In het grootste deel van de prehistorie waren de mensen jagers/verzamelaars. Ze woonden niet in een huis in een dorp of stad. Waarschijnlijk woonden ze in tenten en hutten, gemaakt van stro en dierenhuiden. Ze zwierven in groepen door het land op zoek naar eten, hadden een nomadisch bestaan. Als er eten nodig was gingen ze op jacht naar rendieren, zwijnen en hazen. Ook werd er gevist. Ze gingen op zoek naar voedsel in de bossen. In de herfst naar wilde vruchten, in het voorjaar verzamelden ze bladgroenten en knollen. Als ze terugkwamen van de jacht werden de dieren die ze hadden gevangen geslacht. Alles van het dier werd gebruikt. Het vlees om te eten en huiden voor de kleding.
De overgang van jagers/verzamelaars naar landbouw wordt de neolithische revolutie genoemd en staat bekend als de eerste landbouwrevolutie. Deze begon rond 10.000 v.Chr. in het Midden-Oosten, in de zogenaamde ‘vruchtbare halve maan’. Mensen trokken na deze revolutie niet meer als nomaden rond, maar gingen landbouw bedrijven en vestigden zich in dorpen en steden, een sedentair bestaan.
Ongeveer 7000 jaar geleden kregen we de eerste boeren in ons land. De boeren woonden op een vaste plek, in huizen gemaakt van stro, leem, takken en boomstammen. De bomen werden omgehakt met grote bijlen. Zo kwam er ruimte voor de akkers. Op de akkers lieten de boeren graan groeien. Om de akkers te bebouwen maakten ze gebruik van ossen die hielpen hen bij het bewerken van de grond. Varkens hielden ze voor het vlees, geiten en schapen voor de melk.
Het selecteren en kweken van planten als voedingsgewassen en het houden en fokken van dieren om te voorzien in de behoefte van de mens noemen we domesticatie.
Domesticatie
Domesticatie van planten en dieren
Domesticatie is het proces waarbij de mens de eigenschappen van dieren en planten zodanig verandert dat ze nuttiger worden voor de mens en makkelijker in onze buurt kunnen leven. Dat kun je doen door dieren tam te maken of de gewenste eigenschappen te selecteren en vervolgens met elkaar te kruisen. Bij de geleidelijke overgang van jagen/verzamelen naar landbouw, trad een selectie op doordat de grootste zaden werden bewaard voor nieuwe uitzaai, het begin van de plantenveredeling. De eerste grazers werden gedomesticeerd. Dieren werden tam gemaakt. Men begon wol voor kleding en melk voor consumptie te gebruiken. Dieren werden ingezet om arbeid te verrichten. Als trek- en lastdier vergrootten ze de productie- en transportmogelijkheden in belangrijke mate.
In deze lesmodule gaat het over de domesticatie van rundvee. Deze domesticatie van oerrund tot melkkoe heeft o.a. de volgende veranderingen tot gevolg:
Morfologie (de bouw en vorm) van het rund
Grootte rund
Relatie tussen mens en dier
Hoe werkt domesticatie?
Er zijn verschillende soorten domesticatie. Als eerste is er de ‘geleide’ manier. De mens stuurt er dan doelbewust op aan om een gewenste eigenschap te versterken in een soort. Dat kun je doen door dieren met de gewenste eigenschappen te selecteren en vervolgens met elkaar te kruisen. Bijvoorbeeld door ezels met elkaar te kruisen die geschikt zijn voor transport, of wolven die een lekker warme vacht hebben. Het viel Darwin al op dat alle gedomesticeerde dieren bepaalde kenmerken delen. Ze zijn meestal tam en socialer dan hun wilde voorouders, hebben kleinere tanden, zachtere gelaatstrekken, kortere ledematen of krulstaarten, een kleiner brein en een langere aanloop tot volwassenheid.
Een tweede manier is om soorten te gaan hoeden die eerst prooidier waren. Dat kun je doen door een omgeving te maken waarin de dieren zich prettig voelen of door ze gevangen te zetten in hokken of door omheiningen. Denk hierbij aan geiten, schapen en koeien.
De derde soort domesticatie ontstaat als de mens landbouw gaat bedrijven. Voedsel en afval trekt dieren aan die langzamerhand gewend raken aan een leven in de buurt van de mens. De kat komt hoogstwaarschijnlijk op deze manier in ons leven, aangetrokken door graan-etende knaagdieren die de voorraadstallen plunderen.
Domesticatie is het veranderen van soorten door ingrepen van de mens. Daarnaast heb je ook het natuurlijk proces van veranderen van soorten volgens de evolutie.
Bij het nagaan van verwantschap is onderzoek van het DNA een belangrijk instrument. Dit gebeurt door het DNA van verschillende soorten te vergelijken. Zo valt te achterhalen in hoeverre de soorten van elkaar verschillen of juist overeenkomen.
Op grond daarvan kan een ontwikkelingslijn worden samengesteld.
In de afbeelding is de ontwikkeling van varkensachtigen volgens de evolutietheorie weergegeven.
Archeologen bestuderen de materiële resten van de mensen uit de prehistorie. Deze materiële resten komen aan het licht door opgravingen. Ook gebruiken ze historische bronnen zoals oude geschriften, grottekeningen en andere signalen in het landschap. Een combinatie van historische en archeologische bronnen is gebruikelijk. Veel mensen denken dat archeologen zich ook bezig houden met onderzoek naar resten van bijvoorbeeld dinosaurussen, maar dat gebeurt door paleontologen. Archeologen concentreren zich op de resten van mensen, hun dieren en hun materiële nalatenschap.
Voordat een opgraving van start gaat
Voordat de opgraving van start gaat, is er vaak ook al het nodige gebeurd. Het begint met het raadplegen van kaarten waarop archeologische gegevens staan en gegevens over de bodemgesteldheid in het verleden. Want als het betreffende gebied bijvoorbeeld vroeger onder water lag, kunnen er geen mensen gewoond hebben. Lag het hoog en droog en met water in de buurt, dan was het juist een aantrekkelijke vestigingslocatie. Als dit zogenaamde bureau-onderzoek uitwijst dat er archeologische resten kunnen liggen, wordt er vaak een onderzoek met grondboringen of een kleine opgraving gedaan om te kijken of de bodem nog intact is en er sporen liggen. Blijkt dat het geval dan worden ze mogelijk opgegraven. Er wordt dan niet zomaar begonnen met opgraven en dat heeft een reden. Bij het opgraven worden de sporen weggegraven en een opgraving is daarom niet herhaalbaar. Daarom hechten archeologen veel belang aan goed documenteren en registreren wat ze vinden en waar ze dat precies vinden.
De opgraving
Bij het opgravingsproces wordt gebruikgemaakt van specifiek materieel en diverse, vooral landmeetkundige, instrumenten. Het grove graafwerk wordt uitgevoerd door graafmachines. De fijnere graafwerkzaamheden met behulp van spades, houwelen, troffels en ander gereedschap.
De bodem, en daarmee ons bodemarchief, wordt erdoor verstoord. Grondsporen worden daarom nauwkeurig onderzocht en gedocumenteerd. Vondsten worden verzameld en meegenomen voor verder onderzoek.
Archeologen aan het werk op de veldlocatie N23. Hier vond in 2010 een bijzondere opgraving plaats. Op ongeveer 3 meter onder het maaiveld ligt een duintop. Op deze duintop hebben ongeveer 7.000 jaar geleden al mensen gewoond.
Onderzoek van materialen
Na de veldwerkzaamheden start een uitgebreid traject van uitwerken: vondsten wassen, laten drogen, plakken, ouderdom bepalen, fotograferen en tekenen en zoeken naar vergelijkbare stukken ter interpretatie. Ook de gevonden grondsporen en andere deelonderzoeken moeten nader worden onderzocht door specialisten. Denk bijvoorbeeld aan het analyseren van zaden en pollen (stuifmeelkorrels) om het landschap uit het verleden te reconstrueren of het determineren van dierlijk botmateriaal. Soms duurt de uitwerking wel tien keer zo lang als de opgraving zelf!
Archeologische depots
Na een opgraving (bestaande uit veldwerk, uitwerking en rapportage) worden de vondsten en documentatie ondergebracht in depots. De documentatie wordt ook digitaal gearchiveerd in een e-depot.
Depots zijn interessant om te bezoeken. De meeste kunnen op het internet gevonden worden en zijn voor iedereen toegankelijk. Bijvoorbeeld om vondsten te bekijken, maar ook om eigen onderzoek te doen of informatie te verzamelen. De totale Nederlandse archeologische vondstencollectie ligt momenteel opgeborgen in meer dan 200.000 vondstdozen. De opgravingen zijn vastgelegd op miljoenen tekeningen en foto’s, en in vele duizenden sporenlijsten, dagrapporten en andere archeologische documentatie.
Archeologie maakt gebruik van vele hulpwetenschappen zoals aardrijkskunde, biologie, scheikunde, ICT, fotografie en culturele antropologie. Door de vele invalshoeken is archeologie uitermate geschikt om verbanden te leggen met en tussen de verschillende vakken in het onderwijs.
Voor het grootste deel van de menselijke geschiedenis waren mensen jagers en verzamelaars. Zo'n 10.000 jaar geleden, op verschillende plekken op de wereld, bedachten mensen dat het ook anders kon en werden ze boeren. Ze gingen granen verbouwen, ze gingen dieren temmen en houden. Langzamerhand is toen het boerenbedrijf over de hele wereld verspreid geraakt.
Zo'n 7000 jaar geleden bereikten de eerste boeren het uiterste zuiden van Nederland in Zuid-Limburg.
Het duurde vervolgens nog duizenden jaren voordat ook de rest van Nederland met het boerenbedrijf begon.Waarom, hoe en wanneer dat precies plaatsvond is best wel een hele ingewikkelde vraag.
Het begin van veeteelt lijkt heel makkelijk om vast te stellen zou je zeggen. Je pakt een bot van een gedomesticeerd rund, laat bepalen hoe oud het is en daarmee heb je een mooie stip op de tijdlijn gezet. Maar het is veel ingewikkelder dan dat. We weten in zijn algemeenheid dat de botten van gedomesticeerde runderen kleiner zijn dan die van oerossen, de wilde variant die ook voorkwam. Maar je hebt hele kleine oerossen en je hebt hele grote gedomesticeerde runderen. Die botten zijn qua formaat heel vergelijkbaar.
Domesticatie van runderen
Een sleutelwoord in dit onderzoeksproject is domesticatie van dieren: het tam maken van dieren en het controleren van de voortplanting en het voer. Hoe kun je dit aantonen aan de hand van botten?
Onderzoeksdoelen
Met behulp van geavanceerde technieken is een team van onderzoekers aan de slag geweest. Met als doel om aan de hand van botonderzoeken antwoorden te geven op de volgende onderzoeksvragen:
Hoe oud is het bot? Met behulp van verbeterde C-14 technieken kunnen we de ouderdom beter inschatten.
DNA-onderzoek naar erfelijke samenstelling en verwantschap van runderen.
Isotopenonderzoek naar het voedselpatroon en mobiliteit van de eerste gedomesticeerde runderen? Wat aten ze en waar in het landschap verzamelden ze dit voedsel?
De onderzoekers aan het woord
In onderstaand video geven de onderzoekers uitleg:
Met subsidie van NWO is het Groninger Instituut voor Archeologie een groot onderzoek gestart naar de manier waarop de prehistorische mensen omgingen met hun vee. Door onderzoek te doen naar botten van oerossen en runderen. Botten die niet verkregen zijn door nieuwe opgravingen maar door 'graafwerk' in depots. Provinciale depots, depots van musea en universiteiten. Bijvoorbeeld van oude opgravingen in Swifterbant. Botmateriaal en tanden en kiezen. Het materiaal uit deze opgavingen is opnieuw onderzocht met verschillende nieuwe onderzoeksmethoden.
Onderzoek van dierlijk bot begint met het bepalen van de soort. Is het bot van een rund, varken of schaap? En welk deel van het dier is het? Daarvoor heeft de universiteit een enorme vergelijkingscollectie ter beschikking, met botten waarvan veel gegevens bekend zijn. Alle archeologische vondsten worden namelijk nauwkeurig beschreven en deze gegevens kunnen van belang zijn bij het onderzoek. Gegevens over leeftijd, de plek in het landschap en de diepte waar het bot is opgegraven. Daarbij geldt dat hoe dieper het bot is gevonden hoe ouder het is. Als een opgraving onder vochtige omstandigheden plaatsvindt, bijvoorbeeld in klei of veen, is botmateriaal meestal goed bewaard gebleven. Al deze informatie kan gebruikt worden bij het onderzoek. Hieruit kun je met slimme methoden en combinaties van technieken informatie achterhalen.
Uit oude archeologische opgravingen
Zoals gezegd gebruikten de onderzoekers dierenbotten die zijn gevonden bij archeologische opgravingen die in het verleden zijn uitgevoerd en opgeslagen in depots. Bijvoorbeeld materiaal van de opgraving bij Swifterbant.
Hieronder een kijkje hoe dat rond 2010 plaatsvond.
Archeologen aan het werk op de veldlocatie N23. Hier vond in 2010 een bijzondere opgraving plaats. Op ongeveer 3 meter onder het maaiveld ligt een duintop. Op deze duintop hebben ongeveer 7.000 jaar geleden al mensen gewoond.
Onderzoek van dierlijk bot begint met het bepalen van de soort: is het bot van een rund, varken of schaap? En welk deel van het dier is het? Daarvoor heeft de universiteit een enorme vergelijkingscollectie ter beschikking met botten waarvan die gegevens bekend zijn. In het gebied wat nu Nederland is hadden de eerste boeren vooral runderen en varkens. De botten van die dieren lijken heel erg op dat van hun wilde voorouders, de oerrunderen en wilde zwijnen. Eén van de methodes die archeologen gebruiken om te kijken of het gedomesticeerd vee of gejaagde wilde dieren zijn is om de grootte van de botten te meten. Want door het domesticatieproces werden de gedomesticeerde dieren kleiner door de tijd heen. Dus de huisrunderen uit die tijd waren kleiner dan de oerrunderen.
De Groningse archeologen gebruiken de allermodernste onderzoeksmethoden.
Voor ouderdom van de botten maakt men gebruik van de C14-datering. Deze C14-dateringen zijn de laatste jaren preciezer geworden. Er wordt van uitgegaan dat de overgang van jagen en verzamelen naar landbouw in Nederland zich over een periode van wel duizend jaar voltrok. Maar het kan evengoed heel snel gegaan zijn. Er zijn dus betere C14-dateringen nodig van botmateriaal van voor, tijdens en na die overgang. Dateringen die ook gegevens van de vindplaats erbij betrekken.
DNA-onderzoek is ingezet voor diverse vraagstellingen. Over geslacht, verwantschap, uiterlijke kenmerken zoals vachtkleur en grootte. Voor dit analyseren en classificeren van botten- en DNA-materiaal wordt gebruik gemaakt van de grote kennis die we tegenwoordig hebben over moderne en historische landbouwdieren en van de genenbank van de Universiteit van Wageningen.
Zelfs wat een dier at en waar hij leefde, bijvoorbeeld aan zee of in de bergen, is na duizenden jaren nog te achterhalen. Dit kan tegenwoordig door de resten te onderwerpen aan een isotopenanalyse van de stikstof-, koolstof-, zuurstof- en strontiumatomen die ooit via voedsel, drinkwater of adem zijn binnengekomen en in de botten en tanden van het dier zijn ingebouwd.
Atomen zijn heel kleine deeltjes, de bouwstenen waaruit alles is opgebouwd. Een belangrijk atoom dat veel in levende wezens voorkomt, is koolstof (C). Samen met andere atomen vormt koolstof grotere moleculen, zoals CO2. Bijzonder is dat er meerdere varianten zijn van koolstof. Deze varianten noemen we ‘isotopen’. Eén zo’n isotoop is koolstof-14 (C14). In de atmosfeer zet straling uit de ruimte stikstof om tot deze isotoop. Ze verschillen slechts een beetje, maar hun kleine verschillen zijn enorm belangrijk bij het bepalen van de leeftijd van gevonden fossielen.
Met C14-datering ouderdom van opgegraven botten bepalen
Om te kunnen bepalen wanneer de belangrijke stap naar het tam maken van dieren in ons land gezet werd, is het dateren van bot essentieel. Met de C14-methode kun je de ouderdom van een bot of ander organisch materiaal vaststellen. Het radioactieve isotoop C14 komt door kosmische straling voor in onze atmosfeer en wordt via de fotosynthese door planten opgenomen in hun celstructuur. Vervolgens komt het in de biosfeer en voedselketen terecht en worden door dieren opgenomen.
Tijdens het leven van een organisme neemt het voortdurend koolstof op, en dat in dezelfde C12 en C14 verhouding als zijn omgeving. Op het moment dat een levend wezen (dier, plant) dood gaat stopt de opname van C12 en C14. Vanaf dat moment neemt de hoeveelheid 14C af (omdat die vervalt), terwijl de hoeveelheid C12 gelijk blijft (die is stabiel). Dat betekent dat de verhouding tussen C14 en C12 alsmaar kleiner wordt.
De instabiele isotoop C14 gaat vervallen met een halveringstijd van 5730 jaar. Als we de beginverhouding weten, dan kunnen we uit de eindverhouding berekenen hoe lang geleden het organisme is gestopt met C14 opnemen, dus hoe lang geleden het dood ging.
Voorbeeldberekening
Stel: er wordt een bot van een oeros gevonden. In dit bot is de helft van al het C14 vervallen. Dit bot ligt dus al 5730 jaar onder de grond . Een ander bot heeft nog maar een kwart van al haar C14 over. Dit ligt er dus al twee keer zo lang: 11460 jaar.
Dat kan met een IRMS-machine (isotope-ratio mass spectrometer). De Groningse universiteit heeft er één. Dit geavanceerde apparaat meet de verhoudingen tussen bepaalde isotopen in collageen, een eiwit dat onderdeel is van het bindweefsel. Collageen komt voor in onder andere huid, haar, botten en tanden. Van (pre)historische dieren en mensen blijven de botten en tanden het beste bewaard en worden daarom het meest gebruikt.
Voor deze metingen heeft de Rijksuniversiteit Groningen een nuttig apparaat in huis: de MICADAS deeltjesversneller, één van de meest nauwkeurige machines voor radiokoolstofdatering. De versneller zorgt ervoor dat je maar heel weinig materiaal nodig hebt om toch een precieze datering (ouderdomsbepaling) te kunnen krijgen.
Bepalen ouderdom door C14, statistiek en gegevens van de vindplaats
Met de metingen die we krijgen kunnen we het moment van overlijden op zijn best inschatten met een nauwkeurigheid van decennia, soms komen we niet verder dan een inschatting in eeuwen. En daarom hebben we een statistische methode nodig waarmee we het moment van overlijden veel nauwkeuriger kunnen dateren binnen die tijdspanne.
informatie uit de opgraving is van belang
Daar hebben we informatie over andere materialen voor nodig uit de archeologische opgraving waar het werd gevonden. Om zo het verband te zien tussen het onderzochte materiaal en andere materialen die gedateerd zijn. Bij die statistiek ga je er van uit dat iets wat dieper in de grond zit ouder is dan iets wat daarboven gevonden wordt. En met al die informatie kunnen we een veel nauwkeuriger tijdsbereik berekenen. Deze methode is cruciaal voor het maken van betrouwbare tijdlijnen uit het verleden.
En dat is precies wat we doen in dit project. We dateren belangrijke vindplaatsen in Nederland, die de vroegste gedomesticeerde dieren, graanproductie of mogelijk zuivelproductie laten zien. Op de manier kunnen we de tijdlijn van deze innovaties in prehistorische samenlevingen in Nederland volgen.
Voor ouderdom van de botten maakt men gebruik van de C14-datering.
DNA is opgebouwd uit moleculen en zit in elke cel van je lichaam. Elke cel heeft dezelfde hoeveelheid DNA. Je moet DNA zien als een verzamelpakket van al je erfelijke eigenschappen zoals bijvoorbeeld haarkleur, oogkleur, lengte of je gewicht. Dit is ook zo bij dieren. Deze eigenschappen bestaan bijvoorbeeld uit vachtkleur, kwaliteit van de melk, kwaliteit van het vlees en bijvoorbeeld gewicht.
Belang van DNA-onderzoek van botten
We hebben allemaal weleens gehoord van DNA-onderzoek. Ook in de archeologie wordt DNA-onderzoek ingezet voor diverse vraagstellingen zoals over geslacht, verwantschap, uiterlijke kenmerken zoals vachtkleur en grootte.
Wat we ook kunnen zien is waar deze dieren vandaan komen. We weten dat de eerste gedomesticeerde dieren Europa binnen trokken vanuit het verre oosten. Wat we dan met oud DNA kunnen doen is, met specifiek nieuwe technieken, kijken of deze gedomesticeerde dieren gefokt hebben met wilde dieren uit Europa. We kunnen ook naar specifieke plekken op het chromosoom kijken om bijvoorbeeld vachtkleur van koeien of varkens te zien of de grootte en het gewicht. Dat is gelinkt aan vleeskwaliteit en melkkwaliteit. En daarmee kunnen we bekijken waar deze mensen op geselecteerd hebben in hun kudde.
De mogelijkheden zijn afhankelijk van het beschikbare materiaal, de kwaliteit van het DNA en de gekozen onderzoeksmethode.
Voordat het DNA van een monster geanalyseerd kan worden, moet er een aantal stappen worden genomen. Ten eerste moet het DNA uit het monster gehaald worden. Voordat dit gebeurt, wordt het monster schoongemaakt om eventuele contaminatie( vermenging met ander DNA ) zoveel mogelijk te verwijderen. Vervolgens moet het monster zo bewerkt worden dat het DNA er zo effectief mogelijk uit gehaald kan worden. Botweefsel is bijvoorbeeld zo compact dat het eerst tot poeder vergruisd moet worden voor het DNA eruit gehaald kan worden. Om het DNA uit de cellen te krijgen worden er aan de monsters specifieke vloeistoffen toegevoegd die ervoor zorgen dat de cellen openbreken waardoor het DNA vrij kan komen. Hierna volgen nog een aantal ‘wasstappen’ waarbij het DNA gescheiden wordt van het restmateriaal. Dit hele proces wordt extractie of isolatie genoemd. Het vrijgekomen DNA wordt bewaard in een vloeistof en is nu klaar voor het echte DNA onderzoek.
Gehoor- of rotsbeentje meest geschikt voor DNA-analyse
Het gehoor- of rotsbeentje, dat alleen bij zoogdieren voorkomt, is een van de meest compacte botten van het skelet. Door die compactheid is het DNA erin goed bewaard en dat maakt dit botje heel geschikt voor analyse.
Voor onderzoek van oud DNA is het essentieel dat er gewerkt wordt in een laboratorium dat alleen voor dat doel gebruikt wordt. Dit is omdat modern DNA van koeien, varkens en mensen het oude DNA kan vervuilen. Dit wordt contaminatie genoemd. Dit betekent dat je gemengde resultaten krijgt, met oude en moderne kenmerken. Onderzoekers dragen daarom een zogenaamd Hazmat-pak, om contaminatie met hun eigen DNA te vermijden.
Uitgebreide kennis over moderne en historische landbouwdieren
Bij de analyse wordt gebruik gemaakt van de uitgebreide kennis die we tegenwoordig hebben over moderne en historische landbouwdieren en van de genenbank van de Universiteit van Wageningen. Met DNA kunnen we bijvoorbeeld aantonen of de gedomesticeerde dieren van een vindplaats erg verwant aan elkaar waren en dus uit een kleine populatie bestaan, of dat ze juist een grotere kudde vormden. Ook kunnen we onderzoeken hoeveel en in welke mate het DNA veranderde tijdens de domesticatie én of deze eerste boeren hun dieren fokten op specifieke uiterlijke kenmerken of toevallige eigenschappen die we nu zien als fokwaarden, zoals de hoeveelheid melk.
DNA-onderzoek wordt ingezet ingezet voor verschillende vraagstellingen. Zoals over geslacht, verwantschap en uiterlijke kenmerken.
Isotopenonderzoek
Naast het bekijken van het bot (vorm en grootte) om vast te stellen of het afkomstig is van een oerrund of van een gedomesticeerde koe kunnen we ook verschillende chemische onderzoeken doen.
Onderzoek naar de aanwezigheid van chemische elementen in skeletresten geeft inzicht in vragen rond mobiliteit en voedsel. Dit kunnen we doen door onderzoek naar isotopen. In dit project kijken we naar de isotopensystemen van koolstof en stikstof.
Isotopen zijn afwijkende vormen van scheikundige elementen. In dit project bekijken we de elementen stikstof en koolstof. Deze elementen komen in onze lichamen en in de lichamen van dieren terecht door het opnemen van voedsel via de voedselketen. Van (pre)historische dieren blijven de botten en tanden het beste bewaard en worden daarom het meest gebruikt voor dit onderzoek. Er wordt een monster uit het bot van bijvoorbeeld een onderkaak van een koe gezaagd. Uit het botmonster wordt collageen via chemische analyse gehaald. Collageen is een eiwit dat voorkomt in onder andere de huid, haar, botten en tanden. Het is een onderdeel van het bindweefsel. In dit door chemische scheidingsmethode verkregen collageen kun je met een IRMS-machine (isotope-ratio mass spectrometer) de isotopen meten. Dit apparaat meet de verhoudingen tussen bepaalde isotopen.
Isotopen geven inzicht over voedselmenu en mobiliteit
Omdat wij de verhoudingen van de isotopen meten in de botten van dieren kunnen wij iets zeggen over wat ze gegeten hebben en waar ze geleefd hebben. Daarmee kunnen we iets zeggen of ze een “wild” menu (natuurlijk voedsel) hadden of dat ze bijvoorbeeld zijn bijgevoerd door mensen. Dit is belangrijk omdat wij niet alleen willen weten of mensen boeren waren of jagers/verzamelaars maar ook willen achterhalen hoe de mensen omgingen met hun vee. Hielden ze bijvoorbeeld de runderen dichtbij huis op weilanden en lieten ze de varkens vrij in het bos om hun voedsel te zoeken? Voerden ze misschien hun vee bij in de wintermaanden? Allemaal vragen die wij aan de hand van stabiele isotopenonderzoek kunnen vaststellen.
Rond 5.000 voor Chr. bereikte het boerenbestaan ons land
Rond 10.000 voor Chr. gingen mensen in verschillende regio’s op aarde, van Midden-Amerika tot het Verre Oosten, voedselgewassen verbouwen en dieren houden op vaste, vruchtbare plekken. Zoals in de ‘Vruchtbare Halvemaan’ in het huidige Midden-Oosten. Rond 7.000 voor Chr. trokken de eerste boeren naar het Europese continent en bijna 2.000 jaar later bereikte het boerenbestaan ook ons land. Het duurde echter nog vele eeuwen voordat alle mensen, in het gebied dat nu Nederland is, overschakelden. Dit onderzoeksproject werpt nieuw licht op deze overgang.
De overgang van rondtrekken en jagen, vissen en verzamelen naar een boerenbestaan op één plek wordt beschouwd als het belangrijkste kantelpunt in de geschiedenis van de mens. Waar mensen van plaats naar plaats trokken en leefden van wat de natuur hen bood, gingen ze nu ingrijpen in diezelfde natuur. Ze maakten dieren tam, kapten bossen en op de opengelegde plekken legden ze akkers aan en bouwden huizen. Ze gingen aardewerk maken om voorraden in te bewaren, in te koken en uit te drinken. En ze ontdekten dat dieren, naast vlees, ook een bron waren van melk en trekkracht. Deze ontwikkelingen hebben de samenleving zoals wij die nu kennen bepaald. We kunnen ons een leven zonder deze ontwikkelingen niet meer voorstellen.
Eerste afbeelding: Constant Troyon, Boeufs allant au labour, effet de matin ("Oxen going to work, effect of morning"), 1855, Musée d'Orsay. Tweede afbeelding: Leiden University, Faculty of Archaeology : Erick van Driel & Medy Oberendorff
Voer en voortplanting
Met nieuwe methoden komen we steeds dichter bij de omgang van mensen met dieren in de prehistorie. We zien dat ze nauw met elkaar verweven waren. Ingrijpen in de ontwikkeling van dieren kon op twee manieren: voer en voortplanting. Onderzoek van botten van runderen uit een opgraving van vroege boeren (3600-3400 voor Chr.) in Schipluiden(in de buurt van Den Haag) toonde aan dat sommige dieren pas op hoge leeftijd geslacht werden, waarschijnlijk omdat de bewoners lang gebruik konden maken van de melkproductie. Ook zorgden die mensen ervoor dat de kalfjes over een langere periode geboren werden dan in de natuur gebruikelijk is. Dit heeft waarschijnlijk eveneens met de (langere) beschikbaarheid van melk te maken.
Controle over voedsel
Daarnaast hadden deze prehistorische boeren controle over het voedsel van hun vee. Uit de isotopen blijkt dat de meeste runderen in de directe omgeving graasden, maar er waren blijkbaar toch verschillende kuddes. Andere runderen hadden namelijk bladeren gegeten uit bossen die verder weg lagen. De varkens in die regio bleken hetzelfde voer gegeten te hebben als de herten, oftewel dat wat er daar in het wild voorkwam. Die aten dus niet met de ‘pot’ van de mensen mee, de honden daarentegen weer wel.
Ook in de botten van een vindplaats bij Swifterbant in Flevoland (4200-4000 voor Chr.) zagen de onderzoekers aanwijzingen voor het bestaan van verschillende kuddes tegelijkertijd. Uit het DNA bleek bovendien dat die kuddes niet groot waren.
In de isotopen was zichtbaar dat de runderen en schapen uit het huidige Flevoland ook aan de toenmalige kust graasden. Al deze ontdekkingen maken duidelijk dat deze prehistorische boeren strategieën toepasten die nu nog steeds gebruikt worden. Hun strategieën waren aangepast aan de omgeving en de diersoort. Bovendien speelden sociale en culturele normen een rol.
Conclusie
onderzoeksteam
Het onderzoeksteam:
'Door deze samenwerking is het gelukt om met veel meer zekerheid iets te zeggen over het begin van veeteelt In Nederland. We weten nu veel preciezer wanneer de overgang van jager/verzamelaar naar boerenbedrijf plaatsvond.
We weten ook, en dat is helemaal nieuw, dat deze mensen met hun runderen niet alleen op de plek zaten waar we uiteindelijk de botten hebben gevonden, maar dat ze met die beesten hebben rondgetrokken. En bovendien weten we dankzij DNA-onderzoek dat het om hele kleine kuddes ging, omdat de beesten die we hebben geanalyseerd zeer nauwe familiebanden met elkaar hadden.
Bij elkaar geeft dat een heel nieuw beeld van het begin van veeteelt In Nederland.'
1. In dit project gaat het vooral over domesticatie van runderen. Ga op internet kijken of er informatie te vinden is over domesticatie van andere dieren. Schrijf daarover een kort verslag van maximaal 2 pagina's. In het verslagje dient aandacht te worden gegeven aan:
welke diersoorten?
wanneer begon de domesticatie?
waar werden ze voor gebruikt?
welke nieuwe eigenschappen kregen ze? waar werden ze op geselecteerd?
welke soort van domesticatie was het? ( zie de 3 soorten op de pagina Domesticatie)
2. Ga naar https://www.archeologieopdekaart.nl/ . Zoek naar 3 verschillende plekken in jouw regio en beschrijf deze vondsten. Maak een verslagje van max 10 zinnen per vondst. In dit verslagje dient aan de orde te komen:
3. In dit project worden 3 methoden gebruikt voor onderzoek aan botten. Welke 3 onderzoeksmethoden zijn dat en geef bij elke aan wat voor informatie je met de methode kunt verkrijgen.
4. Noem 3 resultaten die uit het project komen.
5. De overgang van jagers/verzamelaars naar boeren gaf de mensen meer invloed op hun voedselproductie en inrichting van hun leefomgeving. Maar toch waren er ook nadelen/risico's aan verbonden. Probeer de voordelen en nadelen te achterhalen.
6. Archeologie maakt gebruik van vele hulpwetenschappen. Geef met een voorbeeld aan hoe het vak aan de orde komt in het werk van een archeoloog. Bekijk hiervoor de stappen die een archeoloog doorloopt. Zie de pagina over het werk van een archeoloog.
a. aardrijkskunde:
b. biologie:
c. scheikunde:
d. ICT:
e. fotografie:
f. nederlands:
g. culturele antropologie:
h. geschiedenis:
Eindtoets
Hieronder een toets bestaande uit 15 vragen. Na de toets zie je gelijk het resutaat.
Toets: veeteelt van vroeger
Toets: veeteelt van vroeger
0%
De toets bestaat uit 15 vragen. Maak ze allemaal, aan het einde zie je de uitslag.
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
De opkomst van gedomesticeerde dieren in Nederland
Deze lesmodule is gebaseerd op het project 'De opkomst van gedomesticeerde dieren in Nederland (EDAN)'. Een 3-jarig project gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en uitgevoerd door een onderzoeksteam van het Groninger Instituut voor Archeologie, onderdeel van de Rijksuniversiteit Groningen. Het centrale doel van dit project is om nieuw licht te werpen op de bioculturele, economische en chronologische (=tijdsvolgorde) kenmerken van de vroege veehouderij in Nederland (ca. 5000 - 3500 jaar voor Christus).
Opzet en gebruik lesmodule
De lesmodule begint met een beschrijving van de overgang van jagers/verzamelaars naar landbouw. Het begrip domesticatie wordt uitgelegd. Na een korte uiteenzetting over de werkwijze van een archeoloog wordt in de inleiding het doel van het project neergezet. Vervolgens een beschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden. Daarna wordt uitgebreid ingegaan op de gebruikte onderzoeksmethoden. De medewerkers van het project vertellen hun bevindingen in de getoonde filmfragmenten. Na de weergave en bespreking van de resultaten volgen de opdrachten en tot slot de afsluitende toets. De afsluitende toets geeft na voltooiing direct het resultaat.
De lesmodule is ontwikkeld voor het MBO( niveau 3 en 4) en kan goed gebruikt worden bij studierichtingen als veehouderij, varkenshouderij, dierverzorging en paardenhouderij. Ook is het geschikt voor het VO binnen de vakken geschiedenis en aardrijkskunde en voor HBO-veehouderij.
De tijdsbesteding van deze lesmodule is ongeveer 6 uur.
Het arrangement Veeteelt van vroeger is gemaakt met
Wikiwijs van
Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt,
maakt en deelt.
Auteur
Harm Geert Moesker
Laatst gewijzigd
2024-08-27 19:38:33
Licentie
Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen
4.0 Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding en
publicatie onder dezelfde licentie vrij bent om:
het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of
bestandsformaat
het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.
De opkomst van gedomesticeerde dieren in Nederland.
Deze lesmodule is gebaseerd op het project 'De opkomst van gedomesticeerde dieren in Nederland (EDAN)'. Een 3-jarig project gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en uitgevoerd door een onderzoeksteam van het Groninger Instituut voor Archeologie, onderdeel van de Rijksuniversiteit Groningen. Het centrale doel van dit project is om nieuw licht te werpen op de bioculturele, economische en chronologische (=tijdsvolgorde) kenmerken van de vroege veehouderij in Nederland (ca. 5000 - 3500 voor Christus).
Aanvullende informatie over dit lesmateriaal
Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar:
Toelichting
De opkomst van gedomesticeerde dieren in Nederland Deze lesmodule is gebaseerd op het project 'De opkomst van gedomesticeerde dieren in Nederland (EDAN)'. Een 3-jarig project gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en uitgevoerd door een onderzoeksteam van het Groninger Instituut voor Archeologie, onderdeel van de Rijksuniversiteit Groningen. Het centrale doel van dit project is om nieuw licht te werpen op de bioculturele, economische en chronologische (=tijdsvolgorde) kenmerken van de vroege veehouderij in Nederland (ca. 5000 - 3500 voor Christus).
Leerniveau
MBO, Niveau 3: Vakopleiding;
MBO, Niveau 4: Middenkaderopleiding;
Archeologen aan het werk op de veldlocatie N23. Hier vond in 2010 een bijzondere opgraving plaats. Op ongeveer 3 meter onder het maaiveld ligt een duintop. Op deze duintop hebben ongeveer 7.000 jaar geleden al mensen gewoond.
https://youtu.be/Zhl1Xv4wEVc
DNA-onderzoek wordt ingezet ingezet voor verschillende vraagstellingen. Zoals over geslacht, verwantschap en uiterlijke kenmerken.
https://youtu.be/DK2F2FB71Xw
Video
Isotopenonderzoek naar de aanwezigheid van chemische elementen in skeletresten geeft inzicht in vragen rond mobiliteit en voedsel.
https://youtu.be/LJc63CgWVgo
Video
Veeteelt van vroeger
nl
Harm Geert Moesker
Harm Geert Moesker
2024-08-27 19:38:33
De opkomst van gedomesticeerde dieren in Nederland Deze lesmodule is gebaseerd op het project 'De opkomst van gedomesticeerde dieren in Nederland (EDAN)'. Een 3-jarig project gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en uitgevoerd door een onderzoeksteam van het Groninger Instituut voor Archeologie, onderdeel van de Rijksuniversiteit Groningen. Het centrale doel van dit project is om nieuw licht te werpen op de bioculturele, economische en chronologische (=tijdsvolgorde) kenmerken van de vroege veehouderij in Nederland (ca. 5000 - 3500 voor Christus).
Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten
terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI
koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI
koppeling aan te gaan.
Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.
Arrangement
Oefeningen en toetsen
veeteelt van vroeger
IMSCC package
Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.
Oefeningen en toetsen van dit arrangement kun je ook downloaden als QTI. Dit bestaat uit een ZIP bestand dat
alle informatie bevat over de specifieke oefening of toets; volgorde van de vragen, afbeeldingen, te behalen
punten, etc. Omgevingen met een QTI player kunnen QTI afspelen.
Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en
het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op
onze Developers Wiki.