Tijdens dit keuzevak delen we iedere weektaak op in theoretische en praktische opdrachten.
- Theoretische opdrachten maak je alleen. De kennis die je hiermee opdoet wordt schriftelijk afgetoetst in een pta.
- De praktische opdrachten maak je in een groepje. Deze opdrachten vormen samen een ondernemingsplan. Dit ondernemingsplan wordt beoordeelt met een pta cijfer.
De praktische opdrachten krijg je per team uitgereikt aan het begin van dit keuzevak.
Dag
Wat
Hoe
1
10 jan 2022
Taak 1
2
17 jan 2022
Taak 2
3
24 jan 2022
Taak 3
4
31 jan 2022
Taak 3
5
7 feb 2022
Taak 4
6
14 feb 2022
Taak 4
7
21 feb 2022
Taak 5
Deze taak heeft geen praktijkopdracht.
8
28 feb 2022
Taak 6
9
7 maart 2022
Afronden ondernemersplan.
Controleer met de checklist of jullie
10
14 maart 2022
PTA Theorie
Een toets met vragen over jouw theoretische kennis en de begrippen.
(zie powerpoint )
11
21 maart 2022
Herkansing/inhalen
Taak 1 - Kennismaken met ondernemen
Dit hoofdstuk gaat over het vak dat je hebt als ondernemer. Er zijn natuurlijk veel voordelen; je kunt je eigen dag indelen, zelf bepalen waar geld aan uitgegeven wordt en hebt de vrijheid om zelf te bepalen wat je wel en niet doet. Voor veel mensen is dit een droom, waarschijnlijk ook voor veel leerlingen die dit vak hebben gekozen.
Ondernemen betekent het verkopen van een dienst of goed en daar inkomen mee verdienen. Door goederen of diensten te verkopen maak je omzet. Een ander woord voor omzet is verkoopopbrengst.
Omzet = het aantal verkochte producten (afzet) x verkoopprijs per stuk
Iedere onderneming heeft als doel het behalen van een zo hoog mogelijke winst. Om de winst te kunnen berekenen moet je weten welke kosten je maakt.
Opdracht 1
a. Leg in eigen woorden uit wat ondernemen is.
b. Leg in eigen woorden uit hoe je er zelf voor kunt zorgen dat je met ondernemen veel geld kan verdienen.
c. IJs winkel “het Hoorntje” verkocht vorige maand 870 ijsjes. Gemiddeld kost 1 ijsje €2.50, inkopen kost per ijsje €0.75. Hoeveel brutowinst was er in de vorige maand? Laat hierbij ook je berekening zien.
d. de bedrijfskosten waren in die maand €2.400. Hoeveel nettowinst was er dus vorige maand?
Over de hele wereld gezien kunnen we twee soorten ondernemingen onderscheiden.
Een handelsbedrijf koopt goederen in bij een leverancier en verkoopt deze aan een consument. Indien een bedrijf een dienst verkoopt noemen we dit een dienstverlenend bedrijf. Bij dienstverlenende bedrijven kan je alleen een nettowinst uitrekenen, deze bedrijven hebben namelijk geen inkoopkosten.
Opdracht 2
Marjon is eigenaresse van een wijnhandel. Zij verkoopt flessen wijn met prijzen die liggen tussen de €5 en de €15. In totaal worden er in deze maand 300 flessen verkocht voor een gemiddelde prijs van €10. De inkoop van een fles wijn is gemiddeld €3,20.
Marjon betaalt €1000 huur per maand voor haar wijnpers.
Marjon betaalt €100 per maand voor elektriciteit.
Marjon betaalt €300 per maand voor het vervoeren van de wijn.
Marjon betaalt haar personeelslid €400 per maand.
Hoeveel omzet maakt de wijnhandel per maand?
Hoeveel is de brutowinst van de wijnhandel per maand?
Hoeveel is de nettowinst van de wijnhandel per maand?
Op de vraag hoe je moet ondernemen heeft eigenlijk niemand 1 antwoord. Er bestaat geen opleiding “ondernemen”. Het meest belangrijke is het hebben van een passie. Iedere onderneming heeft zijn eigen vorm, sommige mensen beginnen full-time een eigen winkel en andere openen in de avonduren een schoonheidssalon.
Opdracht 3
Er zijn verschillende soorten ondernemingen.
a. Zoek op internet drie verschillende soorten webshops die jou aanspreken. Let op: het erom hoe zij eruit zien, niet wat zij verkopen.
b. Zoek op internet 3 verschillende soorten handelsbedrijven bij jou in de buurt op, die jou aanspreken om het geen dat zij verkopen.
c. Zoek op internet 3 verschillende soorten dienstverlenende bedrijven bij jou in de buurt op, die jou aanspreken om wat zij verkopen.
Je kent nu verschillende vormen van bedrijven die als doel hebben zoveel mogelijk te verkopen. Ook heb je al eerder de woorden goederen en diensten gehoord. Maar wanneer is iets nou een goed en wanneer is iets een dienst? Het woord producten is een verzamelnaam voor goederen en diensten.
Goederen = tastbare producten zoals een schoolspullen, kleding en computerspelletjes. Diensten = niet tastbare producten zoals een tandartsbezoek, een bezoekje aan de kapster of kuurtje onder de zonnebank.
Consumenten (klanten) kopen producten omdat zij hier behoefte aan hebben. Is er veel behoefte aan 1 soort product dan wordt dit product ook veel verkocht. De behoefte aan eten, slapen en drinken zijn basisbehoefte, het economische woord hiervoor is primaire behoefte.
Opdracht 4
a. Geef bij de volgende onderwerpen aan of het een goed of een dienst is.
Onderwerp
Goed of dienst
tijdschrift
abbonement bij de zonnestudio
workshop taarten maken
een Tv reclame laten ontwerpen
deodorant
smatphone
een festival kaartje
b. Noteer 3 goederen die jij graag zou willen verkopen.
c. Noteer 3 diensten die jij graag zou willen verkopen.
d. Geef nu zelf twee voorbeelden van bedrijven die goederen en diensten verkopen.
e. Waarom is het slim om producten uit de primaire behoefte te verkopen?
Consumenten denken steeds beter na over producten die zij kopen. Zo willen vele geen producten kopen van bedrijven die het milieu vervuilen of slecht omgaan met het personeel. Maatschappelijk verantwoorde ondernemingen denken goed na over dit soort dingen. Dit noemen we duurzaam ondernemen.
Opdracht 5
a. Zoek op internet drie bedrijven die laten zien dat zij zich bezig houden met duurzaam ondernemen.
b. Zoek op internet op wat de drie P’s van duurzaam ondernemen betekenen. De drie p’s zijn People, Profit en Planet.
Opdracht 6
Je gaat nu een klein onderzoek doen. Sportmerken willen graag laten zien hoe duurzaam zij zijn. Dit doen zij om zich te onderscheiden van hun concurrenten.
a. Bekijk de merken Nike en Adidas. Welk merk onderneemt het meest duurzaam?
b. Op welke van de 3 p’s uit duurzaam ondernemen richten zij zich het meest?
Opdracht 7
Zou jij zelf ervoor kiezen om duurzaam te ondernemen? Waarom is dit wel/geen belangrijk element voor jou binnen het ondernemen?
Wanneer je een bedrijf start moet je dit altijd inschrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De KvK is er om ondernemers te ondersteunen. Zij bieden informatie, geven workshops en adviesgesprekken. Op de site van de KvK kun je veel standaard informatie vinden. De KvK beschikt over veel video’s waarin dergelijke informatie wordt gegeven. Zoals in deze video waarin het inschrijven gedetailleerd wordt uitgelegd, https://www.youtube.com/watch?v=uywdGCTX0qo .
Opdracht 8
Ga naar de website van de Kamer van Koophandel. Zoek antwoord op de volgende vragen.
a. Op welke manieren kun je jouw bedrijf inschrijven bij de KvK.
b. Hoelang blijft een inschrijving bij de KvK geldig?
Ondernemingsvormen worden ook wel rechtsvormen genoemd. Bij je inschrijving moet je dan ook aangeven welke vorm je kiest voor jouw onderneming. Er zijn twee soorten rechtsvormen:
Rechtsvorm zonder rechtspersoonlijkheid: in dit geval ben je met privé geld aansprakelijk indien het bedrijf failliet gaat.
Rechtsvorm met rechtspersoonlijkheid: in dit geval ben je met je privé geld niet aansprakelijk voor schulden of faillissement van jouw bedrijf.
Binnen deze twee vormen bestaan meerdere varianten van rechtsvormen.
Rechtsvormen zonder rechtspersoonlijkheid:
1.De eenmanszaak: 1 eigenaar, maar deze persoon kan wel personeel hebben. Deze eigenaar stopt zelf geld in het bedrijf. Als eigenaar ben je dus in je eentje aansprakelijk voor alle eventuele schulden.
2.Vennootschap onder Firma (VOF): twee of meer mensen zijn eigenaar van dit bedrijf, het wordt ook wel een meermanszaak genoemd. Beide zijn verantwoordelijk voor de schulden van het bedrijf. Uiteraard moeten er bij deze vorm veel afspraken onderling gemaakt worden.
Commanditaire vennootschap (CV): bij deze vorm krijgt de eigenaar geld van een stille vennoot. Alleen de eigenaar is met zijn privégeld aansprakelijk voor eventuele schulden.
Opdracht 9
a. Schrijf in onderstaand schema vul je de voor en nadelen in van een eenmanszaak. Dit doe je door meer informatie te zoeken op het internet.
b. Maak dit nu ook voor een VoF en een CV.
Voordelen
Nadelen
Opdracht 10
a. Leg in eigen woorden uit wat een stille vennoot is.
b. Leg uit waarom een stille vennoot deze rol graag op zich zou willen nemen en een startend bedrijf.
1. De Besloten Vennootschap (BV): alle eigenaren zijn niet privé aansprakelijk voor schulden. Eigenaren zijn op basis van aandelen deelgenoot van het bedrijf. Een aandeel is een bewijs van deelname in het bedrijf. Hoe meer aandelen iemand heeft hoe meer inspraak je ook hebt.
2. De Naamloze Vennootschap (NV): de aandelen worden openbaar verkocht. Personen investeren dus in een bedrijf door aandelen te kopen. Voor de rest gelden de zelfde afspraken als bij een BV. 3. De coöperatieve vereniging: een deze vereniging werken zelfstandige ondernemers samen. Dit doen zij om elkaar te helpen en voordelen te behalen bij bijvoorbeeld het doen van inkopen. Denk bijvoorbeeld aan drogisterijen die samen werken onder 1 bedrijfsnaam. Alle aangesloten bedrijven noemen we leden.
Opdracht 11
a. Je hebt nu verschillende varianten van een rechtsvorm met rechtspersoonlijkheid voorbij zien komen. Welke vorm is het minst moeilijk om op te richten? Leg je antwoord uit.
b. Noem 1 voordeel en 1 nadeel van de coöperatieve vereniging.
1. Praktische opdracht - Het idee
Het idee
Je gaat samen met je groep een bedrijf starten. Jullie gaan een of enkele producten verkopen. Producten bestaan uit goederen en diensten. Goederen zijn tastbaar en diensten zijn dit niet.
Bekijk eerste deze video
Opdracht a “Brainstorm”
Voordat jullie samen beslissen wat jullie gaan verkopen moet iedereen hier eerst zelf over nadenken. Je zet daarom in de tabel hieronder alle ideeën uit jullie groepje.
Product
Doelgroep: aan wie wil je dit gaan verkopen?
Uitleg waarom je dit product en deze doelgroep interessant lijkt.
1
2
3
4
5
Opdracht B “ons bedrijf"
Je gaat nu in jouw groepje overleggen en antwoord geven op onderstaande vragen.
1. Het gekozen product is?
2. Het product valt binnen de branche?
1. Begrippenlijst
Neem deze lijst over in je schrift. Deze dikgedrukte woorden staan in werktaak 1. Zoek indien nodig het woord terug en noteer de betekenis.
Begrip
Omschrijving
Ondernemen
Omzet
Bedrijfskosten
Brutowinst
Nettowinst
Dienstverlenende bedrijf
Fabrieken
Handelsondernemingen
Producten
Goederen
Diensten
Behoeften
Duurzaam ondernemen
Eenmanszaak
VOF
CV
BV
NV
Coöperatieve vereniging
Prive aansprakelijk
Taak 2 - Een ondernemer
Deel 1
Dit hoofdstuk gaat over de ondernemer. De ondernemer is de belangrijkste schakel bij een ondernemer. Ga je echt een onderneming beginnen, dan moet je een ondernemingsplan schrijven. In het ondernemingsplan vertel je onder andere wie je bent, waar je goed in bent en waarom je gaat ondernemen.
Deel 2
Dit hoofdstuk gaat over het idee van jouw bedrijf. Je kan pas starten als jouw idee ook uitvoerbaar is. Zo moet je weten wat je gaat verkopen en aan wie jij dat gaat verkopen. Met een doelgroep worden de mensen bedoeld die het product gaan kopen.
Let op! Een bedrijfsidee dat je omschrijft in een ondernemersplan bestaat uit meer dan het aanbod van een product.
Personalia zijn jouw persoonlijke gegevens. Deze gegevens zijn nodig voor een inschrijving bij de Kamer van Koophandel en is de basis van ieder ondernemingsplan.
Kwaliteiten bestaan uit eigenschappen en vaardigheden. Wanneer je gaat ondernemen is het belangrijk je persoonlijke kwaliteiten onder de loep te nemen zo weet je welke kwaliteiten je hebt en welke je nog verder moet ontwikkelen.
Eigenschappen = wat typisch is voor jou. Vaardigheden = wat je kan.
Opdracht 2
a. Je gaat nu onderzoeken welke eigenschappen je hebt. Dit doe je door onderstaande tabel in te vullen, zet een kruisje in de kolom waar, soms of niet waar.
Ik ben …..
Waar
Soms
Niet waar
Een harde werker
Een zenuwpees
Creatief
En doorzetter
Sociaal vaardig
Een ondehandelaar
Iemand die met plannen komt
Iemand die makkelijk beslissingen neemt
Iemand die zich makkelijk aanpast
Iemand die voor zijn mening durft uit te komen
Iemand die doorgaat als het tegenzit
Een organisatietalent
Iemand die van nieuwe dingen houdt
Iemand die niet stil kan zitten
Iemand die vaak goede keuzes maakt
Iemand die zelfvertrouwen heeft
Iemand die voor iets gaat als ik erin geloof
Zelfstandig
Iemand die met tegenslagen kan omgaan
Zuinig
Betrouwbaar
Eerlijk
Leergierig
b. Wat zijn je sterke eigenschappen? Noem er 3.
c. Waaruit blijkt dat dit je sterke eigenschappen zijn? Noteer dit per eigenschap in ongeveer 30 woorden.
d. Wat zijn je mindere eigenschappen? Noem er 3.
e. Waaruit blijkt dat dit je mindere eigenschappen zijn? Noteer dit per eigenschap in ongeveer 30 woorden.
Opdracht 3
Geef antwoord op onderstaande vragen.
a. Waarom moet je een harde werker zijn?
b. Waarom moet een ondernemer goed financiële kennis hebben?
c. Waarom moet een ondernemer creatief zijn?
d. Waarom moet een ondernemer met tegenslagen om kunnen gaan?
e. Waarom moet een ondernemer kansen zien?
Opdracht 4
Onderzoek nu welke vaardigheden je hebt.
a. Vul onderstaande tabel in:
Ik kan …..
onvoldoende
Voldoende
Goed
Rekenen
Presenteren
Onderzoek doen
Verslagen schrijven
Plannen
Leidinggeven
Verkopen
Problemen oplossen
Opkomen voor mijn mening
Mensen overtuigen
Beslissignen nemen
Administratie bijhouden
Met geld omgaan
Samenwerken
Zelfstandig werken
Organiseren
Overzicht houden
Ondernemen
Leren
Luisteren
b. Wat zijn je sterkte vaardigheden? Noem er 3.
c. Waarom zijn dit de sterkte vaardigheden? Noteer dit per vaardigheden.
d. Wat zijn je minst sterke vaardigheden? Noem er 3.
e. Waarom zijn dit de minst sterke vaardigheden? Noteer dit per vaardigheid.
Motivatie is heel belangrijk om te kunnen ondernemen. Motivatie betekent de zin om iets te doen, enthousiasme om iets aan te pakken. In een ondernemingsplan moet je aandacht besteden aan je motivatie. De ondernemer is degene die het moet gaan doen. In een ondernemingsplan vertel je waarom jij de juiste persoon bent voor deze onderneming.
Opdracht 5
a. Heb jij een droom, iets wat je later graag zou willen doen?
b. Zou jij een eigen bedrijf willen starten? Leg uit waarom.
c. Wat voor bedrijf zou je willen starten?
d. Denk je dat het jou zal lukken om in de toekomst een bedrijf te starten?
Wat je met je bedrijf gaat verkopen (het aanbod) is meer dan je product alleen, het aanbod bestaat uit 3 onderdelen, namelijk:
Het product: goed of dienst
Extra’s gekoppeld aan het product zoals garantie of service.
Extra’s gekoppeld aan de ondernemer zoals workshops die hij of zij geeft.
Opdracht 6
Samengevat is een wat een bedrijf verkoopt een optelsom van 3 dingen: het product, extra’s en sfeer/uitstraling van het bedrijf. Bedenk voor het product scooters:
a. Extra’s gekoppeld aan het product:
b. Extra’s gekoppeld aan het bedrijf:
c. Een uitstraling of sfeer waardoor je meer kunt vragen voor het zelfde product.
Wanneer je bezig bent met je bedrijfsidee onderzoek je ook de ontwikkelingen in de maatschappij. Het is belangrijk om met je bedrijfsidee in te spelen op verwachtingen in de maatschappij. Het is belangrijk om met je bedrijfsidee in te spelen op verwachtingen en behoeften van potentiele klanten. Maatschappelijke ontwikkelingen beïnvloeden deze behoeften.
Opdracht 7
Noteer voor iedere maatschappelijke ontwikkeling een bedrijfsidee. Verzin dus een product dat past bij de omschrijving van onderstaande situaties.
a. De bevolking in Nederland vergrijst, dit betekent dat er steeds meer oudere komen.
b. Grondstoffen raken steeds sneller op en daarom moeten we spullen hergebruiken.
c. De techniek ontwikkelt erg snel en veel werk wordt overgenomen door robots.
Opdracht 8
In de toekomst zullen veel bedrijven gaan veranderen, hoe denk jij dat onderstaande bedrijven er in de toekomst uit gaan zien?
a. Meubelzaak
b. Restaurant
c. Ziekenhuis
d. Treinvervoer
Een goed bedrijfsidee houdt rekening met de branche ontwikkelingen. Een branche is een bedrijfstak, alle bedrijven hierin houden zich met eenzelfde soort product bezig. Bijvoorbeeld een supermarkt valt binnen de foodbranche.
Opdracht 9
Geef de naam van de branche waar de volgende producten in vallen.
a. Een bed & Beakfast
b. Sportzaak
c. Gezondheidscentrum
d. Theater
e. Kaasboerderij
f. Phillips
Opdracht 10
Zoek de volgende antwoorden op internet op.
a. Waarom wordt er verschil gemaakt tussen de food en de non-foodbranche?
b. Waarom is het voor een bedrijf belangrijk om te weten tot welke branche jouw bedrijf hoort?
Met je bedrijf moet je je onderscheiden in de markt. Onderscheiden in de markt betekent dat je iets doet of hebt dat nog niet gedaan wordt. We noemen dit een USP, deze afkorting staat voor Unique Selling Point.
Er zijn verschillende punten waarop een bedrijf zich kan onderscheiden:
- De uitstraling
- Service
- Prijs
- Exclusiviteit in goederen of diensten
Opdracht 11
Hoe kan een bioscoop zich onderscheiden? Geef een voorbeeld bij ieder punt.
a. Uitstraling:
b. Service:
c. Prijs:
d. Exclusiviteit:
Opdracht 12
Je gaat nu een praktische opdracht uitvoeren. Je kiest voor 1 branche, voor deze branche ga jij minimaal 20 afbeeldingen verzamelen. In deze afbeeldingen moet duidelijk worden dat het gaat over een usp. Maak digitaal (met een app) of analoog (plakken op een a-3 papier) een collage. Zorg ervoor dat ook de naam van de door jou gekozen branche zichtbaar is.
2. Praktische opdracht - het oprichten van een onderneming
2a de ondernemer
In deze deelopdracht ga je jezelf “in beeld brengen”. Dit betekent dat je allerlei gegevens over jezelf beschrijft. Je denkt na over je sterkte en zwakke kanten. Je beschrijft waarom je een eigen bedrijf wilt, met deze reden heb je immers dit keuzevak gekozen.
Opdracht a “persoonlijke gegevens”
Vul onderstaand schema in. Een aantal gegevens kan je makkelijk invullen. Sommige gegevens zijn misschien nog niet op jou van toepassing. Als ze niet op jou van toepassing zijn zet je de afkorting N.V.T neer.
Checklist
Voornaam
Achternaam
Geslacht
Geboorteplaats
Adres
Postcode en woonplaats
Telefoon
E-mailadres
Burgerlijke staat
Opleidingen
Werkervaring
Bijzonderheden
Opdracht b “jouw ondernemerschap”
In deze opdracht leg je per kwaliteit uit waarom deze kwaliteit onvoldoende, voldoende of goed aanwezig is bij jou.
Kwaliteiten
Uitleg, deze kwaliteit is bij mij onvoldoende, voldoende of goed aanwezig omdat:
Leidinggeven
Ik kan:
Aanwijzingen geven
Beslissingen nemen
Conflicten oplossen
Taken verdelen
Onvoldoende, voldoende of goed, omdat
Motiveren
Ik kan:
Mensen in actie krijgen
Mensen enthousiast maken
Onvoldoende, voldoende of goed, omdat
Organiseren
Ik kan:
Overzicht houden
Overzien welk werk er gedaan moet worden
Rekening houden met kosten
Overleggen
Samenwerken
Onvoldoende, voldoende of goed, omdat
Plannen
Ik kan
Het werk in stukjes verdelen
Deadlines halen
Planning aanpassen indien nodig
Onvoldoende, voldoende of goed, omdat
Creatief en flexibel
Ik kan:
Oplossingen voor problemen bedenken
Het plan aanpassen indien nodig
Nieuwe ideeën bedenken
Onvoldoende, voldoende of goed, omdat
Deelopdracht c “financiële situatie”
Normaal gesproken moeten ondernemers ook in hun ondernemingsplan schrijven hoe hun financiële situatie is. Dit hoeft in deze opdracht niet uitgebreid; het is goed om te weten hoeveel geld jij ontvangt en hoeveel geld jij uitgeeft. Vul daarom onderstaande tabellen.
Inkomen
Per maand
Bijbaantje
€
Zakgeld
€
Overige ontvangsten
€
Totale inkomsten per maand
€
Uitgaven
Per maand
Kleding
€
Telefoon
€
Make up en uiterlijke verzorging
€
Eten, drinken
€
Abonnementen
€
Hobby’s
€
Overige uitgaven
€
Totale uitgaven per maand
€
2b de oprichting
In deze deelopdracht kiezen jullie de bedrijfsnaam. Bij de keuze van de naam moet je met veel dingen rekening houden.
- De naam moet bij het bedrijf passen.
- Het moet makkelijk te onthouden zijn.
- Klanten moeten het direct snappen en de juiste verwachtingen hebben.
- De naam mag nog niet bestaan.
Opdracht a “kies een naam”
instructie: https://www.youtube.com/watch?v=B-htHJLVqCc
a. Ieder groepslid kiest twee namen. Noteer nu per groepslid 2 namen die jij goed vindt passen bij jullie bedrijf.
b. Je gaat nu samen 1 van de namen kiezen. Dit doe je door te kijken of de naam aan bovenstaande voorwaarden voldoet.
c. Schrijf nu de naam die je hebt gekozen op.
Opdracht b “een logo”
Om herkenbaar te zijn als onderneming moet er een logo gemaakt worden voor jullie bedrijf.
a. Maak een logo voor jullie bedrijf.
Let op: een logo is meer dan de naam van jouw bedrijf uitgeschreven, kies een kleur dit onderscheidend is maar ook past in de branche.
Je kunt voor het maken van een logo verschillende hulpmiddelen gebruiken:
- Jimdo gratis logo creator
- https://mybrandnewlogo.com/nl
- apple pencil (verkrijgbaar bij docent)
2. Begrippenlijst
Neem deze lijst over in je schrift. Deze dikgedrukte woorden staan in werktaak 2 deel 1 en 2. Zoek indien nodig het woord terug en noteer de betekenis.
Begrip
Omschrijving
Personalia
Kwaliteiten
Eigenschappen
Vaardigheden
Pro-actief
Kostenbewust
Sociaal vaardig
Motivatie
Begrip
Omschrijving
Doelgroep
Bedrijfsidee
Het aanbod
Potentiele klanten
Branche
USP
Taak 3 - de markt
Het kan soms handig zijn om te weten wat je concurrenten doen. Concurrenten zijn bedrijven of personen die hetzelfde product aanbieden. Zo kom je erachter waar zij goed in zijn, waar zij minder goed in zijn en wat jij zelf dus ook beter kan doen.
Een valkuil van veel ondernemers is het willen verkopen aan iedereen. Het is goed om voor een specifieke groep te kiezen. Daarvoor kun je het beste zo duidelijk en uitgebreid mogelijk de doelgroep omschrijven.
Om een doelgroep te bepalen maak je een lijst met kenmerken:
1. Leeftijd
2. Geslacht
3. Woonplaats
4. Regio
5. Opleidingsniveau
6. Beroep
7. Vrijetijdsbesteding
Opdracht 1
Ook jij valt als klant in een doelgroep. Door onderstaand profiel in te vullen krijg je te zien hoe bedrijven jou zouden zien.
Kenmerken
Leeftijd
Geslacht
Woonplaats
Regio
Opleiding
Vrijetijdsbestedingen
Waar heb je behoefte aan?
Wat doe je dagelijks?
Aankoopgedrag: wat koop jij.
1.
2.
3.
4.
5.
Verbruiksgedrag: hoe lang doe je met boven genoemde producten.
1.
2.
3.
4.
5.
Opdracht 2
Beschrijf uitgebreid zoals in het schema hierboven de doelgroepen van onderstaande producten.
a. Muziekfesivalkaartje
b. Gezinsauto
c. Sportkleding
d. Opticien
e. Games
f. Mixer
Opdracht 3
Noteer nu de behoefte. Geef dus voor bovenstaande producten aan waarom mensen het product willen kopen.
Opdracht 4
Zoek op wat het begrip kenmerken betekend via google. Schrijf deze omschrijving duidelijk op. Controleer met jouw groepsgenoten of jullie het zelfde antwoord hebben gevonden.
Opdracht 5
a. Stel, jullie klassen is een doelgroep voor een kledingzaak. Beschrijf jullie gemeenschappelijke kenmerken.
b. Een doelgroep moet goed bereikbaar zijn voor een bedrijf. Schrijf op via welke manieren een bedrijf jou zou kunnen bereiken.
c. Aan welke producten heeft jouw klas behoefte op dit moment van het jaar(gericht op school)?
Een koopmotief is de reden waarom personen of bedrijven producten kopen. Er zijn 10 koopmotieven opgesteld door economen. Deze 10 koopmotieven zijn voor een verkoper handig om te weten. De reden hiervan is het kunnen inspelen op de wensen en behoeften tijdens een verkoopgesprek.
Opdracht 6
Neem onderstaande tabel over. Schrijf in de eerste kolom de uitleg van het genoemde koopmotief, gebruik hiervoor het internet en de les die je krijgt van je docent . Schrijf in de 3de kolom een voorbeeld van een product die past bij de beschrijving van het koopmotief.
Je weet nu hoe je de doelgroep beschrijft en welke koopmotieven deze verschillende groepen hebben. Wil je meer weten over jouw specifieke doelgroep, dan kun je dit doen door hen vragen te stellen in een interview (kwalitatief onderzoek) of een enquête in te laten vullen (kwantitatief onderzoek). Deze onderzoeken worden vaak gedaan door een marketing specialist.
Nu is het belangrijk om te weten hoe je klanten kopen, waarom en wat van invloed is op het koopgedrag. Dit doen we met een afnemersanalyse.
In een afnemersanalyse zijn drie zaken belangrijk:
- Gedrag: hoe koopt de afnemer het product bij jou en hoe gaat hij het daarna gebruiken.
- Behoeften: een afnemer koopt iets omdat hij hier behoefte aan heeft, je hebt iets nodig.
- Omgeving: de invloed van andere mensen, trends en ontwikkelingen op jouw aankopen als klant.
Opdracht 7
Beschrijf jouw gedrag wanneer je een nieuwe spijkerbroek nodig hebt.
Opdracht 8
Noteer bij iedere koopbehoefte twee voorbeelden van producten.
a. Basisbehoefte
b. Oplossen van een probleem
c. Behoefte aan nieuwe dingen
d. Duurzaamheid
e. Behoefte om erbij te horen
f. Gezondheid
g. Behoefte aan beter (verbeterde of nieuwe versie van een product)
Opdracht 9
Schrijf bij onderstaande producten op wie of wat er invloed heeft op deze aankoop.
a. Paraplu
b. Hangplek voor jongeren
c. Speeltuin
d. Webshop met sieraden
e. OV-chipkaart
f. Rollators
Het kan soms handig zijn om te weten wat je concurrenten doen. Concurrenten zijn bedrijven of personen die hetzelfde product aanbieden. Zo kom je erachter waar zij goed in zijn, waar zij minder goed in zijn en wat jij zelf dus ook beter kan doen.
Opdracht 10
Je onderzoekt concurrenten altijd op 4 onderdelen; prijs, service, grootte van de afnemersgroep en doelgroep. a. Onderzoek nu de twee supermarken Jumbo en Lidl.
Jumbo
Lidl
Prijs
Service
Grootte van de afnemersgroep
Doelgroep
b. Vind je deze twee winkel concurrenten van elkaar? Leg uit waarom wel of waarom niet.
Opdracht 11
Al eerder is gesproken over een USP. Ook bij het bekijken van je concurrenten is het belangrijk om te weten wat hun USP is. Op deze manier weet je hoe je je kunt onderscheiden van je concurrenten. Bedenk voor de volgende bedrijven een usp.
a. Kledingwinkel
b. Restaurant
c. Tuincentrum
d. Sneakerwinkel
e. Discotheek
f. Snackbar
De SWOT analyse wordt ook wel de sterke en zwakte analyse genoemd. SWOT staat namelijk voor Strenghts (sterktes), Weaknesses (zwaktes), Opportunities (kansen) en Threats (bedreigingen). Met deze analyse kun je jouw bedrijf economisch analyseren, oftewel bekijken wat er goed en minder goed gaat.
Opdracht 12
Je gaat nu oefenen met het maken van een SWOT analyse. Je leest onderstaand verhaal over broodjeszaak “de snelle hap”. Vervolgens schrijf je in de lege SWOT analyse alle gegevens op die je kan bedenken.
Broodjeszaak “de snelle hap’’ zit midden in het centrum van Bergen op Zoom. De broodjeszaak richt zich op gezinnen met jonge kinderen. Je kunt hier een kindermenu krijgen voor €3,99. De zaak loopt goed, vooral op woensdagmiddag komen ouders of grootouders hier naartoe met hun kinderen. Nu zijn de eigenaren van “de snelle hap” aan het kijken voor een nieuwe vestiging in Steebergen. Natuurlijk is de afnemersgroep hier een heel stuk kleiner, maar de eigenaren zien hier geen probleem in. Op het gebeid van reclame maken doet “de snelle hap” weinig, ze staan alleen soms in een lokale krant
3. Praktische opdracht - concurrenten en de doelgroep
Dit gedeelte bestaat uit onderdeel a, b en c Je brengt de markt in beeld en zoekt de concurrenten uit met bijbehorende aspecten en gaat daarna jullie doelgroep omschrijven.
Opdracht 3a
1. Beschrijf kort jullie bedrijf, denk eraan wat je verkoopt en benoem de des betreffende branche.
2. Welke trends zijn er in jullie branche?
3. Past jullie winkel bij de trends in deze branche? Leg het antwoord uit.
4. Welke maatschappelijke ontwikkelingen zijn er? Denk bijvoorbeeld aan duurzaamheid.
5. Is het product seizoengevoelig? Leg het antwoord uit.
Opdracht 3B
instructie: https://www.youtube.com/watch?v=sRwMfRnsLV0
1. Wie zijn de 5 grootste concurrenten?
2. Voor welk prijsniveau verkopen zij hun producten?
3. Welke garantie en service bieden zij?
4. Wat is de USP van de concurrenten?
5. Welke kleuren gebruiken de concurrenten? Voeg het logo toe.
Uitleg doelgroep Een afgebakende groep personen of instellingen waar een product, dienst, campagne of organisatie zich richt, noemen we een doelgroep. Binnen een markt kunnen doelgroepen worden onderscheiden doordat de leden van de groep bepaalde kenmerken delen. Enkele voorbeelden van doelgroepen: jongeren, hoger opgeleiden, huisvrouwen, werkzoekenden en early adopters.
In marketing neemt het begrip doelgroep een belangrijke plaats in. Een doelgroep is vaak een logisch gevolg van de kenmerken van een product of dienst of de doelstellingen van een organisatie, maar niet altijd.
De doelgroep is erg bepalend voor het gewenste imago. De boodschap en de vorm waarin deze wordt overgebracht dient te worden afgestemd op de doelgroep. Een reclameboodschap voor jongeren zal een andere tone of voice hebben dan een promotie gericht op ouderen.
Ook is de doelgroep van belang voor de kanalen die worden ingezet. Merken die een breed publiek willen bereiken kiezen bijvoorbeeld voor reclamespotjes op prime time op grote tv-zenders. Een bedrijf met een product dat zich richt op een niche zal eerder zoekmachinemarketing inzetten om in contact te komen met potentiële klanten waarvoor dit product interessant is.
opdracht 3c
Geef antwoord op onderstaande vragen of beschrijf de gegevens. Dit doe je niet door te gokken maar door samen te brainstormen en op het internet onderzoek te doen.
Leeftijd
Grootte van de groep (schatting)
Hobby’s
Inkomen
Opleiding
Hoe bereik je de doelgroep?
Waar koopt je doelgroep?
Heeft de doelgroep behoefte aan jouw product?
Wat is het koopgedrag van je doelgroep?
Welke Social Media kanalen gebruikt jouw doelgroep?
3. Begrippenlijst
Neem deze lijst over in je schrift. Deze dikgedrukte woorden staan in werktaak 3. Zoek indien nodig het woord terug en noteer de betekenis.
Begrip
Omschrijving
Doelgroep
Bedrijfsidee
Het aanbod
Potentiele klanten
Branche
USP
Taak 4 - de Marketingmix
Ieder bedrijf probeert iets uit te straling, deze uitstraling moet altijd het en overal het zelfde zijn. Dit zorgt voor herkenning. Door alles goed op elkaar af te stemmen kom je het best over bij je doelgroep. Een doelgroep let hierbij op de zogenoemde marketingmix. De marketingmix bestaat uit 6 onderdelen die beginnen met de letter p beginnen.
Een bedrijf verkoopt producten, alle producten samen noemen we het assortiment van de winkel. Wanneer we kijken naar de producten die verkocht worden kijken we naar de eigenschappen die het product heeft. Dit ken jij vast wel als de kwaliteit van het product, maar het bestaat uit meer dan dit.
De eigenschappen van een product:
1. De fysieke eigenschappen van een product kun je zien, denk aan materialen en de grootte.
2. De uitgebreide eigenschappen van een product zijn de extra’s die je krijgt zoals service en garantie.
3. De afgeleiden eigenschappen van een product hebben te maken met het merk en het imago dat dit merk heeft. Dit kan dus per klant verschillend zijn.
Opdracht 1
Iedere winkel verkoopt verschillende producten in zijn assortiment, het assortiment kunnen we opdelen in productgroepen.
a. Schrijf 3 productgroepen op die de jumbo verkoopt.
b. Bedenk uit iedere productgroep 3 productitems.
Opdracht 2
Noteer de verschillende eigenschappen van het energiedrankje “Red Bull”.
a. Fysieke eigenschappen:
b. Uitgebreide eigenschappen:
c. Afgeleiden eigenschappen:
De prijs van het product bepaalt of een klant het product koopt. Om een goede prijs aan je product te geven moet je kijken naar jouw eigen kosten en de prijzen die jouw concurrenten vragen voor het product.
Daarnaast speelt het imago een belangrijke rol bij het bepalen van de prijs. Wanneer je als bedrijf een “goedkoop” imago hebt kun je dus ook kiezen voor lage prijzen.
Opdracht 3
Geef aan of de volgende bedrijven een goedkoop of een duur imago hebben.
a. Lidl
b. Kruidvat
c. Action
d. Albert Heijn
e. Apotheek
Opdracht 4
Producten koop jij om het gevoel te krijgen van voordeel, kwaliteit of status. Geef bij alle deze 3 vormen 4 voorbeelden van producten.
Voordeel
Kwaliteit
Status
1
1
1
2
2
2
3
3
3
4
4
4
Opdracht 5
De kosten zijn duidelijk niet het enige om de verkoopprijs te bepalen. Bepalend is wat de klant ervoor wilt betalen. Wat ben jij bereid om voor de volgende producten te betalen? Noem een bedrag in euro’s.
a. Een blikje energiedrank
b. Een smartphone
c. Een game op de ipad
d. Een frietje met mayo
e. Deodorant
f. Kaartje voor een pretpark
g. Smoothie
h. Een nieuw paar sneakers
Opdracht 6
a. Zoek nu de echte prijzen van de producten uit de vorige opdracht op. Vermeld ook op welke site je dit hebt gevonden.
b. Bereken het verschil tussen de prijs die jij wilt betalen en de prijs die in de winkel gevraagd wordt.
Het doel van promotie is dat er zoveel mogelijk wordt verkocht. Promotie is het beïnvloeden van de klant dat zij producten gaan kopen.
Het gedrag van een klant kun je beïnvloeden door de AIDA-formule toe te passen.
1. Aandacht trekken van het publiek.
2. Interesse wekken door iets extra’s te bieden.
3. Daarna moet de drang, het verlangen, ontstaan dat een persoon het wil hebben. Dit kan je prikkelen door de voordelen van het product te benoemen.
4. Actie, de klant moet in actie komen, het product kopen.
Opdracht 7
Hoe zij jij het gedrag kunnen beïnvloeden van de klanten van de HEMA. Noem bij ieder onderdeel een voorbeeld.
a. Aandacht trekken:
b. Extra’s te bieden:
c. Drang:
d. Actie:
Promotie maken kan met verschillende instrumenten:
1. Reclame: de publiciteit zoeken via massamedia zoals tv, kranten en het internet. Reclame maken is altijd onpersoonlijk, oftewel gericht op een grote groep.
2. Persoonlijke verkoop: Dit is de verkoop door een verkoopmedewerker, dit vindt ook wel eens plaats op straat of aan de deur.
3. Sales promotion: tijdelijke acties om het product meer te verkopen, denk aan kortingen.
4. Public relations: het positief beïnvloeden van de klantrelatie door opendagen of speciale “shopping-nights”.
5. Sponsoring: denk aan de bedrukking van voetbal shirts, hierdoor wordt het merk bekender.
Opdracht 8
Zoek op internet 3 plaatjes per instrument, verzamel deze in een foto collage op je i-pad.
Opdracht 9
Zoek 3 reclame video’s op Youtube die jij leuk vind. Leg per video uit waarom jij die video leuk en aansprekend vind.
Opdracht 10
a. Noteer drie bekende personen die producten aanprijzen in reclames.
b. Koop jij weleens een product omdat een bekend persoon reclame maakt?
c. Koop je het dan om de bekende persoon of om het product?
d. Via welk Social Media middel zien we deze bekende personen tegenwoordig vaak?
Opdracht 11
a. Welk product koop jij omdat het stoer is?
b. Welk product koop jij omdat het gezond is?
c. Welk product koop jij omdat het betrouwbaar is?
d. Welk product koop jij niet omdat het een “foute” uitstraling heeft?
Een merk dankt zijn herkenbaar vaak aan een logo. Er zijn twee soorten logo’s: het beeldmerk en het woordmerk. Het beeldmerk is een plaatje, een woordmerk is vaak een geschreven tekst.
De kleur van je logo en de kleuren die doorgevoerd zijn moeten zorgvuldig gekozen worden. Kleuren hebben een betekenis, soms gaat het om een kleur en soms zijn er afspraken over gemaakt.
Opdracht 12
a. Noem 3 merken die de kleur rood gebruiken.
b. Waarom zouden deze 3 merken deze kleur gebruiken. Gebruik hiervoor de uitleg die je kan vinden op de vorige pagina.
Naast kleuren zijn ook andere elementen belangrijk. Het lettertype waarin je communiceert naar de klant bezorgt de klant een bepaald gevoel, zo heb je sierletters en sierletters. Bij het kiezen van een lettertype moet met rekening houden met de doelgroep.
Opdracht 13
Zoek op met behulp van je i-pad 3 lettertypes die jij vind passen bij jouw naam. Schrijf jouw naam met die lettertypes op een wit papier vel.
Vaak heeft een ondernemer personeel nodig. Het personeel is vaak een visitekaartje van een bedrijf, het personeel moet dus een goed uithangbord zijn. Het kiezen van personeel is moeilijk, echt zegt de opleiding van mogelijk personeel een goed beeld van de kwaliteiten en eigenschappen van iemand.
Opdracht 14
Zoek bij de functies de juiste opleiding.
a. Voedingsassistent
b. Verkoper
c. Manager
d. Peuterleider op een kinderdagverblijf
e. Medewerker evenementenorganisatie
f. Beveiliger
g. Barman of barvrouw
Opdracht 15
Zoek op wat het gemiddelde loon is van een werknemer is Nederland? Op deze manier krijg je inzicht in de kosten je moet maken om personeel te betalen.
Met de plaats wordt bedoeld: waar bied je je producten aan voor verkoop? Met de vestigingsplaats wordt niet alleen een pand bedoeld, verkoop kan ook plaats vinden op het internet of op straat.
Er zijn enkele vragen je jezelf moet stellen bij het kiezen van een plaats:
- Past de omgeving bij het bedrijf?
- Heeft de omgeving invloed op je bedrijf?
- Is je bedrijf makkelijk te bereiken?
Opdracht 16
Zoek een slagerij bij jou in de buurt.
a. Past de omgeving bij het bedrijf?
b. Heeft de omgeving invloed op je bedrijf?
c. Is je bedrijf makkelijk te bereiken?
Opdracht 17
Bij het maken van een webshop moet je rekening houden met de vindbaarheid en moet je ervoor zorgen dat de website makkelijk in gebruik is.
a. Zoek een webshop in internet die jou aanspreekt.
b. Is deze webwinkel makkelijk te gebruiken?
Presentatie omvat alle activiteiten van een onderneming die erop gericht zijn het product of bedrijf zo te verpakken of “aan te kleden dat de klant het wil kopen en/of bezoeken.
Bij de presentatie gaat het om:
1. Het presteren van je bedrijf; de inrichting moet passen bij het imago van het bedrijf.
2. Het presenteren van je product; de verpakking moet passen bij het imago van het bedrijf.
Opdracht 18
Bij welke winkel vind jij de presentatie goed passen bij de gewenste uitstraling?
a. Naam van de winkel.
b. De winkel verkoopt
c. De buitenkant van het bedrijf zier er zo uit:
d. De binnenkant van de winkel ziet er zo uit:
e. Het personeel past bij de winkel, omdat:
f. Het product vind ik er mooi uitzien, omdat:
g. Het verpakkingsmateriaal bestaat:
h. Geef drie tips om de presentatie van de winkel nog beter te maken.
4. Praktische opdracht - Marketingmix (6 p's)
Deel 1 product
Maak een product beschrijving, denk hierbij aan de opbouw van het assortiment.
a. Beschrijf het hoofdassortiment. Dit zijn de producten waar jij het meeste geld denkt te gaan verdienen, dit zijn tevens de producten waar de winkel bekend om staat. Kies er minstens 5.
b. Beschrijf het randassortiment. Dit zijn de producten die iets toevoegen aan het assortiment, je verdient hier vaak niet veel geld mee. Denk aan veters in een schoenenwinkel. Kies er minstens 5.
c. Zoek bij de artikelen ook een afbeelding.
Deel 2 prijs
Omdat jullie een handelsonderneming starten kun je aan de hand van een formule een geschikte prijs bepalen. De minimale verkoopprijs wordt bepaald door de kosten. Als je de kosten voor een product weet dan weet je ook waarvoor je het minimaal moet verkopen, anders lijdt je verlies. Soms is het moeilijk deze prijs te bepalen, hiervoor moet je veel onderzoek doen op het internet.
a. Wat kosten de producten die vallen binnen het hoofdassortiment? (inkoop)
b. Wat kosten de producten die vallen binnen het randassortiment? (inkoop)
Een bedrijf heeft als doel een zo hoog mogelijke winst maken. Als je weet wat een klant ervoor wilt geven dan kun je de maximale verkoopprijs bepalen.
c. Vraag aan minimaal 10 verschillende personen wat zij maximaal zouden betalen voor dit product. Bereken hiervan het gemiddelde. Nu weet je de maximale verkoopprijs per artikel.
d. Nu bepaal je per artikel de verkoopprijs die jullie willen hanteren. Zoek op wat de concurrenten vragen voor soortgelijke artikelen, houd rekening met de minimale en maximale prijs en noteer nu van ieder product de prijs die jullie kiezen.
Deel 3 personeel
Ieder bedrijf heeft werknemers nodig. Als startende ondernemer zijn dit er waarschijnlijk minder dan bij een groot een succesvol bedrijf.
a. Hebben jullie personeel nodig? Zo ja, voor welke functies?
b. Hebben de personeelsleden en bepaalde opleiding/diploma nodig?
c. Wat is het salaris per personeelslid dat je hen ongeveer zal moeten betalen?
d. Denk nu na over bedrijfskleding. Zoek afbeeldingen of maak een schets van de kleding waar jullie aan denken. Noteer hoeveel dit kost en bereken de kosten voor de bedrijfskleding voor alle personeelsleden.
Deel 4 promotie
Het doel van promotie is dat er zoveel mogelijk wordt verkocht. Ontwikkel nu voor jullie bedrijf een huisstijl. De huisstijl is de manier waarop het bedrijf zich naar buiten presenteert. De huisstijl voer je in alles door. Denk aan advertenties, brieven, inrichting, Social Media en verpakkingen.
a. Allereerst bepaal je de volgende onderdelen van de huisstijl.
1. Naam van het bedrijf
2. Kleuren
3. Lettertype.
b. Maak nu het logo voor jullie bedrijf, je had hiervoor al een schets gemaakt maar nu houden jullie rekening met de gekozen kleuren en het lettertype.
c. Maak nu voor ieder teamlid een visitekaartje. Dit doe je digitaal, gebruik Word of een geschikte app.
d. Maak nu een keuze over de verschillende Social Media kanalen. Welke kanalen zetten jullie in? Waarom kiezen jullie hiervoor? Wat ga je doen, je kunt duidelijk promotie voeren of ben je alleen vindbaar?
e. Stel dat jullie de mogelijkheid krijgen om jullie bedrijf te promoten op school. Hiervoor krijg je per onderneming een a-3 papier. Zorg dat in 1 oogopslag duidelijk is wat jullie verkopen en hoe de potentiele klanten bij jullie kunnen komen.
Deel 5 plaats
Bij het vaststellen van de plaats bedenk je waar jullie de artikelen gaat verkopen. Je kunt aan meer plaatsen denken dan een “gewone winkel”. Er zijn namelijk ook pop-up stores, webshops of marktkramen.
Hoe gaan jullie je product verkopen?
Geef zo veel mogelijk informatie over jullie verkoopplaats. Neem bijvoorbeeld eens een kijkje op Funda Business om te zien wat een bedrijfspand huren kost.
Teken een plattegrond voor jullie winkel of bedrijfspand.
Deel 6 presentatie
Presenteer nu het bedrijf aan jullie doelgroep.
a. Maak een moodboard waarin duidelijk wordt hoe jullie winkelinrichting eruit gaat zien.
b. Maak een (cadeau)verpakking van jullie producten waarin jullie laten zien hoe de klanten de artikelen ontvangen.
4. Begrippenlijst
Neem deze lijst over in je schrift. Deze dikgedrukte woorden staan in werktaak 3. Zoek indien nodig het woord terug en noteer de betekenis.
Begrip
Omschrijving
Marketingbeleid
Een doelgroep
Kenmerken
Koopmotief
Kwalitatief onderzoek
Kwantitatief onderzoek
Afnemersanalyse
Concurrentie
SWOT analyse
Taak 5 - inkoop en verkoop
Om de kostprijs van je product zo laag mogelijk te houden, is het belangrijk om goed over je inkoop na te denken. De inkoopprijs is de prijs die een bedrijf betaalt aan zijn leverancier bij het inkopen van hun producten.
Inkopen is het kopen van producten, die noodzakelijk zijn om je bedrijf te kunnen runnen. Het gaat altijd om de eerste aanschaf. Je koopt een handelsvoorraad in, producten moeten namelijk altijd op voorraad zijn omdat een klant anders mis kan grijpen. Indien producten op dreigen te raken moeten producten worden besteld.
Je hebt voor je winkel altijd producten op voorraad. Je wilt de producten op een bepaalde manier inkopen, dit noemen we het inkoopbeleid. Daarnaast denk een bedrijf na over waar het product ingekocht moet worden.
Het inkoopbeleid heeft al doel:
- Een juiste producten op voorraad
- Een goede prijs voor de ingekochte producten
- Voldoende producten op voorraad
- Juiste voorraad op de juiste plaats
- Dat de voorraad wordt ingekocht op basis van de behoefte van de klant.
Opdracht 1
Aan welke producten heeft de klant behoefte tijdens de zomer?
a. Noteer drie producten uit een speelgoedwinkel.
b. Noteer drie producten uit een supermarkt.
c. Noteer drie producten uit een kledingwinkel.
d. Noteer drie producten uit een horecagelegenheid.
e. Noteer drie producten uit een tuincentrum.
Tijdens het doen van de inkoop rekening gehouden worden met de houdbaarheid. De houdbaarheid betekent niet alleen hoelang iets goed blijft maar ook hoelang het “in” is.
Opdracht 2
Omschrijf de houdbaarheid van de volgende producten:
a. Verse melk
b. Engergydrink
c. Koffie
d. Fles Coca Cola
e. Verse Jus d’orange
f. Eieren
g. Kauwgom
Opdracht 3
a. Hoe vaak koop je nieuwe kleding?
b. Wil jij wat in de mode is ook altijd hebben? Leg uit.
c. Wat is het laatste product wat jij hebt gekocht?
d. Noteer 3 producten die nu in zijn.
Een offerte is een papier of digitaal prijsoverzicht van het aanbod dat gedaan wordt voor een bepaalde prijs. Meestal heeft een offerte een bepaalde geldigheidsduur.
Bedrijven zijn altijd bereid je een offerte te sturen. Zorg dat je in je aanvraag duidelijk bent over wat je wilt, welk product, op welke datum, de hoeveelheid en wanneer het geleverd moet worden.
Opdracht 4
Op de volgende pagina zie je een offerte. Wanneer je een offerte hebt moet je op de volgende zaken letten:
a. Is het product goed omschreven?
b. Voldoet het product aan jouw eisen?
c. Wat is de prijs, zijn er ook kortingen mogelijk en zie je dit op de offerte?
d. Ziet de offerte er netjes uit en is deze op tijd verstuurd? Hieraan kan je zien of de leverancier betrouwbaar.
Opdracht 5
a. Leg in eigen woorden uit waarom de prijs eerst exclusief btw en vervolgens inclusief btw.
b. Moet een bedrijf deze btw betalen? Zoek dit antwoord op het internet op.
Inkopen voor je bedrijf is belangrijk, maar zeker zo belangrijk is de verkoop van jouw product. Bij de P van personeel hebben we al kunnen zien welke rol het personeel speelt bij het verkopen. Tijdens een verkoopgesprek vindt een gesprek plaats tussen verkoper en klant. Dit gesprek bestaat uit een paar fasen:
1. Het verwelkomen van de klant
2. Achterhalen wat de klant precies wilt.
3. Een aanbod doen wat past bij de klant.
4. Overtuigen van de klant.
5. Rond het gesprek af.
Opdracht 6
Tijdens een verkoopgesprek is verbale, maar ook non-verbale communicatie erg belangrijk. Maak onderstaande zinnen af.
a. Verbale communicatie is ……
b. Non-verbale communicatie is ……
Opdracht 7
Tijdens het verkoopgesprek is het belangrijk om de gezichtsuitdrukkingen te herkennen. Je kunt daar als verkoper namelijk op inspelen. Er zijn 7 basisemoties: Angst, woede, walging, blijdschap, verassing, verdriet en minachting. Geef van elke basisemotie 1 foto weer in een foto collage.
Opdracht 8
Een rollenspel: een verkoopgesprek (3 leerlingen per groep)
- Rollen: verkoper, klant en cameraman
- Rol van verkoper: de verkoper is goed ingelicht, weet veel van het product en is ongeveer 30 jaar oud.
- Rol van de klant gaan jullie zelf beschrijven.
a. Beschrijf kort de klant:
- Leeftijd:
- Man/vrouw
-Gebruikt het product:
- Beschrijf het gedrag: aardig/onrustig/geïrriteerd of boos.
- Bedenk een product dat de verkoper moet gaan verkopen: product, prijs en service
b. Speel het verkoopgesprek en laat je filmen door de cameraman. Wissel vervolgens de rollen af, dit doe je 3 keer zodat iedereen een keer de verkoper is geweest.
5. Begrippenlijst
Neem deze lijst over in je schrift. Deze dikgedrukte woorden staan in werktaak 3. Zoek indien nodig het woord terug en noteer de betekenis.
Begrip
Omschrijving
Marketingmix
Assortiment
Productgroepen
Productitems
Imago
Promotie
AIDA – formule
Reclame
Persoonlijke verkoop
Sales promotion
Public relations
Sponsoring
Logo
Lettertype
Personeel
Vestigingsplaats
Presentatie
Taak 6 - Financien
Als startende ondernemer heb je veel geld nodig, je zult veel moeten investeren om überhaupt te kunnen beginnen. Denk maar aan het kopen van een pand, je inventaris en de voorraad goederen. Door het maken van een financieel plan krijg je een overzicht van het geld dat je nodig zult hebben. Daarnaast kun je uitrekenen vanaf welk punt je winst gaat maken en de risico’s die je daarbij neemt.
Investeren betekent arbeid, kennis, goederen en geld in je zaak stoppen. Een startende onderneming met daarom vaak op zoek naar geld. Om een goed beeld te krijgen van de investeringen maak je een investeringsbegroting. Je geeft daarbij antwoord op de onderstaande investeringsvragen:
1. Ga ik een bedrijfspand huren of kopen?
2. Heb ik machines nodig om het product te maken?
3. Hoeveel moet ik uitgeven het om mijn bedrijf in te richten? (inventaris)
4. Heb ik personeel nodig en welk salaris betaal ik dan?
5. Heb ik een voorraad nodig?
6. Hoeveel voorraad heb ik nodig?
Opdracht 1
a. Geef aan de hand van onderstaand verhaal antwoord op de investeringsvragen.
“Anouk wil een kapperszaak beginnen. Ze wil een studio kopen voor €150.000. Voor de inrichting heeft zij €10.000 nodig. Zij wil 10 verschillende diensten aanbieden en dit kost haar zo’n €5.000. Ze verwacht in het begin alleen zelf in de winkel te werken, ze zal zichzelf alleen betalen wat nodig is en gaat ervanuit dat dit €800 per maand is. Anouk heeft nu zelf €3500 spaargeld op de bank staan.
b. Per dienst betaalt een klant gemiddeld €55. Hoeveel diensten moet Anouk verkopen om winst te gaan maken?
Opdracht 2
Vul nu het begrotingsplan in voor Anouk haar kapperszaak.
Om te kunnen berekenen of je ooit winst gaat maken moet je weten hoe je omzet, afzet en winst gaat berekenen.
Omzet is het geld dat je binnen krijgt aan de hand van de verkochte artikelen (afzet).
Omzet = afzet x verkoopprijs
Brutowinst is het bedrag wat je van de omzet overhoudt als je er het bedrag van afhaalt dat je zelf voor de verkochte producten hebt betaald (inkoopwaarde).
Brutowinst = omzet – inkoopwaarde
Nettowinst is het bedrag dat de onderneming echt verdient door de verkopen.
Nettowinst = brutowinst – bedrijfskosten
Opdracht 3
a. Maak voor Domino’s pizza een overzicht van hun kosten en opbrengsten. Geef dus aan of het getal onder de opbrengsten valt of onder de kosten.
1. Omzet €125.000
2. Inkoopwaarde €50.000
3. Personeelskosten €25.000
4. Rentekosten €2.000
5. Verkoopkosten €3.000
6. Kosten vervoer €10.000
7. Huur bedrijfsruimte €6.000
8. Overige kosten: €4.000
b. Zorgt dit overzicht voor een positief of een negatief resultaat? Noemen we dit winst of verlies?
c. Reken de nu brutowinst en de nettowinst uit met behulp van de eerder genoemde formules en de getallen uit onderdeel a van deze opdracht.
Verdieping
Opdracht 1
Artikel
Afzet
Verkoopprijs
Omzet
A
50
€ 1,80
€ ......
B
.....
€ 2,50
€ 487,50
C
90
€ .....
€ 301,50
Opdracht 2
A
Omzet
Inkoopprijs
Brutowinst
Bedrijfskosten
Nettowinst
€ 3000,-
€ 2200,-
€ .....
€ 125,-
€ .....
€ .....
€ 6000,-
€ 4500,-
€ 1200,-
€ .....
€ 834,-
€ .....
€ .....
€ 256,-
€ 112,-
€ 75,30
€ .....
€ 36,15
€ 12,70
€ ....
B
De firma BeeldGeluid verkoopt televisietoestellen.
Op 1 mei is de voorraad van een bepaald merk tv-toestellen 31 stuks.
Er worden in mei 20 van deze toestellen ingekocht. Op 1 juni is de voorraad nog 16 stuks.
De verkoopprijs van dit toestel is € 625,-. De inkoopprijs is € 385,-.
De bedrijfskosten bedragen € 100,- per toestel.
1.Bereken de afzet van dit merk televisietoestel in deze periode.
2. Bereken ook de omzet.
3. Hoeveel bedraagt de brutowinst?
4. En hoeveel de nettowinst?
Opdracht 3
De verkoopprijs van een doos bananen is €18. In een maand worden er 18.000 dozen bananen verkocht. Men koopt de bananen in voor €4 per doos. In totaal heeft het bedrijf €100.000 aan bedrijfskosten per maand. Je hoeft geen rekening te houden met btw in deze opgave. Gebruik onderstaande tabel.
a) Bereken de omzet.
b) Bereken de brutowinst.
c) Bereken het nettoresultaat.
Omzet
€
- inkoopwaarde
- €__________
Brutowinst
€
- Bedrijfskosten
- €__________
Nettoresultaat
€
Opdracht 4
De verkoopprijs van een smart-tv is €1.499,50. In een maand worden er 350 verkocht bij de mediagigant. Men koopt de tv's in voor €1.200. In totaal heeft het bedrijf €25.000 aan bedrijfskosten per maand. Je hoeft geen rekening te houden met btw in deze opgave. Gebruik onderstaande tabel.
a) Bereken de omzet.
b) Bereken de brutowinst.
c) Bereken het nettoresultaat.
Omzet
€
- inkoopwaarde
- €__________
Brutowinst
€
- Bedrijfskosten
- €__________
Nettowinst
€
Opdracht 5
Een appelmoesfabriek produceert per jaar 1.600.000 potjes appelmoes. Ze worden allemaal verkocht voor €0,98 per stuk. De totale inkoopwaarde is €950.000 en de bedrijfskosten bestaan uit €100.000 personeelskosten, €95.000 huurkosten en €45.000 schoonmaakkosten. Je hoeft geen rekening te houden met btw in deze opgave. Gebruik onderstaande tabel.
a) Bereken de omzet.
b) Bereken de brutowinst.
c) Bereken het nettoresultaat.
Omzet
€
- inkoopwaarde
- €__________
Brutowinst
€
- Bedrijfskosten
- €__________
Nettoresultaat
€
Opdracht 6
Een winkelier koopt spijkerbroeken in voor €25 en verkoopt ze vervolgens voor €80. Per week verkoopt men er gemiddeld 120 stuks van. In totaal heeft het bedrijf €225.000 aan bedrijfskosten per jaar. Je hoeft geen rekening te houden met btw in deze opgave. Gebruik onderstaande tabel.
a) Bereken de omzet per jaar.
b) Bereken de brutowinst per jaar.
c) Bereken het nettoresultaat voor dat jaar.
Omzet
€
- inkoopwaarde
- €__________
Brutowinst
€
- Bedrijfskosten
- €__________
Nettoresultaat
€
Opdracht 7
Een winkelier koopt truien in voor €22 en verkoopt ze voor €59 per stuk. Ook koopt men spijkerbroeken in voor €37 en verkoopt ze vervolgens voor €99. Per jaar verkoopt men 1.000 truien en 1.400 spijkerbroeken. In totaal heeft het bedrijf €255.000 aan bedrijfskosten per jaar. Je hoeft geen rekening te houden met btw in deze opgave. Gebruik onderstaande tabel.
a) Bereken de omzet.
b) Bereken de brutowinst.
c) Bereken het nettoresultaat.
Omzet
€
- inkoopwaarde
- €__________
Brutowinst
€
- Bedrijfskosten
- €__________
Nettoresultaat
€
6. Praktische opdracht - financien
Een financieel plan geeft je inzicht in de kansen van een bedirjf. Met het financieel plan berken je onder andere hoeveel geld je nodig hebt om een bedrijf te starten. Daarnaast vormen de berekeningen een inschatting voor de eventuele winst en de risico’s die gaan komen. In dit onderdeel gaan jullie begrotingen maken, waarin je op basis van verwachtingen gaat werken.
deel 1 investeringsplan
In deze opdracht gaan jullie uitzoeken wat er nodig is om het bedrijf op t starten. Denk hierbij aan materialen, gebouwen en bijvoorbeeld voorraad. Door onderstaande vragen te beantwoorden krijg je een duidelijk beeld van jullie investeringen.
a. Gaan jullie een bedrijf kopen of huren?
b. Wat zijn de kosten per maand en per jaar van de huur of hypotheek?
c. Nu moet je je bedrijf ook in gaan richten. Denk na over wat jullie allemaal nodig hebben. Maak een tabel met daarin de inventaris lijst een de linkerzijde en in de rechterzijde te aanschafprijs. Dit zoek je op internet op. Hieronder die je een voorbeeld van een startende ijswinkel.
d. Noteer nu in de onderste rij de totale begroting voor het inventaris.
Inventaris
Aantal
Aanschafprijs per stuk
ijsmachine
1
€1500,-
ijsschep
4
€15,-
-
-
€1560,-
e. Nu moet je ook gaan nadenken over de voorraad en de investeringen die jullie hiervoor moeten doen. Ook dit gaan jullie in een tabel zetten. Een voorbeeld hiervan staat hieronder.
f. Noteer nu inde onderste rij de totale begroting voor de voorraad.
Producten
Aantal
Prijs per stuk
Totaal
Aardbei ijs 3 liter
2
€2,50
€5,00
deel 2 financierngsplan
Jullie hebben nu een overzicht van het benodigde geld, de investeringen. In deze deelopdracht gaan jullie op zoek naar het geld wat je hiervoor nodig hebt.
Totaal bedrag uit investeringsbegroting – eigen vermogen (dit is het geld dat de ondernemers hebben = Vreemd vermogen (nog nodig van anderen)
We gaan ervan uit dat jullie weinig tot geen eigen vermogen hebben. Bedenk 2 manieren waarop je aan vreemd vermogen gaat komen. Hoeveel geld aan vreemd vermogen hebben jullie nodig?Bereken/bepaal de verwachte omzet voor de eerste 5 jaar. Als meerder producten verkoopt voor een verschillende prijs tel je de omzet per product bij elkaar op.
Als er meer omzet is dan kosten, dan heb je nettowinst.
Als er meer kosten zijn dan omzet, dan heb je nettoverlies. Je vult dus maar bij een van deze onderdelen op je exploitatiebegroting een bedrag in. Op deze manier zijn de totaal bedragen aan beide kanten gelijk.
Het arrangement Keuzevak ondernemen - 't R@velijn is gemaakt met
Wikiwijs van
Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt,
maakt en deelt.
Auteur
Chantalle van Dongen
Je moet eerst inloggen om feedback aan de auteur te kunnen geven.
Laatst gewijzigd
2024-05-08 13:24:01
Licentie
Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding 4.0 Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding vrij bent om:
het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat
het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.
Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar:
Toelichting
Taak: het ontwikkelen en uitvoeren van een eenvoudig ondernemingsplan
- jezelf als ondernemer beschrijven
- een marketingplan maken
- een (eenvoudig) financieel plan maken
Eindgebruiker
leerling/student
Moeilijkheidsgraad
gemiddeld
Keuzevak ondernemen - 't R@velijn
nl
Chantalle van Dongen
2024-05-08 13:24:01
Taak: het ontwikkelen en uitvoeren van een eenvoudig ondernemingsplan
- jezelf als ondernemer beschrijven
- een marketingplan maken
- een (eenvoudig) financieel plan maken
Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten
terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI
koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI
koppeling aan te gaan.
Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.
Arrangement
IMSCC package
Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.
Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en
het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op
onze Developers Wiki.