Thema 7 Als ik groot ben - vmbo-kgt34

Thema 7 Als ik groot ben - vmbo-kgt34

Als ik groot ben

Inleiding

Je gaat aan de slag met het thema 'Als ik groot ben'.

Denk je wel eens na over hoe je leven er later uit zal zien?
Ben je dan een evenwichtig type of juist temperamentvol?
Ga je vrolijk door het leven of zie je overal problemen?
Wat is er uitgekomen van je dromen?
Heb je een leuke baan en verdien je lekker?
Zie je er dan nog goed uit voor je leeftijd?
Doe je mee met de laatste mode of ben je daar niet zo mee bezig?

Vind je het ook wel eens lastig om iemands leeftijd te schatten?
Waar let je dan op als je dat doet?

Bekijk de video.


In dit thema maak je vijf opdrachten. In iedere opdracht staat een andere vaardigheid centraal.
In de opdrachten wordt waar mogelijk verwezen naar het thema, maar lang niet overal.

Aan het einde van dit thema ga je een tijdlijn maken over je eigen leven tot en met 2070!

Wat kan ik straks?

Hier vind je de leerdoelen die horen bij het thema Als ik groot ben.

Leerdoel Opdracht
Ik kan de woordsoorten werkwoord, lidwoord, zelfstandig naamwoord en voornaamwoorden in een zin benoemen en gebruiken. Grammatica - Woordsoorten
Ik kan de betekenis van moeilijke woorden afleiden uit de tekst of de betekenis van moeilijke woorden opzoeken. Lezen - Moeilijke woorden
Ik leer hoe ik mij beheers in conflictsituaties en wat lichaamstaal inhoudt. Vaardigheden - Jezelf beheersen
Ik kan meedoen aan een probleemoplossende discussie. Spreken - Probleem oplossen
Ik kan het verschil herkennen tussen ironie en sarcasme en ironie in tekst en afbeelding herkennen. Woordenschat - Ironie

Wat ga ik doen?

Voor je aan de slag gaat met de afsluiting maak je vijf opdrachten.
In de tabel staat per activiteit hoeveel lessen je ongeveer nodig hebt.

Activiteit Aantal lesuren Eindproduct
Inleiding 0,5  
Grammatica: Woordsoorten 2 Toets maken
Lezen: Moeilijke woorden 2 Tekst over omgaan moeilijke woorden
Vaardigheden: Jezelf beheersen 2 Rollenspel spelen
Spreken: Probleem oplossen 3 Woordwolk met oplossing voor een wereldprobleem
Woordenschat: Ironie 2 Ironische afbeeldingen zoeken
Afsluiting 2 Een tijdlijn maken
Totaal: 13 à 14  


De tijd is een indicatie en afhankelijk van de keuze van het eindproduct.

Opdrachten

Grammatica: Woordsoorten - herhaling

Grammatica - Woordsoorten herhaling

Intro

In deze opdracht herhalen we verschillende woordsoorten.

Bekijk de video.
Herken je de woordsoorten? Kun je ze opnoemen?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van deze opdracht kan ik:

  • woordsoorten benoemen en gebruiken in een zin;
  • het persoonlijk, aanwijzend, vragend of bezittelijk voornaamwoord benoemen in een zin.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Maak vier oefeningen over verschillende woordsoorten. Had ik nog te veel fouten? Lees dan de Kennisbankitems over woordsoorten nog eens door.
Stap 2 Lees de Kennisbankitems over voornaamwoorden door. Maak daarna de oefeningen.
Stap 3 Test elkaar door acht zinnen op te schrijven met verschillende woordsoorten. Onderstreep woordsoorten in elkaars zinnen.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind ik de Kennisbanken die horen bij deze opdracht.
Eindopdracht Test mijn kennis. Maak de toets.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer twee lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Herhaling

In de onderbouw heb je al veel geoefend met het benoemen van woordsoorten in een zin.
Maak de vier oefeningen en kijk hoeveel je nog weet.

Heb je de oefeningen goed gemaakt of was je toch al weer veel vergeten?
Bestudeer de onderdelen, waar je moeite mee had, nog even in de Kennisbanken.
Hieronder staan de linkjes.

Eventueel kun je bepaalde oefeningen dan nog een keer maken.

Stap 2: Herhaling 2

In deze stap herhaal je de stof over het vragend voornaamwoord,
het meewerkend voornaamwoord, het bijwoord en het bezittelijk voornaamwoord.

Het is soms moeilijk te bepalen of een woord een bezittelijk voornaamwoord of een persoonlijk voornaamwoord is.

Op deze pagina wordt het verschil duidelijk uitgelegd.
Maak nu de volgende oefeningen.

Stap 3: Test elkaar

In deze opdracht ga je testen hoe goed je klasgenoot is in het benoemen van woordsoorten.

  1. Schrijf afzonderlijk van elkaar acht zinnen op. In iedere zin onderstreep je één woord.
    Let op: Onderstreep alleen woorden waarvan jij zelf de woordsoort weet, anders kun je straks natuurlijk niet controleren of je klasgenoot de vraag goed heeft beantwoord!
    Zorg er wel voor dat je verschillende woordsoorten onderstreept.
  2. Als jij en je klasgenoot allebei acht zinnen klaar hebben, wissel je de blaadjes en benoemen jullie de woordsoorten die onderstreept zijn. Dat doe je op papier.

Voorbeeld:
Je bedenkt de zin: Jouw fiets is veel fijner dan die van mij.
Je medeleerling antwoordt: Jouw = bezittelijk voornaamwoord.

  1. Wissel weer van blaadje en beoordeel of de woordsoorten goed benoemd zijn.
    Als dat niet zo is, probeer dan de woordsoorten opnieuw te benoemen.
    Kijk wie de meeste goede antwoorden heeft!

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de Kennisbanken die horen bij deze opdracht.

Eindopdracht

Test je kennis. Maak de toets.

Terugkijken

Intro

  • Heb je de introductievideo bekeken?
    Vond je de uitleg en voorbeelden over woordsoorten duidelijk?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je omschrijven waarnaar een vragend, bezittelijk of aanwijzend voornaamwoord verwijst in een zin?

Hoe ging het?

  • Inhoud
    Deze opdracht bestond voornamelijk uit een herhaling van woordsoorten en voornaamwoorden. Wist je het meeste nog of was het goed om nog wat extra oefeningen te doen?
  • Eindopdracht
    Heb je de eindtoets goed gemaakt? Had je een hoge score?

Lezen: Moeilijke woorden in de krant

Lezen - Moeilijke woorden

Intro

Je krijgt in deze opdracht uitleg en tips, hoe je met moeilijke woorden in het Nederlands kunt omgaan.
Als je, met name straks bij je examen, moeilijke woorden tegenkomt, kun je de tips toepassen.

(Her)ken je de betekenis van deze moeilijke woorden?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • stapsgewijs achter de betekenis van een moeilijk woord in de tekst komen;
  • omgaan met het opzoeken van de betekenis van moeilijke woorden;
  • omschrijven wat wordt bedoeld met beeldspraak;
  • uitleggen wanneer een schrijver in een tekst gebruikmaakt van beeldspraak of stijlfiguren.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Lees de informatie over omgaan met moeilijke woorden. Bestudeer het Kennisbankitem over voor- en achtervoegsels, waaraan ik moeilijke woorden mogelijk kan herkennen. Bestudeer het stappenplan om moeilijke woorden op te zoeken. Maak twee oefeningen.
Stap 2 Lees een tekst met moeilijke woorden en beantwoord daar vragen over. Maak een oefening van moeilijke woorden en gebruik daarbij het stappenplan.
Stap 3 Lees de uitleg en het voorbeeld over beeldspraak. Lees de Kennisbankitems over stijlfiguren en maak de oefening, alleen of met een klasgenoot.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind ik de Kennisbanken die horen bij deze opdracht.
Eindopdracht Lees een tekst en maak een logboek met moeilijke woorden. In overleg met mijn docent wordt het besproken in de klas.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer twee lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Moeilijke woorden

Moeilijke woorden, wat te doen?

Tijdens je examen moet je veel teksten lezen.
Waarschijnlijk kom je in ieder examen wel een paar woorden tegen waar je nog nooit van hebt gehoord.
Veel vmbo'ers struikelen tijdens hun examen over moeilijke woorden.
Je kunt erover lezen in het artikel 'Moeilijk taalgebruik'.
In deze opdracht leer je om te gaan met moeilijke woorden.

Voor- en achtervoegsels

Herkennen van voor- en achtervoegsels en signaalwoorden kunnen je helpen de betekenis van een woord te vinden. Weet jij nog wat voor- en achtervoegsels zijn?
Bestudeer de theorie in de Kennisbank.

Stappenplan

Open het bestand 'Moeilijke woorden' voor het stappenplan, dat je kunt gebruiken als je een moeilijk woord tegenkomt in een tekst.

Maak de volgende meerkeuzeoefening over de betekenis van moeilijke woorden.

Maak de volgende opdracht over de betekenis van voor- en achtervoegsels.

Stap 2: De juiste betekenis

Lees de volgende tekst. Beantwoord daarna de vragen.

UITWASSEN VERMINDERD DOOR CAMERA’S

(1) Het uitgaansgeweld neemt in de grote steden door toezicht met camera's drastisch af. Auto-inbraken en vernielingen komen in sommige steden bijna niet meer voor. Het aantal vechtpartijen daalt en de drugshandel neemt af. De camera's hebben ertoe geleid, dat verdachten van schietpartijen, vernielingen en drugshandel sneller achter slot en grendel zijn verdwenen.

(2) Dat blijkt uit onderzoek naar steden en dorpen die als eerste zijn begonnen met cameratoezicht in gebieden met veel cafés en dansgelegenheden.

(3) "We hebben nu de eerste onderzoeken naar het effect van de camera's afgerond en zien dat het toezicht een groot succes is," aldus onderzoeker W. Brunekreef. "De stijging van het aantal geweldsdelicten is in de onderzochte steden licht gedaald, maar diefstal en vernieling daalden zelfs met 60 procent. Burgers voelen zich een stuk veiliger in een stad met cameratoezicht."

(4) In Bergen op Zoom komen zware geweldsdelicten in het uitgaanscentrum niet meer voor, terwijl elders in het land het aantal geweldsdelicten nog steeds toeneemt. In Breda is het aantal auto-inbraken rond het station, sinds daar deze zomer 33 camera's zijn opgehangen, bijna tot 0 gereduceerd. Inmiddels zijn steden als Groningen en Apeldoorn ook begonnen met cameratoezicht en andere steden, zoals Den Haag, Rotterdam, Middelburg en Enschede volgen binnenkort.

(5) Toch zijn er ook deskundigen die het een slecht idee vinden het land vol te hangen met camera's. "Camera's kunnen een prima hulpmiddel zijn bij het bestrijden van de criminaliteit," aldus een van hen, "maar zonder andere maatregelen en de inzet van extra politieagenten schieten we nog maar weinig op. Ik ben bang dat met zomaar wat camera's ophangen zinloos geweld niet echt wordt uitgebannen."

(Naar een artikel verschenen in de Leeuwarder Courant)


Beantwoord de drie vragen.

Maak  de volgende oefening.
Volg het stappenplan 'Moeilijke woorden'. Gebruik eventueel de volgende site www.vandale.nl voor het opzoeken van de betekenis.

Stap 3: Beeldspraak

Een schrijver wil zijn tekst zo pakkend mogelijk laten overkomen.
Om variatie in de tekst aan te brengen of om iets te benadrukken, kan hij beeldspraak of stijlfiguren gebruiken.

Beeldspraak wil zeggen dat een woord of een uitdrukking een figuurlijke betekenis krijgt. Het is dan niet letterlijk bedoeld.

Voorbeeld:
Ze konden een gezond bedrijf bouwen op de vleugels van een Royaal Frans subsidiebeleid.
Op de vleugels van is figuurlijk bedoeld en betekent 'met behulp van'.

 

Met stijlfiguren heb je in een ander thema al geoefend. Weet je het nog?
Bestudeer de Kennisbankitems over stijlfiguren, om je geheugen op te frissen.

Maak de volgende oefening over stijlfiguren, alleen of samen met een klasgenoot.

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.

Voor- en achtervoegsel

Eindopdracht

Logboek moeilijke woorden

In de eindopdracht ga je een tekst met moeilijke woorden lezen. Je gaat de moeilijke woorden die in de tekst voorkomen, noteren in een logboek. Ook ga je omschrijven hoe je achter de betekenis van het moeilijke woord kan komen.

Lees het artikel 'Philips neemt medisch bedrijf VS over'.

Download het bestand: 'Logboek moeilijke woorden'. Sla het op in je eigen omgeving en vul het in.

  1. Zet alle woorden uit het artikel dat je net gelezen hebt, en waarvan je de betekenis in eerste instantie niet weet, in dit logboek onder het kopje 'Moeilijk woord'.
  2. Onder het kopje 'Strategie' beschrijf je hoe je achter de betekenis van het moeilijke woord kunt komen.
  3. Onder het kopje 'Betekenis' zet je de betekenis van het woord.


Heb je de betekenis van alle moeilijke woorden gevonden? Heb je het logboek helemaal ingevuld?
Lever het logboek in bij je docent. Hij of zij bepaalt hoe de opdracht wordt besproken.

Terugkijken

Intro

  • Wist je de betekenis van de moeilijke woorden of heb je die opgezocht??

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je uitleggen waarom een schrijver beeldspraak of stijlfiguren gebruikt in tekst?

Hoe ging het?

  • Inhoud
    Wat vond je van het stappenplan 'Moeilijke woorden'?
    Vind je het handig om moeilijke woorden op deze manier op te zoeken?
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht? Heb je veel moeilijke woorden gevonden in de tekst?
    Lukte het je om daarna het logboek in te vullen en aan te geven welke strategie je hebt gebruikt?

Vaardigheden: Jezelf beheersen

Vaardigheden - Jezelf beheersen

Intro

Uit boosheid zeg of doe je dingen waar je later heel veel spijt van krijgt.
Als je ruzie met iemand krijgt, is het beter om jezelf te beheersen.
Je kunt er beter samen rustig over praten.

Kijk naar deze video.
Wat zou jij doen als je twee ruziemakende personen tegenkomt?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van deze opdracht kan ik:

  • enkele tips noemen om mijzelf te beheersen in een conflictsituatie;
  • omschrijven wat wordt bedoeld met positieve of negatieve lichaamstaal.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Doe de test om te kijken hoe snel ik boos word. Bespreek dit met een klasgenoot. Bestudeer het Kennisbankitem. Hoe reageer ik in drie conflictsituaties? Bespreek mijn antwoorden met een klasgenoot.
Stap 2 Lees de tekst over lichaamstaal. Bekijk de video over lichaamstaal met Mr. Bean in verschillende situaties. Vul het schema in en bespreek samen wat ons opgevallen is.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind ik de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.
Eindopdracht Bekijk de video over conflicthantering. Speel situaties na in een rollenspel met een klasgenoot.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer twee lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Conflict

Het overkomt iedereen wel een keer: uit boosheid zeg of doe je dingen waar je later veel spijt van krijgt.
Hoe snel word jij boos? Om dat te weten kun je deze test doen.

Na de test bespreek je met een klasgenoot de volgende vraag:
Wat kun je doen om jezelf te beheersen?

Bestudeer uit de Kennisbank het volgende onderdeel.

Stap 2: Lichaamstaal

Lees de informatie over lichaamstaal in deze tekst.

Tekst 1

Lichaamstaal of non-verbale communicatie is het geheel van communicatieve boodschappen, dat door middel van gebaren, mimiek, lichaamshouding en oogcontact wordt overgebracht.

De mens is een sociale soort. Menselijk contact bestaat voor een groot gedeelte uit communicatie, waarbij gebruik wordt gemaakt van taal. Dit kan op verschillende manieren worden geuit; bijvoorbeeld met behulp van de stem of door middel van schrift. Op deze manier kan inhoudelijk veel informatie van de ene persoon naar de andere worden overgebracht.

Lichaamstaal wordt beschouwd als een belangrijke vorm van communicatie bij het vaststellen van onderlinge relaties, omdat emoties veelal non-verbaal worden overgebracht. Met name bij pubers en jong adolescenten is dit de eerste stap bij het zoeken naar en maken van contact.
Door deze lichaamstaal te proberen te lezen, interpreteren en helpen te verwoorden is veelal de eerste stap gemaakt richting contact. Hierna is het mogelijk de communicatie op een andere manier verder vorm te geven.

In zijn onderzoek naar menselijke communicatie vond Albert Mehrabian, psycholoog aan de universiteit van Los Angeles, in de jaren zestig bij Amerikanen dat vooral communicatie van emoties via lichaamstaal verloopt: 55% van die communicatie bestaat uit lichaamstaal, 38% door de stemklank en 7% door middel van woorden.
Voorzichtigheid is geboden deze bevindingen zomaar over te nemen voor niet-emotionele communicatie,
voor hedendaags communiceren en voor niet-Amerikaanse onderzoeksgroepen.

Meer dan woorden
Tijdens ons contact vertellen we elkaar dus veel meer dan met alleen woorden. Zonder woorden zeggen we veel over de betrekking: wie ben ik, wat vind ik van jou, hoe is onze relatie en wat bedoel ik eigenlijk met wat ik zeg. Hier gaat het er dan niet meer om wat we precies zeggen, maar meer om wat we erbij voelen. Gevoelens zijn moeilijk onder woorden te brengen.
Makkelijker dan met woorden maken we elkaar met lichaamstaal duidelijk wat we precies bedoelen.
Zo wordt het duidelijk of er bijvoorbeeld een onderliggende betekenis is bij wat we zeggen, en hoe we met de ander in relatie staan.
Lichaamstaal is daarom belangrijk bij het leggen van alle soorten contacten. Net als bij gesproken taal zijn ook bij lichaamstaal misverstanden mogelijk. Als bijvoorbeeld iemand geeuwt tijdens een gesprek, interpreteert men dat gemakkelijk als "is niet geïnteresseerd", maar misschien heeft de gesprekspartner een slapeloze nacht achter de rug.

Lichaamstaal vraagt daarom ook een juiste, voorzichtige, interpretatie, waarbij rekening wordt gehouden met de context. Zeker nu er sinds eind 20e eeuw meer en meer informatie over lichaamstaal verspreid wordt via internet en andere publicaties.
Sollicitanten "weten" nu hoe hun lichaamstaal zelfzekerheid kan uitdrukken, hoe ze "geïnteresseerd" kunnen overkomen.
Naar analogie met het gewone schrijven en spreken wordt het steeds meer een probleem om "spontane lichaamstaal" te onderscheiden van "voorgewende lichaamstaal".

Bron: Wikipedia


Bekijk de volgende video. Je ziet verschillende situaties waarin Mr Bean terechtkomt.
Let goed op zijn lichaamstaal!

Met behulp van lichaamstaal kan een conflict erger worden. Dit kan gebeuren doordat iemand heel dicht bij de ander gaat staan.

Lichaamstaal kan er echter ook voor zorgen dat een conflict eerder wordt opgelost.
Denk na over de volgende vraag:
Hoe kan lichaamstaal ervoor zorgen dat een conflict of ruzie eerder wordt opgelost?

Geef drie antwoorden. Bespreek de antwoorden met een klasgenoot.
Kunnen jullie elkaar aanvullen?

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.

Eindopdracht

Rollenspel

Eigenlijk vindt niemand ruzie leuk. Soms ontkom je er niet aan dat je in een situatie terechtkomt, waarbij iemand boos wordt.
In deze opdracht ga je enkele rollenspelen doen met een klasgenoot.

Bekijk de volgende video. Je krijgt daar wat meer inzicht in hoe om te gaan met conflictsituaties.

Beantwoord na het kijken de volgende vraag:
Welke twee punten zijn belangrijk om een conflict te vermijden?

Nu gaan jullie zelf twee rollenspelen doen.
Je ziet hier twee situaties. Met een klasgenoot speel je beide situaties na.
Situatie 1 spelen jullie zonder voorbereiding. Het spel van situatie 2 bereiden jullie wel voor.

Bespreek na afloop de rollenspelen met elkaar. Wat ging er goed en wat kon er beter?

Beoordeling

De docent zal jullie rollenspel beoordelen. Hij of zij let daarbij op:

  • Hebben jullie het rollenspel goed voorbereid en verliep de taakverdeling goed?
  • De rolverdeling in situatie 1 en 2: hebben jullie je goed ingeleefd in de rol?
  • Ging het jullie in beide situaties goed af, zowel zonder voorbereiding als met voorbereiding?
  • Hebben jullie na het rollenspel de situaties samen beoordeeld?
  • Hebben jullie elkaar goede feedback gegeven?

Terugkijken

Intro

  • Heb je de introductievideo bekeken?
    Ben je zelf wel eens zo'n situatie op straat tegengekomen?
    Wat heb je toen gedaan?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je enkele tips noemen om jezelf te beheersen in conflictsituaties?

Hoe ging het?

  • Inhoud
    Wist je al veel over lichaamstaal?
    Hoe kun je merken aan iemands lichaamstaal of hij of zij je leuk vindt?
  • Eindopdracht
    Ging het rollenspel goed?
    Kostte het jullie veel moeite de situaties na te spelen?

Spreken: Problemen oplossen

Spreken - Probleem oplossen

Intro

Bekijk de video.
Wat wordt in de video uitgebeeld?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • omschrijven wat een probleemoplossende discussie is;
  • de vier rondes omschrijven waarin een probleemoplossende discussie wordt gevoerd;
  • enkele tips opnoemen voor een goed verloop van een discussie.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Bekijk de video. Beschrijf drie problemen en de manier waarop ik ze heb opgelost. Bespreek dit met een klasgenoot.
Stap 2 Bestudeer het Kennisbankitem 'Probleemoplossende discussie' en maak de sleepoefening.
Stap 3 Ik kies een probleem uit en ga met drie klasgenoten een probleemoplossende discussie voeren.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind ik de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.
Eindopdracht Kies een wereldprobleem en geef oplossingen in een woordwolk.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer drie lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Probleem? Oplossen!

Iedereen heeft wel eens een probleem. Het is belangrijk dat je:

  • problemen goed en snel oplost. Als je een probleem laat liggen, wordt het alleen maar groter.
  • goed communiceert met de mensen die met het probleem te maken hebben.

Voorbeeld:
Je hebt een afspraak bij de tandarts en komt erachter dat je op dat tijdstip ook een proefwerk hebt.
Hoe zou jij dit oplossen? Met welke personen overleg je over dit probleem?

Grote en kleine problemen

Er zijn kleine en grote problemen. Er is sprake van een groot probleem wanneer iemand last heeft van schulden, van criminaliteit of van psychische problemen.

Bekijk de video over psychische problemen bij jongeren.

Stap 2: Probleemoplossende discussie

In een probleemoplossende discussie is het belangrijk dat:

  • er gelet wordt op wie de beste oplossing aandraagt voor een probleem;
  • er aan het einde van de discussie een besluit genomen wordt, over wat de beste oplossing is voor een probleem.

Bestudeer het volgende item in de Kennisbank.

Stap 3: Oefenen

Je gaat met drie klasgenoten een probleemoplossende discussie voeren.

  1. Kies een probleem uit onderstaand rijtje voor jullie discussie.
    • Drankmisbruik door jongeren.
    • Tekort aan hangplekken voor jongeren.
    • Geweld tijdens het uitgaan.
    • Bezuinigingen in de jeugdzorg.

  2. Stel een voorzitter aan. Dit kunnen jullie doen door loting.

  3. Neem allemaal vijftien minuten de tijd om een oplossing te verzinnen.
    Vergeet niet om minstens één goed argument bij je oplossing te verzinnen.
    Je mag hiervoor internet gebruiken.
    De voorzitter gebruikt deze tijd om zich goed in te lezen in het onderwerp.

  4. Voer de probleemoplossende discussie.

  5. Bespreek de discussie na, samen met jullie docent.


Tips voor een goed verloop van de discussie:

  • Voer de discussie in een kleine groep.
  • Stel een voorzitter aan.
  • Schrijf het probleem op het bord en zorg dat het duidelijk is.
  • Neem de tijd om je mening te formuleren.
  • Laat elkaar uitspreken.
  • Het resultaat is belangrijker dan je eigen mening.

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.

Eindopdracht

Wereldproblemen

Er zijn in de wereld veel grote problemen. Denk maar aan de financiële crisis, natuurrampen, voedseltekorten enzovoorts.
Deze wereldproblemen zijn niet makkelijk op te lossen.

Bekijk de volgende video.

Eindopdracht

In deze opdracht ga jij, samen met een klasgenoot, een oplossing bedenken voor een wereldprobleem.
Het is belangrijk dat je je creativiteit gebruikt. Je probeert een frisse, vernieuwende oplossing te bedenken.

Hoe ga je te werk?

  1. ​Kies een wereldprobleem waar jullie een oplossing voor gaan bedenken.
    Je mag zelf een probleem bedenken, maar je kunt ook kiezen uit de volgende problemen:
    • voedseltekorten
    • terrorisme
    • vervuiling van het milieu
  2. Zoek op internet informatie over het probleem.
    Bezoek ook de website van Wonder.nl voor creatieve inspiratie.
    • Maak een woordweb van mogelijke oplossingen of stukjes van de oplossing.
    • Je kunt met de hand en pen en papier, een woordweb bouwen of
      digitaal. Gebruik daarvoor bijvoorbeeld de site online woordenwolk maken.
    • Je kunt ook kijken in de Gereedschapskist hoe je dit kunt doen.
  3. Kies aan de hand van jullie woordweb de oplossing die volgens jullie het beste is.
  1. Beschrijf jullie oplossing in minimaal 100 woorden.

Beoordeling

Jullie docent zal de woordwolk beoordelen. Hij of zij let daarbij op:

  • Is in de woordwolk duidelijk het probleem te zien en (gedeeltelijke) oplossingen?
  • Hebben jullie voldoende informatie verzameld om jullie in het wereldprobleem te verdiepen?
  • Is in de woordwolk duidelijk te herkennen welke oplossing volgens jullie het beste is?
  • Zijn jullie creatief geweest bij het bedenken en aandragen van oplossingen?
  • Ziet de woordwolk er verzorgd uit?
  • Hebben jullie geen taalfouten gemaakt?

Mindmap maken

Woorden bij een onderwerp bedenken en met elkaar verbinden.

 

Terugkijken

Intro

  • Heb je de introductievideo bekeken?
    Kun je uitleggen wat er werd uitgebeeld en waarvoor reclame werd gemaakt?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je enkele tips geven om een discussie goed te laten verlopen?

Hoe ging het?

  • Inhoud
    Je hebt met klasgenoten een probleemoplossende discussie gehouden.
    Zijn jullie tot een goede oplossing gekomen?
  • Eindopdracht
    Is het jullie gelukt een woordwolk te maken waarin het probleem en de oplossingen goed zichtbaar waren?
    Zijn jullie tevreden over de samenwerking en het eindresultaat?

Woordenschat: Ironie

Woordenschat - Ironie

Intro

Micha Wertheim legt even uit wat ironie ook alweer is.
Dit fragment komt uit de voorstelling 'Micha Wertheim Voor De Grap'.

Vind je het voorbeeld wat hij gebruikt ironisch?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • omschrijven wat wordt bedoeld met de stijlfiguren ironie, sarcasme en cynisme;
  • het verschil herkennen tussen ironie en sarcasme;
  • het gebruik van ironie en sarcasme op internet en sociale media herkennen;
  • ironie in een tekst of afbeelding herkennen.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Bestudeer de uitleg en voorbeelden over ironie, sarcasme en cynisme. Bekijk de video. Verzin samen met een klasgenoot drie zinnen met ironie.
Stap 2 Maak van acht letterlijke zinnen ironische zinnen. Vergelijk ze met een klasgenoot.
Stap 3 Een verslag schrijven over het gebruik van ironie en sarcasme op internet en sociale media.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Eindopdracht Ga op zoek naar afbeeldingen met ironie en verzamel ze in een tekstdocument.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer twee lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Ironie, sarcasme, cynisme

Als je iets zegt, maar het omgekeerde bedoeld, wordt dat ironie genoemd.

Voorbeelden

  • Iemand heeft iets doms gedaan en jij zegt: "Je bent een echte Einstein”.
  • Het vriest twintig graden en iemand zegt: “Lekker weertje, hè?”

Je kunt vaak aan iemands gezicht zien of hij ironie gebruikt. Je kunt het ook aan iemands stem horen.
In een geschreven tekst is ironie veel minder makkelijk te herkennen.

Bekijk deze video.

Bestudeer de uitleg om meer te weten te komen over de verschillen tussen ironie, sarcasme en cynisme.

Ironie

Ironie is een stijlfiguur. Een stijlfiguur is een middel om dat wat je wilt zeggen, treffender of sterker uit te drukken.
Ironie wordt vaak gebruikt om te laten merken dat je het ergens niet mee eens bent.
Ironie is eigenlijk milde spot. Wie ironiseert, heeft echter nog niet de bedoeling bitter te zijn of mensen te kwetsen.
Typisch voor veel ironische uitlatingen is, dat het tegengestelde gezegd wordt van hetgeen men bedoelt.
Je merkt geregeld aan de ietwat overdreven toon, dat de spreker het niet ernstig, maar ironisch meent.

Zo zou een leraar kunnen zeggen tegen een leerling die een slecht cijfer haalt: "Je hebt je zaken wel goed geleerd, moet ik zeggen!"
Of tot een te laat komende leerling: "Je vindt het toch niet erg dat we al begonnen zijn?"

Andere voorbeelden:

  • 'Je kletst me de oren van het hoofd', zei de leraar tegen het verlegen meisje.
  • "Het ziet er weer schitterend uit", zei de trainer toen we in de drenzende regen liepen.
  • "Goh, wat ben jij knap, zeg!"
  • Dat is me een lieve jongen.
  • Nou, het is me wat moois.
  • Goh, precies op tijd.

Sarcasme

Sarcasme is een stijlfiguur dat heel dicht bij ironie ligt.
Er is een verschil tussen sarcasme en ironie. Sarcasme is bijtende spot en ironie is milde spot.
Wie het heeft over een sarcastische uitlating, spreekt in de eerste plaats over een uiting van grove, bijtende spot, van bitter woordgeweld, van agressie.
Het effect van sarcasme is intenser en directer dan dat van ironie.

De sarcastische leerkracht zal een zwakker presterende leerling misschien zo aanspreken:
"Je moet vooral zó doorwerken, dan kom je er in ieder geval".

Cynisme

Cynisme is wrede, gevoelloze spotternij. Een cynicus is krenkend en spot met elke menselijke waarde,
met elk menselijk thema, bijvoorbeeld dood, liefde of haat.
Vaak wordt cynisme aangewend als een vorm van zelfverdediging, bijvoorbeeld omdat je machteloos staat tegenover iets wat je teleurgesteld heeft, of omdat je met je gevoelens geen raad weet.
Ook wrede, zwarte humor maakt van cynisme gebruik.

Specialist tegen een patiënt: "Eerst het goede nieuws: er zal een ziekte naar u genoemd worden."

Stap 2: Omschrijven

Hieronder staan acht zinnen die letterlijk bedoeld zijn.
Maak zinnen die hetzelfde duidelijk maken, maar nu ironisch.

Voorbeeld:
Letterlijk: De leraar zegt tegen je: “Je hebt een vier gehaald, dat is erg slecht”.
Ironisch: “Je hebt een vier gehaald, dat is een bijzondere prestatie”.

Stap 3: Wat mag?

Ironie en sarcasme worden veel gebruikt op internet. Soms ‘valt’ ironie verkeerd bij de lezers of toehoorders.
Lees het volgende artikel.

Ironie op Twitter

Verwerk je antwoorden op de volgende vragen in de vorm van een verslag.

  1. Hoe ver mag je gaan in het gebruik van ironie op twitter/facebook/forums?
  2. Heb jij zelf wel eens ironie gebruikt op internet (facebook/twitter/forums)? Zo ja, op welke manier?
  3. Hoe kun je duidelijk maken dat je opmerking ironisch is bedoeld?

Bedenk een goede indeling van het verslag. Maak daarvoor gebruik van verschillende kopjes.

Gebruik een lesuur voor het opzetten en schrijven van je verslag.
Kijk ook in de Gereedschapskist hoe je het kunt aanpakken. Je verslag hoeft niet langer te zijn dan een A4'tje.
Lever het verslag in bij je docent.

Beoordeling

Je docent zal je verslag beoordelen.
Hij let daarbij o.a. op de beoordelingscriteria in de Gereedschapskist en op de volgende punten.

  • Heb je in je verslag de antwoorden op de bovenstaande drie vragen vermeld?
  • Is in je verslag duidelijk hoe je over ironie en het gebruik ervan, denkt?
  • Heb je je verslag netjes ingedeeld? Bevat het geen taalfouten?

Verslag schrijven

Een verslag is een goede manier om een onderzoek te beschrijven dat je hebt uitgevoerd.        

 

Afronding

Eindopdracht

Afbeeldingen met ironie

Je hebt nu geleerd dat teksten ironie kunnen bevatten. Ook afbeeldingen kunnen ironisch bedoeld zijn.
Je gaat op zoek naar vier afbeeldingen die ironie bevatten.
Kijk voor voorbeelden op de volgende websites:
plazilla.com
Taalvoutjes

Ook op Twitter en Facebook kun je afbeeldingen met ironie vinden.

Hoe ga je te werk?

  • Zoek vier verschillende afbeeldingen waarin ironie voorkomt.
  • Sla ze op in een (Google-)bestand.
  • Beantwoord per afbeelding de volgende vragen:
    • Welke ironie zie jij bij de afbeelding?
    • Beschrijf wat de ironie is in maximaal drie zinnen.
    • Vind je het een grappige afbeelding? Leg uit waarom wel/niet.
  • Zorg dat je (Google-)document er verzorgd uitziet.

Klaar?

Laat je document zien aan een klasgenoot. Herkent hij of zij de ironie in je afbeelding?
Pas eventueel je omschrijving bij de afbeelding aan of zoek een andere afbeelding.

Beoordeling

Je docent zal de afbeeldingen beoordelen. Daarbij wordt gelet op:

  • Zijn de afbeelding ironisch bedoeld?
  • Geeft de omschrijving die je bij de afbeelding hebt gemaakt uitleg over de ironie?
  • Heb je leuke, originele afbeeldingen uitgekozen?
  • Bevat het geheel geen taalfouten?

Terugkijken

Intro

  • Heb je de introductievideo bekeken?
    Vond je het voorbeeld ironisch?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je het verschil tussen ironie, sarcasme en cynisme herkennen en van alle drie een voorbeeld geven?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 2 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Had je die tijd ook nodig voor deze opdracht of kwam je tijd te kort?
  • Inhoud
    Kom je vaak ironie tegen in teksten of afbeeldingen?
    Wat vind je van het gebruik van ironie of sarcasme?
  • Eindopdracht
    Was het gemakkelijk om afbeeldingen met ironie te vinden?
    Snapte je ook wat ermee werd bedoeld?

Afsluiting

Kennisbanken

Hier vind je de Kennisbankitems die horen bij dit thema.

Grammatica

Vaardigheden

Spreken

Eindopdracht

Je gaat het thema 'Als ik later groot ben' afsluiten. Je doet dat met het maken van een tijdlijn.

Kijk en luister naar deze video.

Waarschijnlijk heb je wel ideeën over wat je in de toekomst wilt gaan doen.
Bedenk welke gebeurtenissen (minstens twaalf!) er in jouw leven gaan plaatsvinden.
Schrijf alle gebeurtenissen onder elkaar op.
Gebruik je fantasie!

Hoe ga je te werk?

Met alle gebeurtenissen die jij denkt mee te gaan maken tot en met 2070 ga je een tijdlijn maken.
In de Gereedschapkist vind je informatie over hoe je een tijdlijn kan maken.
Zorg dat je alle (toekomstige) gebeurtenissen in chronologische volgorde op de tijdlijn plaatst.
Zoek er ook afbeeldingen bij.

Klaar?

Laat de tijdlijn zien aan een klasgenoot. Vraag om commentaar.
Geef ook op een goede manier commentaar op de tijdlijn van de klasgenoot.
Verwerk de feedback.

Beoordeling

De docent zal je tijdlijn beoordelen. Daarbij wordt gelet op:

  • Heb je alle gebeurtenissen op de juiste plek in de tijdlijn geplaatst?
  • Is de tijdlijn origineel, duidelijk en goed leesbaar?
  • Ben je creatief geweest in het maken van je tijdlijn?
  • Heb je voldoende gebeurtenissen toegevoegd?
  • Is de tijdlijn goed leesbaar, bevat deze geen taalfouten?

Tijdlijn maken

Een tijdlijn of tijdbalk geeft je een helder overzicht van verschillende gebeurtenissen over een bepaalde periode heen.

 

Examentraining

Examenvragen
Als toets krijg je een opdracht met examenvragen.
Om de opdracht te kunnen maken heb je een Entree-account nodig.

Enig idee wat die frappuccino's kosten?

 

Meer oefenen?
Als je school deelneemt aan VO-content kun je verder oefenen met ExamenKracht.
Oefen daar ook met hele examens.

D-toets

Test je kennis. Maak de diagnostische toets.

Terugkijken

Inleiding

  • Kijk nog eens goed naar de inleiding.
    Heb je al een idee hoe jouw leven er in 2070 uit zal zien?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen nog eens door.
    Vind je dat alle leerdoelen in deze opdracht ruimschoots behandeld zijn?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je zo'n 13,5 uur met dit thema bezig zou zijn.
    Klopt dat ongeveer? Heb je in die tijd ook de tijdlijn kunnen maken?
  • Inhoud
    Van welke opdracht uit dit thema heb je het meest geleerd?
    En welke eindopdracht vond je het leukst om te doen?
  • Eindopdracht
    Is het je gelukt een creatieve en originele tijdlijn van jezelf neer te zetten?
    Zijn het alleen wensen en dromen of heb je ook realistische dingen erin gezet?
  • Het arrangement Thema 7 Als ik groot ben - vmbo-kgt34 is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt, maakt en deelt.

    Auteur
    VO-content
    Laatst gewijzigd
    28-11-2025 14:49:38
    Licentie

    Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding en publicatie onder dezelfde licentie vrij bent om:

    • het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat
    • het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
    • voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.

    Meer informatie over de CC Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie.

    Het thema 'Als ik groot ben KGT' is ontwikkeld door auteurs en medewerkers van StudioVO.

    Fair Use
    In de Stercollecties van StudioVO wordt gebruik gemaakt van beeld- en filmmateriaal dat beschikbaar is op internet. Bij het gebruik zijn we uitgegaan van fair use. Meer informatie: Fair use

    Mocht u vragen/opmerkingen hebben, neem dan contact op via de helpdesk VO-content.

    Aanvullende informatie over dit lesmateriaal

    Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar:

    Toelichting
    Dit thema valt onder de arrangeerbare leerlijn van de Stercollecties voor Nederlands voor vmbo-kgt34. Dit thema bestaat uit vijf opdrachten, waarbij in iedere opdracht een andere taalvaardigheid centraal staat. Je leert woordsoorten benoemen en gebruiken, betekenissen van moeilijke woorden afleiden of opzoeken, omgaan met conflictsituaties en lichaamstaal begrijpen. Je leert ook ironie en sarcasme herkennen en toepassen in tekst en afbeeldingen. Als afsluiting van het thema 'Als ik later groot ben' ga je een tijdlijn maken. Bedenk twaalf gebeurtenissen die in jouw leven zullen plaatsvinden tot en met 2070. Maak een chronologische tijdlijn en voeg afbeeldingen toe. Toon je tijdlijn aan een klasgenoot en geef elkaar constructieve feedback. Daarnaast is er een examentraining en diagnostische toets beschikbaar om je verder voor te bereiden. Veel succes met het maken van je tijdlijn en het ontwikkelen van je taalvaardigheden!
    Leerniveau
    VMBO gemengde leerweg, 3; VMBO theoretische leerweg, 4; VMBO theoretische leerweg, 3; VMBO kaderberoepsgerichte leerweg, 4; VMBO gemengde leerweg, 4; VMBO kaderberoepsgerichte leerweg, 3;
    Leerinhoud en doelen
    Nederlands; Schrijfvaardigheid; Mondelinge taalvaardigheid; Begrippenlijst en taalverzorging; Literatuur; Leesvaardigheid;
    Eindgebruiker
    leerling/student
    Moeilijkheidsgraad
    gemiddeld
    Studiebelasting
    13 uur 30 minuten
    Trefwoorden
    als ik groot ben, arrangeerbaar, conflictsituaties, ironie en sarcasme, moeilijke woorden opzoeken, nederlands, stercollectie, tijdlijn maken, vmbo-kgt34, woordsoorten

    Gebruikte Wikiwijs Arrangementen

    VO-content - Gereedschapskist. (2019).

    Gereedschapskist activerende werkvormen

    https://maken.wikiwijs.nl/105906/Gereedschapskist_activerende_werkvormen

    VO-content - Toetsen. (z.d.).

    Nederlands vmbo-kgt34 - D-toetsen

    https://maken.wikiwijs.nl/89287/Nederlands_vmbo_kgt34___D_toetsen

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Grammatica - Woordsoorten herhaling vmbo-kgt34

    https://maken.wikiwijs.nl/74568/Opdracht__Grammatica___Woordsoorten_herhaling_vmbo_kgt34

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Lezen - Moeilijke woorden vmbo-kgt34

    https://maken.wikiwijs.nl/74569/Opdracht__Lezen___Moeilijke_woorden__vmbo_kgt34

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Spreken - Probleem oplossen vmbo-kgt34

    https://maken.wikiwijs.nl/74571/Opdracht__Spreken___Probleem_oplossen__vmbo_kgt34

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Vaardigheden - Jezelf beheersen vmbo-kgt34

    https://maken.wikiwijs.nl/74570/Opdracht__Vaardigheden___Jezelf_beheersen__vmbo_kgt34

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Woordenschat - Ironie vmbo-kgt34

    https://maken.wikiwijs.nl/74572/Opdracht__Woordenschat___Ironie_vmbo_kgt34

  • Downloaden

    Het volledige arrangement is in de onderstaande formaten te downloaden.

    Metadata

    LTI

    Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI koppeling aan te gaan.

    Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.

    Arrangement

    Oefeningen en toetsen

    Als Ik Groot Ben

    IMSCC package

    Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.

    QTI

    Oefeningen en toetsen van dit arrangement kun je ook downloaden als QTI. Dit bestaat uit een ZIP bestand dat alle informatie bevat over de specifieke oefening of toets; volgorde van de vragen, afbeeldingen, te behalen punten, etc. Omgevingen met een QTI player kunnen QTI afspelen.

    Versie 2.1 (NL)

    Versie 3.0 bèta

    Voor developers

    Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op onze Developers Wiki.