Thema 12 Werken en doorleren - vmbo-kgt34

Thema 12 Werken en doorleren - vmbo-kgt34

Werken en doorleren

Inleiding

Het duurt niet mee zo lang en je bent klaar met het vmbo.
Weet je al wat je gaat doen?  
Weet je al wat je wilt worden?
Voor welke vervolgopleiding ga je je inschrijven? 
Wil je na het mbo nog verder doorleren of weet je al waar je gaat werken?
Allemaal belangrijke keuzes waar je goed over na moet denken.

Dit thema gaat over werken en doorleren.
Misschien brengen de informatie en video's je nog op ideeën!

Bekijk de video.

Je maakt in dit thema vijf opdrachten. In iedere opdracht staat een andere vaardigheid centraal.
In de opdrachten wordt waar mogelijk verwezen naar het thema, maar lang niet overal.

Na het maken van de opdrachten ga je aan de slag met de afsluiting van het thema.
Je houdt en analyseert een enquête onder je klasgenoten over werken of doorleren.

Wat kan ik straks?

Hier vind je de leerdoelen die horen bij het thema Werken en doorleren.

Leerdoel Opdracht
Ik kan een goede samenvatting van een tekst maken. Schrijven - Samenvatten
Ik kan omgaan met het opzoeken van de betekenis van moeilijke woorden. Lezen -  Moeilijke woorden
Ik kan in een tekst deelonderwerpen (en deelvragen) herkennen. Lezen - Deelonderwerpen
Ik kan kijk- en luisterstrategieën omschrijven en toepassen. Kijken en luisteren -  Strategieën
Ik kan een fictieautobiografie maken. Fictie - Fictieautobiografie

 

Wat ga ik doen?

Voor je aan de slag gaat met de afsluiting maak je vijf opdrachten.
In de tabel staat per activiteit hoeveel lessen je ongeveer nodig hebt.

Activiteit Aantal lesuren Eindproduct
Inleiding 0,5  
Schrijven: Samenvatten 2 Samenvatting maken.
Lezen: Moeilijke woorden 2 Logboek moeilijke woorden maken.
Lezen: Deelonderwerpen 3

Deelonderwerpen in een tekst benoemen.

Examenvragen over deelonderwerpen.

Luisteren en kijken: Kijk- en luisterstrategieën 2 Video's kijken volgens een leesstrategie.
Fictie: Fictieautobiografie 3 à 4 Fictieautobiografie maken.
Afsluiting 2 Enquête houden over werk en doorleren.
Totaal: 15 à 16  

 

De tijd is slechts een indicatie en afhankelijk van de keuze van het eindproduct.

Opdrachten

Schrijven: Samenvatten

Schrijven - Samenvatten

Intro

In deze opdracht ga je oefenen met het maken en nakijken van een samenvatting.
Daarnaast krijg je tips voor het examen.

Bekijk de video 'Samenvatting maken'.
Heb je al eens eerder een samenvatting gemaakt?

 

Wat kan ik straks?

Aan het eind van deze opdracht kan ik:

  • omschrijven hoe ik een samenvatting van een tekst maak.
  • een paar tips noemen om een goede samenvatting te maken.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Ik krijg uitleg over een geleide samenvatting en hoe ik een samenvatting maak. Ik lees een tekst op een intensieve manier en markeer hoofdzaken. Bespreek de verschillen met een klasgenoot.
Stap 2 Ik krijg tips hoe ik een samenvatting kan voorbereiden en oefenen.
Stap 3 Ik oefen met het lezen en nakijken van twee samenvattingen van oude examens, met een correctiemodel. Bespreek ze daarna met een klasgenoot.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Eindopdracht Als eindopdracht maak ik een samenvatting van een examentekst. Kijk deze na met het correctiemodel.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer 2 lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Maken en nakijken

Op je examen hoef je niet zelf te verzinnen wat er in de samenvatting moet komen te staan. Je maakt namelijk een geleide samenvatting.
Met een geleide samenvatting wordt bedoeld, dat in de vraag precies staat wat er in de samenvatting moet komen te staan. Je krijgt eigenlijk een recept voor de samenvatting.
Als je alle ingrediënten hebt gevonden, moet je ze in volledige zinnen op papier zetten.

Hoe maak je een samenvatting? Lees onderstaande theorie en kijk in de Gereedschapskist.

Samenvatting

In een samenvatting staan alleen de hoofdzaken van een tekst. Om een samenvatting te maken, moet je de tekst eerst goed doorlezen.

Markeer tijdens het doorlezen de kernzinnen.
Bepaal de hoofdgedachte en schrijf die op als begin van je samenvatting.
In de rest van de samenvatting gebruik je de kernzinnen.
De rest van je samenvatting is dan uitleg of argumentatie bij de hoofdgedachte.

Een goede samenvatting geeft meestal antwoord op de 5W-vragen:

  • Wie is de hoofdpersoon?
  • Wat zijn de belangrijkste gebeurtenissen?
  • Waar speelt het zich af?
  • Wanneer speelt het zich af?
  • Waarom speelt het zich af?

Opdracht

  1. Lees de tekst 'Van vmbo naar havo' op een intensieve manier.
  2. Markeer de hoofdzaken in de tekst die volgens jou in de samenvatting moeten komen.
  3. Bespreek deze opdracht met een klasgenoot. Hebben jullie dezelfde zinnen gemarkeerd? Bespreek de verschillen.

Samenvatting schrijven

Als je veel theorie moet leren of er vragen over moet maken, is het handig om een samenvatting van de tekst te maken. Een samenvatting geeft antwoord op de vraag: ‘Wat staat er eigenlijk?!’ Je vertelt zo kort mogelijk waar de tekst over gaat.

 

Stap 2: Tips

Het maken van de samenvatting is een opdracht die je goed kunt voorbereiden en oefenen.
Het is belangrijk dat je veel samenvattingsopdrachten van oude examens maakt en dat je deze heel goed nakijkt.

In deze stap krijg je vast tips voor het maken van een goede samenvatting.
Neem de tijd om de tips rustig door te lezen. Het is nuttig om aantekeningen voor jezelf te maken.

Tip 1: Markeren

Je kunt een markeerstift gebruiken bij je examen, zodat je in de tekst waarvan je een samenvatting moet maken, de belangrijkste zinnen kunt markeren.
Je leest eerst de opdracht goed door. Als je daarna de tekst intensief leest, kun je tijdens het lezen al veel zinnen markeren.
Bij het maken van de samenvatting kun je zo de belangrijke delen uit de tekst makkelijker terugvinden.

Tip 2: Aantal woorden

Het aantal woorden dat je mag gebruiken voor de samenvatting is beperkt; voor je het weet zit je daarboven.
Het is héél belangrijk dat je onder het maximum aantal woorden blijft.
Je moet een tekst goed kunnen samenvatten in tien procent van de oorspronkelijke lengte.
Als je je samenvatting te lang maakt, heb je de tekst onvoldoende ingekort. Hier krijg je puntenaftrek voor.

  1. Bepaal vooraf hoeveel woorden jij op één regel van een examenblad schrijft.
    Als het maximum aantal woorden 175 is en als je zeven woorden op een regel zet, dan weet je dat je ongeveer 25 regels kunt maken om onder het maximum aantal woorden te blijven.
  2. Gebruik het laatste kwartier van de examentijd om te tellen hoeveel woorden je precies hebt.
    Dit hoef je dan niet tussentijds te doen.
  3. Zet na elk stuk van vijftig woorden een klein potloodstreepje in de kantlijn. Zo kun je het totaal makkelijker optellen.
  4. Te lang is niet goed, maar te kort ook niet. Je samenvatting moet niet veel korter zijn dan het maximale toegestane aantal woorden.
    Wie een samenvatting maakt van veel minder woorden heeft belangrijke delen van de inhoud weggelaten. En dat geeft puntenaftrek.
    Als je helemaal klaar bent met je samenvatting, kijk dan stap voor stap na of je alle gevraagde punten in je samenvatting hebt verwerkt.

Tip 3: Controle

Als je tijdens het examen tijd over hebt, controleer je alle vragen nog een keer. Kijk ook opnieuw naar de samenvatting.
Wanneer je te lang naar dezelfde samenvatting blijft kijken, is het lastig om fouten te vinden.
Als je met een frisse blik naar dezelfde samenvatting kijkt, kom je misschien nog wat fouten tegen die je kunt verbeteren.

Kloppen de zinnen die je hebt opgeschreven? Zijn ze leesbaar en zonder fouten?
Geven ze een antwoord op de vraag en heb je van het geheel een goedlopende samenvatting gemaakt?
Dan is je samenvatting af!

Stap 3: Nakijken

Om je goed voor te bereiden op het examen, is het belangrijk om veel oude examens te oefenen.
Daarbij is het belang van nakijken groot. Als je op een goede manier nakijkt, kun je leren van je eigen fouten.
In deze opdracht ga je oefenen met het nakijken van een samenvatting.

Opdracht

Hieronder staan twee samenvattingen van oude examens.
Ook zie je een voorbeeldtekst van hoe de samenvatting gemaakt is en het correctiemodel.
Je bekijkt alles kritisch en gaat bepalen hoeveel punten de voorbeeldsamenvatting krijgt.

Samenvatting 1

Download de examenopdracht Samenvatting maken: 'Wie aardig is, gunt de ander het goede'.
Bekijk de tekst en de opdracht goed.

Download daarna het bestand Voorbeeldsamenvatting en correctiemodel bij Samenvatting 1

  1. Lees de voorbeeldsamenvatting kritisch.
  2. Gebruik het correctiemodel om te bepalen hoeveel punten je voor de samenvatting geeft.

Samenvatting 2

In deze opdracht ga je nog een keer een samenvatting nakijken.
Download de tekst 'Overbodig gepieker' Bekijk de tekst globaal.

Open het volgende bestand: Opdracht bij Samenvatting 2.
In dit bestand vind je achtereenvolgens:

  1. De opdracht
  2. Een voorbeeld van een samenvatting die jij moet nakijken.
  3. Het correctiemodel

Bepaal met behulp van het correctiemodel hoeveel punten de samenvatting krijgt.

Vergelijken
Vergelijk met een klasgenoot hoeveel punten jullie beide samenvattingen hebben gegeven en waarom.
Luister goed naar elkaar, zodat je van elkaar kunt leren.

Afronding

Eindopdracht

In deze laatste stap ga je oefenen met de samenvattingsopdracht van een oud examen.
Hieronder staat de tekst met de opdracht.
Lees de tekst 'Het nut van pret in de nacht'.

Samenvattingsopdracht

Maak een samenvatting van de tekst 'Het nut van pret in de nacht' in maximaal 150 woorden.
Besteed alleen aandacht aan de volgende punten:

  1. Het probleem dat in de tekst aan de orde wordt gesteld.
  2. De verklaring voor dit probleem.
  3. Het lichamelijke gevolg en het geestelijke gevolg van dit probleem.
  4. De drie fasen in het onderzoek van Meerlo en Román.
  5. Twee resultaten van het onderzoek van Meerlo en Román.
  6. De omvang van de slaapbehoefte bij mensen.
  7. De twee verschillende resultaten van het onderzoek naar de onderbroken slaap
  8. De aanbeveling die wordt gedaan.

Maak er een samenhangend geheel van. Gebruik geen telegramstijl.
Geef niet onnodig voorbeelden. Tel het aantal woorden en noteer dat onder je samenvatting.
Zet de titel erboven.

Correctiemodel

Als je de samenvatting helemaal af hebt, ga je deze nakijken met behulp van het correctiemodel.
Correctiemodel bij de samenvattingsopdracht

Terugkijken

Intro

  • Heb je de introductievideo bekeken?
    Vond je de uitleg over het maken van een samenvatting duidelijk?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je een samenvatting maken na het goed doorlezen van een tekst?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 2 uur met de opdracht bezig zou zijn. Had je die tijd ook nodig voor deze opdracht of kwam je tijd te kort?
  • Inhoud
    Is dit de eerste keer dat je samenvattingen oefent met oude examens?
    Ging het goed of vond je het nog wel moeilijk?
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht? Is het je gelukt om zelf een samenvatting te maken?

Lezen: Moeilijke woorden

Lezen - Moeilijke woorden

Intro

Je krijgt in deze opdracht uitleg en tips, hoe je met moeilijke woorden in het Nederlands kunt omgaan.
Als je, met name straks bij je examen, moeilijke woorden tegenkomt, kun je de tips toepassen.

(Her)ken je de betekenis van deze moeilijke woorden?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • stapsgewijs achter de betekenis van een moeilijk woord in de tekst komen;
  • omgaan met het opzoeken van de betekenis van moeilijke woorden;
  • omschrijven wat wordt bedoeld met beeldspraak;
  • uitleggen wanneer een schrijver in een tekst gebruikmaakt van beeldspraak of stijlfiguren.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Lees de informatie over omgaan met moeilijke woorden. Bestudeer het Kennisbankitem over voor- en achtervoegsels, waaraan ik moeilijke woorden mogelijk kan herkennen. Bestudeer het stappenplan om moeilijke woorden op te zoeken. Maak twee oefeningen.
Stap 2 Lees een tekst met moeilijke woorden en beantwoord daar vragen over. Maak een oefening van moeilijke woorden en gebruik daarbij het stappenplan.
Stap 3 Lees de uitleg en het voorbeeld over beeldspraak. Lees de Kennisbankitems over stijlfiguren en maak de oefening, alleen of met een klasgenoot.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind ik de Kennisbanken die horen bij deze opdracht.
Eindopdracht Lees een tekst en maak een logboek met moeilijke woorden. In overleg met mijn docent wordt het besproken in de klas.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer twee lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Moeilijke woorden

Moeilijke woorden, wat te doen?

Tijdens je examen moet je veel teksten lezen.
Waarschijnlijk kom je in ieder examen wel een paar woorden tegen waar je nog nooit van hebt gehoord.
Veel vmbo'ers struikelen tijdens hun examen over moeilijke woorden.
Je kunt erover lezen in het artikel 'Moeilijk taalgebruik'.
In deze opdracht leer je om te gaan met moeilijke woorden.

Voor- en achtervoegsels

Herkennen van voor- en achtervoegsels en signaalwoorden kunnen je helpen de betekenis van een woord te vinden. Weet jij nog wat voor- en achtervoegsels zijn?
Bestudeer de theorie in de Kennisbank.

Stappenplan

Open het bestand 'Moeilijke woorden' voor het stappenplan, dat je kunt gebruiken als je een moeilijk woord tegenkomt in een tekst.

Maak de volgende meerkeuzeoefening over de betekenis van moeilijke woorden.

Maak de volgende opdracht over de betekenis van voor- en achtervoegsels.

Stap 2: De juiste betekenis

Lees de volgende tekst. Beantwoord daarna de vragen.

UITWASSEN VERMINDERD DOOR CAMERA’S

(1) Het uitgaansgeweld neemt in de grote steden door toezicht met camera's drastisch af. Auto-inbraken en vernielingen komen in sommige steden bijna niet meer voor. Het aantal vechtpartijen daalt en de drugshandel neemt af. De camera's hebben ertoe geleid, dat verdachten van schietpartijen, vernielingen en drugshandel sneller achter slot en grendel zijn verdwenen.

(2) Dat blijkt uit onderzoek naar steden en dorpen die als eerste zijn begonnen met cameratoezicht in gebieden met veel cafés en dansgelegenheden.

(3) "We hebben nu de eerste onderzoeken naar het effect van de camera's afgerond en zien dat het toezicht een groot succes is," aldus onderzoeker W. Brunekreef. "De stijging van het aantal geweldsdelicten is in de onderzochte steden licht gedaald, maar diefstal en vernieling daalden zelfs met 60 procent. Burgers voelen zich een stuk veiliger in een stad met cameratoezicht."

(4) In Bergen op Zoom komen zware geweldsdelicten in het uitgaanscentrum niet meer voor, terwijl elders in het land het aantal geweldsdelicten nog steeds toeneemt. In Breda is het aantal auto-inbraken rond het station, sinds daar deze zomer 33 camera's zijn opgehangen, bijna tot 0 gereduceerd. Inmiddels zijn steden als Groningen en Apeldoorn ook begonnen met cameratoezicht en andere steden, zoals Den Haag, Rotterdam, Middelburg en Enschede volgen binnenkort.

(5) Toch zijn er ook deskundigen die het een slecht idee vinden het land vol te hangen met camera's. "Camera's kunnen een prima hulpmiddel zijn bij het bestrijden van de criminaliteit," aldus een van hen, "maar zonder andere maatregelen en de inzet van extra politieagenten schieten we nog maar weinig op. Ik ben bang dat met zomaar wat camera's ophangen zinloos geweld niet echt wordt uitgebannen."

(Naar een artikel verschenen in de Leeuwarder Courant)


Beantwoord de drie vragen.

Maak  de volgende oefening.
Volg het stappenplan 'Moeilijke woorden'. Gebruik eventueel de volgende site www.vandale.nl voor het opzoeken van de betekenis.

Stap 3: Beeldspraak

Een schrijver wil zijn tekst zo pakkend mogelijk laten overkomen.
Om variatie in de tekst aan te brengen of om iets te benadrukken, kan hij beeldspraak of stijlfiguren gebruiken.

Beeldspraak wil zeggen dat een woord of een uitdrukking een figuurlijke betekenis krijgt. Het is dan niet letterlijk bedoeld.

Voorbeeld:
Ze konden een gezond bedrijf bouwen op de vleugels van een Royaal Frans subsidiebeleid.
Op de vleugels van is figuurlijk bedoeld en betekent 'met behulp van'.

 

Met stijlfiguren heb je in een ander thema al geoefend. Weet je het nog?
Bestudeer de Kennisbankitems over stijlfiguren, om je geheugen op te frissen.

Maak de volgende oefening over stijlfiguren, alleen of samen met een klasgenoot.

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.

Voor- en achtervoegsel

Eindopdracht

Logboek moeilijke woorden

In de eindopdracht ga je een tekst met moeilijke woorden lezen. Je gaat de moeilijke woorden die in de tekst voorkomen, noteren in een logboek. Ook ga je omschrijven hoe je achter de betekenis van het moeilijke woord kan komen.

Lees het artikel 'Philips neemt medisch bedrijf VS over'.

Download het bestand: 'Logboek moeilijke woorden'. Sla het op in je eigen omgeving en vul het in.

  1. Zet alle woorden uit het artikel dat je net gelezen hebt, en waarvan je de betekenis in eerste instantie niet weet, in dit logboek onder het kopje 'Moeilijk woord'.
  2. Onder het kopje 'Strategie' beschrijf je hoe je achter de betekenis van het moeilijke woord kunt komen.
  3. Onder het kopje 'Betekenis' zet je de betekenis van het woord.


Heb je de betekenis van alle moeilijke woorden gevonden? Heb je het logboek helemaal ingevuld?
Lever het logboek in bij je docent. Hij of zij bepaalt hoe de opdracht wordt besproken.

Terugkijken

Intro

  • Wist je de betekenis van de moeilijke woorden of heb je die opgezocht??

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je uitleggen waarom een schrijver beeldspraak of stijlfiguren gebruikt in tekst?

Hoe ging het?

  • Inhoud
    Wat vond je van het stappenplan 'Moeilijke woorden'?
    Vind je het handig om moeilijke woorden op deze manier op te zoeken?
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht? Heb je veel moeilijke woorden gevonden in de tekst?
    Lukte het je om daarna het logboek in te vullen en aan te geven welke strategie je hebt gebruikt?

Lezen: Deelonderwerpen

Lezen - Deelonderwerpen

Intro

Hoe je het onderwerp van een tekst vindt, is je al bekend.
In deze opdracht gaat het over deelonderwerpen.

Bekijk de video.
Hoe kun je een deelonderwerp vinden?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van deze opdracht kan ik:

  • omschrijven hoe ik in een tekst deelonderwerpen kan vinden;
  • omschrijven welke deelvragen ik kan stellen bij een deelonderwerp;
  • door het stellen van deelvragen, het deelonderwerp of de hoofdzaak vinden in een tekst.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Lees de Kennisbanken door. Lees de informatie en voorbeelden over deelonderwerpen en deelvragen.
Stap 2 Lees de tekst 'Menselijke kacheltjes' en beantwoord de vragen.
Stap 3 Lees de tekst 'Naar links schaatsen onnatuurlijk?' en beantwoord de vragen.
Stap 4 Lees de tekst 'Bijverdienen brengt de jeugd in de ban van materialisme' en beantwoord de vragen.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind je de Kennisbanken die horen bij deze opdracht.
Eindopdracht A Je benoemt deelonderwerpen in een tekst. Je docent bepaalt hoe dit beoordeeld wordt.
Eindopdracht B Je kunt examenvragen oefenen over deelonderwerp en deelvragen.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer drie lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Deelonderwerp

In deze opdracht ga je oefenen met het deelonderwerp van een tekst.
Je hebt al eerder geleerd hoe je een onderwerp in een tekst kunt vinden. Ook heb je al eens gekeken naar tekstbegrip.

Kijk nog even in de Kennisbankitems om je geheugen op te frissen.

Deelonderwerpen

In een tekst ga je als volgt op zoek naar de deelonderwerpen:

  1. Zoek het onderwerp van de tekst; waar gaat de tekst over?
  2. Let op tussenkopjes in de tekst.
  3. Bekijk de alinea-indeling.
  4. Lees de eerste zin van elke alinea.
  5. Een deelonderwerp is steeds een 'nieuw' aspect van het onderwerp.
  6. Lees niet te snel, neem de tijd.

Deelvragen

Bij elk deelonderwerp kun je een deelvraag stellen.

Voorbeeld:

Onderwerp van een tekst is: 'Werken of doorleren?'.
Deelonderwerpen zijn: 'Het mbo' of 'Eigen geld verdienen'.
Deelvragen zijn: 'Welke opleidingen binnen het mbo kan ik kiezen?' of 'Hoeveel geld mag ik bijverdienen?.


Met de antwoorden op deelvragen geef je in stapjes ook antwoord op de hoofdvraag.

Voorbeeld:

Hoofdvraag: 'Hoe kan ik friet bakken met een frituurpan?'

Om bij het antwoord te komen, beantwoord je eerst de volgende deelvragen:

  1. Wat is friet?
  2. Hoe kom ik aan friet?
  3. Wat is een frituurpan?
  4. Hoe kom ik aan een frituurpan?
  5. Hoe werkt een frituurpan?


In de volgende stappen ga je oefenen met deelonderwerpen en deelvragen.

Hoofd- en deelvragen

Hoofd- en deelvragen moeten aan de volgende eisen voldoen:

  1. Niet te globaal: hoe algemener de vraag, des te meer informatie je moet zoeken en hoe meer onderzoekstijd je nodig hebt.
  2. Duidelijk afgebakend: het onderwerp, de periode of het onderzoeksgebied zijn duidelijk aangegeven. 
    (Wat? Wanneer? Waar?)
  3. Eenduidig: de vraag is maar op één manier uit te leggen.
  4. Haalbaar: de vraag moet te onderzoeken zijn met jouw beschikbare tijd en middelen.

Stap 2: Menselijke kacheltjes

Lees de tekst en beantwoord de vragen.

MENSELIJKE KACHELTJES

(1) "Heb jij een nieuwe Lego-doos? Dan ben ik jouw vriendje!" Met de eerste vriendjes in ons leven gaan we niet zo mooi om. Dat beweert althans de Tilburgse onderzoeker Jan Boelhouwer: "Voor een kind is het beste vriendje bijna altijd de jongen of het meisje met speelgoed dat je zelf niet hebt. Als weer een ander een nog mooier speeltje blijkt te hebben, is de vriendschap snel voorbij. Die snel wisselende vriendschappen wijzen erop dat een kind zich niet zo snel aan een persoon hecht. En dat vriendschap een kwestie is van geven en nemen, weet het ook nog niet."

(2) Dit  "speelgoedprincipe", waarmee kinderen vrienden selecteren, bestaat bij velen op latere leeftijd nog. Waarom anders hebben mensen met veel geld zoveel "vrienden"? Is de ware vriendschap, zoals de popgroep Het Goede Doel ooit zong, niet meer dan "een illusie, een pakketje schroot met een dun laagje chroom"?

(3) Boelhouwer meent: "Vriendschap bij volwassenen ziet er - gelukkig- meestal anders uit". Er zijn drie sleutelwoorden: vertrouwen, humor en stabiliteit. Vertrouwen, want we zoeken in een vriend iemand die naast ons staat in het leven. Je kunt alles aan je vrienden kwijt, je ups en je downs. Je schenkt ze bijna onbeperkt vertrouwen en krijgt dat, als het goed is, ook terug.

(4) Humor, want een goede vriend is vaak iemand met wie je na een woord al in lachen uitbarst. Een gedeeld gevoel voor humor bindt vrienden; het is het gemeenschappelijke wapen tegen de boze buitenwereld.

(5) Stabiliteit, want in een goede vriendschap, blijft het gevoel van saamhorigheid lang bestaan. Je kunt hem of haar bij wijze van spreken twee jaar niet zien en toch val je dan meteen, en met de grootste vanzelfsprekendheid, terug in diezelfde vertrouwdheid van vroeger. Bij een vriend voel je je voor lange tijd thuis. Vrienden zijn voor elkaar een soort menselijke kacheltjes. Zonder elkaars warmte zouden ze verkleumen."

(6) Waarom sluiten we eigenlijk vriendschap en waarom hebben we vrienden zo nodig? Voor een passend antwoord op deze vragen moeten we misschien terug naar de prehistorie. "Het hebben van vrienden verhoogde toen waarschijnlijk op de een of andere manier je overlevingskans. Met roofdieren en vijandige stammen in de buurt was het veiliger voor mensen om er in groepen op uit te trekken. Mensen hebben elkaar klaarblijkelijk nodig om te overleven. Misschien dat we daarom biologisch zijn "geprogrammeerd" om het gezelschap van anderen zo op prijs te stellen."

(7) Psychologen, onder wie Jan Boelhouwer, stellen dat vrienden voor volwassenen het veilige, warme nest van het ouderlijk huis vervangen. Maar die typische warmte en geborgenheid van het ouderlijk huis krijg je bij een echt goede vriend nooit helemaal terug. Er is een belangrijk verschil tussen vrienden en familie, meent Jan Boelhouwer. "Familie legt je vaak normen op en stelt eisen. Je moet eens wat vaker langskomen, zeggen pa en ma. Tussen vrienden heb je dat niet, want die houden een gezonde afstand. Vrienden hoeven elkaar niet de hele dag te zien. Het opvallende is, dat je juist vanwege een grotere afstand intiemer kunt praten met een goede vriend dan met een familielid. Een vriend fungeert als een soort klankbord. Hij luistert, geeft advies, en dat alles zonder de druk van wederzijdse eisen en verwachtingen."

(8)"Elk mens heeft iemand nodig aan wie hij of zij zich kan spiegelen. Bovendien is het handig belangrijke levensstappen met een vriend te bespreken: bij het verkering krijgen en houden, het kiezen van een studie, het zoeken naar werk. Kortom, bij elke belangrijke stap die je in het leven zet, is het nuttig en prettig een second opinion te krijgen. Vrienden zijn in wezen elkaars gids in het leven."

(9) Dit maakt duidelijk waar het mechanisme van het verschijnsel sympathie toe dient. "Je bent over het algemeen niet geneigd veel mensen in vertrouwen te nemen," zegt Boelhouwer. "Maar een beperkt aantal mensen kan vriend van je worden. Een eerste vereiste bij vriendschap is, dat je vanuit eenzelfde basisgevoel tegen de dingen aankijkt. Maar dan op een abstract niveau. Het hoeft niet per se zo te zijn dat vrienden hetzelfde werk doen of er exact dezelfde levensstijl op na houden."

(10) Om erachter te komen met wie we al dan niet vrienden kunnen worden, heeft moeder natuur ons een handje geholpen. Op basis van een gevoel van sympathie - of antipathie - selecteren we mensen. Boelhouwer: "Vanaf de puberteit beginnen we minder op elkaar speelgoed te letten en meer op zaken als gemeenschappelijke interesses en bezigheden. Het nieuwe toelatingscriterium voor vriendschap is: passen we als mens wel bij elkaar?"

(11)"Als je met mensen in contact komt, heb je vrij snel in de gaten of iemand je bevalt. Dat eerste ontmoetingsmoment is bepalend. Beschouw het als een soort sollicitatiegesprek. Je maakt je keuze bliksemsnel aan de hand van eerste indrukken. Als iemand fout reageert, weet je direct: dat wordt nooit wat. Als de een een opmerking maakt waar de ander absoluut niet tegen kan, gaat het mis. Uit zulke kortstondige wrijvingen blijkt dat de wereldbeelden te veel van elkaar verschillen. Met andere woorden, je zult niet zoveel hebben aan elkaar als "gids" voor het leven."

(12) Bij elke kennismaking worden we overspoeld door een zee van indrukken. Welke signalen op mogelijke vriendschap wijzen en welke niet, daar moet je door schade en schande achter komen. Jongeren zijn volgens Boelhouwer aanvankelijk weinig kieskeurig in de keus van hun vrienden, maar later wordt dat anders. "Hoe ouder je wordt, des te meer ervaringen je met mensen hebt en des te minder je eventjes vlug nieuwe vrienden maakt."


De tekst 'Menselijke kacheltjes' kan worden ingedeeld in vier opeenvolgende tekstdelen:

  • Deel 1: de inleiding, alinea 1 en 2.
  • Deel 2: alinea 3 t/m 5.
  • Deel 3: alinea 6 t/m 8.
  • Deel 4: alinea 9 t/m 12.

Stap 3: Naar links schaatsen

Lees de tekst en beantwoord daarna de vragen.

NAAR LINKS SCHAATSEN ONNATUURLIJK?

(1)‘Poeh keek naar zijn beide pootjes. Hij wist dat een ervan de rechter was, en hij wist ook dat als je had uitgemaakt welke de rechter was, de andere de linker moest zijn. Hij kon zich alleen nooit herinneren waar je moest beginnen.’

(2) Arme Poeh.... Ouders van jonge kinderen kennen het probleem. De linkerhand lijkt verwarrend veel op de rechter en hoe aandachtig je ook in je handen tuurt, een aanwijzing voor wat links en wat rechts is, zul je er niet vinden. Als kinderen aan het verkeer gaan deelnemen, moeten ze leren dat ze, fietsend aan de binnenkant, bij het commando ‘rechtsaf!’ niet het stuur naar links moeten draaien. Jonge kinderen lossen het probleem vaak op door even te doen alsof ze schrijven. Helaas, beer Winnie the Poeh was de schrijfkunst niet machtig.

(3) ‘Links’ en ‘rechts’ spelen een merkwaardige rol in de menselijke geest. Wij nemen beweging van rechts naar links als iets vanzelfsprekends waar, maar op de schaatsbaan bijvoorbeeld voelt het van rechts naar links schaatsen meestal aan als iets tegennatuurlijks. Daarom wordt er bij wedstrijden altijd tegen de klok in geschaatst. Zelfs op niet-officiële banen, zoals op een bevroren vijver, ontstaat in de schaatsende massa spontaan een linksomdraaiende beweging.

(4) Het simpele feit dat we een linkerhand en een rechterhand hebben en dat die twee symmetrisch zijn, is het middelpunt van een heel web van raadsels. Waarom doen deze twee identieke lichaamsdelen niet hetzelfde, zoals onze twee nieren en twee longen? Waarom heeft nagenoeg iedereen een voorkeurshand? Waarom is die voorkeurshand negen van de tien keer de rechter? En vooral: waarom vinden door alle tijden en culturen heen mensen de rechterhand de ‘goede’ hand?

(5) Analyses van prehistorische tekeningen tonen aan dat al in de oertijd de mens werd afgebeeld als rechtshandig wezen. Die rechtshandigheid is een typisch menselijke eigenschap. Chimpansees en gorilla’s hebben ook wel een soort handvoorkeur, maar die heeft even vaak betrekking op de linkerpoot als op de rechter. De afwezigheid van een overheersende rechtshandigheid bij deze dieren doet vermoeden dat rechtshandigheid en spraak, die andere typisch menselijke eigenschap, met elkaar te maken zouden kunnen hebben. Onderzoek heeft aangetoond dat dat inderdaad zo is. Om te kunnen spreken moet de mens een aantal zeer verfijnde spierbewegingen uitvoeren. Het spreken en het gebruik van de rechterhand blijken allebei in de linker hersenhelft ‘gestuurd’ te worden. (6) In zijn studie over links- en rechtshandigheid wijst onderzoeker Rik Smits op de negatieve en discriminerende opvattingen over linkshandigheid in de loop der eeuwen. Hij geeft als voorbeeld de wiskundige en filosoof Pythagoras, die het begrip ‘links’ plaatste in het rijtje krom – duister - slecht. Links werd vroeger vaak verbonden met ongeluk en duistere, verboden zaken.

(7 )Smits onderzocht verder de praktische en maatschappelijke problemen van linkshandigen. Hij bestudeerde onder andere de problemen van linkshandige schutters in het leger, die de rechts uitgespuwde patroonhulzen voor hun lichaam langs zien vliegen. Hij onderzocht het weergeven van beweging in stripverhalen, het verloop van de diagonale lijn op schilderijen, de schrijfrichting en nog een hele reeks andere feiten, weetjes en observaties die met links- en rechtshandigheid te maken hebben.

(8) Er is, ook door anderen, zo langzamerhand heel wat onderzoek gedaan naar de achtergronden van linkshandigheid. Een probleem is wel, dat de uitkomsten zich nog niet laten samenvoegen tot een duidelijk patroon. Er is sprake van een verzameling feiten, maar een samenhangende theorie ontbreekt helaas.

(9) Zo is nog helemaal niet duidelijk welke rol de erfelijkheid bij linkshandigheid speelt. Aan de ene kant kan worden aangetoond dat ouders die zelf linkshandig zijn, een grotere kans hebben op het krijgen van linkshandige kinderen. Aan de andere kant toont onderzoek bij eeneiige tweelingen aan dat de erfelijke invloed op links- of rechtshandigheid te verwaarlozen is.

(10) Kan linkshandigheid misschien ontstaan doordat er iets misgaat op het moment van de geboorte? In een onlangs verschenen studie van de psycholoog Stanley Coren, getiteld The Left-handed Syndrome, is nogal wat materiaal verzameld, dat erop wijst dat de oorsprong van linkshandigheid daarmee te maken heeft. Beschadigingen voor, tijdens of kort na de geboorte, een laag geboortegewicht, vroeggeboorte en een moeizame bevalling zouden de handvoorkeur kunnen wijzigen. Een kind dat was voorbestemd rechtshandig te worden, zou dan linkshandig worden en andersom.

(11) Smits heeft weinig op met deze theorie. Het argument waarmee hij de theorie van Coren bestrijdt, is dat die risicofactoren veel te zeldzaam zijn om tien procent linkshandigen te kunnen verklaren. Bovendien valt aan de meerderheid van linkshandigen geen spoor van (vroegere) beschadiging te ontdekken.

(12) Linkshandigheid heeft zo haar eigen voordelen. Bekend is dat onder architecten en wiskundigen gemiddeld meer linkshandigen worden aangetroffen dan bij andere beroepen. Studenten in de bouwkunde met een voorkeur voor de linkerhand blijken het tijdens hun opleiding beter te doen dan hun rechtshandige collega’s. Hier is linkshandigheid vermoedelijk een teken van een redelijk goed functionerende rechter hersenhelft, die vooral ‘getraind’ is in de waarneming en ruimtelijke verhoudingen. Zo bezien is het niet vreemd dat vakken als architectuur en wiskunde aantrekkingskracht uitoefenen op linkshandige personen.

(13) Uit de studie van Smits valt af te leiden dat de vele vooroordelen over het verschijnsel linkshandigheid weinig grond hebben. Daarmee is de balans over de vorderingen van het wetenschappelijk onderzoek naar linkshandigheid voorlopig wel opgemaakt.

Naar: Douwe Draaisma (de Volkskrant, juli 1992). Naar links schaatsen is onnatuurlijk, en Harald Merkelbach samen met Peter Muris (Psychologie, juli 1992), Linkshandigen zijn alleen maar links handig.


De tekst kan verdeeld worden in zes opeenvolgende stukken, die als volgt kunnen worden omschreven:

  • Deel 1: inleiding
  • Deel 2: beschrijving van het onderzoeksvraagstuk
  • Deel 3: uiteenzetting over resultaten van onderzoek
  • Deel 4: voorlopige conclusie naar aanleiding van onderzoek
  • Deel 5: vervolg uiteenzetting over resultaten van onderzoek
  • Deel 6: slot.

Beantwoord de vragen.

Stap 4: Bijverdienen

Lees de tekst en beantwoord de vragen.

BIJVERDIENEN BRENGT JEUGD IN BAN VAN MATERIALISME

(1) Een onlangs door het ministerie van Sociale Zaken uitgevoerd onderzoek levert een duidelijk beeld op van de jeugdarbeid in Nederland. Naar aanleiding van dit onderzoek verscheen het rapport ‘van echt werk ga je zweten’. Een opvallende bevinding is de volgende: zo’n 63 procent van de scholieren van dertien tot en met zeventien jaar heeft het laatste jaar formele arbeid verricht. Dat wil zeggen: georganiseerde arbeid. Dus niet: auto’s wassen of oppassen, maar: kranten en folders bezorgen, en werken in de detailhandel, horeca of land- en tuinbouw.

(2) De jongeren vatten hun werk erg serieus op. Ze ervaren hun baantje als meedoen aan het ‘echte’ leven. Wel blijkt dat velen de vermoeidheid als negatief bijverschijnsel zien. Een kwart van de ondervraagden geeft aan wel eens lichamelijke klachten te hebben. Andere medische aspecten van jeugdarbeid zijn niet onderzocht, ook opvoedkundige niet.

(3) Uit een vergelijkbaar onderzoek dat in Denemarken is gehouden, blijkt dat de medische gevolgen niet onderschat mogen worden: 48 procent van de werkende jongeren klaagt over rugpijn, 13 procent heeft last van hoofdpijn en duizeligheid; elf procent geeft aan eczeem te hebben. Veelal leggen de jongeren zelf de oorzaak van deze klachten bij het werk. Het zijn cijfers die niet te verwaarlozen zijn. Omdat de Deense vormen van jeugdarbeid niet veel afwijken van de Nederlandse, mogen de cijfers gerust als een indicatie voor de situatie in ons eigen land worden gezien.

(4) Er bestaat dan ook alle reden om voorzichtig om te gaan met jeugdarbeid. Toch neemt het verschijnsel toe. De consumptiedrang van jongeren en de status van het werk doen eigenlijk nauwelijks meer onder voor de tendensen op dit gebied bij de volwassenen. Het materialisme staat voorop en wordt voortdurend gestimuleerd door de reclame. Zonder merkkleding telt een kind nauwelijks mee. Bij volwassenen zie je iets dergelijks op het gebied van auto’s.

(5) Een levensvervulling waarin het werk de belangrijkste plaats inneemt, zien we in de hele maatschappij terug. De verzakelijking neemt toe. De vraag is echter of we met z’n allen in Nederland wel een maatschappij willen, die gekenmerkt wordt door zakelijkheid en materialisme.

(6) Al enkele jaren wordt er gewerkt aan nieuwe wetgeving betreffende kinderarbeid. Daarbij denkt het ministerie van Sociale Zaken, na een advies van de Raad voor het Jeugdbeleid, aan een verruiming van de regels. De minister heeft een voorstel op tafel gelegd voor een nieuwe arbeidstijdenwet, waarin lichte en incidentele arbeid voor dertien- tot vijftienjarigen mogelijk wordt gemaakt. Het voorstel is in de vakantie maximaal 4 weken arbeid toe te staan, in de schoolperiode maximaal twaalf uur per week en op schooldagen maximaal twee uur per dag. Avond- en nachtdiensten blijven verboden.

(7) Aan het begrip ‘lichte arbeid’ wordt echter geen enkele invulling gegeven De gedachte is waarschijnlijk dat de jongeren zelf hun grenzen wel kunnen trekken. Maar dit op zich sympathieke uitgangspunt wordt hier helaas op de verkeerde manier gebruikt. Het is en blijft een taak van de overheid jongeren te beschermen tegen misbruik. Vanuit die gedachte werd kinderarbeid tenslotte in Nederland al een eeuw geleden wettelijk verboden. Het is niet goed dat we die in een moderne vorm, waarbij kinderen onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen zelf de eerste stap zetten, door een achterdeur weer binnenhalen.

(8) De huidige wetgeving inzake de arbeidstijden voor jongeren is toereikend. Maar er is wat mis met de controle op die tijden. Ook al is het moeilijk, controle blijft noodzakelijk. Als maar weinigen zich houden aan de maximumsnelheid, dan pas je niet de maximumsnelheid aan, maar maak je meer middelen vrij om de controle te intensiveren. Daarnaast is het nodig een betere voorlichting te geven aan jongeren en hun ouders. Men is te weinig bekend met de bestaande wettelijke regels.

(9) Om de misstanden in de jeugdarbeid daadwerkelijk te bestrijden moet de politiek zich meer verdiepen in de feitelijke arbeidsomstandigheden van de jongeren. Het alleen wijzigen van een definitie is geen oplossing voor het probleem en getuigt niet van veel visie.

Naar: Marian van Teeffelen. Uit: De Volkskrant, 28 november 1991


Deze tekst bestaat uit vier opeenvolgende delen:

  • Deel 1 bevat een beschrijving van de huidige situatie van jeugdarbeid in Nederland.
  • Deel 2 bevat een verklaring van de groei van jeugdarbeid.
  • Deel 3 bevat een schets van het voorgenomen overheidsbeleid.
  • Deel 4 bevat een enkele aanbevelingen aan de overheid.

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de Kennisbanken die horen bij deze opdracht.

Eindopdracht A: Benoemen

Deelonderwerpen benoemen

In deze eindopdracht ga je de deelonderwerpen van een artikel benoemen.

Lees eerst onderstaand artikel.

Je diploma en nu? Doorleren of werken?
Gefeliciteerd! Je hebt je mbo-diploma in the pocket!

Maar wat ga je nu doen? Solliciteren naar een leuke baan? Of wil je tóch nog verder leren? Dat kan een lastige keuze zijn, en alleen jijzelf kan die vraag beantwoorden. Probeer vooruit te denken. Waar wil je staan over 10 jaar?

Wat zijn de mogelijkheden?
Oriënteer je op de arbeidsmarkt door vacatures te zoeken op internet en in kranten.
Je kan daarnaast vrijblijvend open dagen bezoeken van scholen waar jij een vervolgopleiding zou kunnen doen. Je krijgt dan meer gevoel bij beide opties.

Toch verder leren?
Als het lastig blijkt om een baan te vinden, is het verstandig om toch nog verder te leren. Je kunt dan kiezen voor doorleren naar een hoge mbo-opleiding of een hbo-opleiding. Hbo-opleidingen zijn er in verschillende vormen: voltijd, deeltijd of duaal.

Duale opleiding
Bij een duale opleiding combineer je werken en leren. De verdeling tussen werken en leren verschilt per opleiding, maar samen vormen ze een studiebelasting die overeenkomt met een gewone voltijdopleiding. Een groot deel van je benodigde studiepunten haal je met activiteiten en opdrachten die je tijdens je werk uitvoert.
Veel werkgevers juichen duaal leren toe omdat je nieuwe kennis en vaardigheden dan direct kunt toepassen in je beroep. In tegenstelling tot een deeltijdopleiding kan je bij een duale opleiding studiefinanciering krijgen. Werkgevers zijn vaak bereid bij te dragen in studiekosten en verlof voor examens, e.d.

Deeltijdopleiding
Een deeltijdopleiding wordt vooral gevolgd door mensen met een (mbo-)diploma en relevante werkervaring. Ze studeren om hogerop te komen, of om naar een andere functie door te groeien.

Bron: mbowijzer.nl

Opdracht

  1. Bepaal het onderwerp van het artikel.
  2. Bepaal de verschillende deelonderwerpen van het artikel.
  3. Welke deelvragen heb je jezelf daarbij gesteld?
  4. Bespreek de antwoorden met een klasgenoot. Hebben jullie dezelfde antwoorden of zijn ze verschillend?

Beoordeling

Jullie docent bepaalt hoe de antwoorden beoordeeld worden. Er zal in ieder geval worden gecontroleerd of:

  • Het onderwerp van het artikel juist is benoemd.
  • Je alle deelonderwerpen in het artikel hebt gevonden.
  • Welke deelvragen je hebt gesteld.
  • Je antwoorden geen taalfouten bevatten.

Eindopdracht B: Examenvragen

Op de eindexamensite staan examenvragen waar je goed mee kunt oefenen.

Open de link www.eindexamensite.nl, lees de tekst en beantwoord de vraag.
Via de knop 'Antwoord' kun je je eigen antwoorden controleren.
Je kunt door op de pijltjes te klikken, ook andere vragen beantwoorden.

Heb je veel fouten gemaakt? Maak dan wat extra vragen uit vorige examens.

Terugkijken

Intro

  • Heb je de introductievideo bekeken?
    Vond je de uitleg over deelonderwerpen duidelijk?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je in een tekst  de deelonderwerpen vinden? Welke (deel)vraag stel je dan?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 3 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Had je die tijd ook nodig voor deze opdracht of kwam je tijd te kort?
  • Inhoud
    Kon je goed omgaan met het indelen van de teksten?
    Heb je kopjes en deelonderwerpen snel kunnen vaststellen?
  • Eindopdracht A en B
    Wat vond je van de eindopdracht?
    Vond je het lastig om de deelonderwerpen te vinden? Of heb je de examenvragen geoefend?
    Heb je het idee dat je nu het (deel)onderwerp van een tekst beter kunt vinden?

Kijken: Kijk- en luisterstrategieën

Kijk- en luisterstrategie

Intro

Je heb in een vorig thema al verschillende leesstrategieën leren kennen.
Voor kijken en luisteren zijn er ook meerdere strategieën.

Bekijk deze video.
Kun jij ook een situatie bedenken waarin je zoekend luistert?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van deze opdracht kan ik:

  • drie manieren onderscheiden, waarop ik kan kijken of luisteren;
  • uitleggen hoe ik deze strategieën kan gebruiken bij mijn examen.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Bestudeer de informatie en het Kennisbankitem. Maak de sleepoefening.
Stap 2 Bekijk de video's. Kies een goede strategie en beantwoord de vragen. Vergelijk je antwoorden met die van een klasgenoot.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind je de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.
Eindopdracht Bekijk de video's intensief. Schrijf op in drie minuten wat je ziet. Vergelijk je aantekeningen met je klasgenoot. Degene met de meeste aantekeningen, wint!
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer twee lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Strategie

Kijken en luisteren

Je kunt op vele manieren naar een videofragment kijken.
Als je met je vrienden op de bank een film aan het kijken bent, kijk je waarschijnlijk op een andere manier, dan als je een filmpje bekijkt waarin de examenstof wordt uitgelegd.
Deze manieren worden kijk- en luisterstrategieën genoemd.

Deze opdracht gaat over kijk- en luisterstrategieën.
Bestudeer de Kennisbank voor de theorie over dit onderwerp.

Maak de volgende oefening. ​Welke strategie pas je toe?

Stap 2: Werken en leren

Werken en leren tegelijk!

Bekijk de volgende video's. Deze gaan allemaal over opleidingen waarin je tegelijkertijd werkt en leert.
Gebruik de strategieën die in de Kennisbank worden genoemd op de juiste manier en beantwoord de vragen.

Na het bekijken van de video's en het beantwoorden van de vragen, vergelijk je je antwoorden met die van een klasgenoot.
Bespreek samen op welke manier (met welke strategie) jullie de video's bekeken hebben.

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.

Eindopdracht

Zo intensief mogelijk kijken

In deze eindopdracht 'strijd' je tegen een klasgenoot.
Je gaat op zo'n intensief mogelijke manier naar enkele video's kijken.

Als video 1 voorbij is, krijgen jullie allebei drie minuten de tijd om zoveel mogelijk informatie over de video op te schrijven. Dit mag informatie zijn over de gesproken tekst, maar het mag ook informatie zijn over de beelden die je hebt gezien.
Voorbeeld: De presentatrice droeg een roze trui, enzovoort.

Op dezelfde manier doen jullie dit voor video 2 en video 3.

Let op! je mag geen aantekeningen maken als je het filmpje aan het bekijken bent. Je mag pas beginnen met schrijven als de video is afgelopen. Dan gaan ook drie minuten schrijftijd in.

Video 1

Video 2

Video 3

Hebben jullie alle video's bekeken en zoveel mogelijk dingen opgeschreven?
Vergelijk dan nu de dingen die jullie opgeschreven hebben.
Wie kon de meeste informatie opschrijven bij de video?

Beoordeling

Jullie docent zal beoordelen of jullie:

  • voldoende informatie per video hebben opgeschreven;
  • voldoende intensief naar de video's hebben gekeken;
  • je aan de tijdslimiet van drie minuten per video hebben gehouden.

Terugkijken

Intro

  • Heb je de introductievideo bekeken?
    Vond je de uitleg en voorbeelden over kijk- en luisterstrategieën duidelijk?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je uitleggen hoe je in verschillende situaties kijkt en luistert om je informatie te verkrijgen?

Hoe ging het?

  • Inhoud
    Wist je al veel over kijk- en luisterstrategieën? Welke strategie gebruik jijzelf het meest? Kun je ook uitleggen waarom?
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht?
    Vond je het leuk om de video's te bekijken en na afloop zoveel mogelijk dingen op te schrijven?
    Wie had van jullie twee de meeste en correcte dingen opgeschreven?

Fictie: Fictieautobiografie

Fictie - Fictieautobiografie

Intro

Houd je van lezen? Welke boeken lees je het liefst? En welke boeken vond je leuk, toen je klein was?

In deze opdracht ga je een fictieautobiografie maken. Bekijk eerst de video.

Wat houdt de boodschap in, die je aan het eind van de video ziet?

 

Wat kan ik straks?

Aan het eind van deze opdracht kan ik:

  • omschrijven wat fictie is en hoe ik het kan herkennen;
  • aan de hand van mijn eigen leeservaringen een fictieautobiografie maken.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Bestudeer het Kennisbankitem en lees de informatie over een fictieautobiografie. Download een voorbeeld.
Stap 2 In deze stap geef ik antwoord op vragen, ter voorbereiding op het maken van mijn eigen fictieautobiografie (punt 1 t/m 3).
Stap 3 In deze stap geef ik antwoord op vragen, ter voorbereiding op het maken van mijn eigen fictieautobiografie (punt 4 t/m 9).
Stap 4 In deze stap geef ik antwoord op vragen, ter voorbereiding op het maken van mijn eigen fictieautobiografie (punt 10 t/m 13).
Stap 5 In deze stap geef ik antwoord op vragen, ter voorbereiding op het maken van mijn eigen fictieautobiografie (punt 14 t/m 20).
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind ik de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.
Eindopdracht Maak mijn fictieautobiografie af. Zorg voor een goede indeling, een voorkant, illustraties, paginanummering et cetera.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer 3 à 4 lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Wat is fictie?

In deze opdracht ga je een fictieautobiografie maken.
Bekijk nog eens de informatie uit de Kennisbank.

Wat is nu een fictieautobiografie?
In een fictieautobiografie beschrijf je jouw ervaringen met allerlei soorten fictie (boeken, televisieseries, films, toneel, stripverhalen, gedichten en songteksten) en wat je daarvan is bijgebleven.

Hieronder vind je een voorbeeld van een fictieautobiografie. Het verhaal is geschreven door een leerling uit de vierde klas van het vmbo.

Download hier de fictieautobiografie.

In de volgende stappen ga je steeds een stukje van jouw fictieautobiografie schrijven. Geef bij iedere vraag een uitgebreid antwoord.
In de laatste stap ga je alles samenvoegen tot een mooi verslag.

Stap 2: Thuis

In deze stap en de en de volgende vind je 20 punten met vragen waar je antwoord op gaat geven.
Soms moet je een stukje schrijven, soms is een kort antwoord genoeg.
Houd alles wat je schrijft goed bij in een Google-tekstdocument, dat je in je eigen omgeving opslaat. Geef je document de naam 'Fictieautobiografie'. Vergeet niet je naam erboven te zetten.
In de laatste stap voeg je alles samen tot een verslag en heb je al je informatie nodig.

In deze stap ga je terugdenken aan de periode toen je nog heel jong was, de periode voor de basisschool.

  1. Wat is je eerste herinnering aan een boek?
    Werd er vroeger bij jou thuis voorgelezen?
    Werd je voorgelezen in het Nederlands of in een andere taal?
    Welke boeken herinner je je nog?
    Wat vond je mooi, spannend, interessant, grappig, eng enzovoort?
     
  2. Welke liedjes hoorde of zong je graag toen je nog klein was?
    Zoek als voorbeeld de tekst van één ervan op.
    Zorg dat de tekst in je verslag komt.
    Schrijf deze over of plak de tekst in je Googledocument.
    Wat voor herinnering roept de tekst bij je op? Werd er vaak voor jou gezongen?
     
  3. Keek je als kleuter (veel) tv? Wat waren de televisieprogramma's die je keek?
    Wat was je lievelingsprogramma? Had je een lievelingsfilm?

Stap 3: Basisschool

In deze stap beschrijf je jouw ervaring met fictie in de leeftijd van 6-12 jaar.
Schrijf de antwoorden weer in je Google-document.

  1. Welke verhalen las je meester of juf op de basisschool voor?
    Wat vond je ervan?
     
  2. Wat las jij op de basisschool graag, toen je zelf kon lezen?
    Waarom las je juist die boeken graag?
    Welke eigenschappen in het boek spraken je aan?
     
  3. Haalde je boeken in de bibliotheek?
    Vond je het leuk of vervelend in de bibliotheek? Heb je er ook wel eens zitten lezen?
     
  4. Is er een boek dat je twee keer hebt gelezen? Welk boek?
    Beschrijf wat je er zo mooi aan vond.
     
  5. Heb je tijdens de basisschool in een toneelstuk gespeeld?
    Zo ja, wat vond je er van?
     
  6. Wat was je lievelingsstrip tijdens de basisschool?

Stap 4: Voortgezet onderwijs-ob

In deze stap ga je in op de boeken die je las (of juist niet las) in de onderbouw.

  1. Welke boeken las je graag toen je in de onderbouw van het voortgezet onderwijs zat?
    Waar gingen die boeken over en waarom vond je ze mooi, spannend, interessant enzovoort?
    Welke eigenschappen spraken je aan?
    Waren dat andere dan toen je op de basisschool zat?
     
  2. Welke boeken spraken je minder of helemaal niet aan? Waarom niet?
     
  3. Misschien las je niet graag.
    Probeer uit te leggen waarom dat zo was, bijvoorbeeld omdat je liever aan sport deed, films keek, computerde, muziek luisterde enzovoort.
     
  4. Wat is in de onderbouw je favoriete soort fictie (boeken, televisieseries, films, toneel, stripverhalen, gedichten en songteksten)?
    Is dat altijd je favoriete soort geweest?

Stap 5: Voortgezet onderwijs-bb

Deze stap gaat over je huidige ervaringen met fictie.
Ook beschrijf je hoe je smaak is veranderd in de loop der jaren.

  1. Doordat je ouder bent geworden en verschillende teksten hebt gelezen, is je smaak in de loop der jaren veranderd.
    Beschrijf in welk(e) opzicht(en) je smaak is veranderd.
     
  2. Lees je nog steeds graag? Welke boeken lees je nu en waarom?
    Beschrijf dus je smaak van nu.
    Of lees je nog steeds niet of weinig? Wat weerhoudt je ervan om te lezen?
    Over welke onderwerpen wil je in de bovenbouw graag lezen?
     
  3. Wat is jouw favoriete filmacteur of –actrice? Wat vind je zo goed aan hem of haar?
     
  4. Ben je wel eens bij een cabaretvoorstelling geweest? Zo ja, wat vond je ervan?
     
  5. Als je naar muziek luistert, luister je dan alleen naar de tekst of juist meer naar de muziek?
    Waar gaat je lievelingslied over?
     
  6. Zijn er mensen in je omgeving die je smaak beïnvloed hebben? Welke?
     
  7. Is je smaak voor fictie door de jaren heen veranderd? Zo ja, hoe?

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.

Eindopdracht

Fictieautobiografie afmaken

Als eindopdracht ga je in deze stap ga je fictieautobiografie afmaken.

  1. Voorkant: Maak een voorkant die past bij jouw fictieautobiografie.
    Je kunt bijvoorbeeld afbeeldingen verwerken van boeken die jij leuk vindt.
    Op de voorpagina moet minimaal je naam, klas en docent staan.
  2. Inhoudspagina: Maak een inhoudspagina. Iedere stap van deze opdracht is een apart hoofdstuk.
  3. Hoofdstukken: Je hoofdstukken bestaan uit de antwoorden die jij op de vragen hebt gegeven.
  4. Verhaal: Maak een goedlopend verhaal van de antwoorden op de vragen.
    Maak complete zinnen en zorg dat het verhaal een geheel wordt.
    (Kijk eventueel nog eens naar het voorbeeld in stap 1.) Schrijf dus niet alle vragen op in je biografie.
  5. Volgorde: Per hoofdstuk mag je zelf weten in welke volgorde je je antwoorden op de vragen laat terugkomen.
  6. Paginanummering: Vergeet niet je pagina's te nummeren.

Klaar?

Als je klaar bent, lees je je fictieautobiografie nog een keer helemaal door.
Daarna lever je het document in bij je docent. Hij of zij beoordeelt je verslag.

Beoordeling

Bij de beoordeling wordt gelet op de volgende punten:

  • Heb je in je fictieautobiografie alle antwoorden op de vragen verwerkt?
  • Heb je je ervaringen met fictie voldoende toegelicht?
  • Heb je de autobiografie overzichtelijk ingedeeld?
  • Heb je bij de verwerking bovengenoemde punten toegepast?
  • Ziet je verslag er verzorgd uit en is te zien dat je creatief bent geweest?
  • Heb je gebruikgemaakt van afbeeldingen om je autobiografie te verduidelijken?
  • Bevat je fictieautobiografie niet te veel taalfouten?

Verslag schrijven

Een verslag is een goede manier om een onderzoek te beschrijven dat je hebt uitgevoerd.        

 

Terugkijken

Intro

  • Heb je de introductievideo bekeken?
    Vond je de video aansluiten bij deze opdracht?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je omschrijven wat met fictie bedoeld wordt en waarin fictie veel wordt gebruikt?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 13 à 14 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Had je die tijd ook nodig voor het maken van je fictieautobiografie?
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht? Vond je het leuk om je eigen fictieautobiografie te maken?
    Herinnerde je je nog veel over de boeken die je vroeger las en waarom je ze leuk vond?

Afsluiting

Kennisbanken

Hier vind je de Kennisbankitems die horen bij dit thema.

Luisteren en kijken

Kijk- en luisterstrategieën

Fictie

Eindopdracht: Enquête

In deze eindopdracht ga je, samen met een klasgenoot, een enquête houden onder tien klasgenoten.
In de enquête stel je vragen over het onderwerp 'Werken en doorleren'.

De resultaten van een enquête kunnen soms best verrassend zijn.

Bestudeer voordat je begint met de opdracht de informatie uit de Gereedschapskist. Bekijk ook de video over hoe je enquêtevragen kunt maken.

Vragen verzinnen

In deze stap gaan jullie de vragen voor de enquête verzinnen. Bedenk samen wat je te weten wilt komen van je klasgenoten.
Jullie moeten minimaal acht vragen verzinnen. Let goed op de formulering van jullie vragen.

Voorbeeld

  • Als ik klaar ben met het vmbo ga ik door naar de havo.
of
  • Ik wil zo snel mogelijk klaar zijn met leren.

 

De vragen moeten te beantwoorden zijn met: helemaal mee eens, eens, neutraal, mee oneens of helemaal mee oneens.

Enquête uitwerken

In deze stap gaan jullie de enquête netjes uitwerken en afnemen.

Gebruik voor de uitwerking het Google-document Enquête Werken en doorleren.
Sla het document op in je eigen omgeving, zodat je het kunt bewerken.

Jullie gaan de enquête laten invullen door tien klasgenoten.
Verstuur de enquête per mail naar tien klasgenoten of print deze in tienvoud uit.
Vraag jullie klasgenoten de ingevulde enquête in te vullen en terug te sturen of te geven.

Analyseren enquête

Als alle ingevulde enquêtes binnen zijn, analyseren jullie de resultaten.
Doe dit op de volgende manier:

  • Turf hoe vaak een antwoord gegeven is.
  • Bereken hoeveel procent van de ondervraagden welk antwoord heeft gegeven.

Bekijk het voorbeeld.

Voorbeeld

Enquêtestelling: Ik wil zo snel mogelijk klaar zijn met leren.

- 10 klasgenoten hebben antwoord gegeven op de vraag.
- 6 leerlingen gaven als antwoord ‘neutraal’.
  Dit betekent dat 6/10 van de leerlingen neutraal tegenover deze stelling staat: dat is 60%.
- 2 leerlingen gaven als antwoord ‘mee eens’. (2/10 = 20%)
- 1 leerling gaf als antwoord ‘mee oneens’. (1/10 = 10%)
- 1 leerling gaf als antwoord ‘helemaal mee oneens’. (1/10 = 10%)


Wat valt op aan de antwoorden? Worden sommige antwoorden bijvoorbeeld veel gegeven of zijn er veel verschillen?
Schrijf jullie bevindingen op.

Zorg dat het verslag een goed beeld geeft van de uitslag van de enquête én van jullie bevindingen.
Maak op deze manier een analyse van elke vraag.

Klaar?

Kijk samen of er antwoorden zijn die in het bijzonder opvallen. Het kan bijvoorbeeld zijn dat iedereen hetzelfde antwoord heeft gegeven bij een bepaalde stelling of dat de antwoorden juist allemaal verschillen.

Jullie analyse moet uit minstens 300 woorden bestaan. Stuur deze bevindingen ook op naar je docent.
Hij of zij zal jullie enquête (inclusief analyse) beoordelen.

Beoordeling

Bij de beoordeling zal worden gelet op de volgende punten:

  • Zijn de enquêtevragen duidelijk geformuleerd?
  • Gaan alle vragen over het onderwerp 'werken en doorleren'?
  • Hebben jullie een duidelijke analyse gemaakt van de resultaten van de enquête?
  • Zien jullie enquêteformulier en -analyse er verzorgd uit?
  • Hebben jullie geen of weinig taalfouten gemaakt?

Enquête afnemen

Een enquête is een werkvorm waarbij je gerichte vragen stelt, zodat je de informatie krijgt waarnaar je op zoek bent.

 

Examentraining

Examenvragen
Als toets krijg je een opdracht met examenvragen.
Om de opdracht te kunnen maken heb je een Entree-account nodig.

In het oog van de camera van de baas

 

Meer oefenen?
Als je school deelneemt aan VO-content kun je verder oefenen met ExamenKracht.
Oefen daar ook met hele examens.

Terugkijken

Inleiding

  • Kijk nog eens goed naar de inleiding.
    Past de video goed bij het thema?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van dit thema nog eens door.
    Heb je het idee dat alle leerdoelen voldoende zijn behandeld in dit thema?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je 15 à 16 uur met dit thema bezig zou zijn.
    Had je voldoende tijd om alle stappen te doorlopen? Welke opdracht kostte het meeste tijd?
  • Inhoud
    Van welke opdracht in dit thema heb je het meest geleerd?
    Zul je van de tips en theorie straks op je examen gebruik kunnen maken?
  • Eindopdracht
    Vond je het leuk om de enquête samen te stellen en te houden?
    Was het moeilijk om een analyse te maken of waren jullie er snel uit?
  • Het arrangement Thema 12 Werken en doorleren - vmbo-kgt34 is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt, maakt en deelt.

    Auteur
    VO-content
    Laatst gewijzigd
    28-11-2025 14:39:02
    Licentie

    Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding en publicatie onder dezelfde licentie vrij bent om:

    • het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat
    • het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
    • voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.

    Meer informatie over de CC Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie.

    Het thema 'Werken en doorleren KGT' is ontwikkeld door auteurs en medewerkers van StudioVO.

    Fair Use
    In de Stercollecties van StudioVO wordt gebruik gemaakt van beeld- en filmmateriaal dat beschikbaar is op internet. Bij het gebruik zijn we uitgegaan van fair use. Meer informatie: Fair use

    Mocht u vragen/opmerkingen hebben, neem dan contact op via de helpdesk VO-content.

    Aanvullende informatie over dit lesmateriaal

    Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar:

    Toelichting
    Dit thema valt onder de arrangeerbare leerlijn van de Stercollecties voor Nederlands voor vmbo-kgt34. In dit thema staat het maken van een goede samenvatting van een tekst centraal, evenals het omgaan met het opzoeken van de betekenis van moeilijke woorden en het herkennen van deelonderwerpen en deelvragen in een tekst. Daarnaast leer je kijk- en luisterstrategieën omschrijven en toepassen, en krijg je de kans om een fictieautobiografie te maken. De eindopdracht van dit thema is het houden van een enquête samen met een klasgenoot onder tien andere klasgenoten. De enquête richt zich op het onderwerp 'Werken en doorleren'. Na het verzinnen van de vragen gaan jullie de enquête netjes uitwerken en afnemen. Nadat alle ingevulde enquêtes binnen zijn, gaan jullie de resultaten analyseren. Schrijf jullie bevindingen op en zorg ervoor dat het verslag een goed beeld geeft van de uitslag van de enquête en jullie bevindingen. Naast deze opdracht is er ook examentraining beschikbaar om je verder voor te bereiden op het examen. Succes!
    Leerniveau
    VMBO gemengde leerweg, 3; VMBO theoretische leerweg, 4; VMBO theoretische leerweg, 3; VMBO kaderberoepsgerichte leerweg, 4; VMBO gemengde leerweg, 4; VMBO kaderberoepsgerichte leerweg, 3;
    Leerinhoud en doelen
    Nederlands; Schrijfvaardigheid; Mondelinge taalvaardigheid; Begrippenlijst en taalverzorging; Literatuur; Leesvaardigheid;
    Eindgebruiker
    leerling/student
    Moeilijkheidsgraad
    gemiddeld
    Studiebelasting
    15 uur 30 minuten
    Trefwoorden
    arrangeerbaar, deelonderwerpen/deelvragen, enquete afnemen, fictieautobiografie, kijk- en luisterstrategieën, nederlands, samenvatten, stercollectie, vmbo-kgt34, werken en doorleren

    Gebruikte Wikiwijs Arrangementen

    VO-content - Gereedschapskist. (2019).

    Gereedschapskist activerende werkvormen

    https://maken.wikiwijs.nl/105906/Gereedschapskist_activerende_werkvormen

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Fictie - Fictieautobiografie vmbo-kgt34

    https://maken.wikiwijs.nl/74632/Opdracht__Fictie___Fictieautobiografie__vmbo_kgt34

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Lezen - Deelonderwerpen vmbo-kgt34

    https://maken.wikiwijs.nl/74630/Opdracht__Lezen___Deelonderwerpen_vmbo_kgt34

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Lezen - Moeilijke woorden vmbo-kgt34

    https://maken.wikiwijs.nl/74569/Opdracht__Lezen___Moeilijke_woorden__vmbo_kgt34

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Luisteren en kijken - Kijk- en luisterstrategie vmbo-kgt34

    https://maken.wikiwijs.nl/74631/Opdracht__Luisteren_en_kijken___Kijk__en_luisterstrategie_vmbo_kgt34

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Schrijven - Samenvatten vmbo-kgt34

    https://maken.wikiwijs.nl/74629/Opdracht__Schrijven___Samenvatten_vmbo_kgt34

  • Downloaden

    Het volledige arrangement is in de onderstaande formaten te downloaden.

    Metadata

    LTI

    Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI koppeling aan te gaan.

    Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.

    Arrangement

    IMSCC package

    Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.

    Voor developers

    Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op onze Developers Wiki.