Spelling 2F
Voor het tentamen spelling moeten jullie verschillende onderdelen beheersen. Met deze Wikiwijs doorloop je alle theorie en kun je elk onderdeel oefenen aan de hand van een toetsje. De theorie is opgesplitst in twee hoofdonderdelen: werkwoordspelling en spelling.
Elk onderdeel is als volgt opgebouwd:
- theorie + voorbeelden
- toets
Je krijgt aan het einde van elk toetsje te zien hoeveel procent je goed hebt. Scoor je onvoldoende, lees dan nogmaals de theorie goed door of vraag je docent om extra uitleg.

Werkwoordspelling
Persoonsvorm
Als je wilt bepalen hoe je een werkwoord schrijft, moet je eerst kijken met welke werkwoordsvorm je te maken hebt. Daarna kun je kijken welke spellingsregels horen bij deze werkwoordsvorm. Als blijkt dat je te maken hebt met een persoonsvorm, kun je onderstaand schema gebruiken om te bepalen hoe je het schrijft.

Toets: Persoonsvorm tt en vt
Start
Voltooid deelwoord
Voor de spelling van het voltooid deelwoord gebruik je dezelde regels als voor de spelling van de persoonsvorm verleden tijd. Bij sterke werkwoorden verandert het werkwoord van klank en bij zwakke werkwoorden gebruik je 't ex kofschip om te bepalen of het werkwoord op een -t of -d eindigt.
Toets: Voltooid deelwoord
Start
Werkwoord bijvoeglijk gebruikt
Je kunt werkwoorden ook als bijvoeglijk naamwoord gebruiken. Je zet het werkwoord dan voor een zelfstandig naamwoord. Het geeft dan dus extra informatie over dat zelfstandige naamwoord. Er zit een regel verbonden aan de spelling van dit bijvoeglijk naamwoord.
Je schrijft het bijvoeglijk naamwoord zo kort en eenvoudig mogelijk.
Fout: de vergrootte foto's
Goed: de vergrote foto's
Toets: Werkwoorden bijvoeglijk gebruikt
Start
Spelling
Meervoudsvormen
Voor het maken van meervoudsvormen gelden een aantal regels. Hieronder vind je deze regels met bijbehorende voorbeelden.
De meeste zelfstandige naamwoorden zet je in het meervoud door er een meervoudsuitgang achter te schrijven: -(e)n, -s of -eren.
geleerde – geleerden
kist – kisten
reparatie – reparaties
ei – eieren
Hieronder volgen enkele lastige gevallen.
Regels
|
Voorbeelden
|
(1) Veel woorden op -e hebben een (dubbel) meervoud op -n én -s
|
seconde – seconden/secondes, rente – renten/rentes
|
(2) Als zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud eindigen op -ee, dan voeg je in het meervoud -ën toe aan het woord. Het trema (de twee puntjes) op de letter -e- maakt duidelijk hoe je het woord moet uitspreken.
|
idee – ideeën, zee – zeeën
|
(3) Bij woorden op -ie met de klemtoon niet op de laatste lettergreep voeg je een n toe en zet je een trema (twee puntjes) op de -ën.
Ligt de klemtoon wel op -ie, dan schrijf je zet je er -ën achter.
|
bacterie – bacteriën, porie – poriën
industrie – industrieën, knie – knieën
Let op het klemtoonstreepje.
|
(4) Bij zelfstandige naamwoorden die in het enkelvoud eindigen op een s of een f, moet je die letters in het meervoud vaak (maar niet altijd!) veranderen in een z of een v.
|
wens – wensen, kaars – kaarsen
grens – grenzen, laars – laarzen
fotograaf – fotografen, filosoof – filosofen
staaf – staven, sluis – sluizen
|
(5) Je schrijft ’s (apostrof + s) als anders een verkeerde uitspraak zou ontstaan. Dat is het geval bij alle zelfstandige naamwoorden die eindigen op een heldere klinker: a, i, o, of u.
De regel geldt ook voor de y, als daar een medeklinker voor staat.
|
oma – oma’s, ski – ski’s, radio – radio’s
paraplu – paraplu's, baby – baby’s
Niet: jockey – jockey's, maar jockeys, want voor de y staat geen medeklinker.
Bij bijvoorbeeld de volgende woorden is geen verkeerde uitspraak mogelijk:
repetitie – repetities, café – cafés, dictee – dictees, douche – douches, cadeau – cadeaus, etui – etuis, kangoeroe – kangoeroes.
|
(6) Soms heeft een woord twee verschillende meervoudsuitgangen.
Bovendien kan er verschil in betekenis zijn.
|
bal – ballen / bals (= dansfeest)
portier – portieren (van een auto) / portiers (van een hotel)
been – benen / beenderen (botten),
wortel – wortels (van een boom én de groente worteltjes) / wortelen (alleen groente)
|
(7) Bepaalde woorden op -man (vooral bij beroepen) krijgen in het meervoud -lieden of -lui.
|
timmerman – timmerlieden, timmerlui, maar timmermannen mag ook
zakenman – zakenlieden, zakenlui, maar zakenmannen mag ook
|
(8) Er zijn ook afwijkende meervouden.
|
stad – steden, schip – schepen
|
(9) Soms is er alleen maar een enkelvoud of een meervoud.
|
wiskunde, warmte, grind, hersenen, financiën, jeans
|

Toets: Meervoudsvormen
Start
Verkleinwoorden
Voor het maken van verkleinwoorden gelden een aantal spellingsregels. Meestal kun je horen hoe je het verkleinwoord schrijft.
geit – geitje
wang – wangetje
boom – boompje
koning – koninkje
Hieronder volgen enkele lastige gevallen.
Regels
|
Voorbeelden
|
(1) Klinkerverdubbeling bij zelfstandige naamwoorden die eindigen op de heldere klinker a, é, o en u.
|
pyjama– pyjamaatje, saté – sateetje, kano – kanootje, papaplu – parapluutje
|
(2) Bij zelfstandige naamwoorden op -i schrijf je ‑ie- en bij woorden op -y (met een medeklinker ervoor) schrijf je -y'.
|
ski – skietje, lolly – lolly'tje, baby – baby'tje
Maar: diskjockeytje (de e is geen medeklinker, maar een klinker).
|
(3) Bij cijfer- en letterwoorden schrijf je -‘tje.
|
wc’tje, A4’tje
|
(4) Bijzondere gevallen.
|
chocola(de) – chocolaatje, machine – machientje, jongen – jongetje, koning – koninkje
|

Toets: Verkleinwoorden
Start
Apostrof, koppelteken en trema
Voor de toets moeten jullie ook de regels voor het gebruik van de volgende onderdelen kennen: apostrof, trema en het koppelteken. Hieronder staat per onderdeel de spellingsregel uitgelegd met een aantal voorbeelden.
De apostrof
De apostrof is meestal een scheidingsteken (regels 1 - 4) en soms een weglatingsteken (regel 5).
Regels
|
Voorbeelden
|
(1) Bij het meervoud van zelfstandige naamwoorden op -a, -i, -o, -u of -y (voor de y moet een medeklinker staan.) Deze regel wordt ook besproken in 11.5.
Bij het meervoud van letters en afkortingen.
|
pizza’s, ski’s, foto’s, accu’s, party’s
twee a’s, dvd’s
|
(2) Bij het verkleinwoord van letters, afkortingen of cijfers en van woorden die op een y (met een medeklinker ervoor) eindigen.
Deze regel wordt ook besproken in 15.3.
|
a’tje, dvd’tje, A4’tje, party’tje
|
(3) Bij een achtervoegsel.
|
ME’er
|
(4) Bij woorden die een bezit aanduiden.
Als deze woorden op een sisklank eindigen, voeg je geen extra -s toe, maar schrijf je een apostrof.
|
Menno’s rapport, Frans’ spreekbeurt
|
(5) In woorden waarvan letters zijn weggelaten.
|
’s middags, ’s-Gravenhage (‘s = des), jus d’orange (d’ = de), ’t Waaide hard. (‘t = het)
|

Het trema
Je gebruikt een trema binnen een los woord, als dat woord verkeerd kan worden gelezen.
Regels
|
Voorbeelden
|
(1) Bij letterverwarring.
|
ruziën, beëdigen
|
(2) In getallen.
|
tweeënhalf, drieëndertigjarige.
|
(3) Géén trema in sommige woorden die het Nederlands heeft overgenomen van andere talen.
|
opticien, paella
|
(4) Géén trema als het woord niet verkeerd gelezen kan worden.
|
financieel, gekopieerd, verdraaiing, naoorlogs
|
Het koppelteken
Het liggend streepje, ook wel koppelteken genoemd, gebruik je om letterverwarring bij het lezen te voorkomen. Je kunt aan dit spellingteken zien welke letters niet bij elkaar horen.
Regels
|
Voorbeelden
|
(1) Bij twee gelijke klinkers.
|
astma-aanval, mede-eigenaar, auto-onderdeel
|
(2) Bij andere letters waar letterverwarring kan ontstaan.
|
milieu-inspecteur, ski-jack
|
(3) Bij de volledige naam van gehuwde vrouwen.
|
mevrouw Nina Koning-van der Meer
|
(4) Tussen gelijkwaardige delen.
|
de wedstrijd PSV-AZ, café-restaurant,
kip-kerriesalade, prijs-kwaliteitverhouding
|
|
|
(5) Bij samenstellingen met letters, cijfers of andere tekens en samenstellingen met Sint of St.
|
ANWB-kantoor, 06-nummer, A4-formaat,
%-teken, Sint-Nicolaas, St.-Nicolaas
|
(6) Na een aantal voorvoegsels en vóór een aantal achtervoegsels.
|
ex-gedetineerde, niet-aanvalsverdrag,
warming-up, drive-in
|
(7) Woorden met meer dan één streepje.
|
kant-en-klaar(maaltijd), laag-bij-de-gronds
|
Toets: Apostrof, trema en koppelteken
Start
Hoofdletters
Bij spelling is het ook belangrijk dat jullie hoofdletters gebruiken wanneer nodig. Hieronder staan de belangrijkste regels op een rij.
Hoofdletters
Regels
|
Voorbeelden
|
(1) Het eerste woord van een zin.
Maar niet als de zin begint met een verkort woord, een cijfer of ander teken.
|
Soms heb je veel huiswerk.
’t Werd een bijzonder warme dag!
58 procent van de kandidaten slaagt in één keer.
|
(2) Namen.
Let op de spelling van persoonsnamen. Ze worden vaak verkeerd geschreven.
|
Rijn, Atlantische Oceaan, Beursplein, Haarlems Dagblad, Apenheul, Feyenoord, Paleis op de Dam, Nederlandse Spoorwegen, Tweede Kamer, Nederlands, Eskimo, Zuid-Amerika
meneer De Winter, mevrouw De Winter-van Damme en hun dochter Lotte de Winter
|
(3) Namen van God en heilige personen en zaken.
|
de Heer, Allah, de Bijbel
|
(4) Merknamen.
|
een Renault, een Magnum, het afwasmiddel Dreft
|
(5) Namen van feestdagen.
|
Pasen, Suikerfeest, Nieuwjaar, Koninginnedag, Moederdag
|
(6) De eerste letter van de titel van een boek, film, programma enz.
|
jeugdboek ‘De verboden kamer’
|
In allerlei andere gevallen schrijf je geen hoofdletter, maar een kleine letter. Hier volgen de belangrijkste regels.
a) Woorden die zijn afgeleid van namen van feestdagen.
b) Namen voor geloven en gelovigen en voor politieke stromingen en aanhangers daarvan.
c) Woorden waarbij je niet meer aan de eigennaam denkt.
|
a) paasvakantie, nieuwjaarsdag
b) het christendom, moslim, sociaaldemocraat.
[Jan: regel hoger]c) beatlehaar (= bepaald soort haardracht).
Andere voorbeelden: een fles bordeaux, de coopertest, een nijlkrokodil
|
Toets: Hoofdletters
Start
Leestekens
Punt, vraagteken, uitroepteken
De punt, het vraagteken en het uitroepteken sluiten een zin af.
Regels
|
Voorbeelden
|
(1) Achter een mededelende zin schrijf je een punt.
|
De nieuwe wasmachine moet nog worden aangesloten.
|
(2) Achter een vragende zin schrijf je een vraagteken.
|
Is dat echt waar?
|
(3) Achter een uitroep schrijf je een uitroepteken. Met een uitroepende zin kun je verbazing, bewondering, woede of een gebod (bevel) aangeven.
|
Wat jammer dat de wedstrijd niet doorgaat!
|
Let op: Zet nooit meer dan één vraagteken of uitroepteken per keer.
Als je een uitroep extra wilt benadrukken, doe dat dan met woorden.
|
Niet: ‘Was het maar vast vakantie!!!’ zei Esther.
Wel: ‘Was het maar vast vakantie!’ zuchtte Esther.
|

Komma
De komma is na de punt het meest gebruikte leesteken. Het is ook een lastig leesteken, want het heeft veel functies.
Regels
|
Voorbeelden
|
(1) In brieven en e-mails: achter de aanhef en de groet.
Let op: De eerste zin krijgt een hoofdletter.
|
Hallo Raymon, Beste Nikki, Groetjes,
Hoe gaat het met je?
|
(2) Achter woorden als ach, hè, tja, helaas.
|
Ach, wat doet u nou!
Tja, wat zal ik doen?
|
(3) (Meestal) voor signaalwoorden die een tegenstelling, oorzaak-gevolg of reden aangeven.
|
We wilden die dvd kopen, maar die was uitverkocht.
Anne slikt een aspirientje, want ze heeft hoofdpijn.
|
(4) Tussen twee werkwoorden uit verschillende werkwoordelijke gezegdes die naast elkaar staan.
|
Als ik thuiskom, drink ik eerst een glas karnemelk.
|
(5) Bij een letterlijke uitspraak van iemand (bij het citeren). Zie ook bij 19 Hoofdletters, aanhalingstekens en leestekens.
|
‘Dan kom ik naar jou toe’, zei Jesse.
|
(6) Tussen de delen van een opsomming zet je komma’s (of het woord en).
|
Houd jij ook zo van kroketten, loempia’s en hamburgers?
|
Alle/allen, beide/beiden
Bij woorden als alle/allen en beide/beiden moet je de ene keer wel een n gebruiken en de andere keer weer niet. Hier zijn regels voor.
Regels
|
Voorbeelden
|
(1) Bij bijvoeglijk gebruik schrijf je geen -n.
Let op: Achter sommige kun je het woord leerlingen zetten (herhalen).
|
Alle inktpatronen die leeg waren, zijn in de chemobox gedaan.
Sommige leerlingen kregen het werk niet af.
De meeste leerlingen waren op tijd klaar; sommige [...] kregen het werk niet af.
|
(2) Bij zelfstandig gebruik én als het om personen gaat, schrijf je een -n.
Let op.
|
De leerlingen van de brugklas zijn allen bevorderd.
De inktpatronen zijn alle vervangen door volle inktpatronen. (zelfstandig gebruik; geen personen)
|
Toets: Alle/allen, beide/beiden etc.
Start