Blok 1

Blok 1

Fictie

Weet je het nog?

Afgelopen jaar hebben we verschillende aspecten van fictie besproken. Deze aspecten komen terug in je boekverslag. Hier nog een korte samenvatting van afgelopen jaar:

Personages

In klas 1 hebben we geleerd wat hoofd- en bijfiguren zijn. Daarnaast komen er allerlei achtergrondfiguren in een verhaal voor.

Een personage in een verhaal omschrijf je door de belangrijkste eigenschappen te noemen. Als we de karakters van de personen in het boek willen beschrijven, dan zijn er drie mogelijkheden:

  • rond karakter (round character)
  • vlak karakter (flat character)
  • type

Sfeer

De plaats, het weer en het tijdstip bepalen het gevoel dat je krijgt bij een verhaal. De schrijver kiest zorgvuldig de plaats uit waar een verhaal zich afspeelt, hij bedenkt welke weersomstandigheden het beste passen en wanneer het verhaal zich moet afspelen. Zo kan hij voor een romantische, enge, magische of vrolijke sfeer zorgen.

Zo herken je sfeer:

Handig is te denken aan drie woorden die beginnen met een ‘w’:

  • Waar speelt het verhaal zich af?
  • Wanneer speelt het verhaal zich af?
  • Wat voor weer is het?

Vraag dan:

  • Wat gebeurt er?
  • Passen de gebeurtenissen bij deze sfeer of gebeurt er juist iets heel onverwachts?

Tijd

De tijd speelt een belangrijke rol in een verhaal. Zo zijn er drie elementen van tijd waar de schrijver mee 'speelt' om jou met zijn verhaal te boeien.

1 De tijd waarin het verhaal zich afspeelt.
Elk verhaal speelt zich af in een bepaalde periode. De periode waarin het verhaal zich afspeelt wordt soms heel duidelijk gezegd en soms moet de lezer moeite doen om te achterhalen wanneer het verhaal zich afspeelt.
Je kunt drie soorten verhalen onderscheiden naar gelang van de periode waarin het verhaal zich afspeelt.
- Speelt het verhaal zich af in het verleden, dan spreken we over historische verhalen.
- Speelt het verhaal zich af in de toekomst, dan spreken we over sciencefictionverhalen of toekomstverhalen.
- Speelt het verhaal zich nu af, of kan het zich nu afspelen, dan spreken we over actuele verhalen.


2 Chronologisch of niet-chronologisch
Je zou denken dat je een verhaal vertelt van voor naar achter. Je vertelt eerst wat er eerst gebeurt, en dan wat er daarna gebeurt en je gaat zo verder tot je aan het einde van je verhaal bent. Zo volgt je verhaal de chronologie (chronos is Grieks en betekent tijd en logisch dat ken je al). Chronologie betekent het volgen van de logica van de tijd. Vaak vertellen schrijvers zo. We spreken dan van een chronologisch verhaal of we zeggen dat de schrijver de chronologie volgt.

Maar soms speelt de schrijver met de chronologie en vertelt hij dingen die nog moeten gebeuren, midden in zijn verhaal. Dit noemen we een flashforward. Als hij, zo langs de neus weg, iets verklapt wat nog moet gebeuren, dan spreken we over een vooruitwijzing. De schrijver doet dit soms en dat kan verschillende redenen hebben. Hij schrikt de lezer even op en verwijst naar wat er nog zal komen. Zo zal de lezer snel willen verder lezen om te zien hoe het personage ertoe komt.

Het kan ook zijn dat de schrijver een sprong terug in de tijd maakt en plots iets vertelt wat in het verleden is gebeurd. Dit noemen we dan een flashback. Als hij kort even terugblikt noemen we dit een terugwijzing.

3 Tijdsduur
De tijd die je nodig hebt om een (deel van een) verhaal te lezen, noemen we de verteltijd. Dat is de tijd die de verteller nodig heeft om iets te vertellen en jij dus om het verhaal te lezen. Als je een kwartier de tijd nodig hebt om een hoofdstuk uit te lezen, dan is de verteltijd een kwartier.
De tijd die verloopt terwijl de verteller het verhaal vertelt, noemen we de vertelde tijd.
Zo kan de verteller in een hoofdstuk de gehele jeugd vertellen van het hoofdpersonage. Zo heeft hij op enkele bladzijden een periode van 20 jaar verteld. De vertelde tijd is dus 20 jaar, maar de verteltijd is maar een kwartiertje. De vertelde tijd is dus groter dan de verteltijd. Deze manier van vertellen noemen we versnelling. Omdat het lezen sneller gaat dan wat er in werkelijkheid gebeurt.

  • vertelde tijd > verteltijd = versnelling


De verteller kan echter ook een volle bladzijde vertellen wat het personage in een oogopslag heeft gezien: een mooi landschap, een schilderachtig dorp waar veel verschillende mensen in rondlopen, een vuurwerkpijl die afgaat... Het personage heeft maar een seconde gekeken en de verteller vertelt er bladzijden over (die jij allemaal geboeid leest). Hier is de vertelde tijd kleiner dan de verteltijd. Dit noemen we vertraging. De schrijver gebruikt dit om een sfeer te scheppen, maar ook soms om spanning op te wekken. 'De moordenaar deed zachtjes de deur open. Was daar iemand? Neen, hij hoorde niets. Voorzichtig zette hij zijn eerste stap in het gigantische huis...' Je merkt dat door de eerste stappen van de moordenaar heel traag te beschrijven, er een zekere spanning opduikt.

  • vertelde tijd < verteltijd = vertraging


Als de tijd die de lezer nodig heeft gelijk loopt met de tijd die de personages beleven is de verteltijd gelijk aan de vertelde tijd. Zo heb je dit bij dialogen. Dit noemen we tijddekking.

  • vertelde tijd = verteltijd = tijddekking

Verteller

De verteller is degene die het verhaal vertelt. Dat hoeft niet per se de schrijver zelf te zijn. De schrijver bedenkt de personages van een verhaal, dus ook de verteller. De verteller vertelt het verhaal vanuit een bepaald standpunt. In deze les leer je welke soorten vertellers er zijn.

Verschillende soorten vertellers

Er zijn drie soorten vertellers:

► de alwetende verteller
► de personale verteller
► de ik-verteller

De alwetende verteller

Deze verteller doet niet mee aan het verhaal, maar is iemand die het verhaal vertelt. Hij of zij weet al wat er gaat gebeuren en kan bijvoorbeeld een oordeel geven. Deze verteller weet al hoe het verhaal gaat eindigen. Het verhaal wordt in de hij- of zij-vorm geschreven.

Personale verteller

In een verhaal met een personale verteller wordt het verhaal verteld door één van de personages in de hij- of zij-vorm. Over het algemeen staat de personale verteller dichter bij de lezer dan de auctoriale verteller.

  • Enkelvoudig: het verhaal wordt vanuit één personage gepresenteerd in de hij- of zij-vorm.
  • Meervoudig: het verhaal wordt vanuit meerdere personages gepresenteerd in de hij- of zij-vorm

Ik-verteller

De verteller in een verhaal vertelt de gebeurtenissen die hij of zij meemaakt in de ik-vorm.

Leesvaardigheid

Herhaling klas 2

Het onderwerp van een tekst geeft aan waar de tekst over gaat. Wat het onderwerp van een tekst is, kun je vaak met één of enkele woorden zeggen.

Wat zijn deelonderwerpen? Het onderwerp van de hele tekst wordt verdeeld in deelonderwerpen. Zo kan een tekst over natuurgeweld verdeeld zijn in de vier deelonderwerpen: overstromingen, aardbevingen, orkanen en vulkaanuitbarstingen. Bij een nieuw deelonderwerp begint vaak een nieuwe alinea. Een deelonderwerp kan echter zo uitgebreid worden besproken, dat er meer dan één alinea aan wordt besteed.

De hoofdgedachte van een tekst is een samenvatting van de tekst in één volledige zin. De hoofdgedachte geeft antwoord op de vraag: Wat is het belangrijkste wat in de tekst over het onderwerp wordt gezegd?

Waar staat de hoofdgedachte? Om de hoofdgedachte van de tekst te vinden, lees je meestal de titel, eerste en de laatste alinea van de tekst. In de eerste alinea geeft de auteur vaak aan waar hij het over gaat hebben. In de laatste alinea vind je vaak de conclusie van de auteur.

Wat is een alinea? In een alinea wordt een deel van het onderwerp besproken. Daarom noem je een alinea ook wel een deelonderwerp. In het examen zijn de alinea’s altijd genummerd. Elke alinea heeft altijd één kernzin.

Wat is een kernzin? Een kernzin is de belangrijkste zin van een alinea, het bevat een hoofdzaak. In de kernzin staat vaak een kernwoord dat iets met het onderwerp van de tekst te maken heeft. Er is per alinea altijd maar één kernzin. Alle andere zinnen zijn een toelichting of een uitwerking of een verklaring, etc. Kernzinnen bevatten geen opsommingen, citaten en voorbeelden.

Waar staan kernzinnen? Kernzinnen hebben meestal vaste plekken. Bij de inleiding en bij het slot staan ze meestal een beetje aan het einde van de alinea. In de alinea’s van het middenstuk staan ze meestal een beetje aan het begin van de alinea’s.

Welke tekstdoelen en tekstsoorten kennen we?

A. Activeren (tot handelen aansporen): De lezer moet iets gaan doen.
Tekstsoorten: activerende tekst, zoals: pamflet, open brief, reclame/advertentie, recensie

B. Amuseren: De schrijver wil dat de lezer geniet van de tekst. Alle verzonnen teksten vallen hieronder.
Tekstsoorten: amuserende tekst, zoals: gedicht, column, verhaal, opstel, liedtekst, cabarettekst, sprookje, roman (leesboek)

C. Informeren: De schrijver geeft alleen maar informatie.
Tekstsoorten: informerende tekst, zoals: nieuwsbericht, logboek, notulen, encyclopedietekst

D. Overtuigen: De schrijver wil dat de lezer zijn mening overneemt.
Tekstsoorten: overtuigende tekst, zoals: betoog, ingezonden brief, commentaar, achtergrondartikel, column, recensie

E. Instrueren: De schrijver wil de lezer uitleggen hoe de lezer iets moet doen.
Tekstsoorten: instruerende tekst, zoals: handleiding, recept

 

Tekstverbanden

 

Alle tekstverbanden op een rij:

tekstverband

signaalwoord

voorbeeld

opsommend ook, tevens, bovendien, ten eerste, ten tweede, daarnaast We hebben Nederlands van meneer Jansen. Daarnaast hebben we Engels van mevrouw Termeer en Duits van meneer Veldman.
tegenstellend maar, echter, toch, daarentegen Ik ben van mening dat we met deze lessen moeten stoppen, maar daar denkt mijn collega anders over.
chronologisch eerst, daarna, toen, vroeger, nu, later We begonnen met een handjevol leerlingen. Daarna meldden zich een aantal klassen. Nu is ons gebouw al te klein.
oorzakelijk doordat, waardoor, daardoor Mijn familie kwam in een lange file terecht. Daardoor kwamen zij te laat op mijn verjaardag.
voorwaardelijk als, indien, tenzij, mits Als jij alles voor mij inpakt, koop ik iets lekkers voor onderweg.
vergelijkend zoals, evenals, beter dan, net als Net als in Amerika gaan ook in Europa steeds meer mensen naar fastfoodketens.
redengevend daarom, omdat, want, immers Omdat het klimaat snel verandert, gaat het waterschap de dijken in een hoog tempo ophogen.
doel-middel om te, zodat, opdat Mijn buurman volgt een cursus Engels, zodat hij de kans op een internationale carrière vergroot.
concluderend dus, daarom, concluderend Het is dus belangrijk om regelmatig je huiswerk te maken.

 

Functiewoorden

Functieswoorden

Functiewoorden geven aan wat de taak is van een tekstgedeelte ten opzichte van een ander tekstgedeelte. Zo kan de inleiding bijvoorbeeld de taak hebben om een anekdote (grappig verhaaltje) te geven over het onderwerp van de tekst. Een slotalinea kan de taak hebben om de tekst nog eens kort samen te vatten, terwijl een alinea van het middenstuk de taak kan hebben om het onderwerp uit te werken.

Bij sommige examenvragen wordt gevraagd of je de functie van een tekstgedeelte kan geven. Meestal krijg je dan vier keuzes voorgelegd waarvan er één de juiste is. Jij moet dan het juiste functiewoord geven. Die functiewoorden moet je dus wel kennen.

Uitleg in een video:

Een inleiding kan de volgende functies hebben:

  • -  het onderwerp van de hele tekst aangeven

  • -  het onderwerp van de tekst als probleem aangeven

  • -  kort samenvatten wat in de tekst besproken gaat worden

  • -  de aanleiding noemen (bijvoorbeeld een actuele gebeurtenis)

  • -  de aandacht trekken met een opvallende uitspraak

  • -  de aandacht trekken met een anekdote (grappig voorval)

  • -  het introduceren van een deskundige die aan het woord komt

Het middenstuk heeft de functie dat er nader op het onderwerp wordt ingegaan. Door middel van uitspraak-verklaring, uitspraak-toelichting, voorbeeld, uitwerking, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, probleem-oplossing, mening-argument, etc.

Een slotalinea kan de volgende functie hebben:

  • -  een conclusie geven

  • -  een antwoord geven op een hoofdvraag

  • -  alles nog eens kort samenvatten

  • -  mensen tot actie aansporen

  • -  de mening van de schrijver nog eens weergeven

  • -  een waarschuwing geven

  • -  advies geven

Oefening

 

Flashcards

Over taal

Woordenschat

Lees de tekst en schrijf de twintig genummerde woorden onder elkaar. Schrijf de betekenis achter het woord. Deze woorden moet je leren voor de repetitie.

 

Lastige woorden

  1. onoprecht
  2. spijtbetuiging
  3. bemiddelt
  4. inlevingsvermogen
  5. over de schreef gaan
  6. onthutsend
  7. teneinde
  8. gedupeerde
  9. ergens mee in je maag zitten
  10. in gebreke blijven
  11. geveinsd
  12. milder
  13. aard
  14. getuigen van
  15. vonnis
  16. voorwaardelijke straf
  17. doorgewinterde
  18. door het stof gaan
  19. predikaat
  20. ontraden

Vaste combinaties

Sommige werkwoorden vormen een vaste combinatie met een zelfstandig naamwoord, bijvoorbeeld: een gebaar maken, hulp bieden aan, aandacht besteden aan, een gesprek voeren, een voorstel doen, een afstand afleggen, enz. Op Beterspellen.nl vind je een lijst met woordcombinaties.

Uitdrukkingen bestaan altijd uit vaste combinaties: een uiltje knappen, iemand van haver tot gort kennen, de eerste viool spelen, aan de tand voelen, enz.

Maak de volgende oefening.

Maak bladzijde 24 uit je boek (of de docent geeft hem als werkblad).

Contaminatie

Een contaminatie is een verhaspeling van twee begrippen. Voorbeelden van constructies die als contaminaties worden beschouwd zijn: als muzikant zijnde, 'Die koffer weegt zwaar' en 'Dat kost duur'. Soms raken contaminaties zo ingeburgerd dat ze niet meer als fout worden gezien; 'Dat klopt als een bus' is daar een voorbeeld van.
Bron: OnzeTaal

Nog meer voorbeelden van contaminaties zijn:

  • Optelefoneren: ‘telefoneren’ en ‘opbellen’
  • Door de war zijn: ‘in de war zijn’ en ‘door elkaar halen’
  • Onderdeel uitmaken van: ‘deel uitmaken van’ en ‘onderdeel zijn van’
  • Zich beseffen: ‘beseffen’ en ‘zich realiseren’
  • Mijn mobiel is kwijt: ‘ik ben mijn mobiel kwijt’ en ‘mijn mobiel is weg’
  • Vertellen tegen iemand: ‘zeggen tegen iemand’ en ‘vertellen aan iemand’
  • Zwaar wegen: ‘zwaar zijn’ en ‘veel wegen’
  • Irriteert zich aan: ‘ergeren aan’ en ‘irriteren’
  • Snel lopen: ‘hard lopen’ en ‘snel zijn’

Oefening 1: Welke woorden of uitdrukkingen zijn door elkaar gehaald?

1 Wilt u mij even verexcuseren?

2 Wanneer heb je je beseft dat dit een slecht idee is?

3 Als je de administratie optelefoneert, krijg je het antwoordapparaat.

4 Er komen steeds meer vossen in Katwijk voor. De oorzaak is te wijten aan het ontbreken van een natuurlijke vijand.

5 Ik vrees dat ik dat hele werkstuk overnieuw moet doen.

6 Waarom vertel je dat niet tegen je docent?

7 In het buitenland luisteren we altijd naar de wereldomroep om op de hoogte te blijven met de actualiteit in Nederland.

8 Die docent behoort tot een van beste historici van ons land.

9 Volgens mijn mening zal het broeikaseffect in Nederland steeds duidelijker worden.

10 Vanavond zal zijn moeder hem wel eens flink de pan uitvegen.


Klik hier voor de antwoorden.

 

Oefening 2: CambiumNED

Beeldspraak

Letterlijk en figuurlijk taalgebruik

Veel van onze uitdrukkingen en spreekwoorden zijn figuurlijk bedoeld. Met figuurlijk taalgebruik bedoelen we dat je iets zegt of schrijft dat je niet letterlijk moet nemen.

Bekijk eerst onderstaand filmpje.

Bij letterlijk taalgebruik zeggen of schrijven we precies wat we bedoelen. Bij figuurlijk taalgebruik bedoelen we iets anders dan dat we zeggen of schrijven. Bekijk de volgende afbeelding maar eens.

 

Oefening 1: Letterlijk (L) of figuurlijk (F)

Oefening 2: Meerkeuzevragen: letterlijk of figuurlijk?

Oefening 3: zijn deze zinsdelen letterlijk of figuurlijk bedoeld?

Beeldspraak

Beeldspraak is figuurlijke taal. Als we iets vergelijken met iets anders, is dat beeldspraak. Beide dingen hebben een bepaalde overeenkomst.

Vergelijking

Je vergelijkt iets met iets anders (het beeld) omdat er overeenkomst is. Het beeld wordt ingeleid door ‘als’ of een vorm van het werkwoord ‘lijken’.

Hij is zo koppig als een ezel.
Lachen als een boer die kiespijn heeft.
Zij ging er als een haas vandoor.
Je kamer lijkt wel een zwijnenstal

Oefening 4       Oefening 5        Oefening 6

Metafoor

Een metafoor lijkt op een vergelijking, maar nu noem je alleen het beeld. Het woordje 'als' of 'lijkt' staat nu niet in de zin.

Vrijdag maakte ik mijn huiswerk in een zwijnenstal, maar zaterdag toverde mijn moeder mijn kamer om tot een paleis.

De ik-persoon uit bovenstaande zin maakte zijn huiswerk niet letterlijk in een zwijnenstal, maar in een kamer dat net zo smerig was als een zwijnenstal. Het woord zwijnenstal wordt hier in een figuurlijke betekenis gebruikt als: ‘een omgeving die heel erg vies is’. Ook ‘toverde’ en ‘paleis’ worden in bovenstaande zin op figuurlijke wijze gebruikt.

 

Verschil tussen vergelijking en metafoor

 

De volgende zin bevat een vergelijking:
Hij heeft meer rijkdom vergaard, dan Dagobert Duck.

Dit is een vergelijking omdat:

  • Het object en het beeld die worden vergeleken worden beiden genoemd ('Hij' en 'Dagobert Duck').
  • De overeenkomende eigenschap wordt genoemd ('rijkdom').
  • De zin bevat een verbindingswoord ('dan').

De volgende zin bevat een metafoor:
Hij is een echte Dagobert Duck.

Merk in de eerste plaats op dat in deze zin geen verbindingswoord ('dan' of 'als') staat. Belangrijker is, dat in deze zin de overeenkomende eigenschap niet expliciet wordt genoemd. Misschien bedoelen wij de eigenschap 'rijkdom', maar wij zouden ook de eigenschap 'gierigheid' kunnen bedoelen of misschien wel een combinatie van eigenschappen. Ook wordt alleen het beeld genoemd en laten we het object weg in een metafoor.

Grammatica

Zinsdelen: herhaling

Herhaling klas 2:

pv - ow - wg - ng - lv - vzv - mv - bwb

Bijvoeglijke bepaling en bijstelling

Een bijvoeglijke bepaling is een zinsdeelstuk. Dat betekent dat het altijd een deel van een zinsdeel is.
De bvb geeft meer informatie over het zelfstandig naamwoord (kernwoord) waar het bij hoort. Bijvoeglijke bepalingen zijn meestal bijvoeglijke naamwoorden of bezittelijke voornaamwoorden. Ook woordgroepen met van kunnen een bijvoeglijke bepaling zijn.
De bijvoeglijke bepaling kan voor of achter het zelfstandig naamwoord staan. Als de bijvoeglijke bepaling achter het zelfstandig naamwoord staat, begint hij met een voorzetsel.

Bijvoorbeeld:

De nieuwe bakker | bakt | iedere dag | rozijnenbrood.

pv = bakt
ow = De nieuwe bakker
wg = bakt
lv = rozijnenbrood
bwb = iedere dag

In het onderwerp staat een zelfstandig naamwoord, namelijk bakker. Wat weet ik over de bakker? Hij is nieuw, dus...
bvb = nieuwe

Bijvoorbeeld:

De lange, mooie jongen | kuste | het meisje.

pv = kuste
ow = de lange, mooie jongen
wg = kuste
lv = het meisje
bvb = lange, mooie


Bijvoorbeeld:

Dit interessante artikel in de krant moet je beslist lezen.

bvb = interessante, in de krant.

 

Oefening 1: Cambiumned

Oefening 2: Doe de test

Zin 1: Een Spaanse apotheker vond in 2013 een paddenstoel met een doorsnee van 60 centimeter in het bos.
Zin 2: Mijn iets te grote jas leen ik regelmatig uit aan Bassie.
Zin 3: De leerkracht Nederlands bleek op de sportdag van vorig jaar een enorm sportieve dame!
Zin 4: De verslaggever van het NOS-journaal schijnt de zeer beroemde zangeres tijdens een interview een zoen te hebben gegeven.
Zin 5: Gisteren heb ik op mijn nieuwe bergschoenen ruim twaalf kilometer gewandeld.
Zin 6: Vandaag zijn alle klassen drie met het openbaar vervoer naar het Rembrandthuis gegaan.
Zin 7: Zal de toekomstige koningin der Nederlanden wellicht Amalia heten?
Zin 8: Is de oplader van de nieuwe iPhone nu al stuk?
Zin 9: Ze gaf haar vriendin een fiets met een veel te gladde achterband.
Zin 10: Ik ben slechts twee van de twintig keer laatste geweest.

 

Uitleg bijvoeglijke bepaling

De bijstelling (bijst.)

De bijstelling is een zinsdeelstuk. Het zinsdeel waarin een bijstelling staat, bestaat uit twee delen. Met de twee delen wordt hetzelfde bedoeld en ze kunnen meestal van plaats wisselen.D e bijstelling staat meestal tussen twee komma’s.

Voorbeeld 1:

► Katwijk, een vissersplaats in Zuid-Holland, heeft het mooiste strand van Nederland.
  Bijst. = een visserplaats in Zuid-Holland   [bijstelling bij Katwijk]

► Een visserplaats in Zuid-Holland, Katwijk, heeft het mooiste strand van Nederland.
  Bijst.= Katwijk  

Voorbeeld 2:

Gisteren heeft Pieter, die leuke jongen uit 3hC, de wedstrijd gewonnen.
    Bijst.= die leuke jongen uit 3hC

 

Oefening bijstelling

Woordsoorten: herhaling

Herhaling klas 2:

blw - olw - zn – bn – vz – pers. vnw – bez. vnw. - zww – hww – kww  – vr. vnw – aanw. vnw – betr. vnw –

onb. vnw – onb. hoofdtelw. – onb. rangtelw. – bep. hoofdtelw. – bep. rangtelw. – bw 

Voegwoorden

Voegwoorden (VW) zijn woorden als en, maar, of, want, als, dat enz. Het zijn verbindingswoorden. Ze verbinden zinnen of woorden met elkaar: Kom je als je je huiswerk af hebt? Wil je cola of sinas?

 

Oefening A: wat is het voegwoord?

Oefening B: Is het een vz, een bw of een vw?

Oefening C: Is het een tw, vw of vz?

 

Wederkerende en wederkerige voornaamwoorden

Een wederkerend voornaamwoord (wed.vnw.) is een voornaamwoord dat bij een wederkerend werkwoord hoort, zoals:

zich schamen.  Ik schaam me.                me = wed.vnw.
zich vergissen.  Wij hebben ons vergist.  ons = wed.vnw.

Het wederkerende voornaamwoord verwijst terug naar het onderwerp.

Onderwerp                  Wederkerend
werkwoord                 
Wederkerend voornaamwoord               
Ik
Jij
U
Hij/zij
Wij
Jullie
Zij
schaam
schaamt
schaamt
schaamt
schamen
schamen
schamen
me
je
zich
zich
ons
je
zich

 

Een wederkerig voornaamwoord (wdg.vnw.) geeft aan dat meerdere personen tegelijkertijd een wederzijdse handeling verrichten:
elkaar, mekaar, elkander                                                                                                                                                

Het enige woordje dat een wederkerig voornaamwoord kan zijn is elkaar – samen met de varianten mekaar en elkander. (Mekaar is informeel, elkander formeel en verouderd.) Deze woorden zijn altijd wederkerig voornaamwoord.

Els en Isa knuffelen elkaar.                                                                                                                              

Elkaar = weg. vnw.

Oefeningen:

Oefening A: cambiumned

Oefening B: invuloefening

Oefening C: pers.vnw. - bez. vnw. - wed.vnw.

Oefening D: pers.vnw. - bez.vnw. - wed.vnw.

 

Twijfel je of het een persoonlijk, een bezittelijk of een wederkerend voornaamwoord is? Vervang dan de woorden door een hij-vorm. hij en hem = pers.vnw., zijn = bez.vnw. en zich = wed.vnw.

Bijvoorbeeld: Je vergist je in je broer:  hij vergist zich in zijn broer.

Spelling

Werkwoordspelling

Persoonsvorm in de tegenwoordige en de verleden tijd

Begin met het maken van deze oefening. Ken je de regels nog?


Ik drink nooit thee, jij drinkt soms thee en hij drinkt altijd thee.

 

 

Er kunnen meerdere persoonvormen in de zin staan.
Oefening 1: Hoeveel persoonsvormen staan er in deze zinnen?
Oefening 2: Spel de persoonsvormen op de juiste manier.

 

Oefen nu met oefeningen op de volgende sites:

Oefensite 1

Oefensite 2

Gebiedende wijs

In een zin waar geen onderwerp, maar wel een bevel of opdracht staat, staat in de gebiedende wijs. De zin begint met een persoonsvorm, dit is de stam van het werkwoord.

Schop weg die bal!
Doe je jas uit!
Pak je tas!
Lees deze tekst!

 

Oefening

Stercollectie

 

Voltooid deelwoord

Om een voltooid deelwoord goed te spellen, moet je net als bij een persoonsvorm in de verleden tijd onderscheid maken tussen sterke en zwakke werkwoorden.
Weet je nog het verschil:
Sterke werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd (loop - liep).
Zwakke werkwoorden blijven gelijk in klank in de verleden tijd (maak - maakte).

De regel voor het spellen van een zwak voltooid deelwoord is als volgt:

1. Je neemt het hele werkwoord, bijvoorbeeld raken

2. Je haalt er -en vanaf, rak

3. staat de laatste letter in kofschiptaxi? -k, JA
    dan schrijf je het voltooid deelwoord met een -t op het eind. geraakt

Nog een keer met het werkwoord keren

1. keren
2. ker
3.
staat de laatste letter in kofschiptaxi? r, NEE
   
dan schrijf je het voltooid deelwoord met een -d op het eind. gekeerd

 

kofschiptaxi is een ezelsbruggetje. De medeklinkers in het woord geven aan of er een -t of een -d achter het voltooid deelwoord komt te staan. Let op: de klinkers tellen niet mee! Eindigt je woord op een klinker (roeien- roei) dan krijg je altijd een -d!

Bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord

Een voltooid deelwoord wordt ook wel eens gebruikt als bijvoeglijk naamwoord. Het is dan geen werkwoord meer, maar vergelijkbaar met woorden als 'lang', 'groen' en 'sterk': het zegt iets over het woord dat erna komt.

Stap voor stap gaan we een bijvoeglijk naamwoord van een werkwoord maken.

Stap 1: begin met het werkwoord dat je wil gaan gebruiken. Bijvoorbeeld verven; ik  verf de deur, de deur is nu geverfd.
Stap 2: neem het voltooid deelwoord van het werkwoord dat je hebt gekozen; verven - geverfd.
Stap 3: eindigt je voltooid deelwoord op een d of t, dan plaats je er een -e achter.
            eindigt je voltooid deelwoord op -en, dan laat je het zo staan.
           Bijvoorbeeld: gekerfd  ⇒ gekerfde: de gekerfde boom
           Bijvoorbeeld: geraakt ⇒ geraakte: de geraakte appel
           Bijvoorbeeld: gelopen ⇒ gelopen: de gelopen race

Nog een keer:

Als het voltooid deelwoord eindigt op d of t

  • Ik  leerde voor mijn repetitie.
  • Ik heb mijn repetitie geleerd.
  • De geleerde repetitie heb ik goed gemaakt. (bijvoeglijk gebruikt)
  • Ik maakte mijn fiets.
  • Ik heb mijn fiets gemaakt.
  • De gemaakte fiets rijdt weer als een zonnetje. (bijvoeglijk gebruikt)

In bepaalde gevallen eindigt het voltooid deelwoord op een korte klank + d of + t:

  • Ik redde het dier.
  • Het dier is gered.
  • Het geredde dier loopt weer in het bos. (bijvoeglijk gebruikt)
  • De vloer verrotte helemaal.
  • De vloer is helemaal verrot.
  • De verrotte vloer kraakt gevaarlijk. (bijvoeglijk gebruikt)

In bovenstaande voorbeelden wordt de eindletter verdubbeld, omdat je het anders verkeerd uitspreekt.

 

  Schrijf een bijvoeglijk naamwoord altijd zo kort mogelijk. Dus als de uitspraak het toestaat, schrijf je maar
één -d of -t !

 

Oefening 7: Vul het bijvoeglijk naamwoord in
Oefening 8: CAmbiumNED
Oefening 9: Vul het bijvoeglijk naamwoord in
Oefening 10: Vul in
Oefening 11: Vul in

Als het voltooid deelwoord eindigt op 'en'

Sommige sterke werkwoorden hebben een voltooid deelwoord op 'en'.

  • Ik braad het gehakt.
  • Ik heb het gehakt gebraden.
  • Het gebraden gehakt smaakt heerlijk.
  • Ik begrijp de uitleg.
  • De uitleg is begrepen.
  • De begrepen uitleg hoef ik niet meer op te zoeken. (bijvoeglijk gebruikt)
  • Ik stoot mijn hoofd.
  • Ik heb mijn hoofd gestoten.
  • Het gestoten hoofd doet flink pijn. (bijvoeglijk gebruikt)

In de bovenstaande voorbeelden zie je dat het voltooid deelwoord zijn eindletter n behoudt.

 

Onvoltooid deelwoord

Het onvoltooid deelwoord gebruik je voor handelingen die nog bezig zijn.
Het onvoltooid deelwoord is heel makkelijk te vormen: het is altijd hele werkwoord (infinitief) + d.

Gillend renden de meisjes het spookhuis uit.
Kees gaat rennend naar school.
Hij bereikte al schoppend het doel van de tegenstander.

Oefening 12: vul de zinnen aan met een onvoltooid deelwoord.

Engelse werkwoorden

Werkwoorden die geleend zijn uit het Engels, worden vervoegd volgens de Nederlandse regels.
Dus; is het de persoonsvorm? Dan gebruik je het volgende schema:

  tt vt
ik stam stam +te/de
hij stam+t stam +te/de
wij hele werkwoord stam +ten/den

 

Bijvoorbeeld: racen

  tt vt
ik race racete
hij racet racete
wij racen raceten

 

Denk niet: "Maar dat staat raar", werkwoordspelling is makkelijk als je de regels toepast. Let vooral op je stam! Want die komt steeds terug. De stam van racen is niet rac, want dat spreek je anders uit. Het is dus race.

Om erachter te komen of er nu -te of -de achter komt in de verleden tijd, gebruik je het 't kofschipx

Racen -en = rac; de c zit in het 't kofschipx, dus gebruik je de uitgang -te. stam+ te: racete
Bloggen - en = blog; de g zit niet in 't kofschipx, dus gebruik je de uitgang -de. stam+ de: blogde

 

Oefeningen:

Oefening 13: Citotrainer

Oefening 14: tegenwoordige tijd

Oefening15: verleden tijd

Oefening16: voltooid deelwoord

Oefening17: gemengde oefening

Oefening 18: Engelse werkwoorden vervoegen

Oefening 19: Doe de test


 

Kijk voor meer uitleg op CambiumNED

Herhaling klas 2

Lastige meervoudsvormen

Regels Voorbeelden

1. De meervoudsuitgang -s schrijf je aan het woord vast.

douches, cafés, repetities, bureaus, cowboys, kangoeroes

2. Als daardoor een verkeerde uitspraak mogelijk is, schrijf je -'s.

papa's, taxi's, auto's, accu's, baby's
3. Woorden eindigend op -ie met de klemtoon niet op de laatste lettergreep schrijf je met een -n e op de e komt een trema. koloniën, poriën
4. Woorden eindigend op -ie met de klemtoon wel op de laatste lettergreep schrijf je met -ën op het eind. industrieën, melodieën
5. Woorden eindigend op onbeklemtoonde -ik, -es of -et schrijf je met één medeklinker. dommeriken, luiwammesen, lemmeten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Opdracht 1: Schrijf de volgende woorden in het meervoud.

1. arrestatie 6.  penalty 11. leeuwerik 16. perzik
2. risico 7.  fantasie 12. tosti 17. coupé
3. genie 8.  viezerik 13. kievit 18. symfonie
4. klamboe 9.  drama 14. dreumes 19. party
5. cadeau 10. calorie 15. paraplu 20. logé

 

Opdracht 2: Zet in het meervoud

Kijk ook eens op CambiumNED voor meer uitleg.

Het gebruik van de apostrof

Regels Voorbeelden
1. Bij het meervoud als het woord eindigt op i, o, u, a, y. foto's, oma's
2. Bij het meervoud of verkleinwoord van letters, afkortingen of cijfers. wc's, baby'tje, A4'tjes
3. Bij een achtervoegsel na afkortingen. AOW'er
4. Als woorden een bezit aanduiden.
    Als deze woorden op een sisklank eindigen, schrijf je alleen de apostrof.

Eva's agenda

Jos' mobieltje,
Dex' ouders

5. Als er letters zijn weggelaten. 's morgens, z'n, zo'n

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Opdracht 3: Schrijf de onderstreepte woorden over. Zet waar nodig een apostrof.

1. Wouters fotos lagen op Frans tvtje.
2. Dr. Lorenz boek over het gedrag van gorillas is wereldberoemd.
3. Op het A5je staat 'annanassen' met twee ns en twee sen geschreven.
4. Een VPROer presenteerde s avonds programmas over waterskis.
5. Opas kleinkind uit s-Gravenhage kreeg een pak lollys en een glas jus dorange.
6. Ze typten smsjes tijdens ons uitje in de kanos.

 

Woorden die het vaakst fout worden gespeld.
 

A
1 abonnee
2 accelereren
3 accommodatie
4 adellijk
5 agressief
6 aluminium
7 aperitief
8 appartement
9 applaudisseren

B
10 baby’s
11 barbecue
12 begrafenis
13 begroeiing
14 blocnote
15 bureau
16 burgemeester
17 burgerlijk

C
18 cadeau
19 cafés
20 caissière
21 cappuccino
22 Celsius
23 chagrijnig
24 comité
25 conciërge
26 consciëntieus
27 controle
28 cosmetisch
29 crèche
30 cursus

D
31 daarentegen
32 diarree
33 dichtstbijzijnd
34 dieet
35 distantiëren (zich -)

E
36 eczeem
37 elektronisch
38 euthanasie

F
39 faillissement
40 faliekant
41 filet
42 financieel

G
43 gedachtegang
44 gerelaxt
45 gewelddadig
46 gezamenlijk
47 grenzeloos
48 guerrilla

H
49 hartstikke
50 hbo’er
51 hepatitis
52 hopelijk

I
53 impresario
54 interessant
55 interview

K
56 kangoeroe
57 karekiet
58 kosteloos
59 krokus

L
60 lasagne
61 liniaal
62 litteken
63 loep

M
64 macaroni
65 millimeter
66 monniken

N
67 namelijk
68 Nederlandse

O
69 oktober
70 omelet
71 onmiddellijk
72 opticien

P
73 parallel
74 per se
75 pijler(dam)
76 portemonnee
77 product
78 pyjama

R
79 rechtstreeks
80 rechtszaak
81 reclame
82 relaxed
83 represaille

S
84 saté
85 satelliet
86 seksualiteit
87 sieraad
88 sperzieboon
89 stiekem

T
90 te allen tijde
91 ten minste (= op z’n minst)
92 ten slotte (= aan het slot)
93 trukendoos

U
94 uittreksel

V
95 vacature
96 van tevoren
97 verrassing

W
98 weifelen

Y
99 yoghurt

Z
100 zone

Bron: taaladvies.nl

Dictee

Leer de volgende moeilijke woorden goed schrijven:

allochtonen, architectuur, bioscoop, cassière, charmeur, etnische, faillissement, financiën, gerenommeerde, halsstarig, irriteren, juridisch, prullaria, recessie, sollicitaties

Schrijven

Inleiding

Voordat je gaat beginnen met het schrijven van een tekst moet je je goed voorbereiden.
Je maakt een plan van aanpak waarin je eerst het onderwerp waarover je gaat schrijven vaststelt. Je gaat na wat je daarover weet en zoekt er informatie over.
In de hoofdgedachte geef je weer wat jij belangrijk vindt om over het onderwerp te vertellen.
Ook bepaal je je tekstdoel en denk je na welke tekstsoort daar het meest geschikt voor is.
Tot slot denk je na over de volgorde waarin je informatie/argumenten gaat geven en kies je een tekststructuur.
In een bouwplan zet je dan schematisch wat er in je inleiding, middenstuk en slot komt te staan.

 

Schrijfdoel en tekstsoort


Een schrijver heeft met zijn tekst een bepaald doel voor ogen.
Het doel bepaalt met de tekstsoort gedeeltelijk de inhoud van de tekst.
We onderscheiden de volgende schrijfdoelen met bijbehorende tekstsoorten:

  • je wilt de lezer vermaken
    (met een grappig, spannend verhaal, een column, strip of mop)
  • je geeft informatie over een bepaald onderwerp
  • legt uit hoe iets werkt
    (bijvoorbeeld een uiteenzetting, een nieuwsbericht of gebruiksaanwijzing)
  • je wilt dat de lezer een mening vormt over een bepaald onderwerp
  • je belicht de zaak van verschillende kanten en laat de lezer zelf een conclusie trekken
    (beschouwing of het bespreken van een bepaald werk in een recensie)
  • je wilt de lezer overtuigen van je standpunt:
    • in een ingezonden brief geef je argumenten voor of tegen een bepaalde mening
    • met een betoog wil je anderen overtuigen van jouw mening
  • in een commentaar geeft een krant zijn mening over een onderwerp en ook columns en recensies hebben de bedoeling de lezer te overtuigen
  • je wilt de lezer overhalen om iets te doen:
    • een advertentie schrijven omdat je iets wil verkopen
    • een folder schrijven voor www.goededoelen.nl zodat mensen hun geld nalaten aan een goed doel
    • in een pamflet roep je op tot actie

Hoofdgedachte
Iedere tekst heeft een onderwerp. In de hoofdgedachte formuleer je wat je over je onderwerp kwijt wilt, datgene wat jij wilt dat je lezer van je tekst onthoudt.
Dit laatste wordt mede door je schrijfdoel bepaald.

Voorbeeld
Onderwerp: Het geheugen
Hoofdgedachte: Je geheugen vervormt je herinneringen
Schrijfdoel: informeren

Bekijk het volgende filmpje:

Opdracht 1:

Hoofdgedachte
Formuleer bij de onderstaande onderwerpen een hoofdgedachte voor een informerende tekst en voor een overtuigende tekst.

  1. Pesten onder bejaarden
  2. Het huwelijk
  3. Prestatiebeloning in het onderwijs

Opdracht 2:

Aandacht van de lezer
Lees de volgende teksten en beantwoord de vraag bij beide teksten.

Tekst 1

 

Google en Facebook weten meer van je dan je denkt. Online diensten houden je zoekgedrag namelijk goed in de gaten. Gelukkig zijn er genoeg manieren om je privacy te beschermen. De Minigids Online privacy geeft je handige tips en adviezen.

Minigids Online privacy
Veel mensen zijn dagelijks online. Een beetje chatten op facebook, twitteren of surfen naar dat leuke hotel, die wasmachine, het laatste nieuws ...
Zonder het te weten laat je zo overal sporen achter. Die je later niet meer kunt wissen en waar online-diensten handig gebruik van weten te maken. In deze gratis minigids lees je hoe je baas blijft over je eigen gegevens.

Bron: Consumentenbond


Vraag
Hoe wordt hier de aandacht van de lezer getrokken?

  1. Het vertellen van een verhaaltje of anekdote.
  2. In te gaan op een actuele gebeurtenis.
  3. De voorgeschiedenis te vertellen.
  4. Het belang van de lezer bij de zaak benadrukken.

Tekst 2

Achterwerk, de legendarische rubriek met jeugdbrieven op de achterkant van de VPRO Gids, haalt de Kerst niet.
De puber van tegenwoordig stort zijn hart uit op internet en niet meer op papier.


Al bijna veertig jaar schrijven kinderen en pubers op de achterpagina van de VPRO Gids over hun leven, liefdes en lasten.
Binnenkort, zo maakt de VPRO vandaag bekend, komt er een einde aan de legendarische kinderbrievenrubriek.

De reden voor het stopzetten is dat jongeren zich tegenwoordig met prangende kwesties wenden tot Google, onlinefora en sociale media, en niet meer tot het papier.
'De stroom brieven werd elk jaar minder', schrijft samenstelster Elja Looijestijn in de gids van komende week.
'Gelukkig waren het er nog wel genoeg om wekelijks een leuke pagina mee te vullen. Maar zelfs dat lukt de laatste maanden steeds minder. Laat ik maar heel eerlijk zijn: als het zo doorgaat haalt Achterwerk de Kerst niet.'

Bron: Volkskrant


Vraag
Hoe wordt hier de aandacht van de lezer getrokken?

  1. Het vertellen van een verhaaltje of anekdote.
  2. In te gaan op een actuele gebeurtenis.
  3. De voorgeschiedenis te vertellen.
  4. Het belang van de lezer bij de zaak te benadrukken.

Antwoorden

Opdracht 1
Mogelijke hoofdgedachten voor een informerende tekst:

  1. Ouderen vertonen wat pesten betreft hetzelfde gedrag als jongeren.
  2. De regels voor een huwelijk met een buitenlander veranderen.
  3. De invoering van prestatiebeloning in het voortgezet onderwijs is onderwerp van gesprek bij onderhandelingen.

Mogelijke hoofdgedachten voor een overtuigende tekst:

  1. In bejaardentehuizen wordt te weinig gedaan tegen het pesten door bejaarden.
  2. De manier waarop de hoogte van de alimentatie bij scheiding wordt berekend is belachelijk.
  3. Prestatiebeloning in het onderwijs invoeren zal de inzet van leraren verbeteren.

Opdracht 2
Tekst 1
4. Het belang van de lezer bij de zaak te benadrukken.
Tekst 2
2. In te gaan op een actuele gebeurtenis.

Opbouw

Zo maak je een bouwplan

  1. Bepaal het onderwerp van je tekst.
  2. Formuleer je schrijfdoel en je hoofdgedachte.
  3. Denk na over de inhoud: wat wil je precies vertellen?
    Zet de deelonderwerp in verschillende alinea's in je middenstuk. Plaats deze in een logische volgorde.
  4. Schrijf kort hoe je in een (pakkende) inleiding het onderwerp gaat introduceren bij je lezer. 
  5. Verwerk de hoofdgedachte in het slot. Bedenk ook een goede slotzin, dit is de pointe of de uitsmijter van je artikel.

Voorbeeld van een bouwplan

Onderwerp: iPads op school.
Schrijfdoel: activeren.
Hoofdgedachte: Gebruik iPads op de middelbare scholen.

Tekstdeel alinea deelonderwerp trefwoorden
Inleiding 1 Wij gebruiken iPads in de klas. Voorbeeld van een les Nederlands met iPad.
Middenstuk 2 Lessen op de iPads. Uitleg lezen, uitlegfilmpjes kijken, oefenen maken.
  3 en 4 Voordelen iPads op school. Werken in je eigen tempo, uitleg net zo vaak zien als nodig, oefenen direct nakijken, minder overschrijven.
  5 Nadelen iPads op school.  Snel afgeleid door spelletjes op de tablet.
Slot 6 Iedere middelbare school moet zijn leerlingen met iPads laten werken. Meer voordelen dan nadelen. School is leuker met een iPad.

 

De inleiding

Een inleiding bestaat uit een of meer alinea’s en heeft als functies aandacht trekken van de lezer en het introduceren van het onderwerp.

Aandacht trekken kan je bijvoorbeeld door:

  • Het vertellen van een verhaaltje of anekdote over iets dat je hebt gelezen of meegemaakt (een anekdote = grappig en kort verhaal over iets dat echt gebeurd is).
  • In te gaan op een actuele gebeurtenis. Je vertelt iets wat op dat moment veel aandacht krijgt in de publiciteit.
  • De voorgeschiedenis te vertellen. Je gaat in op hoe men in het verleden omging met het onderwerp en maakt daarmee de lezer nieuwsgierig naar de huidige stand van zaken.
  • Het belang van de lezer bij de zaak te benadrukken. Je maakt de lezer attent op de voordelen die hij kan hebben bij het lezen van je artikel.

Bij de introductie van je onderwerp kan je gebruik maken van het stellen van een aantal vragen of het aankondigen van wat je verder in de tekst gaat bespreken.
Je geeft jouw mening over het onderwerp of formuleert de vraagstelling/het probleem.

 

Het middenstuk

Het middenstuk
In het middenstuk werk je je onderwerp uit.
Je behandelt de deelonderwerpen in een volgorde die wordt bepaald door de structuur waarvoor je hebt gekozen in de inleiding.

Als je in je inleiding een aantal vragen hebt gesteld, behandel je in het middenstuk een aantal mogelijke antwoorden (vraag - antwoordstructuur).
Je kan ook de voor- en nadelen van een probleem behandelen (voordelen - nadelenstructuur).
Veel gebruikt is daarnaast de probleem – oplossingsstructuur.

In de inleiding kom je met een probleem waarvoor je in het middenstuk (na het behandelen van oorzaken en gevolgen) met oplossingen komt.
Bij het gebruik van een tijdsstructuur vraag je je af hoe een verschijnsel in het verleden is ontstaan, wat er nu gebeurt en wat we in de toekomst kunnen verwachten?
Bij een betoog zal je vaak kiezen voor een argumentatiestructuur.
In de inleiding kom je met een stelling waarvoor je in het middenstuk komt met argumenten (eventueel met weerlegging van tegenargumenten).

​Als je de inleiding voorbereidt, kun je het beste vragen maken bij je deelonderwerpen. De antwoorden daarop gebruik je om je tekst te schrijven.
Voor de uitwerking van elk deelonderwerp gebruik je een of meer alinea’s.
De kernzin van de alinea geeft de hoofdgedachte weer.
Meestal is dat de eerste zin en soms de laatste. Een andere plaats is echter ook mogelijk.

Voorbeeld
Onderwerp: Nieuwe leenstelsel studiefinanciering
Deelonderwerp 1. Hoeveel studenten gaan daardoor niet meer studeren?
Deelonderwerp 2. Hoeveel studenten blijven daardoor thuis wonen of gaan weer thuis studeren?
Deelonderwerp 3. In hoeverre is dit systeem positief voor de kenniseconomie die we zo graag willen?

Opdracht 3:

Het middenstuk
Bedenk bij het onderwerp een hoofdgedachte.
Zoek op internet antwoorden op de gestelde vragen.
Kies een tekststructuur die je bij je hoofdgedachte vindt passen.
Werk je deelonderwerpen uit tot het middenstuk van een tekst.

Onderwerp: Nieuw leenstelsel studiefinancering
Deelonderwerp 1. Hoeveel studenten gaan daardoor niet meer studeren?
Deelonderwerp 2. Hoeveel studenten blijven daardoor thuis wonen of gaan weer thuis studeren?
Deelonderwerp 3. In hoeverre is dit systeem positief voor de kenniseconomie die we zo graag willen?

Het slot

In het slot kom je terug op de in de inleiding gestelde vraag of gegeven probleemstelling.
Je kan een korte samenvatting geven, je conclusie geven, een afweging maken, een oproep of aanbeveling doen of je verwachtingen uitspreken.
Kies de afronding die bij je tekst past.
Schrijfdoel, soort tekst en gekozen tekststructuur zijn daarbij mede bepalend.
Bij een activerende tekst bijvoorbeeld kan je de lezer aanmoedigen een bepaalde handeling wel of niet te doen.
Als je een originele uitsmijter (opvallende uitspraak/voorbeeld) hebt, kan je je tekst daarmee afsluiten.

Bouwplan

Met deze informatie in het achterhoofd gaan we nog eens naar het bouwplan kijken.

Inleiding

Voordat je een tekst gaat schrijven is het aan te raden om de verschillende onderdelen eerst in een schema te zetten, een bouwplan.
Zo’n bouwplan geeft overzicht en zorgt voor samenhang.

Een bouwplan maken doe je als volgt:

  • Noteer het onderwerp.
  • Noteer het schrijfdoel.
  • Noteer de hoofdgedachte.
  • Noteer voor wat voor een publiek je de tekst schrijft.
  • Bepaal welke alinea’s inleiding, middenstuk en slot vormen.
  • Noteer de (deel)onderwerpen en per deelonderwerp een aantal trefwoorden.

Voorbeeld: Bouwplan

Als het bouwplan af is, kan je gaan schrijven. Let op de spelling en de formuleringen!

Bekijk eerst het filmpje:

Opdracht 4:

Bouwplan maken
Maak een bouwplan voor een tekst van ongeveer 500 woorden over een van de volgende onderwerpen.

  1. Moeten monstertruckraces verboden worden?
  2. Bellen op de fiets
  3. Schulden in het voetbal

Vul voor daarvoor een bouwplan in: Bouwplan.
Print het formulier uit of sla het op als worddocument onder de naam van je onderwerp.
Bewaar je bouwplan voor opdracht 5.

Een tekst schrijven

In je bouwplan heb je aangeven wat er in je inleiding, middenstuk en slot behandeld wordt.
Je kunt je structuur nog duidelijker maken door het gebruik van een aantrekkelijke titel en tussenkoppen.
Een goede titel trekt de aandacht en geeft ook aan wat het onderwerp van je tekst is. Je kunt je titel het beste bedenken als je tekst al af is. Je hebt informerende titels (geven aan waar de tekst over gaat) en motiverende (zetten aan tot een bepaalde handeling) titels.
Tussenkoppen breken de tekst en/of trekken de aandacht. Ze zijn vaak wat langer dan de titel en verhelderen ook de opbouw van tekst.
Let op dat je niet te veel tussenkoppen gebruikt want dat maakt de tekst rommelig.
Zet de titel vetgedrukt tegen de linker kantlijn en zet achter de titel en tussenkoppen geen punt.


De lay-out
Een prettige lay-out zorgt ervoor dat de lezer verder wil lezen en maakt de structuur van je tekst duidelijk.

Enkele aanwijzingen:

  • Gebruik witregels tussen alinea’s of tekstgedeelten om de structuur van een tekstduidelijk te maken.
  • Pas op met het gebruik van witregels. In een tekst met veel korte alinea’s kan dat ook rommelig werken. Gebruik ze dan alleen tussen inleiding, middenstuk en slot.
  • Tussen alinea’s kan je ook inspringen. Dat laatste doe je door de eerste drie of vijf spaties van een alinea open te laten.
  • In veel krantenartikelen en artikelen op internet staat boven aan de tekst een vetgedrukte alinea (ook wel lead). Hierin wordt het onderwerp kernachtig ingeleid.

Je taalgebruik
Schrijf de tekst op een aantrekkelijke, begrijpelijke manier. Houd dus rekening met je publiek.
Gebruik woorden die je lezer ook kent en geen vakjargon. Vermijd formeel en plechtig taalgebruik.
Formuleer bondig, maar pas op met telegramstijl.
Kies de juiste toon, dat wil zeggen gebruik een combinatie van woorden en zinsbouw waardoor je niet te betweterig of kinderachtig overkomt.
Teksten van officiële instanties (belastingdienst, politie, gemeente etc.) zijn formeler en zakelijker dan die in populair tijdschrift.

Het schrijven van de netversie
Als je klaar bent met je kladversie moet je je tekst goed nakijken of laten nakijken.
Als je klasgenoot of docent je kladversie heeft beoordeeld, maak dan een lijstje met verbeterpunten voordat je de netversie schrijft.
Gebruik daarvoor de volgende aandachtspunten:

  • Heeft de tekst een passende en pakkende titel?
  • Heeft de tekst een duidelijk indeling in inleiding, middenstuk en slot en staan er witregels tussen de delen?
  • Wordt in de inleiding duidelijk wat het onderwerp is en is de inleiding aantrekkelijk voor de lezer?
  • Worden er in het middenstuk minimaal drie deelonderwerpen besproken?
  • Zijn de alinea’s goed opgebouwd?
  • Zijn de tekstverbanden duidelijk herkenbaar door het gebruik van verbindingswoorden?
  • Is er een duidelijk slot en is er een uitsmijter gebruikt?
  • Is duidelijk welke tekstsoort is gebruikt?
  • Past de toon bij de tekstsoort en het publiek?
  • Is de tekst aantrekkelijk geschreven?
  • Zijn de zinnen niet te lang of kort?
  • Worden er veel taal- en stijlfouten gemaakt?
  • Is de tekst overzichtelijk vormgegeven?
  • Staat de titel op goede plaats?

Opdracht 5:

Van bouwplan naar tekst
Werk je ingevulde bouwplan van opdracht 4 uit tot een tekst van ongeveer 500 woorden.
Laat je tekst beoordelen door een klasgenoot.
Hij/zij kan daarbij de onderstaande aandachtspunten gebruiken.
Maak daarna van de verbeterpunten een lijstje.

  • Heeft de tekst een passende en pakkende titel?
  • Heeft de tekst een duidelijk indeling in inleiding, middenstuk en slot en staan er witregels tussen de delen?
  • Wordt in de inleiding duidelijk wat het onderwerp is en is de inleiding aantrekkelijk voor de lezer?
  • Worden er in het middenstuk minimaal drie deelonderwerpen besproken?
  • Zijn de alinea’s goed opgebouwd?
  • Zijn de tekstverbanden duidelijk herkenbaar door het gebruik van verbindingswoorden?
  • Is er een duidelijk slot en is er een uitsmijter gebruikt?
  • Is duidelijk welke tekstsoort is gebruikt?
  • Past de toon bij de tekstsoort en het publiek?
  • Is de tekst aantrekkelijk geschreven?
  • Zijn de zinnen niet te lang of kort?
  • Worden er veel taal- en stijlfouten gemaakt?
  • Is de tekst overzichtelijk vormgegeven?
  • Staat de titel op de goede plaats?

 

Kijk ook op CambiumNED voor meer uitleg over het maken van een bouwplan.

Samenvatting

Fictie:

Personages: 

  • rond karakter (round character)
  • vlak karakter (flat character)
  • type

Sfeer:

  • Waar speelt het verhaal zich af?
  • Wanneer speelt het verhaal zich af?
  • Wat voor weer is het?

Tijd:
1 De tijd waarin het verhaal zich afspeelt.
2 Chronologisch of niet-chronologisch
3 Tijdsduur

Verteller:
► de alwetende verteller
► de personale verteller
► de ik-verteller

Leesvaardigheid

Alle tekstverbanden op een rij:

tekstverband

signaalwoord

voorbeeld

opsommend ook, tevens, bovendien, ten eerste, ten tweede, daarnaast We hebben Nederlands van meneer Jansen. Daarnaast hebben we Engels van mevrouw Termeer en Duits van meneer Veldman.
tegenstellend maar, echter, toch, daarentegen Ik ben van mening dat we met deze lessen moeten stoppen, maar daar denkt mijn collega anders over.
chronologisch eerst, daarna, toen, vroeger, nu, later We begonnen met een handjevol leerlingen. Daarna meldden zich een aantal klassen. Nu is ons gebouw al te klein.
oorzakelijk doordat, waardoor, daardoor Mijn familie kwam in een lange file terecht. Daardoor kwamen zij te laat op mijn verjaardag.
voorwaardelijk als, indien, tenzij, mits Als jij alles voor mij inpakt, koop ik iets lekkers voor onderweg.
vergelijkend zoals, evenals, beter dan, net als Net als in Amerika gaan ook in Europa steeds meer mensen naar fastfoodketens.
redengevend daarom, omdat, want, immers Omdat het klimaat snel verandert, gaat het waterschap de dijken in een hoog tempo ophogen.
doel-middel om te, zodat, opdat Mijn buurman volgt een cursus Engels, zodat hij de kans op een internationale carrière vergroot.
concluderend dus, daarom, concluderend Het is dus belangrijk om regelmatig je huiswerk te maken.

 

Functieswoorden

Functiewoorden geven aan wat de taak is van een tekstgedeelte ten opzichte van een ander tekstgedeelte.

Een inleiding kan de volgende functies hebben:

  • -  het onderwerp van de hele tekst aangeven

  • -  het onderwerp van de tekst als probleem aangeven

  • -  kort samenvatten wat in de tekst besproken gaat worden

  • -  de aanleiding noemen (bijvoorbeeld een actuele gebeurtenis)

  • -  de aandacht trekken met een opvallende uitspraak

  • -  de aandacht trekken met een anekdote (grappig voorval)

  • -  het introduceren van een deskundige die aan het woord komt

Het middenstuk heeft de functie dat er nader op het onderwerp wordt ingegaan. Door middel van uitspraak-verklaring, uitspraak-toelichting, voorbeeld, uitwerking, oorzaak-gevolg, voor- en nadelen, opsomming, probleem-oplossing, mening-argument, etc.

Een slotalinea kan de volgende functie hebben:

  • -  een conclusie geven

  • -  een antwoord geven op een hoofdvraag

  • -  alles nog eens kort samenvatten

  • -  mensen tot actie aansporen

  • -  de mening van de schrijver nog eens weergeven

  • -  een waarschuwing geven

  • -  advies geven

Antwoorden woordenschat: Geveinsde spijt

1 onoprecht – niet serieus gemeend
2 spijtbetuiging – nadrukkelijke erkenning dat je ergens spijt van hebt
3 bemiddelt – komt tussen beide
4 inlevingsvermogen – de capaciteit om je in iemands problemen en situatie in te leven
5 over de schreef gaat – de wet overtreden
6 onthutsend – verbijsterd
7 teneinde – (met de bedoeling) om
8 gedupeerde – slachtoffer
9 in hun maag zitten – een probleem hebben, (hier) spijt hebben van
10 bleven in gebreke – lieten na wat eigenlijk wel gedaan zou moeten worden (bijvoorbeeld omdat het beloofd is)
11 geveinsd – gespeeld
12 milder – zachtaardiger
13 aard – karakter
14 getuigt van – blijk geven van
15 vonnis – beslissing/uitspraak van de rechter
16 voorwaardelijke straf – straf die pas wordt uitgevoerd als de veroordeelde zich niet aan de gestelde voorwaarden houdt.
17 doorgewinterde – zeer ervaren
18 door het stof gaat – veel spijt betuigt, vele excuses maakt
19 predikaat – eervolle toevoeging
20 ontraden – iemand zeggen om iets niet te doen, afraden

Vaste combinaties: Sommige werkwoorden vormen een vaste combinatie met een zelfstandig naamwoord, bijvoorbeeld: hulp bieden aan, aandacht besteden aan, een gesprek voeren, een voorstel doen, het onderspit delven, met de eer strijken, een toontje lager zingen, de plank mis slaan, iemand een warm hart toedragen, het hoofd breken, berouw tonen, een beslissing maken, in dubio staan, geen hout snijden, iets volledig in de as leggen, zijn tol eisen, de toon zetten, het loodje leggen, enz.

Contaminatie: een verhaspeling van twee begrippen. Voorbeelden: 'Die koffer weegt zwaar' en 'Dat kost duur'.

Beeldspraak

Met figuurlijk taalgebruik bedoelen we dat je iets zegt of schrijft dat je niet letterlijk moet nemen.
Bij letterlijk taalgebruik zeggen of schrijven we precies wat we bedoelen.

Vergelijking

Je vergelijkt iets met iets anders (het beeld) omdat er overeenkomst is. Het beeld wordt ingeleid door ‘als’ of een vorm van het werkwoord ‘lijken’. Bijvoorveeld: Hij is zo koppig als een ezel.

Metafoor

Een metafoor lijkt op een vergelijking, maar nu noem je alleen het beeld. Het woordje 'als' of 'lijkt' staat nu niet in de zin. Bijvoorbeeld: Vrijdag maakte ik mijn huiswerk in een zwijnenstal, maar zaterdag toverde mijn moeder mijn kamer om tot een paleis.

Leer de volgende moeilijke woorden goed schrijven:
allochtonen, architectuur, bioscoop, cassière, charmeur, etnische, faillissement, financiën, gerenommeerde, halsstarig, irriteren, juridisch, prullaria, recessie, sollicitaties

Grammatica woordsoorten

Voegwoorden (VW): woorden als en, maar, of, want, als, dat enz. Het zijn verbindingswoorden. Ze verbinden zinnen of woorden met elkaar:

Een wederkerend voornaamwoord (wed.vnw.): een voornaamwoord dat bij een wederkerend werkwoord hoort.

Het wederkerende voornaamwoord verwijst terug naar het onderwerp.

Onderwerp                  Wederkerend
werkwoord                 
Wederkerend voornaamwoord               
Ik
Jij
U
Hij/zij
Wij
Jullie
Zij
schaam
schaamt
schaamt
schaamt
schamen
schamen
schamen
me
je
zich
zich
ons
je
zich

 

Een wederkerig voornaamwoord (wdg.vnw.) geeft aan dat meerdere personen tegelijkertijd een wederzijdse handeling verrichten: elkaar, mekaar, elkander