.

Hoefgangers
Lopen op de tippen van hun vingers of tenen (teenkootjes). Voorbeelden van hoefgangers zijn paarden, koeien en olifanten.

Been
Been is keihard en stevig en tevens hetgeen waar botten uit bestaan.

Kraakbeen
Kraakbeen is weefsel dat stevig is en toch ook buigzaam.

Schedel
De schedel staat bovenop de wervelkolom en heeft een beschermende functie.

Romp
De romp bestaat uit de wervelkolom, de ribben, de schoudergordel en de bekkengordel. De romp heeft een beschermende functie.

Wervelkolom
De wervelkolom is veerkrachtig en heeft een beschermende een beschermende en vormgevende functie.

Beenmerg
Beenmerg weefsel in de beenderen van gewervelde dieren, o.a. in ruggenwervel en borstbeen. Speelt een rol bij het vormen van botweefsel en bloed.

Tussenwervelschijf
Een kraakbeenkussentje, gevuld met vocht, gelegen tussen elke wervel en de volgende.

Wervellichaam
De buikzijde van de tussenwervelschijf.

Uitsteeksels
De rugzijde van de tussenwervelschijf.

Bekkengordel
De bekkengordel wordt gevormd door de heupbeenderen en het heiligbeen.

Ledematen
Benaming voor armen en benen.

Kalk
Kalk is een stevige stof die je in je botten vindt en voorkomt dat je botten te soepel zijn.

Lijmstof
Lijmstof is een soepele stof die je in je botten vindt en voorkomt dat je botten te broos zijn.

Examenopgaven

Je hebt in deze module veel theorie bestudeerd en veel opdrachten gemaakt.
In de afsluiting ga je aan de slag met examenvragen over dit onderwerp. Lees eerst de tips.

Tips

 

Van de examenvragen kan de voortgang worden bijgehouden op ExamenKracht.
Vraag verdere instructies aan je docent.

Hier vind je de examens van biologie waarmee je kunt oefenen.

Examens vmbo-b34

Terugkijken

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Heb je in 3 uur alle stappen kunnen doorlopen?
    Heb je in die tijd ook het kwartet kunnen maken?
  • Inhoud
    Vond je het maken van een kwartet een leuke manier om te leren?
    Waarom wel of waarom niet?
  • Examenopgaven
    Heb je de examenopgaven gemaakt? Ging het goed?

Ademhaling bij dieren

Ademhaling bij dieren

Intro

Dat zoogdieren, en dus ook wij mensen, ademen met longen is een bekend iets.

Maar weet je ook hoe de volgende dieren ademen? Praat erover met een klasgenoot.
Jullie mogen de informatie ook opzoeken op internet.

Het antwoord vinden jullie in de Kennisbank in stap 1.

  • kwal
  • vlo
  • clownvis
  • kikker
  • adelaar

Wat kan ik straks?

Aan het eind van deze module kan ik:

  • omschrijven welke organen organismen gebruiken om zuurstof op te nemen en koolstofdioxide af te geven:
    • Insecten gebruiken tracheeën.
    • Vissen gebruiken kieuwen.
    • Amfibieën gebruiken longen, kieuwen en de huid.
    • Reptielen, vogels en zoogdieren gebruiken longen.
  • omschrijven wat ademhaling, verbranding en fotosynthese met elkaar te maken hebben.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag

Stap

Activiteit

Stap 1

Je bestudeert het Kennisbankitem dat past bij dit onderdeel en test je kennis.

Stap 2

Bekijk de video's. Welke dieren gebruiken longen bij het ademhalen?

Stap 3

Bekijk de video over warm- en koudbloedige dieren en beantwoord de vragen.

Stap 4

Welke aanpassingen hebben waterdieren om te kunnen overleven in het water?

Stap 5

Bestudeer de informatie over Verbranding en beantwoord de vragen.

Afronding

Onderdeel

Activiteit

Samenvattend

Hier vind je de begrippenlijst die hoort deze module.

Examenopgaven

Maak de examenopgaven die passen bij de module.

Terugkijken

Terugkijken op de module.


Tijd
Voor deze opdracht heb je drie lesuren nodig.

 

Aan de slag

Stap 1: Kennisbank

Ademhaling bij dieren
Dieren hebben energie nodig om te kunnen leven.
De energie halen ze uit hun eten.
In alle lichaamscellen vindt verbranding plaats waarbij energie vrij komt.
Daarvoor is wel voldoende zuurstof nodig.
Dieren nemen zuurstof op met behulp van hun ademhalingsorganen.

Bestudeer uit de Kennisbank biologie het volgende onderdeel.

Ademhaling bij dieren


Test je kennis
Beantwoord de volgende vragen over de theorie in de Kennisbank.

Stap 2: Longen

Bekijk de video over de werking van de longen. De informatie in de video kun je gebruiken bij het beantwoorden van de vragen onderaan deze stap.

Bekijk nu de video's over de taipan, kookaburra en witte haai, die horen bij één van de vragen hieronder. 

 

Stap 3: Warm- en koudbloedige

In de module Skelet heb je verschillende kenmerken van gewervelde dieren onderzocht.
Je hebt gezien dat er koudbloedige- en warmbloedige dieren zijn.
Bekijk het filmpje:

 

Stap 4: Waterdieren

Stap 5: Ademhaling, verbranding en fotosynthese

Weet je nog wat er gebeurt bij verbranding in een organisme?

Dissimilatie - Verbranding

 

Afronding

Begrippenlijst

Hier vind je de begrippenlijst die hoort bij deze opdracht.

Ééncellige
Organisme bestaande uit één cel.

Sponzen
Dieren zonder wervelkolom of ruggengraat.

Holtedieren
Ook wel neteldieren genoemd; groep ongewervelde dieren die veelzijdig symmetrisch zijn en geen skelet hebben. Bijvoorbeeld: kwal en zeeanemoon.

Huidademhaling
Uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide door de huid heen, bijvoorbeeld bij amfibiën, zoals kikkers.

Wormen
Groep van ongewervelde dieren die tweezijdig symmetrisch zijn en geen skelet hebben.

Stigmata
Kleine gaatjes in het lichaam van een insect waardoor deze ademt.

Tracheeën
Een netwerk van buisjes die verbonden zijn aan de stigmata.

Kieuwen
Ademhalingssorgaan van waterdieren, bijvoorbeeld vissen en kikkervisjes (larven van kikker)

Amfibieën
Gewerveld dier, koudbloedig, met een dunne slijmerige huid, legt eieren zonder schaal in het water, haalt als jong adem met kieuwen en huid, haalt als volwassen dier adem met huid en longen

Huid
Buitenste bekleding van het lichaam van dieren en mensen. Heeft o.a. als functies: bescherming tegen schadelijke bacteriën en temperatuurregeling (o.a. door het uitscheiden van vocht (zweet)). De huid is het grootste orgaan en een belangrijk zintuig (voelen)

Longen
Organen die betrokken zijn bij het in- en uitademen en het opnemen van zuurstof en afgeven van koolstofdioxide. Onderdeel van het ademhalingsstelsel. Uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide vindt plaats in de longen tussen longblaasjes en bloed.

Reptielen
Gewerveld dier, koudbloedig, leerachtige huid met schubben, legt eieren met een leerachtige schaal, haalt adem met longen

Zuurstof
Molecuul bestaat uit twee zuurstof atomen; gas dat ontstaat bij fotosynthese in planten en nodig is voor verbranding.

Vogels
Gewerveld dier, warmbloedig, huid bedekt met veren, legt eieren met een kalkschaal, haalt adem met longen.

Middenrif
Spier, scheiding tussen borstholte en buikholte, belangrijk bij de ademhaling.

Longblaasjes
Deel van de longen waar uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide plaatsvindt tussen lucht en bloed.

Examenopgaven

Je hebt in deze module veel theorie bestudeerd en veel opdrachten gemaakt.
In de afsluiting ga je aan de slag met examenvragen over dit onderwerp. Lees eerst de tips.

Tips

 

Van de examenvragen kan de voortgang worden bijgehouden op ExamenKracht.
Vraag verdere instructies aan je docent.

Hier vind je de examens van biologie waarmee je kunt oefenen.

Examens vmbo-b34

Terugkijken

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Ben je ongeveer 3 uur met de opdracht bezig geweest?
  • Inhoud
    Bekijk stap 2 t/m 4 nog eens. Van welke stap heb je het meeste geleerd?
  • Begrippenlijst
    Heb je de begrippenlijst bekeken? Vind je het handig dat er een begrippenlijst is?
  • Examenopgaven
    Heb je de examenopgaven gemaakt? Ging het goed?

Kijken

Kijken

Intro

Deze module gaat over de bouw en werking van je ogen. Wist jij dat de beelden die je ziet op de kop je ogen binnenkomen?

Kijk om te beginnen maar eens naar deze video en maak daarna de rest van de module.

Wat kan ik straks?

Aan het eind van deze module kan ik:

  • de onderdelen van het oog aanwijzen in een afbeelding.
  • de functie(s) van de onderdelen van het oog beschrijven.
  • de werking van het oog uitleggen.
  • omschrijven hoe het oog wordt beschermd tegen vuil.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag

Stap

Activiteit

Stap 1

Je bestudeert het Kennisbankitem dat past bij dit onderdeel en test je kennis.

Stap 2

Voer het practicum 'Oog tekenen' uit.

Stap 3

Kijk of je weet hoe het oog in elkaar zit.

Stap 4

Bekijk de video en maak zelf een quiz over het oog.

Stap 5

Welk dier kan het beste zien? Zet je bevindingen in een tabel.

Afronding

Onderdeel

Activiteit

Samenvattend

Hier vind je de begrippenlijst die hoort deze module.

Examenopgaven

Maak de examenopgaven die passen bij de module.

Terugkijken

Terugkijken op de module.


Tijd
Voor deze opdracht heb je 2 à 3 lesuren nodig.

 

Aan de slag

Stap 1: Kennisbank

In de module 'Kijken' bestudeer je de bouw van het oog en leer je hoe het oog werkt.
In de module wordt ook uitgelegd wat bijziendheid en verziendheid is.

Bestudeer uit de Kennisbank biologie het volgende onderdeel:

Kijken


Test je kennis
Beantwoord de volgende vragen over de theorie in de Kennisbank.

Stap 2: Teken een oog

Doe deze opdracht in tweetallen.

Toepassing Oog tekenen

  • Download nu het practicum Oog tekenen..
    Maak een kopie van het werkblad in je eigen omgeving (Bestand - Een kopie maken...)
    of download het werkblad (Bestand - Downloaden als).
  • Lees het practicum een keer helemaal door.
  • Ga tegenover elkaar zitten en bekijk elkaars ogen goed.
  • Teken (en kleur) elkaars oog natuurgetrouw na, gebruik hiervoor het hele tekenvlak. Maak gebruik van de informatie in de Gereedschapskist.
  • Houd je bij het tekenen aan de tekenregels.
  • Ben je klaar? Laat de tekening dan zien aan je klasgenoot.
    Bekijk ook zijn/haar tekening. Wie wist de meeste onderdelen te benoemen?
    Zijn er verder nog opvallende verschillen? Bespreek die verschillen.
  • Beoordeel eerst zelf de tekening.
  • Laat de tekening vervolgens beoordelen door je docent.

 

 

Natuurgetrouwe tekening maken

In een natuurgetrouwe tekening verwerp je veel meer details dan in een schematische tekening. Je zorgt ervoor dat je het object zo realistisch mogelijk weergeeft.

 

Stap 3: Bouw van het oog

Weet je na het bestuderen van het Kennisbankitem hoe het oor in elkaar zit?
Maak de oefening.

Je kunt de oefening ook op een werkblad doen.

Toepassing Het oog

  • Download dan het werkblad Bouw oog.
    Maak een kopie van het werkblad in je eigen omgeving (Bestand - Een kopie maken...) of download het werkblad (Bestand - Downloaden als).
  • Schrijf de namen van de onderdelen op de juiste plaats
  • Gebruik de informatie in de Kennisbank om je antwoorden te checken.

 

Stap 4: Het oog

In de volgende video komen de verschillende onderdelen van het oog aan bod.
Je hoort en ziet ook wat de functie is van die onderdelen.
Bedenk na het kijken drie vragen bij dit filmpje.
Zorg ervoor dat je zelf het antwoord weet!

Spreek met je docent af op welke manier je de vragen met de antwoorden inlevert en/of deelt met je klasgenoten.
 

Quiz maken

Bij het maken van een quiz ontwerp je zelf de vragen in groepjes. Via een puntensysteem wordt de winnaar bepaald. Daarna worden de antwoorden besproken.

 

Stap 5: Dieren kijken

In de volgende video zie je verschillende dieren die allemaal op een andere manier kijken en daar voordeel van hebben. Na het kijken maak je een tabel waarin je de informatie uit de video gaat verwerken.

Bekijk de video. 

 

Afronding

Begrippenlijst

Hier vind je de begrippenlijst die hoort bij deze opdracht.

Het oog
Een zintuig; orgaan met zintuigcellen die licht registreren/waarnemen, waardoor je kunt zien.

Pupil
Opening in het midden van de iris, waardoor licht het oog binnenkomt.

Hoornvlies
Voorste deel van het harde oogvlies. Het is stevig en doorzichtig.

Lens
Deel van het oog (achter de pupil) dat ervoor zorgt dat lichtstralen naar elkaar toe gebogen worden en op het netvlies terechtkomen.

Iris
Het gekleurde deel van het oog.

Straalvormig lichaam
Kringspier en lensbandjes die ervoor zorgen dat het oog kan accommoderen.

Oogspier
Draait oog in de gewenste kijkrichting.

Harde oogvlies
Heeft een vormgevende en beschermende functie en is wit van kleur. Het harde oogvlies zit om de hele oogbol heen.

Vaatvlies
Vlies dat veel bloedvaten bevat.

Netvlies
De binnenste laag van het oog dat bestaat uit zintuigcellen (staafjes en kegeltjes), die beelden omzetten in elektrische signalen. Deze signalen gaan via de oogzenuw naar de hersenen.

Glasachtig lichaam
Heldere, geleiachtige substantie in het midden van het oog.

Gele vlek
Deel van het netvlies waar het scherpste beeld gevormd wordt (veel kegeltjes).

Blinde vlek
Plaats van het netvlies waar de oogzenuw het oog verlaat en waar geen kegeltjes of staafjes voorkomen.

Oogzenuw
Zenuw die impulsen van het oog naar de hersenen doorgeeft.

Accommoderen
Het boller of holler maken van de ooglens met kleine spiertjes om scherp te kunnen zien.

Bijziend
Bij een bijziend oog ligt het brandpunt voor het netvlies.

Verziend
Bij een verziend oog ligt het brandpunt achter het netvlies.

Reflex
Een zeer snelle reactie van het zenuwstelsel, waarbij het signaal in eerste instantie niet via de hersenen verloopt, maar alleen via de hersenstam.

Staafjes
Zintuigcellen op het netvlies die zwart-grijs-wit en contrasten kunnen waarnemen; ze worden vooral gebruikt in schemer en donker en nemen geen kleuren en details waar.

Kegeltjes
Zintuigcellen op het netvlies die kleuren, licht en details kunnen waarnemen; ze liggen vooral in, maar ook rondom de gele vlek.

Brandpunt
Het punt waarop de lichtstralen gebundeld door de lens gaan.

Zien
Het waarnemen van licht (kleuren, diepte, licht/donker) met de ogen (gezichtszintuig).

Examenopgaven

Je hebt in deze module veel theorie bestudeerd en veel opdrachten gemaakt.
In de afsluiting ga je aan de slag met examenvragen over dit onderwerp. Lees eerst de tips.

Tips

 

Van de examenvragen kan de voortgang worden bijgehouden op ExamenKracht.
Vraag verdere instructies aan je docent.

Hier vind je de examens van biologie waarmee je kunt oefenen.

Examens vmbo-b34

Terugkijken

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je 2 à 3 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Klopt dat?
  • Inhoud
    Je hebt het oog al eens eerder bestudeerd. Wist je meeste nog?
    Schrijf op wat nieuw voor je was.
  • Examenopgaven
    Veel examenopgaven bij deze opdracht.
    Heb je ze allemaal gemaakt? Ging het goed?

Voortplanting bij dieren

Voortplanting bij dieren

Intro

Voortplanting in het dierenrijk is qua gevoel niet helemaal hetzelfde als bij mensen. Over het algemeen is van liefde weinig sprake, het gaat om het resultaat!

Niet bij elke diersoort is voortplanting vanzelfsprekend. Kijk maar eens naar de volgende video. Bespreek daarna met een klasgenoot waarom voortplanting bij panda's niet zomaar gebeurt.

Wat kan ik straks?

Aan het eind van deze module kan ik:

  • (met behulp van voorbeelden) duidelijk maken wat het verschil is tussen inwendige en uitwendige bevruchting.
  • aangeven welke groepen dieren eieren leggen.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag

Stap

Activiteit

Stap 1

Je bestudeert het Kennisbankitem dat past bij dit onderdeel en test je kennis.

Stap 2

Bekijk de video 'Kip en ei' en beantwoord de vragen.

Stap 3

Bestudeer de voortplanting van stekelbaarsjes.

Stap 4

Hoe planten gambusia's zich voort? Bekijk de video.

Stap 5

Bestudeer het voortplantingsstelsel van een hond.

Afronding

Onderdeel

Activiteit

Samenvattend

Hier vind je de begrippenlijst die hoort deze module.

Examenopgaven

Maak de examenopgaven die passen bij de module.

Terugkijken

Terugkijken op de module.


Tijd
Voor deze opdracht heb je twee lesuren nodig.

 

Aan de slag

Stap 1: Kennisbank

Bestudeer uit de Kennisbank biologie het onderdeel:

Voortplanting bij dieren


Test je kennis
Beantwoord de volgende vragen over de theorie in de Kennisbank.

 

Stap 2: Kippen en eieren

Bekijk de video over het paren van een haan en hen.

 

Bij de paring drukt de haan zijn lichaamsopening, de cloaca, tegen de cloaca van de hen.
Er komt een kleine penis uit de cloaca van de haan en daar komt sperma uit.

De zaadcellen zoeken hun weg naar de eicel van de hen.
De eileider is een gekronkelde buis van ongeveer 75 centimeter lang.

De dooier zakt langzaam de eileider af naar buiten. Een dooier is eigenlijk een eicel met veel reservevoedsel. Onderweg wordt hij netjes ingepakt. Eerst komt er eiwit omheen, daarna twee vliezen en de schaal.
Terwijl het ei door de eileider glijdt, wordt de voorkant puntig, de achterkant blijft stomp.

Stap 3: Voortplanting

Bekijk de video. Lees voor het kijken de vragen onder de video door. De antwoorden kun je (deels) in de video vinden.

 

Stap 4: Gambusia’s

Bron: NOZO
commons.wikipedia.org

Bekijk de video over gambusia's. Lees voor het kijken de vragen onder de video door. De antwoorden kun je (deels) in de video vinden.

Stap 5: Honden

Een hond is een zoogdier.
De voortplantingsorganen van een hond verschillen niet zo veel van de mens.
Je ziet hier afbeelding van de geslachtsorganen van een reu en een teefje.

Afronding

Begrippenlijst

Hier vind je de begrippenlijst die hoort bij deze opdracht.

Zaadcel
Zaadcel (spermacel) van dier of mens, mannelijke voortplantingscel.

Eicellen
Vrouwelijke voortplantingscel van dier, mens of plant.

Balts
Gedrag dat vooraf gaat aan de voortplanting (paring): verleiden of versieren van een partner.

Nesteldrang
Instinctief (= erfelijk vastgelegd), vaak door hormonen gestuurd gedrag van dieren en mensen ter voorbereiding op het krijgen van jongen.

Paring
Zich voortplanten.

Penis
Mannelijk geslachtsorgaan, ook wel lid genoemd, dat wordt gebruikt om urine te lozen, voor seksualiteit en geslachtsgemeenschap.

Inwendige bevruchting
Vorm van geslachtelijke voortplanting waarbij de eicel in het lichaam van het vrouwtje wordt bevrucht, bijvoorbeeld bij zoogdieren en vogels.

Uitwendige bevruchting
Vorm van geslachtelijke voortplanting waarbij de eicel buiten het lichaam van het vrouwtje wordt bevrucht. Bijvoorbeeld bij kikkers en vissen.

Larve
Eerste levensfase nadat het dier uit het ei gekomen is en waarbij het uiterlijk en de levenswijze afwijkt van het volwassen dier. Bijvoorbeeld een kikkervisje, made, emelt, rups of engerling.

Pop
Levensfase waarbij de larve zich ontwikkelt tot een volwassen dier. Verpoppen is een proces bij de volledige metamorfose van veel insecten, zoals vlinders, vliegen en kevers. Het dier eet niet, beweegt niet, terwijl van binnen nieuwe organen ontwikkelen (bijvoorbeeld vleugels).

Imago
Volwassen insect na metamorfose. In deze levensfase kan het insect zich voortplanten.

Broedzorg
Verschijnsel dat één of beide ouders een kortere of langere tijd voor hun nageslacht zorgen (eieren en jongen).

Examenopgaven

Je hebt in deze module veel theorie bestudeerd en veel opdrachten gemaakt.
In de afsluiting ga je aan de slag met examenvragen over dit onderwerp. Lees eerst de tips.

Tips

 

Van de examenvragen kan de voortgang worden bijgehouden op ExamenKracht.
Vraag verdere instructies aan je docent.

Hier vind je de examens van biologie waarmee je kunt oefenen.

Examens vmbo-b34

Terugkijken

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je uitleggen wat het verschil is tussen inwendige en uitwendige bevruchting?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Ben je 2 uur met de opdracht bezig geweest?
  • Inhoud
    Was de inhoud van de opdracht nieuw voor je of wist je het meeste al?
    Schrijf op wat nieuw voor je was.
  • Examenopgaven
    Heb je de examenopgaven gemaakt? Ging het goed? Is de extra uitdaging ook gelukt?

Afsluiting

Samenvattend

Hier vind je de Kennisbankitems bij dit thema.

Examenvragen

Je hebt in zeven modules veel theorie bestudeerd en veel opdrachten gemaakt.
In de afsluiting ga je aan de slag met examenvragen over dit onderwerp. Lees eerst de tips.

Tips


Van de examenvragen kan de voortgang worden bijgehouden op ExamenKracht.
Vraag verdere instructies aan je docent.

VMBO-B34 2018-TV1

VMBO B34 2018-TV1 Vraag 28
VMBO B34 2018-TV1 Vraag 35

VMBO-B34 2019-TV1

VMBO B34 2019-TV1 Vraag 21
VMBO B34 2019-TV1 Vraag 22
VMBO B34 2019-TV1 Vraag 23
VMBO B34 2019-TV1 Vraag 24

VMBO-B34 2021-TV1

VMBO B34 2021-TV1 Vragen 4 en 5
VMBO B34 2021-TV1 Vraag 6
VMBO B34 2021-TV1 Vragen 13-15
VMBO B34 2021-TV1 Vraag 18
VMBO B34 2021-TV1 Vraag 31
VMBO B34 2021-TV1 Vraag 32

VMBO-B34 2021-digitaal examenvariant 1

VMBO B34 2021-digitaal exvariant 1 Vraag 4
VMBO B34 2021-digitaal exvariant 1 Vraag 21

VMBO-B34 2021-digitaal examenvariant 2

VMBO B34 2021-digitaal exvariant 2 Vraag 12
VMBO B34 2021-digitaal exvariant 2 Vraag 15
VMBO B34 2021-digitaal exvariant 2 Vraag 16

Terugkijken

Intro

  • Kijk nog eens naar de intro van het thema. Sluit de intro goed aan bij het thema?
    Waarom wel/niet?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • De leerdoelen van dit thema vind je onder het kopje 'Wat ga ik leren?'
    Lees die leerdoelen nog eens door. Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Voor dit thema was ongeveer 13 uur gepland.
    Klopt dat met het aantal uur dat je met dit thema bezig bent geweest?
  • Modules
    Kijk nog eens naar de titels van de modules.
    Passen alle modules bij de intro van het thema? Welke wel en welke niet?
  • Inhoud
    Niet alle modules waren helemaal nieuw.
    Een deel van de stof heb je in klas 1 of 2 ook al behandeld?
    Schrijf twee onderwerpen op die helemaal nieuw waren.
  • Examenvragen
    Heb je de examenvragen gemaakt? Ging het goed?
  • Het arrangement Thema: Een dier in huis? vmbo-b34 is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt, maakt en deelt.

    Auteur
    VO-content
    Laatst gewijzigd
    06-11-2025 22:20:02
    Licentie

    Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding en publicatie onder dezelfde licentie vrij bent om:

    • het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat
    • het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
    • voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.

    Meer informatie over de CC Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie.

    Het thema 'Een dier in huis?' is ontwikkeld door auteurs en medewerkers van StudioVO.

    Fair Use
    In de Stercollecties van StudioVO wordt gebruik gemaakt van beeld- en filmmateriaal dat beschikbaar is op internet. Bij het gebruik zijn we uitgegaan van fair use.
    Meer informatie: Fair use

    Mocht u vragen/opmerkingen hebben, neem dan contact op via de helpdesk VO-content.

    Aanvullende informatie over dit lesmateriaal

    Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar:

    Toelichting
    Dit thema valt onder de arrangeerbare leerlijn van de Stercollecties voor biologie voor vmbo-b34. Dit thema heet een dier in huis en bevat 4 onderwerpen. Het eerste onderwerp is skelet en bewegen, hierbij leer je wat de functie is van je inwendige en uitwendige skelet en kan je aangeven of een dier een inwendig of uitwendig skelet heeft. Je kan ook twee voorbeelden geven van dieren die geen skelet hebben (holtedieren, wormen en eencelligen) en uitleggen hoe deze dieren aan hun stevigheid komen. Ook kan je aan de bouw van de poten zien of een dier een teenganger, hoefganger of een zoolganger is. Het tweede onderwerp is ademhaling bij dieren, hierbij leer je welke organen organismen gebruiken om zuurstof op te nemen en koolstofdioxide af te geven. Bij eencellige is dat via het celmembraan, bij sponzen, holtedieren en wormen via huidademhaling, bij insecten zijn dit tracheeën, bij vissen kieuwen, bij amfibieën zijn het longen, kieuwen en de huid en bij reptielen, vogels en zoogdieren de longen. Ook leer je wat de ademhaling, verbranding en de fotosynthese met elkaar te maken hebben. Het derde onderwerp is kijken, hierbij leer je de onderdelen van het oog (hoornvlies, lens, pupil, iris, straalvormig lichaam, oogspier, harde oogvlies, vaatvlies, netvlies, glasachtig lichaam, gele vlek, blinde vlek en oogzenuw) aan te wijzen in een afbeelding en de functie(s) te beschrijven. Je weet ook wat de werking van het oog is en hoe het oog word beschermd tegen vuil. Het vierde onderwerp is voortplanting bij dieren, hierbij leer je wat het verschil is tussen inwendige en uitwendige voortplanting en kan je aangeven welke groepen dieren eieren leggen.
    Leerniveau
    VMBO basisberoepsgerichte leerweg, 4; VMBO basisberoepsgerichte leerweg, 3;
    Leerinhoud en doelen
    Biologie; Instandhouding en ontwikkeling;
    Eindgebruiker
    leerling/student
    Moeilijkheidsgraad
    gemiddeld
    Studiebelasting
    10 uur 0 minuten
    Trefwoorden
    arrangeerbaar, b34, biologie, het oog, huidademhaling, inwendige en uitwendig skelet, inwendige en uitwendige voortplanting, kieuwen, longen, stercollectie

    Gebruikte Wikiwijs Arrangementen

    VO-content - Kennisbanken. (z.d.).

    Kennisbank Biologie - blauw

    https://maken.wikiwijs.nl/147184/Kennisbank_Biologie___blauw

    VO-content Biologie. (2020).

    Ademhaling bij dieren vmbo-b34

    https://maken.wikiwijs.nl/73577/Ademhaling_bij_dieren__vmbo_b34

    VO-content Biologie. (2020).

    Kijken vmbo-b34

    https://maken.wikiwijs.nl/73610/Kijken__vmbo_b34

    VO-content Biologie. (2020).

    Skelet en bewegen vmbo-b34

    https://maken.wikiwijs.nl/73576/Skelet_en_bewegen__vmbo_b34

    VO-content Biologie. (2020).

    Voortplanting bij dieren vmbo-b34

    https://maken.wikiwijs.nl/73579/Voortplanting_bij_dieren__vmbo_b34

  • Downloaden

    Het volledige arrangement is in de onderstaande formaten te downloaden.

    Metadata

    LTI

    Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI koppeling aan te gaan.

    Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.

    Arrangement

    IMSCC package

    Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.

    Voor developers

    Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op onze Developers Wiki.