Thema: Als ik groot ben vmbo-b34

Thema: Als ik groot ben vmbo-b34

Als ik groot ben

Inleiding

Je gaat aan de slag met het thema 'Als ik groot ben'.

Denk je wel eens na over hoe je leven er later uit zal zien?
Ben je dan een evenwichtig type of juist temperamentvol?
Ga je vrolijk door het leven of zie je overal problemen?

Wat is er uitgekomen van je dromen?
Heb je een leuke baan en verdien je lekker?
Zie je er dan nog goed uit voor je leeftijd?
Doe je mee met de laatste mode of vind je het dan wel best?

Vind je het ook wel eens lastig om iemands leeftijd te schatten?
Waar let je dan op als je dat doet?

Bekijk de video.


In dit thema maak je vijf opdrachten. In iedere opdracht staat een andere vaardigheid centraal.
In de opdrachten wordt waar mogelijk verwezen naar het thema, maar lang niet overal.

Aan het einde van dit thema ga je een tijdlijn maken over je eigen leven tot en met 2070.

Wat kan ik straks?

Hier vind je de leerdoelen die horen bij het thema Als ik groot ben.

Leerdoel Opdracht
Ik kan de woordsoorten werkwoord, lidwoord, zelfstandig naamwoord en voornaamwoorden in een zin benoemen. Grammatica - Woordsoorten
Ik kan de betekenis van moeilijke woorden afleiden uit de tekst of de betekenis van moeilijke woorden opzoeken. Lezen - Moeilijke woorden
Ik leer hoe ik mij beheers in conflictsituaties en wat lichaamstaal inhoudt. Vaardigheden - Jezelf beheersen
Ik kan meedoen aan een probleemoplossende discussie. Spreken - Probleem oplossen
Ik kan ironie in tekst en afbeelding herkennen en omschrijven wat ironie is. Woordenschat - Ironie

 

Wat ga ik doen?

Voor je aan de slag gaat met de afsluiting maak je vijf opdrachten.
In de tabel staat per activiteit hoeveel lessen je ongeveer nodig hebt.

Activiteit Aantal lesuren Eindproduct
Inleiding 0,5  
Grammatica: Woordsoorten 2 Toets maken
Lezen: Moeilijke woorden 2 Tekst over omgaan moeilijke woorden
Vaardigheden: Jezelf beheersen 2 Rollenspel spelen
Spreken: Probleem oplossen 2 Woordwolk met oplossing voor een wereldprobleem
Woordenschat: Ironie 2 Ironische afbeeldingen zoeken
Afsluiting 2 Een tijdlijn maken.
Totaal: 12 à 13  


De tijd is een inschatting en afhankelijk van de keuze van het eindproduct.

Opdrachten

Grammatica: Woordsoorten - herhaling

Grammatica - Woordsoorten herhaling

Intro

In deze opdracht ga je nogmaals aan de slag met woordsoorten.

Bekijk de video.
Herken je de woordsoorten? Kun je ze opnoemen?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van deze opdracht kan ik:

  • woordsoorten benoemen en gebruiken in een zin;
  • herkennen waar het persoonlijk, aanwijzend en vragend voornaamwoord naar verwijst in een zin.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Bestudeer de drie Kennisbankitems over woordsoorten. Geef van elke woordsoort een voorbeeld en omschrijving. Vergelijk mijn antwoord met dat van een klasgenoot.
Stap 2 Bekijk de video's en maak aantekeningen.
Stap 3 Vind werkwoorden, lidwoorden en zelfstandig naamwoorden in drie zinnen. Vergelijk mijn antwoorden met die van een klasgenoot.
Stap 4 Bestudeer de Kennisbankitems over voornaamwoorden en maak drie oefeningen.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind ik de Kennisbanken die horen bij deze opdracht.
Eindopdracht Test mijn kennis. Maak de toets.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer twee lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Woordsoorten

Bestudeer de volgende drie Kennisbankitems om je geheugen nog even op te frissen.

Stap 2: Video's over woordsoorten

In deze stap ga je video's kijken. De theorie over de woordsoorten wordt hierin herhaald.

Maak tijdens het kijken aantekeningen. Weet je nog hoe je dat moet doen?
Lees erover in de Kennisbank.


Bekijk de video's over de woordsoorten rustig, één voor één.
Maak ondertussen aantekeningen.
Als het te snel gaat, zet dan de video even op pauze.
Schrijf de woordsoort als kopje op. Schrijf daaronder hoe je de woordsoort kan herkennen.

 

Werkwoord

Lidwoord

Zelfstandig naamwoord

Persoonlijk voornaamwoord

Vragend voornaamwoord

Stap 3: Oefenen

In deze stap ga je oefenen met het werkwoord, het lidwoord en het zelfstandig naamwoord.

Maak de volgende oefening.

Stap 4: Voornaamwoorden

In deze stap leer je over de voornaamwoorden.
Het persoonlijk voornaamwoord zal je vast bekend voorkomen.

Bestudeer de drie items in de Kennisbank.


Maak de drie oefeningen.

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de Kennisbank die horen bij deze opdracht.

Eindopdracht

Test je kennis. Maak de toets.
Succes!

Terugkijken

Intro

  • Heb je de introductievideo bekeken?
    Vond je de uitleg en voorbeelden over woordsoorten duidelijk genoeg?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je omschrijven waar een vragend en een aanwijzend voornaamwoord naar verwijst in een zin?

Hoe ging het?

  • Inhoud
    Deze opdracht bestond voornamelijk uit herhaling van grammatica, die eerder is behandeld.
    Wist je het meeste nog?
  • Eindopdracht
    Heb je de eindtoets goed gemaakt?
    Had je een hoge score?

Lezen: Moeilijke woorden in de krant

Moeilijke woorden in de krant

Intro

Moeilijk is niet altijd beter.
Ben je slimmer als je veel moeilijke woorden gebruikt in een gesprek?

Bekijk de video.

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • de betekenis van moeilijke woorden opzoeken, om een tekst beter te kunnen begrijpen;
  • een tekst proberen te begrijpen zonder dat ik alle woorden ken.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Zoek een (kranten)artikel met moeilijke woorden. Maak een woordenlijst en zoek de betekenis op. Wissel met mijn klasgenoot. Maak zinnen met deze moeilijke woorden.
Stap 2 Maak 'gaten'-zinnen en laat ze door een klasgenoot invullen.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Eindopdracht Lees een tekst en omschrijf hoe ik omga met moeilijke woorden. Bekijk de video en voeg de tips toe aan mijn antwoord.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer twee lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Woordenlijst

In een krantenartikel staan vaak moeilijke woorden. Soms begrijp je niet meteen de betekenis.
Als je de betekenis van een woord niet weet, kan het moeilijk zijn om een tekst te begrijpen.
Je kan leren een tekst te begrijpen zonder alle woorden te kennen.
Tijdens deze opdracht ga je dat oefenen.

Opdracht 1

Ga op zoek naar een artikel uit de krant.
Je mag zelf kiezen of je een artikel van internet haalt of een papieren versie zoekt.

  1. Lees het artikel op je gemak.
  2. Onderstreep of markeer alle woorden die je niet kent.

Opdracht 2

Ga verder met het artikel dat je gelezen hebt.

  1. Schrijf alle woorden die je niet kent onder elkaar op (minimaal vijf).
    Je kunt dat op papier doen of in een (Google-) document op je pc.
  1. Laat onder ieder woord twee regels wit.
  1. Lees de tekst die voor en achter het moeilijke woord staat.
    Schrijf op de eerste witregel wat jij denkt dat de betekenis is.
  1. Zoek de betekenis van het woord in het woordenboek of op internet.
    Noteer dit op de tweede regel.
  1. Maak eerst de oefening helemaal af.
    Wissel daarna je woordenlijst met een klasgenoot.
    Kies minstens drie woorden die je klasgenoot heeft opgeschreven.
    Noteer de uitleg die je klasgenoot heeft gevonden.
  1. Maak nu je eigen woordenlijst compleet.
    Schrijf je woorden en de woorden van je klasgenoot onder elkaar.
    Schrijf achter ieder woord de betekenis zoals die in het woordenboek of op internet staat.

Opdracht 3

Maak van ieder woord dat in je woordenlijst staat een zin.
Uit die zin moet de betekenis van het woord blijken.

Voorbeelden

  • Pionier: Iemand die als eerste een gebied verkent.
    De eerste bewoners van de Noordoostpolder waren echte pioniers, want er was nog geen school, geen winkel en geen dokter.
  • Accuraat: zorgvuldig, nauwkeurig
    Als je bij de bibliotheek wilt werken moet je accuraat zijn, want de boeken moeten altijd op de goede plek teruggezet worden.


Ten slotte lees je het artikel wat je had uitgekozen nog een keer. Je weet nu wat de moeilijke woorden betekenen.
Snap je de inhoud van het artikel nu beter?

Stap 2: Gatenzinnen

In deze opdracht ga je zinnen maken voor een klasgenoot.

  1. Schrijf alle zinnen op die je in Stap 1 hebt verzonnen.
    Laat steeds het moeilijke woord weg.
    Op de plaats van het moeilijke woord zet je een aantal puntjes.
    Op deze puntjes moet iets ingevuld worden.
     
  2. Je hebt nu een oefening met gatenzinnen gemaakt.
    Wissel je gatenzinnen met een klasgenoot.
    Maak de oefening van je medeleerling.
    Vul daarbij het woord, waarvan je denkt dat het daar hoort,
    op de lege plek in.
     
  3. Zijn jullie klaar met de oefeningen? Wissel ze dan weer uit.
    Kijk de oefening, die je klasgenoot heeft gemaakt, na.
    Bespreek de foutjes die je tegenkomt.
    Probeer dit in zo kort mogelijke tijd te doen.

    Kende je klasgenoot het moeilijke woord niet?
    Of heb jij misschien geen goede zin gemaakt?
    Het is allebei mogelijk. Van fouten maken leer je!

Afronding

Eindopdracht

Wat te doen bij een moeilijk woord?

In deze opdracht heb je geleerd wat je moet doen, wanneer je moeilijke woorden in een tekst tegenkomt.

Misschien kom je in je examen volgend jaar woorden tegen, waarvan je de betekenis niet direct weet.

Lees het volgende artikel.

Voor de meeste middelbare scholieren die eindexamen hebben gedaan, is de vakantie begonnen.
Bij het Landelijk Aktie Komitee Scholieren (LAKS) zijn tot nu toe 107.489 klachten gemeld.

Moeilijke woorden
Het LAKS vindt het vooral opmerkelijk dat veel scholieren op alle niveaus, klaagden over het gebruik van moeilijke woorden. Zo struikelden zo'n 400 vmbo-leerlingen over het woord kanttekening.
De vmbo-ers die het probeerden op te zoeken in het woordenboek, zochten op kantekening.

Ook intermediair, melancholisch en beurskrach leverden veel boze telefoontjes op.
Worden er meer moeilijke woorden gebruikt? Of neemt de woordenschat van de leerlingen af?

Niet alleen vmbo-scholieren klaagden over moeilijke woorden, ook in vwo-examens kwamen ze voor. "Waarom gebruiken ze in plaats van partieel niet gewoon gedeeltelijk", verzuchtte een scholier.

Bron: nos.nl (bewerkt)

 

​Bekijk nu de volgende video.

Vul je antwoord aan met tips die in deze video worden genoemd.

Terugkijken

Intro

  • Heb je de introductievideo bekeken?
    Ben je het eens met wat in de video wordt gezegd?
    Leg uit waarom.

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je moeilijke woorden in een artikel opzoeken en daar weer zinnen mee maken?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 2 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Had je voldoende tijd voor de opdrachten?
  • Inhoud
    Vond je deze manier van het opzoeken en toepassen van de betekenis van moeilijke woorden handig?
    Leg uit waarom wel of niet.
  • Eindopdracht
    Heb je de video bekeken? Had je wat aan de tips?

Vaardigheden: Jezelf beheersen

Vaardigheden - Jezelf beheersen

Intro

Uit boosheid zeg of doe je dingen waar je later heel veel spijt van krijgt.
Als je ruzie met iemand krijgt, is het beter om jezelf te beheersen.
Je kunt er beter samen rustig over praten.

Kijk naar deze video.
Wat zou jij doen als je twee ruziemakende personen tegenkomt?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van deze opdracht kan ik:

  • enkele tips noemen om mijzelf te beheersen in een conflictsituatie;
  • omschrijven wat wordt bedoeld met positieve of negatieve lichaamstaal.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Doe de test: 'Hoe snel word je boos?'. Bestudeer het Kennisbankitem 'Jezelf beheersen'. Hoe reageer ik in drie conflictsituaties? Beantwoord de vraag.
Stap 2 Lees de informatie over lichaamstaal en beantwoord de vraag. Kijk naar de video over lichaamstaal van regeringsleiders. Maak aantekeningen en kijk wat mij opgevallen is aan hun lichaamstaal. Bespreek samen wat ons opgevallen is.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind ik de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.
Eindopdracht Bekijk de video over conflicthantering. Speel situaties na in een rollenspel met een klasgenoot.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer twee lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Conflict

Het overkomt iedereen wel een keer: uit boosheid zeg of doe je dingen waar je later veel spijt van krijgt.
Hoe snel word jij boos? Om dat te weten kun je de test doen: Wie ben jij als je boos bent?

Na de test bespreek je met een klasgenoot de volgende vraag:
Wat kun je doen om jezelf te beheersen?

Bestudeer uit de Kennisbank het volgende onderdeel.

Stap 2: Lichaamstaal

We gebruiken lichaamstaal om onszelf beter te verwoorden.
Lichaamstaal vertelt je in feite meer dan wat we zeggen.
Als je lichaamstaal begrijpt, kun bijna zeker weten hoe een persoon zich echt voelt.

Het lezen van een houding
Een lichaamshouding zegt veel over je.
Dat is belangrijk, want anderen beoordelen je daarop.
Of je nu recht zit of in elkaar gezakt zit, je naar iemand toe buigt of je wegtrekt.

Iemand die depressief is, zal in elkaar gezakt zitten. De schouders hangen naar beneden en er wordt weinig oogcontact gemaakt.
Als iemand neerslachtig is bewust zijn of haar lichaamshouding aanpast,
zal hij of zij zich ook beter voelen.

Een levenslustig, zelfverzekerd persoon loopt rechtop met de schouders naar achteren en borst vooruit. Ze lopen vaak met hun kin omhoog en stappen krachtiger door.

Als je hele lichaam naar iemand toe gedraaid is, kom je veel aandachtiger en open over. Door deze houding krijg je ook belangstelling.

We passen onze houding aan anderen aan, tenzij we alleen zijn.
Dan zijn we meestal gewoon ontspannen.

Bron: mens en samenleving (bewerkt)

Hoe weet je of iemand je leuk vindt?

  • Zijn of haar voeten staan richting jou als je bij hem of haar in de buurt bent.
  • Als hij of zij naar jou toe leunt en niet wegtrekt als jullie lichamen elkaar raken.
  • Hij of zij kijkt naar jou en kijkt snel weg als jij hem of haar ziet staren.
  • Zijn of haar pupillen worden groter als je met elkaar staat te praten.
  • Zijn of haar schouders staan richting jou als jullie praten.  

Positief effect

Een conflict kan soms erger worden door lichaamstaal.
Iemand die dreigend op je af komt, een persoon die zijn vuist balt.
Er zijn ook uitingen van lichaamstaal die een positief effect hebben.

Bekijk de volgende video.

 

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.

Eindopdracht

Rollenspel

Eigenlijk vindt niemand ruzie leuk.
Soms ontkom je er niet aan dat je in een situatie terechtkomt, waarbij iemand boos wordt.
In deze opdracht ga je een aantal rollenspelen doen met een klasgenoot.

Bekijk de volgende video. Je krijgt daar wat meer inzicht in hoe om te gaan met conflictsituaties.

Beantwoord na het kijken de volgende vraag:
Welke twee punten zijn belangrijk om een conflict te vermijden?

 

Nu gaan jullie zelf twee rollenspelen doen.
Je ziet hier twee situaties. Met een klasgenoot speel je beide situaties na.
Situatie 1 spelen jullie zonder voorbereiding. Het spel van situatie 2 bereiden jullie wel voor.

Bespreek na afloop de rollenspelen met elkaar. Wat ging er goed en wat kon er beter?

Beoordeling

De docent zal jullie rollenspel beoordelen. Hij of zij let daarbij op:

  • Hebben jullie het rollenspel goed voorbereid en verliep de taakverdeling goed?
  • De rolverdeling in situatie 1 en 2: hebben jullie je goed ingeleefd in de rol?
  • Ging het jullie in beide situaties goed af, zowel zonder voorbereiding als met voorbereiding?
  • Hebben jullie na het rollenspel de situaties samen beoordeeld?
  • Hebben jullie elkaar goede feedback gegeven?

Terugkijken

Intro

  • Heb je de introductievideo bekeken?
    Ben je zelf wel eens zo'n situatie op straat tegengekomen?
    Wat heb je toen gedaan?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je in je eigen woorden omschrijven wat lichaamstaal is?

Hoe ging het?

  • Inhoud
    Wist je al veel over lichaamstaal?
    Hoe kun je merken aan iemands lichaamstaal of hij of zij je leuk vindt?
  • Eindopdracht
    Ging het rollenspel goed?
    Kostte het jullie veel moeite de situaties na te spelen?

Spreken: Problemen oplossen

Spreken - Probleem oplossen

Intro

Bekijk de video.
Wat wordt in de video uitgebeeld?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • omschrijven wat een probleemoplossende discussie is;
  • de vier rondes herkennen waarin een probleemoplossende discussie wordt gehouden;
  • enkele tips opnoemen voor een goed verloop van een discussie.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Bekijk de video. Noem twee problemen en de manier waarop ik ze heb opgelost. Bespreek dit met een klasgenoot.
Stap 2 Bestudeer het Kennisbankitem 'Probleemoplossende discussie'. Maak de sleepoefening.
Stap 3 Ik kies een probleem uit en ga met drie klasgenoten een probleemoplossende discussie voeren.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind ik de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.
Eindopdracht Kies een wereldprobleem en geef oplossingen in een woordwolk.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer drie lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Probleem? Oplossen!

Iedereen heeft wel eens een probleem. Het is belangrijk dat je:

  • problemen goed en snel oplost. Als je een probleem laat liggen, wordt het alleen maar groter.
  • goed communiceert met de mensen die met het probleem te maken hebben.

Voorbeeld:
Je hebt een afspraak bij de tandarts en komt erachter dat je op dat tijdstip ook een proefwerk hebt.
Hoe zou jij dit oplossen? Met welke personen overleg je over dit probleem?

Grote en kleine problemen

Er zijn kleine en grote problemen. Er is sprake van een groot probleem wanneer iemand last heeft van schulden, van criminaliteit of van psychische problemen.

Bekijk de video over psychische problemen bij jongeren.

Stap 2: Probleemoplossende discussie

In een probleemoplossende discussie is het belangrijk dat:

  • er gelet wordt op wie de beste oplossing aandraagt voor een probleem;
  • er aan het einde van de discussie een besluit genomen wordt, over wat de beste oplossing is voor een probleem.


Bestudeer het volgende item in de Kennisbank.


Maak de oefening.

Stap 3: Oefenen

Opdracht
Je gaat met drie klasgenoten een probleemoplossende discussie voeren.

  1. Kies een probleem uit onderstaand rijtje voor jullie discussie.
    • Drankmisbruik door jongeren.
    • Tekort aan hangplekken voor jongeren.
    • Geweld tijdens het uitgaan.

  2. Stel een voorzitter aan. Dit kunnen jullie doen door middel van loting.

  3. Neem allemaal vijftien minuten de tijd om een oplossing te verzinnen.
    Vergeet niet om minstens één goed argument bij je oplossing te verzinnen.
    Je mag hiervoor internet gebruiken.
    De voorzitter gebruikt deze tijd om zich goed in te lezen in het onderwerp.

  4. Voer de probleemoplossende discussie.

  5. Bespreek de discussie na, samen met jullie docent.


Tips voor een goed verloop van de discussie:

  • Voer de discussie in een kleine groep.
  • Stel een voorzitter aan.
  • Schrijf het probleem op het bord en zorg dat het duidelijk is.
  • Neem de tijd om je mening te formuleren.
  • Laat elkaar uitspreken.
  • Het resultaat is belangrijker dan je eigen mening.

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.

Eindopdracht

Wereldproblemen

Er zijn in de wereld veel grote problemen.
Denk maar aan de financiële crisis, natuurrampen, voedseltekorten enzovoorts.
Deze wereldproblemen zijn niet makkelijk op te lossen.

Bekijk de volgende video.

Eindopdracht

In deze opdracht ga jij, samen met een klasgenoot, een oplossing bedenken voor een wereldprobleem.
Het is belangrijk dat je je creativiteit gebruikt.
Je probeert een frisse, vernieuwende oplossing te bedenken.

Hoe ga je te werk?

  1. ​Kies een wereldprobleem waar jullie een oplossing voor gaan bedenken.
    Je mag kiezen uit de volgende problemen:
    • voedseltekorten
    • terrorisme
    • vervuiling van het milieu
  1. Zoek op internet informatie over het probleem.
    Bezoek ook de website van Wonder.nl voor creatieve inspiratie.
    • Maak een woordweb van mogelijke oplossingen of stukjes van de oplossing.
    • Je kunt met de hand en pen en papier, een woordweb bouwen of
      digitaal. Gebruik daarvoor bijvoorbeeld de site Woordwolk.nl.
      Je kunt ook kijken in de gereedschapskist hoe je dit kunt doen.
  1. Kies aan de hand van jullie woordweb de oplossing die volgens jullie het beste is.
  1. Beschrijf jullie oplossing in minimaal 100 woorden.

Beoordeling

Jullie docent zal de woordwolk beoordelen. Hij of zij let daarbij op:

  • Is in de woordwolk duidelijk het probleem te zien en (gedeeltelijke) oplossingen?
  • Hebben jullie voldoende informatie verzameld om jullie in het wereldprobleem te verdiepen?
  • Is in de woordwolk duidelijk te herkennen welke oplossing volgens jullie het beste is?
  • Zijn jullie creatief geweest bij het bedenken en aandragen van oplossingen?
  • Ziet de woordwolk er verzorgd uit?
  • Hebben jullie geen taalfouten gemaakt?

Mindmap maken

Woorden bij een onderwerp bedenken en met elkaar verbinden.

 

Terugkijken

Intro

  • Heb je de introductievideo bekeken?
    Kun je uitleggen wat er werd uitgebeeld?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je uitleggen hoe je een probleemoplossende discussie kunt voeren?

Hoe ging het?

  • Inhoud
    Heb je een probleemoplossende discussie gehouden met klasgenoten?
    Zijn jullie tot een goede oplossing gekomen?
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht?
    Is het jullie gelukt een woordwolk te maken waarin het probleem en de oplossingen goed zichtbaar waren?
    Zijn jullie tevreden over de samenwerking en het eindresultaat?

Woordenschat: Ironie

Woordenschat - Ironie

Intro

Micha Wertheim legt even uit wat ironie ook alweer is.
Dit fragment komt uit de voorstelling 'Micha Wertheim Voor De Grap'.

Welk voorbeeld van ironie gebruikt hij?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • omschrijven wat wordt bedoeld met ironie;
  • ironie in een tekst en afbeelding herkennen.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Bekijk de voorbeelden en video over ironie. Verzin ook zelf twee zinnen met ironie.
Stap 2 Maak van letterlijke zinnen ironische zinnen.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Eindopdracht Ga op zoek naar afbeeldingen met ironie en verzamel ze in een tekstdocument.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer twee lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Ironie

Als je iets zegt, maar het omgekeerde bedoeld, wordt dat ironie genoemd.

Voorbeelden

  • Iemand heeft iets doms gedaan en jij zegt:
    "Je bent een echte Einstein”.
  • Het vriest twintig graden en iemand zegt:
    “Lekker weertje, hè?”

Je kunt vaak aan iemands gezicht zien of hij ironie gebruikt.
Je kunt het ook aan iemands stem horen.
In een geschreven tekst is ironie veel minder makkelijk te herkennen.

Bekijk deze video.

 

Stap 2: Letterlijk vs ironisch

Hieronder staan vier zinnen die letterlijk bedoeld zijn.
Maak zinnen die hetzelfde duidelijk maken, maar nu ironisch bedoeld.

Bijvoorbeeld:
Letterlijk zin: De leraar zegt tegen je: "Je hebt een vier gehaald, dat is erg slecht".
Ironische zin: "Je hebt een vier gehaald, dat is een bijzondere prestatie".

Afronding

Eindopdracht

Afbeeldingen met ironie

Je hebt nu geleerd dat teksten ironie kunnen bevatten.
Ook afbeeldingen kunnen ironisch bedoeld zijn.

Je gaat op zoek naar drie afbeeldingen die ironie bevatten.
Kijk voor voorbeelden op de volgende websites:
plazilla.com
Taalvoutjes

Ook op Twitter en Facebook kun je afbeeldingen met ironie vinden.

Hoe ga je te werk?

  • Zoek drie verschillende afbeeldingen waarin ironie voorkomt.
  • Sla ze op in een (Google-)bestand.
  • Beantwoord per afbeelding de volgende vragen:
    • Welke ironie zie jij bij de afbeelding?
    • Beschrijf wat de ironie is in maximaal drie zinnen.
    • Vind je het een grappige afbeelding?
      Leg uit waarom wel/niet.
  • Zorg dat je (Google-)document er verzorgd uitziet.

Klaar?

Laat je document zien aan een klasgenoot. Herkent hij of zij de ironie in je afbeelding?
Pas eventueel je omschrijving bij de afbeelding aan of zoek een andere afbeelding.

Beoordeling

Je docent zal de afbeeldingen beoordelen. Daarbij wordt gelet op:

  • Zijn de afbeelding ironisch bedoeld?
  • Geeft de omschrijving die je bij de afbeelding hebt gemaakt uitleg over de ironie?
  • Heb je leuke, originele afbeeldingen uitgekozen?
  • Bevat het geheel geen taalfouten?

Terugkijken

Intro

  • Heb je de introductievideo bekeken?
    Wat vond van de uitleg van Micha Wertheim?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 2 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Had je die tijd ook nodig voor deze opdracht of kwam je tijd te kort?
  • Inhoud
    Wist je wat bedoeld wordt met ironie? Wat vind je van het gebruik van ironie?
  • Eindopdracht
    Was het gemakkelijk om afbeelding met ironie te vinden?
    Ben je tevreden over het resultaat?

Afsluiting thema

Kennisbanken

Hier vind je de Kennisbankitems die horen bij dit thema.

Grammatica

Vaardigheden

Spreken

Eindopdracht

Je gaat het thema 'Als ik later groot ben' afsluiten.
Je doet dat met het maken van een tijdlijn.

Kijk en luister naar deze video.

Waarschijnlijk heb je wel ideeën over wat je in de toekomst wilt gaan doen.
Bedenk welke gebeurtenissen (minstens tien!) er in jouw leven gaan plaatsvinden.
Schrijf alle gebeurtenissen onder elkaar op.
Gebruik je fantasie!

Hoe ga je te werk?

Met alle gebeurtenissen die jij denkt mee te gaan maken tot en met 2070 ga je een tijdlijn maken.
In de Gereedschapkist vind je informatie over hoe je een tijdlijn kan maken.
Zorg dat je alle (toekomstige) gebeurtenissen in chronologische volgorde op de tijdlijn plaatst.
Zoek er ook afbeeldingen bij.

Klaar?

Laat de tijdlijn zien aan een klasgenoot. Vraag om commentaar.
Geef ook op een goede manier commentaar op de tijdlijn van de klasgenoot.
Verwerk de feedback.

Beoordeling

De docent zal je tijdlijn beoordelen. Daarbij wordt gelet op:

  • Heb je alle gebeurtenissen op de juiste plek in de tijdlijn geplaatst?
  • Is de tijdlijn origineel, duidelijk en goed leesbaar?
  • Ben je creatief geweest in het maken van je tijdlijn?
  • Heb je voldoende gebeurtenissen toegevoegd?
  • Is de tijdlijn goed leesbaar, bevat deze geen taalfouten?

Tijdlijn maken

Een tijdlijn of tijdbalk geeft je een helder overzicht van verschillende gebeurtenissen over een bepaalde periode heen.

 

Examentraining

Examenvragen
Als toets krijg je een opdracht met examenvragen.
Om de opdracht te kunnen maken heb je een Entree-account nodig.

Enig idee wat die frappuccino's kosten?

 

 

Meer oefenen?
Als je school deelneemt aan VO-content kun je verder oefenen met ExamenKracht.
Oefen daar ook met hele examens.

D-toets

Test je kennis. Maak de diagnostische toets.

Terugkijken

Inleiding

  • Kijk nog eens goed naar de inleiding.
    Heb je al een idee hoe je leven er in 2070 uit zal zien?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen nog eens door.
    Vind je dat alle leerdoelen van deze opdracht ruimschoots aan de orde zijn gekomen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je zo'n 12,5 uur met dit thema bezig zou zijn.
    Klopt dat ongeveer? 
    Heb je in die tijd ook de tijdlijn kunnen maken?
  • Inhoud
    Met welke opdracht uit dit thema had je moeite? Kun je uitleggen waarom?
    Misschien goed om de Kennisbanken nog eens door te lezen onder het onderwerp waar je moeite mee had.
  • Eindopdracht
    Is het je gelukt een creatieve en originele tijdlijn van jezelf neer te zetten?
    Zijn het gebeurtenissen die allemaal te realiseren zijn of meer toekomstdromen?
  • Het arrangement Thema: Als ik groot ben vmbo-b34 is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt, maakt en deelt.

    Auteur
    VO-content
    Laatst gewijzigd
    29-11-2025 09:59:05
    Licentie

    Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding en publicatie onder dezelfde licentie vrij bent om:

    • het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat
    • het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
    • voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.

    Meer informatie over de CC Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie.

    Het thema 'Als ik groot ben B' is ontwikkeld door auteurs en medewerkers van StudioVO.

    Fair Use
    In de Stercollecties van StudioVO wordt gebruik gemaakt van beeld- en filmmateriaal dat beschikbaar is op internet. Bij het gebruik zijn we uitgegaan van fair use. Meer informatie: Fair use

    Mocht u vragen/opmerkingen hebben, neem dan contact op via de helpdesk VO-content.

    Aanvullende informatie over dit lesmateriaal

    Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar:

    Toelichting
    Dit thema valt onder de arrangeerbare leerlijn van de Stercollecties voor Nederlands voor vmbo-b34. Dit thema is opgedeeld in opdrachten die ieder een andere taalvaardigheid behandelen. Zo komen in dit thema woordsoorten, moeilijke woorden, zelfbeheersing, probleemoplossing en ironie aan bod. Dit thema wordt afgesloten met het maken van een tijdlijn over je eigen toekomst. Ook is er examentraining en een diagnostische toets beschikbaar. Veel succes!
    Leerniveau
    VMBO basisberoepsgerichte leerweg, 4; VMBO basisberoepsgerichte leerweg, 3;
    Leerinhoud en doelen
    Nederlands;
    Eindgebruiker
    leerling/student
    Moeilijkheidsgraad
    gemiddeld
    Studiebelasting
    12 uur 30 minuten
    Trefwoorden
    als ik groot ben, arrangeerbaar, ironie, leerlijn, nederlands, probleemoplossing, stercollectie, tijdlijn maken, woordsoorten, zelfbeheersing

    Gebruikte Wikiwijs Arrangementen

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Grammatica - Woordsoorten herhaling vmbo-b34

    https://maken.wikiwijs.nl/74504/Opdracht__Grammatica___Woordsoorten_herhaling_vmbo_b34

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Lezen - Moeilijke woorden in de krant vmbo-b34

    https://maken.wikiwijs.nl/76922/Opdracht__Lezen___Moeilijke_woorden_in_de_krant_vmbo_b34

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Spreken - Probleem oplossen vmbo-b34

    https://maken.wikiwijs.nl/74530/Opdracht__Spreken___Probleem_oplossen__vmbo_b34

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Vaardigheden - Jezelf beheersen vmbo-b34

    https://maken.wikiwijs.nl/74529/Opdracht__Vaardigheden___Jezelf_beheersen__vmbo_b34

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Woordenschat - Ironie vmbo-b34

    https://maken.wikiwijs.nl/74531/Opdracht__Woordenschat___Ironie__vmbo_b34

  • Downloaden

    Het volledige arrangement is in de onderstaande formaten te downloaden.

    Metadata

    LTI

    Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI koppeling aan te gaan.

    Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.

    Arrangement

    Oefeningen en toetsen

    Als ik groot ben

    IMSCC package

    Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.

    QTI

    Oefeningen en toetsen van dit arrangement kun je ook downloaden als QTI. Dit bestaat uit een ZIP bestand dat alle informatie bevat over de specifieke oefening of toets; volgorde van de vragen, afbeeldingen, te behalen punten, etc. Omgevingen met een QTI player kunnen QTI afspelen.

    Versie 2.1 (NL)

    Versie 3.0 bèta

    Voor developers

    Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op onze Developers Wiki.