Deze wikiwijs bevat de theorie en alle opdrachten voor 3eklas leerlingen van Vonk Castricum voor schooljaar 2024/2025. Deze stof heb je nodig om je voor te bereiden op het CSPE aan het einde van leerjaar 3.
Profiel Module 1 heet Groene Productie. Het gaat over het produceren van agrarische producten, zowel planten als dieren. Het deel plantenteelt krijg je samen met groenvoorziening, het deel over landbouwhuisdieren krijg je samen met het deel van PM3 over gezelschapsdieren.
Hoofdstuk 1: Veehouderij in Nederland
Het produceren van voedsel wordt ook wel groene productie of landbouw genoemd. Landbouw is op te delen in plantenteelt en veehouderij.
Veehouderij is het houden van landbouwhuisdieren voor productie van bijvoorbeeld vlees, melk of eieren. Dieren die iets produceren, noemen we productiedieren. Niet alle productiedieren zijn gelijk landbouwhuisdieren.
Landbouwhuisdieren
Intensieve en extensieve veehouderij
Intensieve veehouderij is optimaal gebruik maken van grond, mest, kunstmest, enzovoorts om maximaal te produceren. Het houden van landbouwhuisdieren is in Nederland meestal intensieve veehouderij. Grond is schaars in Nederland, en dus duur. Als je grond hebt, wil je zoveel mogelijk geschikt gewas voor vee daar laten groeien. Dat zorgt ervoor dat er veel gebruik wordt gemaakt van mest en kunstmest.
Intensieve veehouderij
Extensieve veehouderij is het houden van weinig dieren op een groot oppervlakte. Denk daarbij aan een schaapskudde die gehouden wordt in een groot natuurgebied. Of aan de Schotse Hooglanders die grazen in de duinen. Een deel van die Hooglanders wordt geslacht en verkocht als “natuurvlees”.
Extensieve veehouderij
Ontwikkelingen
Binnen de veehouderij neemt het aantal bedrijven al jarenlang af. Toch neemt het aantal dieren in sommige gevallen toe. Bedrijven met vee worden grootschaliger, het bedrijf houdt meer dieren. Kleinschalige bedrijven zijn vaak niet rendabel, daar kan niet genoeg verdient worden om van te leven voor een veehouder en zijn of haar gezin. Deze kleinschalige bedrijven worden overgenomen door grotere veehouderijen die wel rendabel zijn.
Tabel 1; Veehouderij in Nederland
2005
2010
2015
2019*
Bedrijven
Bedrijven met vee
Bedrijven met rundvee
x 1 000
37
33
29
25
Bedrijven met varkens
x 1 000
10
7
5
4
Bedrijven met paarden en pony's
x 1 000
18
15
11
8
Bedrijven met schapen
x 1 000
14
13
11
8
Bedrijven met geiten
x 1 000
5
4
3
3
Bedrijven met kippen
x 1 000
3
2
2
2
Dieren
Runderen
Melk- en fokvee
Melk- en kalfkoeien
x 1 000
1 433
1 479
1 622
1 578
Stieren
x 1 000
31
22
26
23
Overig melk- en fokvee
x 1 000
1 124
1 225
1 324
915
Vleesvee
Vlees- en weidevee
x 1 000
380
322
252
229
Vleeskalveren
x 1 000
829
928
909
1 066
Varkens
x 1 000
11 312
12 255
12 603
12 269
Paarden en pony's
x 1 000
133
143
118
88
Schapen
x 1 000
1 361
1 130
946
918
Geiten
x 1 000
292
353
470
615
Kippen
Leghennen
x 1 000
41 048
47 904
47 684
44 319
Slachtkuikens
x 1 000
44 496
44 748
49 107
48 684
Bron: CBS
Kleinschalige bedrijven die blijven bestaan, doen vaak aanbedrijfsverbreding. Op het bedrijf komen dan bijvoorbeeld pensionpaarden te staan, of er is een camping. Ook kinderopvang of het zelf verwerken van zuivel tot kaas en ijs en deze op het bedrijf verkopen is bedrijfsverbreding. Van oudsher zijn agrarische bedirjven een plek waar ook gezorgd wordt voor mensen, bijvoorbeeld mensen met een beperking. Het veebedrijf omzetten naar een zorgboerderij is een ontwikkeling die de laatste jaren veel wordt gezien.
Gangbaar of biologisch
Gangbare veehouderij is zoals dieren gemiddeld in Nederland gehouden worden. Hoe dat is verschilt per diersoort en per bedrijf net iets.
Biologische veehouderij moet voldoen aan een aantal eisen, die ook gecontroleerd worden. Pas dan is het product biologisch. Onnodige handelingen mogen niet, zoals onthoornen en het preventief gebruik van antibiotica. Ook mag er geen kunstmest gebruikt worden en moet het voer wat de dieren krijgen ook biologisch zijn. Dit maakt de kosten om te produceren hoger, dus zijn biologische producten duurder.
Tussen “gangbaar” en biologisch zitten veel verschillen, maar ook binnen gangbaar zijn verschillen. De veehouderij verandert altijd, nu ook nog. Veel ontwikkelingen zijn op dit moment gericht op duurzaamheid, met oog voor welzijn en natuurbeheer. Grote problemen zoals het stikstofoverschot maken de veehouderij boeiend en dynamisch.
Bedrijfskolommen
Een bedrijfskolom is een keten of ketting van bedrijven die bezig zijn met hetzelfde product. Een melkveehouderij produceert melk. Deze melk wordt geleverd aan de melkfabriek, waar het verwerkt wordt tot allerlei producten of grondstoffen voor andere producten. Ook de klavermesterij en de slachterij horen bij verwerkende bedrijven.
Om de melkveehouderij heen zitten toeleverende bedrijven, zoals bedrijven die krachtvoer maken of kunstmest. Maar ook de veearts en de klauwverzorger, bedrijven die stallen bouwen of machines produceren. De melkveehouder krijgt advies over de voeding van z’n ruwvoer en verzorging van kalveren, bijvoorbeeld. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van specialistische managementprogramma’s, waardoor het houden van de koeien overzichtelijker wordt.
Veearts
melkveehouder
Krachtvoerfabrikant
Klauwverzorger
kalvermesterij
Adviseur
Melkfabriek
(verwerking)
slachterij
Producent van voermengwagens
Stallenbouwer
Vleesverwerker
Stallenbouwer
Onderhoud melkinstallatie
Detailhandel voor verkoop
Programma’s (apps) ivm management vd veestapel
Voor zowel melkvee als vleeskoeien bestaat zo’n bedrijfskolom. Ook voor de vleesvarkenhouderij en voor leghennen of vleeskuiken kan je zo’n bedrijfskolom maken.
Milieuproblemen
Nederland is een echt landbouw land, we zijn hele goede voedselproducenten. Er wordt veel zuivel, eieren en vlees geëxporteerd naar de rest van Europa. Deze dieren worden vooral gevoerd met brokjes, die gemaakt worden uit producten die vanuit bijvoorbeeld Zuid-Amerika geïmporteerd worden.
Het houden van veel dieren in ons kleine land geeft ook problemen. Stankoverlast bijvoorbeeld, maar de mest van al die dieren veroorzaakt een stikstofprobleem.
Beheer van het landelijk gebied
Niet alleen bedrijfsgebouwen, het erf en de weides hebben onderhoud nodig. Op de meeste agrarische bedrijven vind je sloten, houtwallen of boomgaarden. Ook het onderhoud van het landelijk gebied ligt in handen van de veehouder. Sloten moeten onderhouden worden, zodat het overtollig regenwater weg gepompt kan worden naar zee. Houtwallen hebben onderhoud nodig, om veiligheid te garanderen. Zulke houtwallen vormen broedplaatsen voor onder andere vogels. Akkerranden, rondom damhekken en slootkanten die intensief gebruikt worden zijn plekken voor bijzondere plantensoorten, waar weer insecten op af komen. Er is volop leven in het landelijk gebied.
Heb je hoofdstuk 1 voldoende begrepen? Controleer jezelf door het maken van deze diagnotische toets, lever je eerste antwoorden in bij de docent. Je moet minimaal 4 vragen goed scoren om door te mogen naar hoofdstuk 2
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
Er zijn veel bedrijven die dieren houden om daar geld mee te verdienen. We noemen dat bedrijfsmatig dieren houden. Dat zijn bedrijven als een melkveehouderij of een vleesvarkenshouderij, maar ook een manege of een bedrijf wat bewakingshonden opleid en verkoopt. Bij het bedrijfsmatig houden van dieren wordt altijd gezocht naar de balans tussen geld verdienen en welzijn en goede zorg voor dieren.
Productiedoel
Productiedieren worden gehouden met een doel. Soms is het melk, soms vlees of eieren. Een productiedier heeft een productiedoel. Om zoveel mogelijk opbrengst te krijgen, wordt er gericht gefokt met dieren die voldoen aan het productiedoel. Als je een snel groeiend vleesvarken wil, kruis je dieren die snel groeien. Zo ontstaan rassen die voldoen aan een productiedoel. Een melkkoe heeft maar weinig vlees op de botten, maar geeft wel veel melk. Een vleeskoe heeft geen uier wat makkelijk gemolken kan worden.
Het productiedoel van een dier, zie je vaak aan het exterieur. Dat is de buitenkant van het dier, de bouw van het lichaam.
Een melktype koe is wigvormig gebouwd.
Een vleestype koe is blokvormig gebouwd.
Huisvesting van productiedieren
Huisvesting is de manier waarop je een dier houdt, het soort hok of stal. De prijs van producten uit veehouderijbedrijven, wordt bepaald door marktwerking. De veehouder bepaald de prijs niet, hij ”kiest” of hij op dat moment wil verkopen voor die prijs. Met kort houdbare producten als vlees, eieren of melk is er nauwelijks sprake van een keuze.
Om te zorgen dat het houden van dieren rendabel is, wordt gestreefd naar een optimale kostprijs. Zo goedkoop maar goed mogelijk produceren is het streven van de veehouder. Bij goed produceren houdt de veehouder rekening met dierenwelzijn, milieubelasting, natuur- en landschap. Zoveel verschillende belangen op een bedrijf geeft strijd.
Houderijsystemen
Per productiedier liggen de wensen voor een goede huisvesting anders. Dieren produceren beter en langer als ze zich prettig voelen in hun stal of hok. De huisvesting van een productiedier moet passen bij het natuurlijk gedrag en het productiedoel van het dier.
Houderijsystemen in de rundveehouderij
Er zijn verschillende houderijsystemen voor rundvee. Melkkoeien worden over het algemeen anders gehuisvest dan vleeskoeien.
Je kunt runderen niet jaarrond op gras houden. Dan zou in de herfst en winter de grasmat vertrapt worden. De dieren worden op stal gezet om het gras en de bodem te ontzien. Er zijn verschillende soorten huisvesting voor verschillende diergroepen.
Houderijsysteem
houderijsysteem
Eenlingkalverbox
Potstal
Gecombineerde stalvloer (stro en roosters)
Ligboxenstal
Pas geboren kalveren worden vaak individueel gehuisvest. Zo kan het dier optimaal in de gaten gehouden worden. Grotere kalveren worden gehouden in een potstal. Een groot hok met stro, wat regelmatig van een nieuwe strooisellaag voorzien wordt. Ook melkkoeien of zoogkoeien kunnen gehouden worden in zo’n potstal. Een gecombineerde stalvloer heeft een deel roostervloer en een deel stro. Deze huisvestingvorm zien je wel bij grotere kalveren, vleeskalveren of zoogkoeien.
De meeste melkkoeien worden gehouden in een ligboxenstal. Bij deze huisvestingsvorm zijn er aparte ruimtes om te liggen, de ligboxen. De ruimte om te lopen heet roostervloer. Koeien eten door het voerhek vanaf de voergang. In de ligboxenstal vindt je vaak een krachtvoerbox en welzijnsvoorzieningen als een koeborstel.
Houderijsystemen in de varkenshouderij
In de varkenshouderij zijn verschillende diergroepen met heel verschillende eisen. Voor alle varkens geldt dat ze slecht tegen grote temperatuurswisselingen kunnen en kou niet goed verdragen. Jonge biggen kunnen zichzelf slecht warm houden en worden gehouden in verwarmde ruimtes. Stallen zijn geïsoleerd en vaak mechanisch geventileerd.
Zeugen met pasgeboren biggen worden gehouden in een kraamhok of kraamstal. In dit verblijf kan de zeug opgesloten worden, om te voorkomen dat ze op een van haar biggen gaat liggen. De biggen vinden warmte onder een warmtelamp of verwarmde vloer.
In de biggenstal worden gespeende biggen gehouden. De biggen worden bij hun moeder weg gehaald op een leeftijd tussen de 3 weken en 4 weken oud. Deze biggen hebben nog warmte nodig en makkelijke toegang tot voedsel en drinken. Maar ook ruimte om te bewegen, rennen en spelen. Soms blijven broertjes en zussen bij elkaar, soms wordt de groep groter en komen meerdere families bijeen.
Vleesvarkens worden gehouden in groepen, op roostervloeren of dichte vloeren. Ze hebben ruimte nodig voor beweging, afleiding in de vorm van speelgoed of strooisel. Ze eten brok of brijvoeding. De stal moet makkelijk te reinigen en te ontsmetten zijn.
Guste/drachtige zeugenstallen zijn vaak groepshokken waarin de zeugen gehouden worden. Ze hebben vaak een roostervloer en dichte vloer tot hun beschikking. Er zijn krachtvoerboxen voor brok. Soms is er een strooisellaag of zelfs een uitloop voor de zeugen aanwezig.
Houderijsystemen in de pluimveehouderij
In de pluimveehouderij worden vleeskuikens en leghennen gehouden. De huisvesting van die dieren verschilt behoorlijk, omdat de levensduur en het productiedoel verschilt.
scharrelstal
Scharrelstal met vrije uitloop
Biologische houderij
Kolonie houderij of verrijke kooihuisvesting
Technologie in de veehouderij
Door specialisatie en schaalvergroting worden er op bedrijven veel dieren gehouden. Het voeren, water geven, verzorging enzovoorts kost dagelijks veel tijd. Met hulp van automatisering en robots worden dagelijkse werkzaamheden voor de veehouder verminderd.
Voorbeelden van automatisering zijn een automatische voersystemen voor krachtvoer of ruwvoer, automatische waterbak, een mestschuifrobot, automatische ventilatiesystemen en zo voorts.
Deze diagnostische toets maak je om jezelf te controleren. Heb je voldoende kennis van de stof in dit hoofdstuk? Je moet minstens 4 vragen goed hebben om door te mogen naar hoofdstuk 3. Toon je eerste resultaat aan de docent.
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
Het kunnen bepalen van het geslacht van dieren is nodig voor de voortplanting en fokkerij. Op het moment dat dieren geslachtsrijp zijn, moeten mannen en vrouwen gescheiden worden om ongeplande voortplanting te voorkomen. Met vrouwelijke dieren wil je pas fokken als deze (bijna) volgroeid of fokrijp zijn.
Bij volwassen dieren zie je soms aan het exterieur of de kleuren al of het dier mannelijk of vrouwelijk is. Dan kijk je naar secundaire geslachtskenmerken, geslachtskenmerken die zichtbaar zijn bij volwassen dieren. Dit geeft je een idee over het geslacht van het dier.
Stier
Koe
Door het geslacht te bepalen, weet je zeker of het dier mannelijk of vrouwelijk is. Je kijkt dan naar de primaire geslachtskenmerken. Je zoek een penis of een vagina, waardoor je weet of het dier mannelijk of vrouwelijk is. Als er weinig zichtbaar is, dan is de vuistregel dat bij een grote afstand tussen de anus en de geslachtsopening het dier mannelijk is.
Niet alle dieren zijn geschikt voor de fokkerij, zeker bij mannelijke dieren wordt streng geselecteerd. Als deze dieren wel een andere functie hebben worden ze vaak gecastreerd. Dan worden de teelballen verwijderd, waardoor de hormonen met betrekking tot voortplanting verdwijnen.
Soort en ras
Dieren horen tot dezelfde soort als ze onderling vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen. Een diersoort is vaak verdeeld in rassen. Bij dieren is sprake van een ras, als het dier is gedomesticeerd en herkenbaar is als een lid van dat ras. Met een stamboom kan je aantonen dat een dier bij dat ras hoort. Hoe een ras er uitziet wordt beschreven in een rasstandaard.
Fokkerij
Fokkerij is gericht voortplanten om nakomelingen te krijgen die beter passen bij het productiedoel. Dat kan je bereiken met natuurlijke dekkingen, maar daar zitten risico’s aan.
Met KI kan je vrouwelijke dieren bevruchten met sperma van het best passende vaderdier vanuit de hele wereld. KI staat voor kunstmatige inseminatie, ofwel het kunstmatig inbrengen van sperma.
Dit sperma wordt “gewonnen” door bijvoorbeeld een stier op een fantoom te laten springen en het sperma op te vangen. Dit wordt onderzocht of de kwaliteit goed is en vervolgens verdeeld over kleine rietjes. Deze rietjes worden bewaard in vloebare stikstof. Bij een temperatuur van - 196⁰C blijven de spermacellen leven, kunnen vervoerd worden over de hele wereld en bewaard worden op een bedrijf. Op het moment dat een koe tochtig is, wordt het rietje uit de vloeibare stikstof gehaald en ontdooid. Vervolgens wordt de inhoud van het rietje met een lange plastic “naald” bij de koe binnengebracht tot in de baarmoeder. Dan is de kans op een sucesvolle bevruchting het grootst
Bekijk de bedrijfsfilm van KI-samen, een van de KI-organisaties die in Nederland actief is.
I&R staat voor identificatie en registratie. Alle landbouwhuisdieren hebben een uniek nummer, hun I&R nummer. Bij runderen, varkens en schapen is dit nummer aangebracht in hun oor.
In de pluimveehouderij, bij zowel leghennen als vleeskuikens, zijn KIP-nummers. KIP staat voor Koppel Informatiesysteem Pluimvee. Daar heeft het koppel dus een nummer, niet elk dier afzonderlijk.
Veehouderijen in Nederland hebben een UBN-nummer, een uniek bedrijfsnummer waarop je dieren aan- en af kunt melden. Dieren staan gekoppeld aan je UBN-nummer. Bij verkoop zijn dieren dus te volgen. Als er een besmettelijke ziekte uitbreekt, is terug te vinden waar dieren vandaan komen en met welke andere dieren die in contact zijn geweest.
Bij huisdieren zoals paarden, honden en katten wordt gebruik gemaakt van een vrijwillige registratie. Dieren worden dan gechipt. Onderhuids, vaak tussen de schouderbladen of op de hals wordt een kleine microchip ingebracht met een uniek diernummer.
Vaak hebben dieren ook nog een stalnummer, wat binnen het bedrijf gebruikt wordt om het dier te herkennen.
Heb je hoofdstuk 3 voldoende begrepen? Controleer jezelf door het maken van deze diagnotische toets, lever je eerste antwoorden in bij de docent. Je moet minimaal 4 vragen goed scoren om door te mogen naar hoofdstuk 4
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
Dieren kun je opdelen op basis van hun voedsel. Er zijn planteneters, vleeseters en alleseters.
Planteneters is de grootste groep. Veel grote dieren leven van gras, zoals runderen, schapen en geiten. Gras is lastig te verteren, daarom hebben veel grote grazers 4 magen. We noemen deze dieren herkauwers, omdat ze hun voedsel twee maal kauwen.
De magen van een herkauwer:
1 = pens
2 = netmaag
3 = boekmaag
4 = lebmaag
Paarden en paardachtigen als ezels en zebra’s hebben slechts een maag.
Vleeseters als productiedier kom je minder vaak tegen dan planteneters. Een voorbeeld zijn nertsen, een marterachtige die gehouden wordt voor z’n pels. Vanaf 2024 zouden nertsen verboden zijn in Nederland. Toen bleek dat nertsen Corona konden krijgen en verspreidden, zijn ze vroegtijdig geruimd. Op dit moment zijn er geen nertsen meer in Nederland
Varkens zijn alleseters, ze eten zowel vlees als planten. Varkens zijn de opruimers van de voedselketen. Veel restproducten uit de menselijke voedselindustrie wordt verwerkt in varkensvoer.
Ruwvoer en krachtvoer
Ruwvoer is voeding wat weinig energie bevat, maar veel vezels. Het is goed voor de darmwerking van planteneters en alleseters. Ruwvoer is een onbewerkt of weinig bewerkt product. Gras is ruwvoer, net als hooi en kuilgras. Maar ook groente en fruit is ruwvoer. Een planteneter heeft ruwvoer nodig voor een gezonde werking van de spijsvertering.
Ruwvoer
Gras
Ronde baal
Krachtvoer
Brok
Muesli
Krachtvoer is voeding waar veel energie in zit, met weinig vezels. Het is geconcentreerd voer, meestal gemaakt in een fabriek. Brokken of muesli is krachtvoer. Krachtvoer wordt zo gemaakt, dat het diersoortspecifiek is.
Een rantsoen samenstellen
Een rantsoen is wat een dier eet per etmaal. Hoeveel een dier moet eten en wat een dier moet eten, hangt o.a. af van de diersoort en het productiestadium. Een planteneter krijgt altijd en groot deel ruwvoer. Vaak is dit deel het onderhoudsvoer, dat gedeelte van het voer wat nodig om gezond te leven. Krachtvoer is vaak productievoer, een extra gift energie om optimaal te produceren. Krachtvoer is vaak aangepast aan de productie.
Een rantsoen berekenen
Voerkosten zijn een groot deel van de kosten op een veehouderijbedrijf. Op maat voeren is dus belangrijk, er valt besparing te halen. Te weinig voer geven is niet goed voor dieren, dan zal de productie afnemen en mist de veehouder inkomsten.
Om goed te voeren, wordt het rantsoen berekend. Met gegeven vanuit bijvoorbeeld het CVB-boekje wordt een rantsoen samengesteld.
Conditie bepalen
De conditie van een dier is de vet/vleesbedekking van een dier. De conditie zegt iets over de voedingstoestand en de gezondheid van het dier.
Conditie bepalen we meestal met de Body Condition Score of BCS. Dat is een schaal van 1 (heel mager) tot 5 (obees). De voedingstoestand (vet of mager) heeft invloed op de voergift en op de gezondheid.
Gezond houden van de veestapel
De gezondheid van een dier controleer je aan de hand een en aantal punten. Zijn de ogen en neusgaten schoon van het dier, bijvoorbeeld. Of loopt het dier kreupel? Een veehouder controleert dagelijks al z’n dieren op gezondheid. Als het nodig is, grijpt hij in of schakelt de veearts of klauwbekapper in.
Om een dier gezond te houden en te zorgen dat het dier optimaal produceert, houdt een veehouder rekening met het dierwelzijn. Dierwelzijn bepaal je aan de hand van vijf vrijheden van het dier:
Vrij van honger en dorst
Vrij van ongemak
Vrij van pijn, verwonding of ziekte
Vrij van angst of stress
Vrij om natuurlijk gedrag te vertonen
Een dier is gezond als de weerstand van een dier hoger is dan de infectiedruk om het dier heen. Infectiedruk is de hoeveelheid ziekteverwekkers om een dier heen. Bij een slecht stalklimaat (te warm of te koud), een slechte ventilatie, een vieze stal of veel dieren in de stal neemt de infectiedruk toe.
De weerstand van en dier verminderd bijvoorbeeld bij jonge of oude dieren, na een bevalling, bij verwonding, bij stress en bij slechte voeding.
Ziekte dieren produceren minder en kunnen zelfs sterven, een gezonde veestapel is het streven van een veehouder. Dieren die ziek zijn kunnen apart gezet worden, zodat ze eenvoudiger extra toezicht en verzorging kunnen krijgen. Mochten ze een besmettelijke ziekte hebben, dan worden ze geïsoleerd van de overige dieren.
Er zijn in de veehouderij een aantal ziektes die “aangifteplichtig” zijn, als je een dier hebt met die ziekte moet je dat melden bij de overheid. Er worden dan stappen genomen om verspreiding van die ziekte naar andere bedrijven te voorkomen.
Verzorging
Een veehouder is grote delen van de dag bezig met de verzorging van zijn of haar dieren. Dagelijkse verzorging is de verzorging die elke dag gedaan moet worden. Voer en water geven hoort bij dagelijkse verzorging, net als controleren of dieren gezond zijn.
Er is ook verzorging wat mee eens per periode gedaan moet worden, periodieke verzorging. Dit is bijvoorbeeld het klauwen bekappen bij koeien, schapen of geiten, het geven van een inenting, schapen wassen tegen Myasis, het scheren van koeien of schapen en regelmatig ontwormen.
Naast de verzorging van het dier zelf, moet ook de leefomgeving van het dier onderhouden worden. De meeste diersoorten hebben dagelijks vers drinkwater en verse voeding nodig. Het dierverblijf moet periodiek gereinigd worden, uitgemest bijvoorbeeld. Aan het begin van het weideseizoen worden de meeste rundveestallen schoon gespoten met de hogedrukreiniger en ontsmet, om de infectiedruk te verlagen.
Als vleesvarkens of kippen de stal verlaten wordt de hele afdeling ontsmet voor er nieuwe, jonge dieren met minder weestand in komen. Zo worden ziektes voorkomen.
Heb je hoofdstuk 4 voldoende begrepen? Controleer jezelf door het maken van deze diagnotische toets, lever je eerste antwoorden in bij de docent. Je moet minimaal 4 vragen goed scoren van de vijf vragen
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
Deze theorie toets geeft inzicht in hoe je de theorie van profielmodule 1 Veehouderij beheerst. Je krijgt acht vragen om te beantwoorden. Als je minder dan zes vragen goed beantwoord, scoor je matig voor je theorie. Dat betekent dat je alle hoofdstukken nog een keertje door moet nemen en de begrippenlijsten van de hoofdstukken nogmaals noet maken.
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
Het arrangement Profielmodule 1; Veehouderij is gemaakt met
Wikiwijs van
Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt,
maakt en deelt.
Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding 4.0 Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding vrij bent om:
het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat
het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.
Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten
terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI
koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI
koppeling aan te gaan.
Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.
Arrangement
Oefeningen en toetsen
Diagnostische Toets hoofdstuk 1, PM1
Diagnostische toets hoofdstuk 2
Diagnotische toets hoofdstuk 3
Diagnostische toets hoofdstuk 4
Toets PM1
IMSCC package
Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.
Oefeningen en toetsen van dit arrangement kun je ook downloaden als QTI. Dit bestaat uit een ZIP bestand dat
alle
informatie bevat over de specifieke oefening of toets; volgorde van de vragen, afbeeldingen, te behalen
punten,
etc. Omgevingen met een QTI player kunnen QTI afspelen.
Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en
het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op
onze Developers Wiki.