Blok 4

Blok 4

Fictie

Motieven


Motieven zijn steeds terugkerende elementen in een verhaal. Herhaling is essentieel. We onderscheiden drie soorten motieven:

  • Abstracte motieven (literair historische motieven)
    Het gaat hierbij over abstracte (ongrijpbare) begrippen als onmacht, liefde, toeval, eenzaamheid, oorlog.
  • Leidmotieven
    Het gaat hier over terugkerende tastbare zaken. Deze hebben een symbolische betekenis.
    Een dobbelsteen (toeval) kan bijvoorbeeld een leidmotief zijn.
  • Klassieke motieven
    Het gaat hier om verhaalelementen die we al in klassieke verhalen tegenkomen. Denk aan het oedipusmotief en assepoestermotief.

Leesvaardigheid

Tekststructuren

In blok 3 leerden we drie tekststructuren te herkennen, te weten:

Probleem - oplossingstructuur
Verklaringstructuur
Vraag - antwoordstructuur

We leren er nu vier bij:

Argumentatiestructuur
- Inleiding: standpunt
- Middenstuk: argumenten (voor en tegen met weerlegging) voor je standpunt
- Slot: herhaling standpunt

Bij een betoog gebruik je vaak een argumentatiestructuur.

Aspectenstructuur
- Inleiding: aankondiging onderwerp
- Kern: diverse aspecten van een onderwerp
- Slot: samenvatting

Bij een uiteenzetting gebruik je vaak een aspectenstructuur.


Voor- en nadelenstructuur
- Inleiding: vraag
- Middenstuk: voor- en nadelen
- Slot: eindconclusie

Verleden/heden/toekomststructuur
- Inleiding: introductie onderwerp
- Middenstuk: situatie vroeger, situatie nu
- Slot: toekomstverwachting

Bij het schrijven van een beschouwing gebruik je vaak een verleden/heden/toekomststructuur.

Over taal

Dubbelzinnigheid

Met taal kun je spelen. Zo kan een woord met twee betekenissen een zin een dubbelzinnige betekenis geven. Als een zin dubbelzinnig is, dan noemen we de zin ook wel ambigu. Omdat bij taal soms zinnen kunnen ontstaan die dubbelzinnig zijn, is het vaak moeilijk om de echte betekenis uit de zin te halen. Vaak helpt de context je daarbij. Kijk maar eens naar de volgende zin:

“Het baasje zag de hond met een verrekijker”

Bij deze zin kunnen er twee betekenissen zijn, namelijk:

  1. Het baasje ziet een hond. Die hond heeft een verrekijker bij zich.
  2. Het baasje ziet een hond. De hond ziet hij door te kijken door een verrekijker.

De verrekijker kan dus horen bij de hond, maar ook bij het baasje. En dat maakt de zin dubbelzinnig, dus ambigu. Vaak wordt ambiguïteit gebruikt als een stijlfiguur.

Nog een zin:

”Het meisje dat Marco geslagen heeft”

Bij bovenstaande zin zijn de volgende twee betekenissen mogelijk. Deze zie je misschien niet zo snel als bij de zin hierboven.

  1. Het meisje door wie Marco geslagen is (dus Marco is het slachtoffer)
  2. Het meisje dat door Marco geslagen is (het meisje is het slachtoffer)

 

Woordenschat

20 woorden:

1 aanduiden =  benoemen, aangeven

2 leeuwendeel = grootste gedeelte

3 senioren = ouderen, meestal 65+

4 uitgelezen = selecte, uitverkoren, speciaal uitgezochte

5 bravoure = gedrag waaruit blijkt dat je lef hebt

6 onkundig = zonder enige kennis of vaardigheid om iets te kunnen

7 uitsluiting =  het veroordeeld zijn tot niet-deelname

8 cynisch =  wrang, schamper, spottend

9 opmars = snelle opkomst, succesvolle toename van iets

10 inbedding =  inpassing (in), situering

11 doelbewust = met opzet

12 van ... verstoken =  uitgesloten van

13 consulteren =  advies vragen, raadplegen

14 participeren =  deelnemen aan

15 benaderen = in contact (proberen te) komen met

16 cognitieve =  alles wat met het verstand en het kennen te maken heeft

17 bevinding =  uitkomst, resultaat (van een onderzoek)

18 geïnvesteerd =  besteed aan

19 Desalniettemin = toch

20 tot in de finesses = tot in de kleinste bijzonderheden

Beeldspraak

Contaminatie, tautologie en pleonasme zijn voorbeelden van stijlfiguren.

Bij contaminatie vermeng je twee woorden of uitdrukkingen.
Een voorbeeld van contaminatie is:
Dit mobiel kost duur (kost veel of is duur).

Oefening 1
Oefening 2
Oefening 3
Oefening 4

Contaminatie.nl


Bij tautologie wordt hetzelfde nog eens gezegd met andere woorden.
Deze woorden moeten tot dezelfde woordsoort behoren (bijvoorbeeld twee zelfstandig naamwoorden of twee bijwoorden).
Een tautologie werkt versterkend.
Een voorbeeld van tautologie is: mijn ouders blijven voor eeuwig en altijd bij elkaar.

Oefening 5
Oefening 6
Oefening 7

Bij pleonasme wordt aan een zelfstandig naamwoord een
bijvoeglijk naamwoord toegevoegd, met dezelfde eigenschap
als het zelfstandig naamwoord.
Een voorbeeld van pleonasme is: Buiten ligt er heel veel witte sneeuw.

Oefening 8
Oefening 9
Oefening 10

Grammatica

Lijdende en bedrijvende vorm

Beknopte bijzin

Bestudeer de theorie van de beknopte bijzin uit de Kennisbank.

KB: Beknopte bijzin

Een beknopte bijzin is een bijzin zonder onderwerp, persoonsvorm en gezegde. Bijvoorbeeld:

  • Wachtend op de bus, kusten ze elkaar.

Het onderwerp in de eerste zin (bijzin) moet hetzelfde zijn als dat van de hoofdzin. In het bovengenoemde voorbeeld is dit zo:

  • Terwijl ze wachtten op de bus, kusten ze elkaar.

De kenmerken van een beknopte bijzin zijn:

  • het onderwerp onbreekt
  • de persoonsvorm onbreekt

In plaats van onderwerp en persoonsvorm staat in de beknopte bijzin:
> te + infinitief
> te + infinitief + voltooid deelwoord
> een voltooid deelwoord
> een onvoltooid deelwoord

Onjuiste beknopte bijzin

Als het onderwerp in de hoofdzin niet overeenkomt met het denkbeeldige onderwerp in de bijzin, spreken we van een foutieve beknopte bijzin. Voorbeelden hiervan zijn:

1. Na koffie gedronken te hebben, reed de bus verder.

=> Hier staat letterlijk: Nadat de bus koffie gedronken had ...

  1. Na een half uur in de oven te hebben gestaan, aten de gasten de pizza op.
  2. Vrolijk dansend, werden de aardappels geschild.
  3. Ingesloten vindt u de brochure van ons vakantiepark.
  4. Eenmaal op de camping aangekomen, begon de langverwachte zomervakantie.
  5. Hijgend op het station aangekomen, vertrok de trein net.

 

Maak nu de onderstaande oefeningen.

 

Toets:Oefening A: De beknopte bijzin

Oefening B

Eindproduct

 

Deze opdracht sluit je af met een toets voor medeleerlingen.
Je maakt met een medeleerling een toets over de behandelde stof.
Jullie bedenken 8 zinnen waarin zowel goede als foute beknopte bijzinnen staan. Laat de toets maken door een aantal medeleerlingen (Overleg met je docent.). En kijk de antwoorden na.

Het eindproduct wordt beoordeeld door je docent.
Bij de beoordeling let je docent op:

  • staan er zinnen met goede en foute beknopte bijzinnen in;
  • staan er geen taalfouten in;
  • kloppen de antwoorden;
  • zijn de toetsen goed nagekeken.

Woordsoorten: betrekkelijk voornaamwoord

Betrekkelijk voornaamwoord - 1

 

... die - ... dat - ... waarin - ... waarop - ... met wie - ... naar wie - enz.

noemen we betrekkelijke voornaamwoorden (betr.vnw.). Ze hebben betrekking op woorden eerder in de zin.

 

De belangrijkste betrekkelijke voornaamwoorden zijn: die en dat.

Een betrekkelijk voornaamwoord verwijst naar een woord dat er vlak voor staat (of woorden die er vlak voor staan). Betrekkelijke voornaamwoorden staan aan het begin van een bijvoeglijke bijzin.

Voorbeelden:

  • Het boek dat ik van juf Melis heb gekregen. (dat verwijst naar het boek)
  • De verhalen die ik voor Nederlands moest schrijven. (die verwijst naar de verhalen)

Dat wordt gebruikt bij het-woorden.
Die wordt gebruikt bij de-woorden.


Bijvoorbeeld: 

de krant die ....    Ik pak de krant die op tafel ligt.
het boek dat ...    Ik pak het boek dat op tafel ligt.
de boeken die ...  Ik pak de boeken die op tafel liggen.

 

Let op: De woorden die en dat kunnen zowel betrekkelijk voornaamwoord als aanwijzend voornaamwoord zijn. Een aanwijzend voornaamwoord staat voor het zelfstandig naamwoorden (die kast) het betrekkelijk voornaamwoord staat achter het zelfstandig naamwoord.

 

Wanneer gebruik je 'wat' en 'dat'

Toets: Oefening 1: Praktijkoefening die of dat

Start

Toets: Oefening 2: In de praktijk: oefening

Start

Toets: Oefening 3 die of dat

Start

Toets: Oefening 4 die/dat **

Start

Betrekkelijk voornaamwoord - 2

 

Betrekkelijke voornaamwoorden slaan bijna altijd terug op iets wat al eerder in de zin genoemd is. Soms slaat het terug op een hele zin.

De belangrijkste betrekkelijke voornaamwoorden zijn: die, dat, wie en wat.

Die gebruik je na een de-woord:

  • Ik wil later een man die heel veel geld verdient.

Dat gebruik je na een het-woord:

  • Het oude vrouwtje dat ik tegenkwam, leek op mijn tante.

het oude vrouwtje = antecedent

Wie of wat

Wie gebruik je na een voorzetsel:

  • De jongen aan wie ik mijn verhaal vertelde.

 

Wat gebruik je in drie gevallen:

1. Na een onbepaald (voornaam-)woord (bijvoorbeeld: iets, veel, enige):

  • Het enige wat ik wil, is rust!

2. Na een overtreffende trap (bijvoorbeeld: grootste, meeste, liefste):

  • Het beste wat jou kan overkomen, is een week vrij.

3. Na een hele zin:

  • Ik heb zes uur geleerd, wat best wel veel is.

 

Betrekkelijk voornaamwoord:

Die gebruik je na een de-woord

Dat gebruik je na een het-woord

Wie gebruik je na een voorzetsel

Wat gebruik je in drie gevallen:

  • 1. na een onbepaald (voornaam-)woord (bijvoorbeeld: iets, veel, enige)
  • 2. na een overtreffende trap (bijvoorbeeld: grootste, meeste, liefste)
  • 3. na een hele zin

weboefening 1: Betrekkelijk voornaamwoord

weboefening 2 betrekkelijk voornaamwoord

Betrekkelijk voornaamwoord -3

in een combinatie van waar en een voorzetsel:

 

Zoals waarin, waarmee, waardoor, waarop, waaruit, met wie

 

Officieel in schrijftaal

  • voorzetsel + wie als naar een of meer personen wordt verwezen ('de jongen met wie ik op vakantie ga');
  • waar- + voorzetsel als naar zaken wordt verwezen ('de stoel waarop ik zit').

 

In de spreektaal en in de informele schrijftaal wordt dit onderscheid zelden aangehouden. Daarin komen zinnen als 'Het meisje waarmee hij danst, is de zus van de bruid' en 'De klant waarop ik wacht, is al een uur te laat' heel vaak voor. Grammaticaal zijn deze zinnen juist, maar de taalnorm is dat het hoffelijker is om te spreken van een meisje met wie je danst en de klant op wie je wacht.

 

Dus als het om personen gaat:

meisje, mensen, vrouw...

liever met wie dan waarmee

liever naast wie dan waarnaast

Toets: Oefening 5: Praktijkoefening waarin, waarmee, waardoor, waarop, waaruit

Start

Toets: Oefening 6: waarop waaruit waarin

Start

Toets: Oefening 7 die of dat

Start

Toets: Oefening 8: waaruit, waarop, waarnaar enz.

Start

Toets: Oefening 9: het meisje met wie/waar ... mee

Start

Toets: Oefening 10

Start

Toets: Oefening 11

Start

weboefening 3 betrekkelijk voornaamwoord meerkeuze

Toets: Oefening 12. Maken van een combinatiezin met een betrekkelijk voornaamwoord.

Start

Spelling

Afkortingen, symbolen, letterwoorden, initiaalwoorden en verkortingen

In het dagelijkse taalgebruik maken we veel gebruik van afkortingen: cv, wc, tv, de NS, de VVD. Daar is op zich niets tegen, sterker nog: in sommige gevallen zou je het vreemd of storend vinden als de volledige term werd gebruikt. Niemand zal wc uitspreken als watercloset.

Afkortingen:
Dit is een verkorte schrijfmanier van een woord(groep), naam of een andere aanduiding. Je schijft een afkorting met een of meer punten. De afkorting is met een hoofdletter als het woord zelf ook met een hoofdletter begint.

Voorbeelden: blz. - bladzijde, dr. – dokter, i.p.v. – in plaats van, KLM – Koninklijke Luchtvaartmaatschappij  

 

Symbool:
Is een teken/notatie van een eenheid, valuta of een wetenschappelijk begrip. De schrijfwijze van symbool is meestal internationaal. Je schrijft een symbool zonder punt. De hoofdletters en de kleine letters zijn internationaal afgesproken.

Voorbeelden:    H2O – Water, sec – seconden, km – kilometer

 

Initiaalwoord:
Is een afkorting van beginletters en wordt niet als één woord gelezen. Je spreekt een initiaalwoord als een stel losse letter.

Voorbeeld:     pk – Je spreekt de “p” en de “k” uit. (paardenkracht)

 

Letterwoord:
Een gebruikelijke term voor letterwoord is acroniem. Een acroniem bestaat uit losse letters van een woordgroep of naam. Je spreekt de korte vorm uit.

Voorbeeld:     Havo – Je spreekt uit: haaaavooo en niet “h” “ a” “ v”  “o”.

 

Verkorting:
Is een schrijfwijze voor twee of meer woorden maar je spreekt het uit alsof het een woord is.

Voorbeeld:    Benelux - (België, Nederland en Luxemburg),  horeca – (hotel, restaurants en café)

 

Uitleg in een prezi
Uitleg in een filmpje:

Werkwoordspelling

Sterke werkwoorden in de verleden tijd

Sterke werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd.

  Tegenwoordige tijd    Verleden tijd Voltooid deelwoord

worden

zingen

lopen

kijken

lezen

   werden

   zongen

   liepen

   keken

   lazen

geworden

gezongen

gelopen

gekeken

gelezen

 

Het Nederlands kent wel een paar sterke en onregelmatige werkwoorden. Deze houden zich niet helemaal aan de regels (bakken – bakte – gebakken) of zelfs helemaal niet (lopen – liep – gelopen). Waarom niet alle woorden regelmatig zijn, heeft te maken met taalontwikkeling.

 

Denk bijvoorbeeld aan nieuwe werkwoorden als googelen, whatsappen en twitteren. Vooral die laatste is interessant: soms zeggen mensen getweet, dan weer getwitterd. En is het nu twitterde of tweette? Kies je voor regelmaat, dan krijg je twitteren – twitterde –  getwitterd, maar mensen zijn geen regels.

Je zult dus de sterke en onregelmatige werkwoorden moeten leren. Gelukkig zijn dat er niet zo veel en de meeste ken je wel.

Download de lijst onregelmatige en sterke werkwoorden zodat je deze kunt leren. De lijst is opgedeeld in 11 delen.

Oefeningen:

5. makkelijke oefening
6. eenvoudige oefening
6. CambiumNED 1
7. CambiumNED 2
8. Vul in

Meer oefeningen

Werkblad

Dictee

Leer de volgende moeilijke woorden goed schrijven:

accessoires - alchemist - bravoure - cognitief/cognitieve - dialecten - efficiënt - identificeren - ingenieus/ingenieuze - initialen - oriënteren - procedures - reductie - sollicitant - triatleet - virtuoos/virtuoze

Schrijven

Betoog (2)

Veel mensen hebben een probleem met het schrijven van een goed betoog. Wat is een betoog eigenlijk? Het draait allemaal om structuur aanbrengen in je tekst en je aan je hoofddoel houden.

Bouwplan

Voordat je begint met schrijven is het erg handig als je een bouwplan maakt. Een bouwplan is in principe het skelet van een betoog. In een bouwplan geef je eerst aan wat je per alinea wilt bespreken.

Voorbeeld van een bouwplan:

  • Alinea 1: Inleiding, in de laatste zin van de inleiding staat meestal de stelling.
  • Alinea 2 - 3 - 4: Argumenten voor
  • Alinea 5: Argument tegen met de weerlegging daarvan  
  • Alinea 6: Conclusie


Het bouwplan verschil per tekst, omdat je je bouwplan aanpast aan je onderwerp en aan de hoeveelheid argumenten en dergelijke. Nadat je een bouwplan als hierboven hebt gemaakt kun je de onderwerpen waar je het over gaat hebben aan het bouwplan toevoegen.

 

Voorbeeld opbouw betoog:

Inleiding:
Bla, bla, bla, stelling

Middenstuk:
Stelling, want bla bla bla
Stelling, want bla bla bla
Stelling, want bla bla bla

Sommigen vinden dat ‘stelling’ niet klopt, omdat bla bla bla, maar bla bla bla
Sommigen vinden dat ‘stelling’ niet klopt, omdat bla bla bla, maar bla bla bla

Slot:
Samenvattend bla bla bla, dus stelling.

 

Argumenten

Er zijn veel manieren waarop je argumenten kunt geven. Hier zijn er een paar:

  • Meervoudige argumentatie: Dit is de eenvoudigste manier om je argumenten weer te geven. Hierbij noem je alle argumenten voor je stelling.
  • Tegenargumentatie: Hierbij worden argumenten tegen genoemd, maar ook verworpen. Zorg er wel voor dat je de argumenten op een fatsoenlijke kunt verwerpen, anders zal de lezer het niet geheel met je eens zijn.
  • Afwegingsargumentatie: Ook hierbij noem je de voor en nadelen, maar benadruk je dat de argumenten voor veel en veel belangrijker zijn dat de argumenten tegen.

 

Slot

Het slot is een belangrijk deel van je betoog. Hierin worden de belangrijkste argumenten nog een keer op een rijtje gezet en geef je nog eens duidelijk aan wat je mening is over het onderwerp.

Concentreer je het hele betoog op het feit dat je de lezer wilt overtuigen. Dit is je hoofddoel bij een betoog, dus probeer hier zo weinig mogelijk vanaf te wijken.

 

 

Voorbeeld betoog

Pindakaas is baas!

 

(Inleiding)

Elke ochtend keert het terug: boterhammen smeren. De tafel staat vol met potjes en pakjes broodbeleg. Voor mij is dat allemaal niet nodig. Eén potje volstaat: pindakaas. Dat is het allerbeste broodbeleg dat er is!

 

(Middenstuk (argumenten voor))

Weet je waarom pindakaas nummer één is? Allereerst is het natuurlijk heerlijk smeerbaar. In de haast van de ochtend is snel broodbeleg natuurlijk een enorme pré. Vergelijk je tijdwinst eens met een boterham met zelfgeschaafde plakjes kaas, dat is gigantisch!

Ten tweede smaakt pindakaas natuurlijk heel lekker. De romige structuur, de kleine stukjes pinda, het zout en het zoet tegelijkertijd, het is zo’n veelzijdige smaak!

Ten derde is pindakaas ook nog eens gezond, er zitten goede vetten in die je lichaam goed kan gebruiken.

Een vierde punt, zeker in deze tijden van economische tegenspoed, is natuurlijk de prijs van dit product. De bruine smurrie (‘übersmurrie’ volgens sommigen) is heel goedkoop vergeleken met kaas- of vleesbeleg.

 

(argumenten tegen met weerlegging)

Er zijn mensen die niet van pindakaas houden. Ze zeggen dat je na een boterham met pindakaas stinkt. Dat is natuurlijk een onzinargument. Je gaat toch niet vlak bij iemands mond zitten als hij of zij zit te eten? Natuurlijk ruik je dan pindakaas, maar je ruikt het net zo hard als iemand salami eet, of vis, of broodje bal.

Ook hoor ik van sommigen dat ze altijd pindakaas maar saai vinden. Deze mensen weten niet dat je met pindakaas werkelijk alle kanten op kunt: beleg de pindakaas met suiker, of met hagelslag voor een zoete variant. Of besmeer het met sambal, lekker pittig! Extra smeuïg wordt je pindakaasboterham als je er eerst boter op smeert.

 

(argument voor ter afronding)

Argumenten tegen pindakaas zijn er dus eigenlijk niet. En het belangrijkste argument voor pindakaas heb ik nog niet eens genoemd: een boterham met pindakaas geeft langdurig energie af, zodat je er langere tijd tegenaan kunt.

 

(Slot)

Al met al zal het je wel duidelijk geworden zijn dat er werkelijk geen beter broodbeleg te bedenken is dan pindakaas. Eet smakelijk morgenochtend!

Betoog (pdf)