Heb je al zin in dit thema?
Hoe gezonder je eet en drinkt, hoe beter je poep.
Maar hoe ziet een gezonde drol er eigenlijk uit? Welke rol spelen de darmen voor de stoelgang? Waarom is poep meestal bruin van kleur?
Lotte stapt in de wereld van onze 'grote boodschap' en gaat zelfs naar de poeppoli van het ziekenhuis.
Daar kunnen ze allerlei bacteriën in de poep opsporen.
Bekijk de video. Wat zeggen bacteriën over poep?
Je lichaam neemt voedingsstoffen op uit alles wat je eet.
Je lichaam verteert het eten en dat begint al met het kauwen van je eten.
Het voedsel gaat door de organen van je spijsverteringsstelsel.
Om energie te krijgen om dingen te gaan doen, verbrandt het voedsel in je cellen.
Je hebt daarvoor wel zuurstof nodig en die krijg je binnen door in te ademen.
Je bloed vervoert het dan naar je cellen.
In deze opdracht leer je van alles over de spijsvertering en de ademhaling.
Aan het eind van dit thema maak je een eindproduct waarin het spijsverteringsstelsel en het ademhalingsstelsel centraal staan.
Planning
In dit thema ga je aan de gang met vier opdrachten en de afsluiting.
In de tabel staat per onderdeel hoeveel lessen je ongeveer nodig hebt.
Activiteit
Aantal lessen
Inleiding
0,5
Opdracht: Verteren en verbranden
2
Opdracht: Spijsvertering
2
Opdracht: Het gebit
2
Opdracht: Verschillende eters
2
Afsluiting
2
Totaal
10,5
Leerdoelen
Na deze opdracht kun je:
de opbouw bij mensen van cel tot orgaanstelsel benoemen.
zes orgaanstelsels van de mens benoemen.
de belangrijke organen van deze orgaanstelsels benoemen.
uitleggen wat het verschil is tussen verteren en verbranden van voedsel.
uitleggen wat het verschil is tussen mechanisch en chemisch verteren van voedsel.
de rol van enzymen bij de vertering van voedsel uitleggen.
de verschillende organen die betrokken zijn bij de spijsvertering benoemen.
de rol van de verschillende organen in de spijsvertering beschrijven.
uitleggen wat het verschil is tussen een melkgebit en een blijvend gebit.
aangeven wat de verschillen zijn in het gebit van planteneters, vleeseters en alleseters.
uitleggen wat de tandformule is.
de begrippen herbivoren, carnivoren en omnivoren beschrijven.
twee voorbeelden noemen van herbivoren, carnivoren en omnivoren.
uitleggen welke verschillen er zijn in het verteringsstelsel van herbivoren, carnivoren en omnivoren.
Van cel tot organisme
Intro
We zoomen even in op planeet Aarde.
Bekijk het volgende filmpje.
In Google Maps zie je soms ook een mens.
Stel dat we nog verder kunnen inzoomen, het menselijk lichaam in.
Wat zien we dan?
In deze opdracht zoomen we in op de mens (een organisme);
we kijken naar organenstelsels, organen, weefsels en cellen.
Stap 1
Van cel naar orgaanstelsel
Bestudeer uit de kennisbank biologie het onderdeel:
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
Organen
In de kennisbank heb je van de verschillende orgaanstelsels enkele belangrijke organen gezien.
Weet je welk orgaan tot welk orgaanstelsel behoort?
Probeer alle acht vragen goed te beantwoorden.
Doe de oefening en laat je score zien en aftekenen door je docent in je werkboek.
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
Orgaandonatie
Je longen zijn van levensbelang voor het opnemen van zuurstof.
Maar stel nu dat een of beide longen het niet meer goed doen.
Kijk naar het verhaal van Eline.
Kijk ook naar de orgaandonatie van Lisa.
Dokters kunnen tegenwoordig ontzettend veel.
Ze kunnen zieke mensen zelfs een nieuw hart of nieuwe longen geven!
Het nieuwe orgaan wordt dan uit het lichaam gehaald van iemand die overleden is.
Die persoon moet daar natuurlijk tijdens zijn leven wel toestemming voor geven.
Dat kan door het donorcodicil.
Vanaf de zomer 2020 is iedereen die niet heeft vastgelegd of hij/zij donor wil zijn, automatisch donor.
Op die manier hoopt de regering het tekort aan donoren terug te dringen.
Wat vind jij?
Ga naar de website https://donorwise.nl en klik op de leerlingen. Kijk een tijdje rond op de website.
Speel in ieder geval de quiz over organen, weefsels en donatie.
Ga ook naar de stellingen. Wat is jouw mening over orgaandonatie?
Bespreek je mening met een of enkele klasgenoten.
In je werkboek vul je voor de stellingen een argument voor én een argument tegen in.
Stap 5
Eindtoets
Je sluit deze opdracht af met het maken van een toets.
Probeer een zo hoog mogelijke score te halen.
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
Ademhalingsstelsel
Orgaanstelsel bestaande uit organen die samen zorgen voor het opnemen van zuurstof en het uitscheiden van koolstofdioxide. Ademhalingsorganen zijn o.a. luchtpijp en longen (met longblaasjes).
Verteringsstelsel
Orgaanstelsel bestaande uit organen die samen zorgen voor de spijsvertering. Spijsverteringsorganen zijn o.a. de maag, alvleesklier, dunne darm en dikke darm.
Spierstelsel
Orgaanstelsel bestaande uit spieren, die in samenwerking met het zenuwstelsel en het skelet ervoor zorgen dat je kunt bewegen.
Botstelsel
Orgaanstelsel dat zorgt voor stevigheid en bescherming van een organisme en ook beweging mogelijk maakt door spieraanhechting. Bijvoorbeeld: het geraamte bij gewervelde dieren (inwendig skelet) en het pantser (uitwendig skelet) bij geleedpotige dieren (bijvoorbeeld insecten).
Zenuwstelsel
Orgaanstelsel bestaande uit organen die betrokken zijn bij het waarnemen van en reageren op prikkels uit de omgeving en uit het lichaam zelf. Organen van het zenuwstelsel zijn o.a. zintuigen, hersenen en ruggenmerg.
Zintuigstelsel
Orgaanstelsel dat een verandering in de omgeving kan waarnemen en signalen doorgeeft aan delen van het zenuwstelsel (zenuwcellen).
Uitscheidingsstelsel
Orgaanstelsel bestaande uit organen die samen zorgen voor het verwijderen van schadelijke en overbodige stoffen uit het lichaam. Uitscheidingsorganen zijn o.a. nieren, lever en de huid.
Hormoonstelsel
Orgaanstelsel bestaande uit organen en klieren die hormonen maken en afgeven. Hormonen worden vervoerd via het bloed en regelen allerlei lichaamsprocessen, zoals ademhaling, bloeddruk, hartslag, spijsvertering, slapen en voortplanting. Betrokken organen zijn o.a. de hypofyse en schildklier.
Bloedvatenstelsel
Orgaanstelsel bestaande uit alle aders, slagaders en haarvaten.
Nieren
Organen die betrokken zijn bij de uitscheiding (urine).
Spijsvertering
Intro
Eten heb je nodig om in leven te blijven.
Wat gebeurt er met het eten nadat je het in je mond hebt gestopt?
Teken op een A4-papier hoe jij denkt dat het eten vanaf je mond je lichaam doorgaat.
Schrijf eventueel namen van organen die je kent er vast bij.
Controleer nu met behulp van de video op SchoolTV of je de juiste route door je lichaam hebt getekend.
Je maag is erg groot. Er kan ongeveer twee liter voedsel in.
In je maag zit maagsap en daar zitten weer enzymen in.
Enzymen zorgen dat voedsel wordt opgelost.
Een experiment om te laten zien hoe dat gaat.
Bekijk dit experiment in het volgende filmpje.
Maak daarna de sleepoefening.
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
Strottenklepje en huig
Slikexperiment 1
Neem een klein slokje water en houd dat in je mond.
Probeer nu te ademen en te slikken tegelijkertijd. Lukt dit?
Slikexperiment 2
Neem een stukje brood in je mond.
Pak het puntje van je tong tussen duim en wijsvinger.
Probeer te slikken. Lukt het?
Bespreek met een klasgenoot wat de rol van de huig en de rol van het strottenklepje is bij het doorslikken van eten en drinken en bij het ademhalen.
Voer de experimenten uit en maak een verslag in je werkboek waarin je de functie van de huig en het strottenklepje beschrijft.
Stap 4
Darmen
Als het voedsel de maag uitgaat, komt het in de darmen.
Bekijk de video over de dunne darm. In je dunne darm komen enzymen bij het voedsel.
Zo wordt het voedsel goed verteerd en kan daarna door de darmwand het bloed in.
Welk deel van het voedsel komt via je dunne darm in de bloedbaan terecht?
De dikke darm zorgt ervoor dat het vocht uit het voedsel gehaald wordt, omdat je anders zou uitdrogen. De ingedikte resten worden af en toe met kracht verder geduwd door de dikke darm. Dat veroorzaakt de aandrang om naar het toilet te moeten.
Bekijk nu de video over de dikke darm.
Wat zou er gebeuren als je geen dikke darm hebt? Het antwoord hoor je in de video.
Als het gaat over de darmen kun je de volgende darmen tegenkomen:
dikke darm
endeldarm
twaalfvingerige darm
blinde darm
dunne darm
Zoek op internet op wat de functie van elke darm is.
Noteer de verschillende darmen en hun functie in je werkboek.
Stap 5
Leerlingen voor leerlingen
Op de website www.lvoorl.nl vind je verschillende video's die door leerlingen voor leerlingen zijn gemaakt.
Hieronder staat een video die goed past bij dit thema.
Bekijk de video. Kun je de video goed volgen?
Bespreek de inhoud van de video met een klasgenoot.
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
Vertering
Het afbreken van voedsel tot kleine door het lichaam opneembare deeltjes.
Verbranding
Chemisch proces waarbij energie vrijkomt uit glucose en zuurstof.
Mechanische vertering
Kauwen en kneden, kleiner maken van voeding door o.a. het gebit en bewegingen in maag en darmen (maag- en darmperistaltiek).
Darmperistaltiek
Afwisselende samentrekking van spieren in o.a. slokdarm en darmen; zorgt voor transport van de voedselbrij door het spijsverteringskanaal.
Maagportier
Een kringspier die de maag kan dichthouden en zo gedoseerd de voedselbrij door kan laten naar de darmen.
Chemische vertering
Omzetten van voedingsstoffen in kleinere delen door verteringssappen met enzymen (bijvoorbeeld maagsap) en zonder enzymen (gal).
Enzymatische vertering
Omzetten van voedingsstoffen in kleinere delen door enzymen in verteringssappen.
Enzym
Katalysator. Helpt met het omzetten van stof A in stof B.
Verteringssappen
De sappen die een rol spelen bij de spijsvertering, zoals speeksel, maagsap/maagzuur, galsap, alvleessap en darmsap.
Spijsverteringsstelsel
Orgaanstelsel bestaande uit organen die samen zorgen voor de spijsvertering. Spijsverteringsorganen zijn o.a. de maag, alvleesklier, dunne darm en dikke darm.
Huig
De huig sluit de neusholte af van de mondholte tijdens het slikken.
Strottenklepje
Het strottenklepje sluit de luchtpijp af tijdens het slikken.
Galblaas
Slaat gal (afkomstig van de lever) tijdelijk op.
Alvleesklier
Orgaan dat alvleessap maakt voor de spijsvertering; maakt ook hormonen aan (insuline en glucagon), die de hoeveelheid glucose in het bloed regelen.
Dunne darm
Deel van de darm waar verdere vertering plaatsvindt en de meeste voedingsstoffen in het bloed worden opgenomen.
Darmplooien
Plooien in de darmwand (vooral dunne darm) om het oppervlak te vergroten.
Darmvlokken
Uitstulpingen van de darmwand (vooral dunne darm) om het oppervlak te vergroten.
Dikke darm
Deel van de darm waar nog enkele voedingsstoffen en veel water in het bloed worden opgenomen; onverteerbare resten gaan naar de endeldarm.
Blinde darm
Stukje van de dikke darm zonder functie; bevat wormvormig aanhangsel, dat kan gaan ontsteken (dit heet een blindedarmontsteking).
Appendix
Wormvormig aanhangsel van de blinde darm. Als dit deel ontsteekt spreek je van een blindedarmontsteking.
Endeldarm
Laatste deel van de dikke darm waar ontlasting (onverteerbare resten) tijdelijk wordt opgeslagen.
Anus
Uitmonding van de endeldarm waardoor ontlasting het lichaam verlaat.
Maag
Orgaan van het spijsverteringsstelsel dat aansluit op de slokdarm. Dient om voedsel te kneden, een deel van het voedsel te verteren en om met behulp van maagzuur schadelijke organismen uit te schakelen (o.a. bacteriën).
Bacteriële spijsvertering
Omzetten van voedingsstoffen in kleinere delen door bacteriën in de darmen.
Dissimilatie
Stofwisselingsproces; afbraak van organische stoffen, waarbij energie vrijkomt (verbranding). Alle organismen vertonen dissimilatie.
Het gebit
Intro
Het gebit speelt een belangrijke rol bij de spijsvertering.
Het gebit van een tijger ziet er anders uit dan het gebit van een koe.
Heb je enig idee waarom?
In een gebit vind je verschillende soorten kiezen en tanden.
Van de aanwezige tanden en kiezen kun je een tandformule maken.
En dat ga je in deze opdracht doen.
Stap 1
Het gebit: de mens
Bekijk de filmpjes.
Het gebit wordt vaak vergeleken met gereedschap. Bespreek dit na het kijken van de filmpjes met een klasgenoot. Waarom wordt je gebit gereedschap genoemd?
Vul alle onderdelen van de tand in in je werkboek.
Stap 2
Maak na het lezen van de kennisbankpagina’s en het kijken van de video de volgende oefening.
Geef bij elke opdracht aan of de stellingen waar of niet waar zijn.
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
Het gebit: herbivoor, omnivoor, carnivoor
Niet alle mensen en dieren eten hetzelfde. Als mens eten we, meestal, zowel planten als dieren.
Maar er zijn ook dieren die alleen planten eten, of dieren die alleen andere dieren eten.
Echte vleeseters dus.
Verschillend voedsel vraagt om verschillende tanden. Gras kauw je namelijk op een andere manier dan een groot stuk vlees.
Kijk naar de video van SchoolTV.
Let tijdens het kijken op de verschillende gebitten van de verschillende eters.
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
Het gebit: De tandformule
De tandformule is een manier om de samenstelling van een gebit van een mens of dier aan te geven.
In de tandformule staat aangeven hoeveel snijtanden, hoeveel hoektanden en hoeveel kiezen een dier heeft.
Bekijk onderstaande video over de tandformule. Hierin wordt uitgelegd hoe de tandformule werkt. Na het kijken ga je zelf een tandformule maken.
Lees nu uit de kennisbank Verteren de volgende pagina:
Maalkiezen
Ook wel plooikiezen. Met deze kiezen kan gras goed fijngemalen worden.
Omnivoren
Alleseters; eten zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Bijvoorbeeld: varken, mens, kakkerlak.
Knipkiezen
Met deze kiezen kunnen vleeseters hun eten goed knippen.
Plooikiezen
Ook wel maalkiezen. Met deze kiezen kan gras goed fijngemalen worden.
Knobbelkiezen
Met deze kiezen kunnen zowel groentes als vlees worden gegeten.
Verschillende eters
Intro
Niet alleen het gebit van een planteneter ziet er anders uit dan het gebit van een vleeseter.
Ook het spijsverteringskanaal van een mens is verschillend van het spijsverteringskanaal van bijvoorbeeld een konijn. En spijsverteringskanaal van een leeuw ziet er weer anders uit.
Waarom?
Dat komt omdat een mens, een konijn en een leeuw verschillende eters zijn.
Wat precies het verschil is, staat centraal in deze opdracht.
Stap 1
Eten en verteren
Bestudeer nu uit de kennisbank het onderdeel 'Verschillende eters'.
De informatie over het gebit heb je in de vorige opdracht bestudeerd. Lees vooral goed de informatie over de spijsverteringskanalen van de verschillende eters.
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
Lengte spijsverteringskanaal
Bij dieren is de lengte van het spijsverteringskanaal heel verschillend. Vleeseters eten alleen vlees. Vlees is opgebouwd uit dierlijke cellen zonder celwand.
De eiwitverterende enzymen breken gelijk de celmembranen af.
De vertering is snel klaar; vleeseters hebben een kort darmkanaal nodig.
Planteneters hebben vaak meerdere magen en/of een lange darm.
Daarin leven bacteriën die de cellulose van de celwand afbreken.
Voor de vertering is veel meer tijd nodig.
Verteringskanaal
Aan het verteringskanaal van een dier kun je vaak zien wat voor voedsel het dier eet.
Ga op zoek naar informatie over het verteringskanaal van carnivoren, herbivoren en omnivoren.
Maak een poster / PowerPoint met afbeeldingen/tekeningen waarin je duidelijk laat zien wat de verschillen zijn tussen de verteringskanalen van de drie verschillende groepen dieren.
Je levert je poster (duidelijke foto ervan) of PowerPoint in via Itslearning.
Stap 3
Eindtoets
Je sluit deze opdracht af met het maken van een toets.
Probeer een zo hoog mogelijke score te halen.
Klik op start om te beginnen.
Succes!
Maak de toets. Laat je score zien en aftekenen door je docent.
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
Verteren
Het afbreken van voedsel tot kleine door het lichaam opneembare deeltjes.
Verteringsstelsel
Orgaanstelsel bestaande uit organen die samen zorgen voor de spijsvertering. Spijsverteringsorganen zijn o.a. de maag, alvleesklier, dunne darm en dikke darm.
Carnivoren
Vleeseters; eten alleen dierlijk voedsel (o.a. vlees, vis en insecten). Bijvoorbeeld: kat, wolf, mol, egel, haai, spin.
Omnivoren
Alleseters; eten zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Bijvoorbeeld: varken, mens, kakkerlak.
Vorm poten
Poten van een vogel zijn aangepast (adaptatie) aan hun leefomgeving. Bijvoorbeeld: reiger met lange poten om door ondiep water te waden en eend met zwemvliezen om goed te kunnen zwemmen.
Vorm van lichaam
Vorm van het lichaam is aangepast (adaptatie) aan de functie. Bijvoorbeeld: een gestroomlijnd lichaam van dieren die in het water leven en/of jagen, zoals de dolfijn en pinguïn, om goed te kunnen zwemmen.
Vorm snavel
Bek van een vogel is aangepast (adaptatie) aan het voedsel dat de vogels eten. Bijvoorbeeld: haakvormige snavel bij roofvogels en kegelvormige snavel bij zaadetende vogels.
Vorm kiezen
Kiezen zijn aangepast (adaptatie) aan het voedsel dat de dieren eten: herbivoren hebben plooikiezen, carnivoren hebben knipkiezen en omnivoren hebben knobbelkiezen.
Lengte van spijsverteringsstelsel
Lengte van het spijsverteringsstelsel, ook wel darmkanaal, is aangepast (adaptatie) aan voedsel dat de dieren eten: herbivoren hebben een lang darmkanaal om planten te kunnen verteren en carnivoren hebben aan een korter darmkanaal voldoende.
Maak een SWAY of een PowerPoint waarin je alle organen van het spijsverteringsstelsel benoemt en beschrijft wat ze doen.
De organen die je moet benoemen en beschrijven zijn:
Mond
Gebit
Slokdarm
Maag
Twaalfvingerige darm
Dunne darm
Dikke darm
Endeldarm
Anus
Verder moet je iets vermelden over peristaltiek, verteringssappen en voedingsvezels.
Deze Sway of PowerPoint bestaat uit minimaal 12 pagina’s!
Je presenteert deze Sway of PowerPoint de volgende les als voorbereiding op het proefwerk.
Je levert je gemaakte presentatie in via Itslearning.
Verdieping
Poster / folder "verschillende eters"
Maak een poster of folder met daarop informatie over één herbivoor, één carnivoor en één omnivoor.
Je maakt je eigen poster of folder.
Ga als volgt te werk:
Kies de dieren waarover je een poster wilt maken.
Zoek informatie op.
Verwerk de informatie in de poster of folder.
De poster / folder moet minstens bevatten:
Foto’s
Een omschrijving van de leefwijze van het dier (waar leeft het, hoe oud wordt het etc.)
Hoe het dier zich voedt: wat eet het.
Informatie over het gebit.
Informatie over het verteringsstelsel (magen, darmen)
Als je de poster of folder digitaal maakt, inleveren via Itslearning. Maak je je poster op papier: duidelijke foto maken en die inleveren bij de inleverknop.
Het arrangement PAX VMBO SPIJSVERTERING is gemaakt met
Wikiwijs van
Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt,
maakt en deelt.
Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen
4.0 Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding en
publicatie onder dezelfde licentie vrij bent om:
het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of
bestandsformaat
het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.
Het thema 'Spijsvertering' is ontwikkeld door auteurs en medewerkers van StudioVO.
Fair Use
In de Stercollecties van StudioVO wordt gebruik gemaakt van beeld- en filmmateriaal dat beschikbaar is op internet. Bij het gebruik zijn we uitgegaan van fair use. Meer informatie: Fair use
Mocht u vragen/opmerkingen hebben, neem dan contact op via de helpdesk VO-content.
Aanvullende informatie over dit lesmateriaal
Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar:
Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten
terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI
koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI
koppeling aan te gaan.
Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.
Arrangement
Oefeningen en toetsen
Van cel naar organisme
Organen
Van cel tot organisme
Verteren en verbranden
Spijsverteringsstelsel
Spijsvertering
Het gebit: de mens
Het gebit: verschillende eters
Eten en verteren
Verschillende eters
IMSCC package
Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.
Oefeningen en toetsen van dit arrangement kun je ook downloaden als QTI. Dit bestaat uit een ZIP bestand dat
alle informatie bevat over de specifieke oefening of toets; volgorde van de vragen, afbeeldingen, te behalen
punten, etc. Omgevingen met een QTI player kunnen QTI afspelen.
Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en
het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op
onze Developers Wiki.