Motieven zijn steeds terugkerende elementen in een verhaal. Herhaling is essentieel. We onderscheiden drie soorten motieven:
Abstracte motieven (literair historische motieven)
Het gaat hierbij over abstracte (ongrijpbare) begrippen als onmacht, liefde, toeval, eenzaamheid, oorlog.
Leidmotieven
Het gaat hier over terugkerende tastbare zaken. Deze hebben een symbolische betekenis.
Een dobbelsteen (toeval) kan bijvoorbeeld een leidmotief zijn.
Klassieke motieven
Het gaat hier om verhaalelementen die we al in klassieke verhalen tegenkomen. Denk aan het oedipusmotief en assepoestermotief.
Leesvaardigheid
Tekststructuren
In blok 3 leerden we drie tekststructuren te herkennen, te weten:
Probleem - oplossingstructuur Verklaringstructuur Vraag - antwoordstructuur
We leren er nu vier bij:
Argumentatiestructuur
- Inleiding: standpunt
- Middenstuk: argumenten (voor en tegen met weerlegging) voor je standpunt
- Slot: herhaling standpunt
Bij een betoog gebruik je vaak een argumentatiestructuur.
Aspectenstructuur
- Inleiding: aankondiging onderwerp
- Kern: diverse aspecten van een onderwerp
- Slot: samenvatting
Bij een uiteenzetting gebruik je vaak een aspectenstructuur.
Voor- en nadelenstructuur
- Inleiding: vraag
- Middenstuk: voor- en nadelen
- Slot: eindconclusie
Met taal kun je spelen. Zo kan een woord met twee betekenissen een zin een dubbelzinnige betekenis geven. Als een zin dubbelzinnig is, dan noemen we de zin ook wel ambigu. Omdat bij taal soms zinnen kunnen ontstaan die dubbelzinnig zijn, is het vaak moeilijk om de echte betekenis uit de zin te halen. Vaak helpt de context je daarbij. Kijk maar eens naar de volgende zin:
“Het baasje zag de hond met een verrekijker”
Bij deze zin kunnen er twee betekenissen zijn, namelijk:
Het baasje ziet een hond. Die hond heeft een verrekijker bij zich.
Het baasje ziet een hond. De hond ziet hij door te kijken door een verrekijker.
De verrekijker kan dus horen bij de hond, maar ook bij het baasje. En dat maakt de zin dubbelzinnig, dus ambigu. Vaak wordt ambiguïteit gebruikt als een stijlfiguur.
Nog een zin:
”Het meisje dat Marco geslagen heeft”
Bij bovenstaande zin zijn de volgende twee betekenissen mogelijk. Deze zie je misschien niet zo snel als bij de zin hierboven.
Het meisje door wie Marco geslagen is (dus Marco is het slachtoffer)
Het meisje dat door Marco geslagen is (het meisje is het slachtoffer)
Bij tautologie wordt hetzelfde nog eens gezegd met andere woorden.
Deze woorden moeten tot dezelfde woordsoort behoren (bijvoorbeeld twee zelfstandig naamwoorden of twee bijwoorden).
Een tautologie werkt versterkend.
Een voorbeeld van tautologie is: mijn ouders blijven voor eeuwig en altijd bij elkaar.
Bij pleonasme wordt aan een zelfstandig naamwoord een
bijvoeglijk naamwoord toegevoegd, met dezelfde eigenschap
als het zelfstandig naamwoord.
Een voorbeeld van pleonasme is: Buiten ligt er heel veel witte sneeuw.
Een beknopte bijzin is een bijzin zonder onderwerp, persoonsvorm en gezegde. Bijvoorbeeld:
Wachtend op de bus, kusten ze elkaar.
Het onderwerp in de eerste zin (bijzin) moet hetzelfde zijn als dat van de hoofdzin. In het bovengenoemde voorbeeld is dit zo:
Terwijl ze wachtten op de bus, kusten ze elkaar.
De kenmerken van een beknopte bijzin zijn:
het onderwerp onbreekt
de persoonsvorm onbreekt
In plaats van onderwerp en persoonsvorm staat in de beknopte bijzin:
> te + infinitief
> te + infinitief + voltooid deelwoord
> een voltooid deelwoord
> een onvoltooid deelwoord
Onjuiste beknopte bijzin
Als het onderwerp in de hoofdzin niet overeenkomt met het denkbeeldige onderwerp in de bijzin, spreken we van een foutieve beknopte bijzin. Voorbeelden hiervan zijn:
1. Na koffie gedronken te hebben, reed de bus verder.
=> Hier staat letterlijk: Nadat de bus koffie gedronken had ...
Na een half uur in de oven te hebben gestaan, aten de gasten de pizza op.
Vrolijk dansend, werden de aardappels geschild.
Ingesloten vindt u de brochure van ons vakantiepark.
Eenmaal op de camping aangekomen, begon de langverwachte zomervakantie.
Hijgend op het station aangekomen, vertrok de trein net.
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
Deze opdracht sluit je af met een toets voor medeleerlingen.
Je maakt met een medeleerling een toets over de behandelde stof.
Jullie bedenken 8 zinnen waarin zowel goede als foute beknopte bijzinnen staan. Laat de toets maken door een aantal medeleerlingen (Overleg met je docent.). En kijk de antwoorden na.
Het eindproduct wordt beoordeeld door je docent.
Bij de beoordeling let je docent op:
staan er zinnen met goede en foute beknopte bijzinnen in;
staan er geen taalfouten in;
kloppen de antwoorden;
zijn de toetsen goed nagekeken.
Woordsoorten: betrekkelijk voornaamwoord
Betrekkelijk voornaamwoord - 1
... die - ... dat - ... waarin - ... waarop - ... met wie - ... naar wie - enz.
noemen we betrekkelijke voornaamwoorden (betr.vnw.). Ze hebben betrekking op woorden eerder in de zin.
De belangrijkste betrekkelijke voornaamwoorden zijn: die en dat.
Een betrekkelijk voornaamwoord verwijst naar een woord dat er vlak voor staat (of woorden die er vlak voor staan). Betrekkelijke voornaamwoorden staan aan het begin van een bijvoeglijke bijzin.
Voorbeelden:
Het boek dat ik van juf Melis heb gekregen. (dat verwijst naar het boek)
De verhalen die ik voor Nederlands moest schrijven. (die verwijst naar de verhalen)
Dat wordt gebruikt bij het-woorden. Die wordt gebruikt bij de-woorden.
Bijvoorbeeld:
de krant die .... Ik pak de krantdie op tafel ligt. het boek dat ... Ik pak het boekdat op tafel ligt. de boeken die ... Ik pak de boekendie op tafel liggen.
Let op: De woorden die en dat kunnen zowel betrekkelijk voornaamwoord als aanwijzend voornaamwoord zijn. Een aanwijzend voornaamwoord staat voor het zelfstandig naamwoorden (die kast) het betrekkelijk voornaamwoord staat achter het zelfstandig naamwoord.
Zoals waarin, waarmee, waardoor, waarop, waaruit, met wie
Officieel in schrijftaal
voorzetsel + wie als naar een of meer personen wordt verwezen ('de jongen met wie ik op vakantie ga');
waar- + voorzetsel als naar zaken wordt verwezen ('de stoel waarop ik zit').
In de spreektaal en in de informele schrijftaal wordt dit onderscheid zelden aangehouden. Daarin komen zinnen als 'Het meisje waarmee hij danst, is de zus van de bruid' en 'De klant waarop ik wacht, is al een uur te laat' heel vaak voor. Grammaticaal zijn deze zinnen juist, maar de taalnorm is dat het hoffelijker is om te spreken van een meisje met wie je danst en de klant op wie je wacht.
Afkortingen, symbolen, letterwoorden, initiaalwoorden en verkortingen
In het dagelijkse taalgebruik maken we veel gebruik van afkortingen: cv, wc, tv, de NS, de VVD. Daar is op zich niets tegen, sterker nog: in sommige gevallen zou je het vreemd of storend vinden als de volledige term werd gebruikt. Niemand zal wc uitspreken als watercloset.
Afkortingen:
Dit is een verkorte schrijfmanier van een woord(groep), naam of een andere aanduiding. Je schijft een afkorting met een of meer punten. De afkorting is met een hoofdletter als het woord zelf ook met een hoofdletter begint.
Voorbeelden: blz. - bladzijde, dr. – dokter, i.p.v. – in plaats van, KLM – Koninklijke Luchtvaartmaatschappij
Symbool:
Is een teken/notatie van een eenheid, valuta of een wetenschappelijk begrip. De schrijfwijze van symbool is meestal internationaal. Je schrijft een symbool zonder punt. De hoofdletters en de kleine letters zijn internationaal afgesproken.
Voorbeelden: H2O – Water, sec – seconden, km – kilometer
Initiaalwoord:
Is een afkorting van beginletters en wordt niet als één woord gelezen. Je spreekt een initiaalwoord als een stel losse letter.
Voorbeeld: pk – Je spreekt de “p” en de “k” uit. (paardenkracht)
Letterwoord:
Een gebruikelijke term voor letterwoord is acroniem. Een acroniem bestaat uit losse letters van een woordgroep of naam. Je spreekt de korte vorm uit.
Voorbeeld: Havo – Je spreekt uit: haaaavooo en niet “h” “ a” “ v” “o”.
Verkorting:
Is een schrijfwijze voor twee of meer woorden maar je spreekt het uit alsof het een woord is.
Voorbeeld: Benelux - (België, Nederland en Luxemburg), horeca – (hotel, restaurants en café)
Sterke werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd.
Tegenwoordige tijd
Verleden tijd
Voltooid deelwoord
worden
zingen
lopen
kijken
lezen
werden
zongen
liepen
keken
lazen
geworden
gezongen
gelopen
gekeken
gelezen
Het Nederlands kent wel een paar sterke en onregelmatige werkwoorden. Deze houden zich niet helemaal aan de regels (bakken – bakte – gebakken) of zelfs helemaal niet (lopen – liep – gelopen). Waarom niet alle woorden regelmatig zijn, heeft te maken met taalontwikkeling.
Denk bijvoorbeeld aan nieuwe werkwoorden als googelen, whatsappen en twitteren. Vooral die laatste is interessant: soms zeggen mensen getweet, dan weer getwitterd. En is het nu twitterde of tweette? Kies je voor regelmaat, dan krijg je twitteren – twitterde – getwitterd, maar mensen zijn geen regels.
Je zult dus de sterke en onregelmatige werkwoorden moeten leren. Gelukkig zijn dat er niet zo veel en de meeste ken je wel.
Veel mensen hebben een probleem met het schrijven van een goed betoog. Wat is een betoog eigenlijk? Het draait allemaal om structuur aanbrengen in je tekst en je aan je hoofddoel houden.
Bouwplan
Voordat je begint met schrijven is het erg handig als je een bouwplan maakt. Een bouwplan is in principe het skelet van een betoog. In een bouwplan geef je eerst aan wat je per alinea wilt bespreken.
Voorbeeld van een bouwplan:
Alinea 1: Inleiding, in de laatste zin van de inleiding staat meestal de stelling.
Alinea 2 - 3 - 4: Argumenten voor
Alinea 5: Argument tegen met de weerlegging daarvan
Alinea 6: Conclusie
Het bouwplan verschil per tekst, omdat je je bouwplan aanpast aan je onderwerp en aan de hoeveelheid argumenten en dergelijke. Nadat je een bouwplan als hierboven hebt gemaakt kun je de onderwerpen waar je het over gaat hebben aan het bouwplan toevoegen.
Voorbeeld opbouw betoog:
Inleiding:
Bla, bla, bla, stelling
Middenstuk:
Stelling, want bla bla bla
Stelling, want bla bla bla
Stelling, want bla bla bla
Sommigen vinden dat ‘stelling’ niet klopt, omdat bla bla bla, maar bla bla bla
Sommigen vinden dat ‘stelling’ niet klopt, omdat bla bla bla, maar bla bla bla
Slot:
Samenvattend bla bla bla, dus stelling.
Argumenten
Er zijn veel manieren waarop je argumenten kunt geven. Hier zijn er een paar:
Meervoudige argumentatie: Dit is de eenvoudigste manier om je argumenten weer te geven. Hierbij noem je alle argumenten voor je stelling.
Tegenargumentatie: Hierbij worden argumenten tegen genoemd, maar ook verworpen. Zorg er wel voor dat je de argumenten op een fatsoenlijke kunt verwerpen, anders zal de lezer het niet geheel met je eens zijn.
Afwegingsargumentatie: Ook hierbij noem je de voor en nadelen, maar benadruk je dat de argumenten voor veel en veel belangrijker zijn dat de argumenten tegen.
Slot
Het slot is een belangrijk deel van je betoog. Hierin worden de belangrijkste argumenten nog een keer op een rijtje gezet en geef je nog eens duidelijk aan wat je mening is over het onderwerp.
Concentreer je het hele betoog op het feit dat je de lezer wilt overtuigen. Dit is je hoofddoel bij een betoog, dus probeer hier zo weinig mogelijk vanaf te wijken.
Voorbeeld betoog
Pindakaas is baas!
(Inleiding)
Elke ochtend keert het terug: boterhammen smeren. De tafel staat vol met potjes en pakjes broodbeleg. Voor mij is dat allemaal niet nodig. Eén potje volstaat: pindakaas. Dat is het allerbeste broodbeleg dat er is!
(Middenstuk (argumenten voor))
Weet je waarom pindakaas nummer één is? Allereerst is het natuurlijk heerlijk smeerbaar. In de haast van de ochtend is snel broodbeleg natuurlijk een enorme pré. Vergelijk je tijdwinst eens met een boterham met zelfgeschaafde plakjes kaas, dat is gigantisch!
Ten tweede smaakt pindakaas natuurlijk heel lekker. De romige structuur, de kleine stukjes pinda, het zout en het zoet tegelijkertijd, het is zo’n veelzijdige smaak!
Ten derde is pindakaas ook nog eens gezond, er zitten goede vetten in die je lichaam goed kan gebruiken.
Een vierde punt, zeker in deze tijden van economische tegenspoed, is natuurlijk de prijs van dit product. De bruine smurrie (‘übersmurrie’ volgens sommigen) is heel goedkoop vergeleken met kaas- of vleesbeleg.
(argumenten tegen met weerlegging)
Er zijn mensen die niet van pindakaas houden. Ze zeggen dat je na een boterham met pindakaas stinkt. Dat is natuurlijk een onzinargument. Je gaat toch niet vlak bij iemands mond zitten als hij of zij zit te eten? Natuurlijk ruik je dan pindakaas, maar je ruikt het net zo hard als iemand salami eet, of vis, of broodje bal.
Ook hoor ik van sommigen dat ze altijd pindakaas maar saai vinden. Deze mensen weten niet dat je met pindakaas werkelijk alle kanten op kunt: beleg de pindakaas met suiker, of met hagelslag voor een zoete variant. Of besmeer het met sambal, lekker pittig! Extra smeuïg wordt je pindakaasboterham als je er eerst boter op smeert.
(argument voor ter afronding)
Argumenten tegen pindakaas zijn er dus eigenlijk niet. En het belangrijkste argument voor pindakaas heb ik nog niet eens genoemd: een boterham met pindakaas geeft langdurig energie af, zodat je er langere tijd tegenaan kunt.
(Slot)
Al met al zal het je wel duidelijk geworden zijn dat er werkelijk geen beter broodbeleg te bedenken is dan pindakaas. Eet smakelijk morgenochtend!
Het arrangement Blok 4 is gemaakt met
Wikiwijs van
Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt,
maakt en deelt.
Auteur
G Laats
Laatst gewijzigd
2019-04-16 14:07:11
Licentie
Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding 4.0
Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding vrij bent om:
het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of
bestandsformaat
het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.
Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten
terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI
koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI
koppeling aan te gaan.
Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.
Oefeningen en toetsen van dit arrangement kun je ook downloaden als QTI. Dit bestaat uit een ZIP bestand dat
alle informatie bevat over de specifieke oefening of toets; volgorde van de vragen, afbeeldingen, te behalen
punten, etc. Omgevingen met een QTI player kunnen QTI afspelen.
Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en
het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op
onze Developers Wiki.