We gaan klassikaal de film Sonny Boy kijken. Dit is een verfilming van het boek van Annejet van der Zijl.
De volgende opdrachten werk je uit en lever je in een snelhechter in.
Opdracht 1: Personages
Vraag 1 Je zou kunnen zeggen dat Rika als vrouw haar tijd ver vooruit was. Daarnaast heeft ze bepaalde karaktereigenschappen die haar soms in de problemen brengen en soms ook helpen. Maak een samenvatting van circa 100 woorden waarin je Rika schetst als vrouw en gebruik hiervoor drie invalshoeken: partnerkeuze, moederrol en gastvrouw zijn. Gebruik de film hierbij en draag voorbeelden aan.
Vraag 2 Houd een interview met je eigen moeder of oma en vraag haar hoe zij haar eigen leven heeft vormgegeven, met de nadruk op aspecten moederschap, partnerkeuze en gastvrouw zijn. Vraag haar ook in hoeverre zij in conflict is gekomen met haar omgeving door de keuzes die zij gemaakt heeft. Maak aantekeningen tijdens het gesprek of neem het gesprek op.
Vraag 3 Werk je aantekeningen van het interview uit tot een verslag van ten minste 300 woorden.
Vraag 4 Waarin zitten de overeenkomsten en waarin de verschillen tussen Rika en je moeder? Waardoor worden die verschillen veroorzaakt?
Vraag 5A Als je een meisje bent: Geeft Rika haar vrouw-zijn vorm op een manier die jou aanspreekt? Zou je als Rika willen zijn? Leg uit waarom wel of niet.
Vraag 5B Als je een jongen bent: Zou je een meisje als Rika als vriendin willen? Licht toe waarom je dit wel of niet zou willen.
Opdracht 2: Motieven
In Sonny Boy heeft water een belangrijke rol.
Vraag 1 Zoek op internet naar betrouwbare bronnen waarin je informatie kunt vinden over water als symbool. Noteer verschillende dingen waarvoor water in het algemeen symbool kan staan. Wat zou het water voor Waldemar kunnen symboliseren? Licht je keuze toe.
Vraag 2 Als je de titel mocht veranderen van de film en deze nieuwe titel zou moeten verwijzen naar Waldemars relatie met het water, welke keuze zou jij dan maken? Probeer minimaal twee geschikte titels te bedenken en geef aan waarom je dit goede keuzes vindt.
Vraag 3 In het begin van de film zegt Waldemar: 'Het water is mijn vriend'. Verandert er gedurende de film iets in de relatie tussen Waldemar en het water? Geef aan waarom je dit vindt. Vind je dit een sterk of minder sterk punt van de film? Waarom?
Opdracht 3: Fictie en werkelijkheid
Vraag 1Sonny Boy is gebaseerd op een waargebeurd verhaal. Kijk je graag naar films die waargebeurd zijn of kijk je liever fictie? Licht je antwoord toe.
Vraag 2 Geef 2 voorbeelden uit de film die waargebeurd zijn. Geef ook aan hoe jij weet dat deze waargebeurd zijn.
Vraag 3 Geef 2 voorbeelden uit de film die (waarschijnlijk) niet zo zijn gegaan als in de film. Leg ook uit waarom je dat denkt.
Vraag 4 Waarom zou de schrijfster dingen bij het verhaal hebben verzonnen?
Vraag 5 Zou je na het kijken van de film het boek willen lezen? Licht je antwoord toe.
1 dramatiseren = (iets) zo voorstellen dat je het voor je ziet; (iets) erger voorstellen dan het is
2 beklemmende = beangstigende, benauwende
3 de revue passeren = één voor één nauwkeurig bekijken of bespreken
4 staat als een paal boven water = is beslist zeker
5 sensationeler = dramatischer, met meer drama en sensatie voorgesteld
6 bestempelen tot = maken tot, een bepaald predikaat (stempel) meegeven
7 expert = specialist
8 kun je er vergif op innemen = kun je er zeker van zijn
9 commerciële = op winst gericht; hier: geld verdiendend door reclameboodschappen uit te zenden
10 monopoliepositie = positie in het economische leven waarin een persoon of bedrijf nauwelijks concurrentie heeft
11 lancering = start, begin (bijvoorbeeld van het uitbrengen van een nieuw product)
12 abstract = wat je niet kunt zien of voelen maar waarvan je weet dat het er is
13 niet zozeer ... als wel = niet in de eerste plaats…, maar vooral….
14 premier = minister-president
15 excellentie = aanspreektitel van een minister (letterlijk: uitmuntend)
16 misverstand = verkeerd begrip van iets; het elkaar niet goed begrijpen
17 beklijft = blijft…hangen
18 uitgebalanceerd = in evenwicht
19 schrijnende = pijnlijke
20 hypotheek = geldlening (meestal voor een huis dat als onderpand dient)
Straattaal
Wat is straattaal?
In deze les ontdek je dat je in verschillende situaties je taalgebruik aanpast. Op school gebruiken we het Standaard Nederlands voor het spreken en schrijven. Onder het standaard Nederlands vallen ook de dialecten uit verschillende streken in Nederland. Thuis gebruik je deze standaardtaal maar het kan ook zo zijn dat je thuis een andere landstaal spreekt, zoals Arabisch of Engels. Wanneer je met je vrienden praat dan gebruik je andere woorden en uitdrukkingen dan thuis of op school. Dat noemen we groepstaal. Veel jongeren gebruiken bijvoorbeeld Engelse woorden en afkortingen. Andere leeftijdgenoten mixen nog andere talen in hun zinnen. Wanneer dit geen officiële landstaal is, noemen we dat slang. Dit soort jongerentaal noemen we straattaal.
Douwe Egberts gebruikte in de vorige eeuw straattaal om een grappige reclame te maken.
Tekst:
Dus check: Ik zit in me wagie. 50 Cents pompt uit mijn speaker. Je weet toch ... gewoon chill! Dus ik boek die bak vet hard toch, komt die scotoe met z’n neppe patta’s. Zegt die kopper tegen me dat ik hier niet zo hard mag boeken. En dat ik hem doekoe moet pasen. Ik zeg: H?! Te moeilijk, ik ben je bitch niet!
‘Watskeburt’ is een woord dat 10 jaar geleden nog niet bestond. Het is straattaal, bedacht door de Nederlandse band De Jeugd Van Tegenwoordig in 2007. Inmiddels staat dit woord in een speciale jongerentaaluitgave van een woordenboek.
Als je een zin op meerdere manieren kunt uitleggen, dan noemen we die zin ook wel ambigu. Het is afgeleid van het werkwoord ‘ambigere’, wat staat voor ‘twijfelen’. De twijfel komt hier ook terug, kijk maar eens naar de volgende zin:
“Het baasje zag de hond met een verrekijker”
Bij deze zin kunnen er twee betekenissen zijn, namelijk:
Het baasje ziet een hond. Die hond heeft een verrekijker bij zich.
Het baasje ziet een hond. De hond ziet hij door te kijken door een verrekijker.
De verrekijker kan dus horen bij de hond, maar ook bij het baasje. En dat maakt de zin dubbelzinnig, dus ambigu.
Nog een zin die ambigu is, is de volgende:
”Het meisje dat Tom geslagen heeft”
Bij bovenstaande zin zijn de volgende twee betekenissen mogelijk. Deze zie je misschien niet zo snel als bij de zin hierboven.
Het meisje door wie Tom geslagen is (dus Tom is het slachtoffer)
Het meisje dat door Tom geslagen is (het meisje is het slachtoffer)
Ambiguïteit kan verschillende oorzaken hebben:
In de zin kom een woord voor dat meerdere betekenissen heeft (homoniemen).
bijvoorbeeld: De ezel staat in de wei. Het woord ezel heeft twee betekenissen.
Soms heeft een woordgroep meerdere betekenissen.
Bijvoorbeeld: De foto van Dirk staat op de kast. 'De foto van Dirk' kan drie dingen betekenen, nl.:
a. de foto die Dirk heeft gemaakt. b. de foto waar Dirk op staat. c. de foto waar Dirk de eigenaar van is.
Ambiguïteit kan ook voortkomen uit de zinsbouw. Sommige zinnen kun je op meerdere manieren ontleden en daar horen verschillende betekenissen bij.
Bijvoorbeeld: De man sloeg de hond met de stok.
a. de hond met de stok = lijdend voorwerp
b. de hond = lijdend voorwerp
de stok = meewerkend voorwerp
Ambiguïteit kan ook ontstaan door een onduidelijke verwijzing.
Bijvoorbeeld: Lisa is niet met Anna op stap geweest, omdat zij ziek is. (Wie is er ziek? Lisa of Anna)
Bijvoorbeeld: In het leslokaal zaten vier docenten met aktetassen, die ik nog niet eerder gezien had. (Verwijst 'die' naar de docenten of naar de aktetassen?)
oefeningen
Oefening 1: Op welke twee manieren kun je de volgende zinnen opvatten?
a. De taxichauffeur zette zijn klant af.
b. Aantal asielzoekers Oranje bevroren.
c. Tennisclub wil geen eikels op de baan.
d. Speurtocht naar bevers in kano.
e. Ik zat al uren op de trein te wachten.
f. Jan zei tegen Piet dat hij 100 euro had verdiend.
Oefening 2:
De volgende zinnen hebben elk twee betekenissen. Neem de woordgroep die ambigu is over en zet de twee betekenissen erachter.
Biologie, de studie van je leven!
Met Andrélon is je haar verzirgd tot in de puntjes!
Met uw inzet loopt ons transport op rolletjes.
De steeds weigerende oude auto werd aan de kant gezet.
Onze docente Nederlands kan afvallen tot ze een ons weegt.
Rijke jongens en meisjes lopen een zekere kans ontvoerd te worden.
De betogers hebben gisteren alle beelden van Lenin vernield.
Spelling
Spelling van je tekst controleren
Als je een tekst geschreven hebt, moet je die altijd controleren op spelfouten. Doe dat achteraf in een aparte controleronde. Maak daarbij gebruik van hulpmiddelen:
• Als je iets schrijft op de computer, gebruik dan de spelling- en grammaticacontrole van Word: spelfouten worden rood onderlijnd, grammaticale fouten groen;
• Gebruik je woordenboek: je mag in de toetsweek en op het examen ook een woordenboek meenemen.
De Spelling- en grammaticacontrole van Word kan niet alle spellingsproblemen voor je oplossen. Sommige fouten ziet het programma niet. Hoe nieuwer je programma, hoe meer fouten de computer eruit haalt.
Fouten die de spellingcontrole wel ziet:
- Het gras is greon. moet zijn: groen
- amerika moet zijn: Amerika
- welkomsdrankje moet zijn: welkomstdrankje
Fouten die de spellingcontrole niet herkent:
- de meeste fouten in de werkwoordsspelling:
Het boek dat ik je aanraadt, heet Groeten uit Londen.
- woorden die je aan elkaar had moeten schrijven:
De in zendingen waren niet op tijd.
- fouten met hoofdletters en leestekens:
hoe, gaat het met jou
Zo controleer je de spelling van je tekst
Controleer je tekst in stappen:
- controleer eerst of alle hoofdletters, leestekens, komma’s en punten op de juiste plaats staan;
- controleer dan de werkwoorden:
- zijn de persoonsvormen goed geschreven?
- zijn de werkwoorden die geen persoonsvorm zijn zo simpel mogelijk geschreven?
- zoek moeilijke woorden op: gebruik de hulpmiddelen.
Alle vormen door elkaar. Bedenk eerst welke werkwoordsvorm het is, bedenk vervolgens welke regel daarbij hoort en kijk dan wat de juiste vervoeging moet zijn.
In een uiteenzetting geef je lezers informatie over een onderwerp. Dit kun je bijvoorbeeld doen door een vraag te beantwoorden, door een verklaring voor iets te geven of door oplossingen van een probleem te bespreken, maar er zijn ook andere tekststructuren mogelijk. Omdat een uiteenzetting objectief moet zijn, baseer je de tekst op feiten.
Kortom, een uiteenzetting:
geeft feitelijke informatie
geeft bij de informatie een uitleg
is objectief
Opbouw
Een uiteenzetting bestaat uit drie onderdelen:
inleiding
kern
slot
Zo schrijf je een uiteenzetting
• Bepaal wat je je lezers wilt vertellen.
• Verzamel voldoende informatie over je onderwerp.
• Bepaal welke structuur het best geschikt is voor jouw tekst. Kies uit
– de vraag-antwoordstructuur
– de verklaringstructuur
– de probleem-oplossingstructuur
– de aspectenstructuur
– de voor- en nadelenstructuur
– de verleden-heden-toekomststructuur
• Maak een schrijfplan.
• Schrijf het middenstuk in de gekozen structuur.
• Gebruik voor ieder deelonderwerp een nieuwe alinea.
• Schrijf een inleiding die de aandacht van de lezer trekt en het onderwerp introduceert.
• Geef in het slot je conclusie, een samenvatting en eventueel een toekomstverwachting.
Structurerende zinnen
In een uiteenzetting geef je lezers informatie over een onderwerp. Dit kun je bijvoorbeeld doen door een vraag te beantwoorden, door een verklaring voor iets te geven of door oplossingen van een probleem te bespreken, maar er zijn ook andere tekststructuren mogelijk. Omdat een uiteenzetting objectief moet zijn, baseer je de tekst op feiten.
Zo gebruik je structurerende zinnen
• om een nieuw deelonderwerp aan te kondigen:
Een andere manier om post te vervoeren is ...
Of: daar heb ik een drietal argumenten voor ...
• om een deelonderwerp af te sluiten:
Daarmee zijn de voordelen van linkshandigheid voorlopigwel genoemd.
Of: Er zijn dus weinig oplossingen te bedenken voor het probleem.
• om een alineaverband aan te geven, bijvoorbeeld:
Naast brievenpost was er telegrafie (opsommend)
Of: In tegenstelling tot brievenpost is telegrafie wel een vorm van telecommunicatie (tegenstellend)
De inleiding is het visitekaartje van de tekst: de aandacht van de lezer moet getrokken worden. Dit kan bijvoorbeeld gedaan worden door het onderwerp te betrekken op de actualiteit of juist de historie, door een anekdote te vertellen of door de lezer een vraag te stellen. Natuurlijk kun je ook zelf iets bedenken, zolang de aandacht van de lezer maar wordt getrokken. Daarnaast moet de lezer na het lezen van de inleiding weten wat hij van de tekst kan verwachten. Na het trekken van de aandacht moet dus worden uitgelegd waar de uiteenzetting over zal gaan. Het introduceren van het onderwerp kan door het weergeven van een verschijnsel, een vraag, een onderzoeksopzet of een probleem (zie hiervoor: 'Structuur').
Kortom, een inleiding:
trekt de aandacht van de lezer
maakt duidelijk wat het onderwerp van de tekst is
De kern
De kern bestaat uit verschillende alinea's. De boodschap van de tekst wordt hier duidelijk. Bij een uiteenzetting staat in de kern dus de feitelijke informatie en de uitleg daarbij centraal. In de kern werk je een verschijnsel, een vraag, een onderzoek of een probleem uit (zie hiervoor: 'Structuur'). Zorg ervoor dat de informatie in een logische volgorde gepresenteerd wordt.
Het slot
Het slot geeft een mooie afsluiting van de tekst: het slot is de uitsmijter. In het slot wordt een conclusie, samenvatting of oplossing van een probleem vermeld: dit hangt af van de structuur (zie hiervoor: 'Structuur'). Al gebruikte formuleringen moeten in het slot voorkomen worden.
Kortom, het slot:
sluit de tekst origineel af
gebruikt andere formuleringen
Schrijfopdracht
PERMANENTE PLAATJES
De uiteenzetting is een informerende tekst; de tekst heeft dus als doel de lezer iets te leren over een onderwerp. Ook deze tekstsoort heeft natuurlijk een inleiding, een middenstuk en een slot.
De inleiding van de uiteenzetting die jullie gaan schrijven zal de volgende componenten moeten bevatten:
een binnenkomer waarmee de aandacht van de lezer wordt getrokken
de introductie van het onderwerp
een formulering van een centrale vraag die in de tekst met feitelijke informatie zal worden beantwoord.
Het middenstuk van jullie uiteenzetting zal bestaan uit:
verschillende deelonderwerpen die je met tussenkopjes van elkaar scheidt (LET OP! Een deelonderwerp moet uit meerdere alinea’s bestaan).
alinea’s die aan elkaar verbonden worden via signaalwoorden.
deelonderwerpen die helpen met het beantwoorden van de centrale vraag.
deelonderwerpen die uit feitelijke informatie bestaan; het moet te controleren zijn. De tekst in zijn geheel is immers informatief van karakter.
Het slot van jullie uiteenzetting bevat:
het antwoord op de centrale vraag
een eventuele kernachtige samenvatting van de belangrijkste informatie die nodig was om tot dit antwoord te komen
een uitsmijter.
Waar moet jullie uiteenzetting over gaan?
Tatoeages
1) Jullie kijken de onderstaande aflevering van Metropolis en gebruiken deze als bron:
Kijk eventueel ook de andere korte filmpjes die op de site van Metropolis te vinden zijn bij het onderwerp “tatoeages”.
2) Zoek nog minimaal twee andere bronnen die je informatie kunnen verschaffen over het onderwerp van jouw tekst.
De centrale vraag voor jullie tekst is: Wat zeggen die tekens op onze huid over wie we zijn?
3) Maak eerst een duidelijk schrijfplan:
Inleiding (hoe aandacht, hoe onderwerp introduceren)
Middenstuk (welke deelonderwerpen, welke zaken bespreek je per deelonderwerp?)
Slot (wat is het antwoord op hoofdvraag? Hoe afsluiten?)
4) Schrijf een uiteenzetting van minimaal 600 woorden, waarin je jouw schrijfplan uitwerkt.
Het arrangement Blok 6 is gemaakt met
Wikiwijs van
Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt,
maakt en deelt.
Auteur
G Laats
Laatst gewijzigd
2019-06-20 10:35:11
Licentie
Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding 4.0
Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding vrij bent om:
het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of
bestandsformaat
het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.
Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten
terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI
koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI
koppeling aan te gaan.
Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.
Arrangement
IMSCC package
Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.
Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en
het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op
onze Developers Wiki.