Thema: Wonen vmbo-b34

Thema: Wonen vmbo-b34

Wonen

Inleiding

Het onderwerp van dit thema is 'wonen'.

In Nederland kun je wonen in veel verschillende soorten huizen:
een rijtjeshuis, een flat, een villa, een molen, een woonboot en ga zo maar door.

Niet iedereen heeft een veilig, warm huis om in te wonen.
Kijk maar naar de volgende video.

In dit thema maak je vijf opdrachten. In iedere opdracht staat een andere vaardigheid centraal.
In de opdrachten wordt waar mogelijk verwezen naar het thema, maar lang niet overal.

Na het maken van de opdrachten ga je aan de slag met de afsluiting van het thema.
Je maakt een website over wonen in het buitenland.

Wat kan ik straks?

Hier vind je de leerdoelen die horen bij het thema Wonen.

Leerdoel Opdracht
Ik kan verschillende soorten reclame herkennen en zelf een reclamespotje maken. Luisteren en kijken - Reclame
Ik kan het belang van plaats en tijd in een verhaal herkennen en beschrijven. Lezen - Plaats en tijd
Ik kan omschrijven wat het belang van humor in een strip is. Fictie - Strips
Ik kan het verschil tussen een gezegde en uitdrukking herkennen en van meerdere uitdrukkingen aangeven wat ze betekenen. Woordenschat - Uitdrukkingen
Ik kan de regels voor de werkwoordspelling op de juiste manier toepassen. Spelling - Werkwoordsvormen

 

Wat ga ik doen?

Voor je aan de slag gaat met de afsluiting maak je vijf opdrachten.
In de tabel staat per activiteit hoeveel lessen je ongeveer nodig hebt.

Activiteit Aantal lesuren Eindproduct
Inleiding 0,5  
Luisteren en kijken: Reclame 2 à 3 Reclamespotje maken
Lezen: Plaats en tijd 3 à 4 Vragen beantwoorden luisterboek
Fictie: Strips 2 à 3 Striptekening maken
Woordenschat: Uitdrukkingen 2 à 3 Quiz maken
Spelling: Werkwoordsvormen 2 Toets maken
Afsluiting 2 Webpagina maken
Totaal: 16 à 17  


De tijd is slechts een inschatting en hangt mede af van de keuze van het eindproduct.

Opdrachten

Luisteren en kijken: Reclame

Reclame

Intro

Bekijk de twee reclamevideo's.
Wat is het verschil tussen de beide video's?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • omschrijven in welke twee categorieën reclame wordt ingedeeld;
  • per categorie uitleggen waarom reclame wordt gemaakt;
  • omschrijven wat het doel is van sluikreclame is.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Bestudeer het Kennisbankitem 'Tekstdoel en tekstsoort' en geef van beide video's aan om wat voor soort reclame het gaat.
Stap 2 Bekijk de video over sluikreclame en lees de uitleg. Bekijk twee video's en geef aan voor welk product (sluik)reclame wordt gemaakt. Bespreek mijn antwoord met een klasgenoot.
Stap 3 Zoek samen met een klasgenoot verschillende soorten reclames en beantwoord de vragen erover.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind ik de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.
Eindopdracht Maak de eindopdracht: een reclamespotje.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer twee à drie lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Doel reclame

Ken je de vier tekstdoelen nog? Kijk nog even in de Kennisbank.


Deze opdracht gaat over reclame op televisie.
Reclame op televisie wordt ook wel een ‘spotje’ of een ‘commercial’ genoemd.
Het doel van reclame is de kijkers te activeren om een bepaald product te kopen of
een dienst af te nemen.

Bekijk het item in de Kennisbank.

Effect reclame

De reclames op televisie kunnen in twee categorieën worden ingedeeld.

  • De eerste vorm is ideële reclame. Dit is reclame om het gedrag van mensen te beïnvloeden.
  • De tweede vorm is commerciële reclame. Deze reclame is bedoeld om een product bekend te maken.

Bekijk met een klasgenoot de volgende drie reclames.
Bespreek samen of de reclame ideëel of commercieel van aard is.

1. Aardige mensen

2. Fons

 

3. Plakje worst

Stap 2: Sluikreclames

Sluikreclames zijn reclames waarbij het niet direct duidelijk is dat het om een reclame gaat.
De meest voorkomende vorm is het beschikbaar stellen van producten voor televisieprogramma's,
zodat deze producten zichtbaar zijn voor de kijker.
Het doel van sluikreclames is dat de kijker de producten gaat kopen.

Bekijk de volgende video.


Wist je dat commerciële zenders zoals RTL, SBS of NET5 geld krijgen voor het laten zien van bepaalde producten of merknamen in hun shows?
Dit geld kunnen ze gebruiken om een programma te maken. Reclame kun je dus overal tegenkomen.

Stap 3: Reclames zoeken

Je hebt nu geleerd in welke vormen en soorten reclame voorkomt.

Ga in kranten, tijdschriften of op internet op zoek naar reclame.
Het moet reclame zijn die te maken heeft met het onderwerp van dit thema: Wonen.
Je moet van iedere vorm minstens één reclame vinden:

  • commerciële reclame
  • ideële reclame
  • sluikreclame

Elke reclame die je tegenkomt knip je uit of kopieer je en voeg je toe aan je mapje.
Je kunt een digitaal (Google-)document maken of je zet alles netjes op papier.
Heb je een filmpje gevonden? Noteer dan via welke link deze bekeken kan worden.

Beantwoord nu bij elk van de door jou gevonden reclame de volgende vragen.

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.

Eindopdracht

Zelf reclame maken!

In deze opdracht ga je samen met drie klasgenoten een spotje maken.

  1. Bedenk eerst met elkaar of jullie een ideële reclame of een commerciële reclame gaan maken.
    Daarna bedenk je wat het onderwerp van de reclame is. Het onderwerp moet aansluiten bij dit thema: Wonen.
    Benodigdheden: pen en papier.
    Tijd: 10 minuten.
  1. Jullie gaan het script schrijven voor de reclame.
    In het script vermeld je wie wanneer iets moet zeggen en welke gebeurtenissen zich afspelen.
    Verdeel de taken goed!
    Let op: een reclame duurt meestal niet langer dan een minuut.
    Tip: zoek op internet naar leuke reclames.
    Deze reclames kunnen je inspiratie geven.
    Benodigdheden: pen, papier en een dosis creativiteit.
    Tijd: 20 minuten.
  1. Jullie gaan de commercial opnemen.
    Kijk nog even in de gereedschapskist hoe je dit kunt aanpakken.
    Zorg dat de taken voor iedereen duidelijk zijn (acteren, filmen, assisteren enz.).
    Benodigdheden: een apparaat (smartphone) om mee te filmen en een goed humeur.
    Tijd: 30 minuten.
  1. Zet jullie filmpje op YouTube.

Beoordeling

Laat het filmpje beoordelen door je docent.
Jullie docent zal het spotje beoordelen op de volgende punten:

  • Creativiteit.
  • Inzet van alle leden van het groepje.
  • Samenwerking.

Video maken

Video kan voor veel dingen gebruikt worden bijvoorbeeld om iets uit te leggen, een project te evalueren of mensen te interviewen.        

 

Terugkijken

Intro

  • Heb je de twee video's bekeken?
    In welke werd (bewust) reclame gemaakt?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je het verschil tussen ideële en commerciële reclame omschrijven?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je 2 à 3 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Had je die tijd ook nodig voor deze opdracht of kwam je tijd te kort voor het maken van jullie reclamespotje?
  • Inhoud
    Het was je vast al bekend dat er sluikreclame in televisieprogramma's wordt gemaakt.
    Vind je dat storend?
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht? Hoe verliep de samenwerking?
    Over welk onderwerp hebben jullie een spotje gemaakt?
    Is het gelukt om de video op YouTube te plaatsen?

Lezen: Plaats en tijd

Lezen - Plaats en tijd

Intro

Deze fictie-opdracht heeft als titel 'Plaats en tijd'.

In deze introductievideo kijk je naar de rol van tijd in verhalen.

Kan door verandering van tijd een verhaal veranderen?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • herkennen dat plaats en tijd in verhalen een belangrijke rol spelen;
  • het verschil omschrijven tussen verteltijd en vertelde tijd;
  • herkennen welke invloed tijdsverdichting, tijdssprong en flashbacks op een verhaal hebben.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Bestudeer het Kennisbankitem 'Tijd in een verhaal' en leg het verschil tussen verteltijd en vertelde tijd uit. Overleg met een klasgenoot. Maak de sleepoefening.
Stap 2 Kies in overleg met mijn docent een leesboek uit. Lees het eerste hoofdstuk en geef aan op welke plaats het verhaal zich afspeelt. Bespreek met een klasgenoot in vijf minuten het eerste hoofdstuk.
Stap 3 Lees het tweede hoofdstuk en geef aan in welke tijd het verhaal zich afspeelt. Bespreek met een klasgenoot in vijf minuten het tweede hoofdstuk.
Stap 4 Lees het derde hoofdstuk. Herschrijf (een stukje van) hoofdstuk 3. Bespreek met een klasgenoot de herschreven tekst.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind ik de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.
Eindopdracht Beantwoord vragen naar aanleiding van een fragment uit een luisterboek.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer drie à vier lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Plaats en tijd

Elk verhaal speelt zich af op een bepaalde plaats en in een bepaalde tijd.
Plaats en tijd hebben veel invloed op het verhaal.
Op een school kunnen er hele andere dingen afspelen dan in een onderzeeër.
Een verhaal dat zich afspeelt in de toekomst kan veel verschillen van een verhaal dat zich afspeelt in de huidige tijd.

Vaak wordt in een verhaal wel iets over de plaats en de tijd gezegd.
Als dat niet zo is, kun je het meestal wel uit de tekst afleiden.
Je kunt afgaan op de kleding die gedragen wordt, de omgeving of de gebeurtenissen.

Een schrijver kan in zijn verhaal ‘spelen’ met tijd.

Bestudeer in de Kennisbank de theorie over dit onderdeel.

Maak de volgende sleepoefening.

Stap 2: Plaats

In deze opdracht ga je de ‘plaats’ waar een verhaal zich afspeelt onder de loep nemen.

1. Lees de volgende tekst goed door. Het gaat over plaats en tijd in een verhaal.

Plaats en tijd
Ze zijn erg belangrijk voor het verhaal. Elk verhaal speelt zich af op een bepaalde plek.
Het kan in Nederland zijn, of in een ander land, ergens anders op de wereld. Misschien lees je net een toekomstverhaal en speelt het verhaal zich af op Mars.
De plaats waar een verhaal zich afspeelt, heeft invloed op het verhaal. In een lift kunnen heel andere dingen gebeuren dan aan het strand, in een gevangenis of op school.
De schrijver kiest een plek voor het verhaal dat hij wil vertellen. Hij kan zijn personages precies de ruimte geven die hij wil.

Wanneer?
Elk verhaal speelt zich af in een bepaalde tijd. De tijd waarin een verhaal zich afspeelt, heeft gevolgen voor het verhaal.
Als een verhaal in de riddertijd speelt, kunnen er geen auto's in voorkomen of sms-jes.

Aanwijzingen
In een verhaal vind je aanwijzingen over de plek en de tijd waarin het verhaal zich afspeelt.
Soms worden plaats en tijd genoemd, maar af en toe moet je op de aanwijzingen af gaan.
Dan kijk je naar de omgeving, de kleding, wat de personages in het verhaal doen en wat er gebeurt.

Bron: Schooltv

 

2. In overleg met je docent kies je een leesboek uit de Literatuurlijst vmbo, dat je leuk lijkt om te lezen.
Lees het eerste hoofdstuk van het boek dat je hebt uitgekozen.
Beantwoord daarna de vragen.

Literatuurlijst Nederlands vmbo

Titel Auteur   Jaar
Die dag aan zee Peter van Gestel   2003
De dagen van de bluegrassliefde Edward van den Vendel   1999
Het verrotte leven van Floortje Bloem Yvonne Keuls   1982
De reünie Simone van der Vlugt   2004
Ex-drummer Herman Brusselmans   1994
Weg van de zon Lydia Rood   1997
Komt een vrouw bij de dokter Kluun   2003
De eetclub Saskia Noort   2004
Negen open armen Benny Lindelauf   2004
Een verhaal uit de stad Damsko Hassan Bahara   2006
Meisje met negen pruiken Sophie van der Stap   2006
Alles is weg Lieke en Anke Kranendonk   2008
Echte mannen eten geen kaas Maria Mosterd   2006
Het zwijgen van Maria Zachea Judith Koelemeijer   2008
Vader en dochters. Martin Bril   2008
Lieve Céline Hanna Bervoets   2011

Stap 3: Tijd

In deze opdracht ga je de ‘tijd’ wanneer een verhaal zich afspeelt onder de loep nemen.

Lees het tweede hoofdstuk van het boek dat je in Stap 1 hebt uitgekozen.
Beantwoord daarna de vragen.

Stap 4: Herschrijven

In deze opdracht ga je een stukje uit het boek dat jij hebt gekozen veranderen.
Het is de bedoeling dat je de plaats of de tijd verandert, zodat het verhaal in het boek anders wordt.

1. Lees hoofdstuk drie uit je boek.
Let goed op de plaats waar het verhaal zich afspeelt en de tijd waarin het verhaal zich afspeelt.

2. Schrijf op in welke tijd en op welke plaats het hoofdstuk zich afspeelt.
Bedenk een andere tijd of een andere plaats.
Je mag zelf kiezen of je de tijd of de plaats verandert.
Schrijf op welke onderdelen van het verhaal anders zouden zijn, in de tijd of de plaats die jij hebt bedacht.
Bekijk het voorbeeld dat hieronder staat.

Voorbeeld

Het verhaal gaat over een jongen en een meisje die verliefd zijn op elkaar.
Ze gaan daten in de stad. De jongen gaat met de metro naar de afgesproken plaats toe.
De versie die jij bedenkt, speelt zich af in de middeleeuwen.
De jongen komt dan niet met de metro naar de afgesproken plaats, maar te paard.

 

3. Bespreek met een klasgenoot het stukje dat je hebt herschreven.
Probeer elkaar goede feedback te geven.
Zijn jullie creatief geweest in het bedenken van de verandering?
Gebruik voor deze opdracht ongeveer vijf minuten.

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.

Eindopdracht

Luisterboek

Een boek kun je niet alleen lezen, je kunt er ook naar luisteren.
In deze opdracht ga je luisteren naar een fragment uit ‘De grijze jager’, geschreven door John Flanagan.

Luister naar het eerste hoofdstuk van het boek.

 

Terugkijken

Intro

  • Heb je de introductievideo bekeken?
    Was de uitleg over de rol van tijd in een verhaal duidelijk?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je een stukje van een verhaal in een andere tijd zetten? Wat gebeurt er dan met het verhaal?

Hoe ging het?

  • Inhoud
    Heb je in overleg met je docent een leuk boek uit de lijst gekozen?
    Kon je de vragen over tijd en plaats makkelijk beantwoorden, nadat je een hoofdstuk had gelezen?
  • Eindopdracht
    Wat vond je van het luisterfragment?
    Moest je het fragment vaak stil zetten om de vragen te beantwoorden?

Fictie: Strips

Fictie - Strips

Intro

Bekijk de video. Lijkt het jou wat, een workshop striptekenen?
Heb jij een favoriete stripfiguur?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • omschrijven hoe een strip is opgebouwd;
  • omschrijven met welk doel ik een strip gebruik.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Lees de informatie over strips. Bekijk de video en noem zoveel mogelijk strips. Heb ik er net zoveel als mijn klasgenoot?
Stap 2 Bekijk de informatie in de gereedschapskist. Verzin vast een verhaaltje.
Stap 3 Bedenk waarom vaak humor gebruikt wordt in strips. Zoek drie strips als voorbeeld die ik leuk vind.
Stap 4 Bekijk de video over het ontwerpen van een stripfiguur. Bedenk zelf een stripfiguur. Beantwoord er vragen over.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Eindopdracht Maak nu zelf een strip. Laat hem lezen aan klasgenoten.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer twee à drie lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Stripverhaal

Een ‘strip’ is het Engelse woord voor ‘strook’ of ‘reep’.
Een stripverhaal is een verhaal dat wordt verteld met plaatjes.
Plaatjes zijn vaak makkelijker te begrijpen dan geschreven tekst en leuker om naar te kijken.

De meeste strips bevatten ook tekst.
Deze tekst staat in ballonnetjes boven de personen.

 

Bekijk de video. Lijkt het jou leuk om striptekenaar te worden?

 

Stap 2: Zelf maken

Jij kunt zelf ook een strip maken.
In de eindopdracht ga je zelf een strip tekenen.
In deze stap ga je alvast een beetje oefenen.

Bestudeer eerst het item 'Stripverhaal maken' in de gereedschapskist.

Stripverhaal maken

Met een stripverhaal kun je een kort verhaal in beeld brengen. Je maakt een combinatie van tekst en beeld door je verhaal uit te werken in tekeningen met tekstballonnen.        

 

Verzin zelf een verhaaltje wat je kunt gebruiken om een strip te tekenen.
Je kiest zelf een onderwerp.

Bekijk ook de verhaaltjes van je klasgenoten.
Probeer van elkaar te leren!

Stap 3: Humor

Humor betekent dat je iets grappig vindt.
Wat jij humor vindt, hoeft iemand anders niet grappig te vinden.
Bekijk de stripvlog van DirkJan.

In een stripje wordt vaak humor gebruikt. Kijk maar naar het volgende voorbeeld.

 

Stap 4: Stripfiguren

Om straks een eigen strip te kunnen tekenen heb je een eigen stripfiguur nodig.
In deze opdracht ga je je eigen stripfiguur bedenken.
Je mag voor deze opdracht ongeveer 20 minuten gebruiken.

Door de vragen te beantwoorden, krijgt je stripfiguur wat meer vorm.

Bekijk de volgende video over het tekenen van een stripfiguur.

Maak nu een tekening van jouw stripfiguur.
Bekijk ook de stripfiguren die je klasgenoten hebben getekend.

Afronding

Eindopdracht

Strip maken

Inmiddels weet je al veel over striptekeningen en stripfiguren.
In deze opdracht ga je zelf een stripverhaal maken.
Het stripverhaal moet te maken hebben met het thema ‘Wonen’.

Bekijk de volgende video om wat inspiratie op te doen.

  • Verwerk in je stripverhaal het stripfiguur dat je in Stap 4 zelf hebt verzonnen.
  • Kijk nog eens in de gereedschapskist hoe je dit kunt aanpakken.
  • Maak er tekstballonnetjes bij, waarin je toepasselijke (humoristische?) tekst zet.

Klaar?

Klopt het verhaal? Heb je er tekst bijgezet in tekstballonnetjes?
Als je strip af is, laat deze dan lezen en zien aan een klasgenoot.
Begrijpt hij of zij de strip? 
Daarna lever je de strip in bij je docent, die de strip zal beoordelen.

Beoordeling

Jullie docent zal bij de beoordeling van de strip letten op:

  • Heeft je strip te maken met het onderwerp 'wonen'?
  • Heb je een duidelijke en originele strip ontworpen?
  • Heb je geen taalfouten gemaakt in de tekstballonnen van de strip?
  • Ziet het geheel er verzorgd uit?

 

Stripverhaal maken

Met een stripverhaal kun je een kort verhaal in beeld brengen. Je maakt een combinatie van tekst en beeld door je verhaal uit te werken in tekeningen met tekstballonnen.        

 

Terugkijken

Intro

  • Heb je de introductievideo bekeken?
    Zou je het leuk vinden een workshop striptekenen te volgen?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Is een strip alleen leuk om te lezen of zit er (soms) ook een boodschap in verwerkt?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je 2 à 3 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Had je die tijd ook nodig voor deze opdracht of kwam je tijd te kort?
     
  • Eindopdracht
    Vond je het leuk om een strip te maken? Vond je het moeilijk?
    Ben je tevreden over het eindresultaat?

Woordenschat: Uitdrukkingen

Woordenschat - Uitdrukkingen

Intro

Deze opdracht gaat over uitdrukkingen (gezegden).

Op internet zijn veel video's te vinden over uitdrukkingen.

Bekijk deze video.
Ken je zelf ook een uitdrukking die je vooral 's zomers kunt gebruiken?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • omschrijven wat een gezegde of zegswijze is en een voorbeeld geven;
  • omschrijven wat een spreekwoord is en een voorbeeld geven;
  • het verschil tussen een gezegde en spreekwoord herkennen;
  • van meerdere uitdrukkingen en gezegdes aangeven wat ze betekenen.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Bestudeer het Kennisbankitem 'Gezegden en spreekwoorden'. Bekijk de video en noem vier uitdrukkingen die ik in de video heb gezien.
Stap 2 Bekijk de video en maak drie oefeningen.
Stap 3 Bekijk de video: laten uitdrukkingen zich makkelijke vertalen naar het Engels? Schrijf de uitdrukkingen die ik herken op en vergelijk ze met een klasgenoot.
Stap 4 Zoek drie uitdrukkingen en maak er zinnen mee. Bespreek ze daarna met een klasgenoot.
Stap 5 Bekijk de video over het verkeerd gebruik van uitdrukkingen en maak de oefening.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind ik de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.
Eindopdracht Maak de eindopdracht: een quiz over gezegdes. Speel deze met een klasgenoot.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer twee à drie lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Uitdrukkingen

Een uitdrukking is een vaste combinatie van woorden, die iets betekenen.
Het is een vorm van figuurlijk taalgebruik.
Het verschil tussen een uitdrukking (gezegde) en een spreekwoord, vind je hieronder in de Kennisbank.


In de volgende video worden ook veel uitdrukkingen gebruikt.

 

Stap 2: Oefenen!

Bekijk deze video.

In deze opdracht ga je oefenen met de betekenis van verschillende uitdrukkingen.
Door veel te oefenen, leer je de uitdrukkingen te gebruiken.
Een uitdrukking wordt ook wel een gezegde genoemd.

Maak de volgende oefeningen.

Stap 3: Uitdrukkingen in het Engels

Nederlandse uitdrukkingen in het Engels

Deze reisleider doet erg zijn best om Nederlandse spreekwoorden/uitdrukkingen te vertalen naar het Engels.

Bekijk de video en beantwoord de vraag.

 

Stap 4: Veel uitdrukkingen

Stap 5: Verkeerd gebruik

Bekijk de video.
Als je een uitdrukking op een verkeerde manier gebruikt, kan dat grappige zinnen opleveren.


Maak de volgende oefening. Geef aan welke uitdrukking verkeerd is.

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de Kennisbank die hoort bij deze opdracht.

Eindopdracht

Quiz

In deze eindopdracht gaan jullie een quiz maken voor elkaar.
De quiz gaat over gezegdes en uitdrukkingen.

1. Kies vijf gezegdes die je al kent. Je mag hiervoor Wikiquote gebruiken.
Zoek op internet plaatjes die erbij passen.

Voorbeeld: Je neemt het gezegde ‘dit slaat als een tang op een varken’.
Je kiest daarbij het plaatje dat hieronder staat.
Voor deze stap mag je tien minuten gebruiken.

2. Zet alle plaatjes in een (Google-)document onder elkaar.
Sla het bestand op onder de naam ‘Quiz uitdrukkingen’ in je eigen omgeving.
Deel of stuur het document naar een klasgenoot.
Je klasgenoot stuurt zijn of haar versie naar jou.
Je kunt natuurlijk het document ook gewoon uitprinten.

3. Vul elkaars bestand in. Zet de juiste uitdrukking bij de afbeelding.
Schrijf er in je eigen woorden ook bij wat de uitdrukking betekent.
Hiervoor mag je maximaal vijftien minuten gebruiken.

4. Controleer elkaars antwoorden en verbeter waar nodig.

5. Bespreek samen de antwoorden en de eventuele verbeteringen.

Beoordeling

Jullie docent zal jullie document met uitdrukkingen controleren. Daarbij wordt gelet op:

  • Hebben jullie de juiste uitdrukkingen ingevuld bij de afbeeldingen?
  • Was de omschrijving over de betekenis van de uitdrukking duidelijk?
  • Passen afbeelding en uitdrukking bij elkaar?
  • Zijn jullie creatief te werk gegaan en ziet het geheel er verzorgd uit?
  • Bevat het document geen taalfouten?

Terugkijken

Intro

  • Heb je de introductievideo bekeken?
    Herkende je de uitdrukkingen die in de video werden gebruikt?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je het verschil tussen een spreekwoord en gezegde omschrijven?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je 2 à 3 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Had je die tijd ook nodig voor deze opdracht of had je tijd over?
  • Inhoud
    Heb je veel nieuwe uitdrukkingen en gezegdes geleerd?
    Weet je ook wat ze betekenen?
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht? Was het leuk om een quiz te maken?
    Hebben je klasgenoot en jij alle uitdrukkingen geraden?

Spelling: Werkwoordsvormen

Spelling - Werkwoordspelling

Intro

Deze opdracht heeft als titel 'Werkwoordspelling'.
Je hebt al eerder geoefend met werkwoorden en het herkennen van de persoonsvorm.

In deze video wordt de gehele werkwoordspelling in twee minuten nog eens uitgelegd.
Komt het je bekend voor?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • werkwoordsvormen in de tegenwoordige tijd foutloos toepassen;
  • de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd herkennen.

 

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Bestudeer de Kennisbankitems, bekijk de video's en maak de oefening.
Stap 2 Veel oefenen helpt. Overleg met mijn docent welke oefeningen ik maak.
Stap 3 Test een klasgenoot. Maak allebei een oefening en vul de werkwoordsvormen in. Vergelijk ze daarna samen.
Stap 4 Schrijf een verhaaltje met fouten in de werkwoordspelling. Kan mijn klasgenoot de fouten vinden? Kijk samen naar de antwoorden.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind ik de Kennisbanken die horen bij deze opdracht.
Eindopdracht Maak de toets 'Werkwoordspelling'.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer twee lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Werkwoord

Met een werkwoord wordt beschreven:

  • een handeling (bijvoorbeeld: lopen)
  • gebeurtenis (bijvoorbeeld: ontstaan)
  • toestand (bijvoorbeeld: zitten).


Werkwoorden kunnen gebruikt worden in drie tijden:

  • tegenwoordige tijd
  • verleden tijd
  • toekomstige tijd.

In deze opdracht gaat het over de spelling van werkwoorden in de tegenwoordige tijd.
De tegenwoordige tijd is de tijd die zich op dit moment afspeelt.

Bekijk de volgende video.

Het is belangrijk dat je werkwoorden foutloos kunt spellen, als je een verslag maakt of later gaat solliciteren.

Bestudeer de volgende onderwerpen uit de Kennisbank.
Het lijkt veel theorie, maar je hebt alles al een keer gehad, dus als het goed is, hoef je er niet veel tijd aan te besteden.

Bekijk de volgende video over de spelling van werkwoorden in de tegenwoordige tijd.

Maak de oefening.

Stap 2: Oefenen

Overleg met je docent welke oefeningen je nog maakt.

Stap 3: Test elkaar

In deze opdracht ga je oefenen met de spelling van werkwoorden.
Als je veel fouten maakt, kijk dan nog even terug in de theorie.

De oefening doe je samen met een klasgenoot.
Je kiest oefening A of B uit het tekstblok. Je maakt ieder een andere oefening.
Neem de zinnen van de oefening over in je schrift of kopieer ze naar een leeg (Google-)document, dat je opslaat in je eigen omgeving.

De oefening gaat hetzelfde als de oefeningen in voorgaande stappen.
Je vult de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd in.

Als je de opdracht klaar hebt wissel je je werk met een klasgenoot en kijkt elkaars werk na.
Wissel weer van werk en kijk of je het eens bent met de correcties.
Komen jullie er niet uit, vraag dan de hulp van de docent.

Versie A

  1. De jongen (vinden) .................... een T-bonesteak erg lekker.
  2. Misschien (wassen) .................... hij de auto's voor een goed doel.
  3. Lara (kunnen) .................... erg mooi tekenen.
  4. Ik (ontleden) .................... de zinnen uit het boek.
  5. Barbara en Anne (schudden) .................... die antwoorden zo uit hun mouw.
  6. Wie (winnen).................... de spellingwedstrijd?
  7. De jongen (condoleren) .................... zijn vriend met zijn overleden oma.
  8. Jeroen en Rolf (beantwoorden) .................... alle vragen.
  9. (Lopen) .................... je graag door het park?
  10. Hij (benijden).................... zijn vader niet.

 

Versie B

  1. Het brood (moeten) .................... door u in de vriezer worden gelegd.
  2. Morgen (organiseren) .................... het grappige meisje een groot feest.
  3. (Denken).................... je aan het inleveren van je boekverslag?
  4. (Coachen).................... je al lang het hockeyteam?
  5. Shirley en Nagina (computeren) .................... op dit moment.
  6. De juf (controleren) .................... dinsdag of al het huiswerk af is.
  7. (Worden).................... jij zenuwachtig van de testweek?
  8. Hij (barricaderen) .................... de deur door er zware dingen tegen te zetten.
  9. De politie (rijden) .................... soms met zwaailichten.
  10. Waarom (worden).................... je geen lid van de tennisclub?

 

Stap 4: Jouw huis

Jouw huis

Wat vind je belangrijk aan jouw huis?
Als je aan je huis denkt, kun je denken aan het soort huis, de locatie, de buurt, enzovoorts.
In totaal krijg je twintig minuten voor deze opdracht.

  1. Schrijf een verhaaltje van ongeveer tien zinnen over wat jij belangrijk vindt aan jouw huis.
    Maak expres in iedere zin één fout in de werkwoordspelling.
    Zorg dat iedere zin op een nieuwe regel begint.
    Voor dit deel van de opdracht krijg je 10 minuten de tijd.
  1. Wissel jouw verhaaltje met het verhaaltje van een klasgenoot.
    Verbeter de spelfouten die gemaakt zijn in het verhaaltje.
    Dit doe je door ze te onderstrepen. Zet dan aan het eind van iedere zin het werkwoord in de goede vorm.
    Voor dit deel van de opdracht krijg je 5 minuten de tijd.
  1. Wissel opnieuw van blaadje en controleer de verbeteringen van je klasgenoot.
    Bekijk ook of hij of zij geen fouten over het hoofd heeft gezien.
    Als je er niet uitkomt, mag je natuurlijk de docent om hulp vragen.
    Voor dit deel van de opdracht krijg je 5 minuten de tijd.

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de Kennisbanken die horen bij deze opdracht.

Eindopdracht

Deze opdracht sluit je af met de toets ‘Werkwoordspelling’.

Terugkijken

Intro

  • Heb je de introductievideo bekeken?
    Kwam de uitleg je nog bekend voor?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Beheers je de werkwoordsvormen in de tegenwoordige tijd? Kun je er zelf zinnen mee maken?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 2 uur met de opdracht bezig zou zijn. Had je voldoende tijd om te oefenen en de toets te maken?
  • Inhoud
    De stof in deze opdracht heb je al eerder bestudeerd. Wist je het meeste nog?
    Schrijf op wat nieuw voor je was of waar je nog moeite mee hebt.
    Lees eventueel de Kennisbanken nogmaals door.

Afsluiting thema

Kennisbanken

Hier vind je de Kennisbankitems die horen bij dit thema.

Luisteren en kijken

Lezen

Woordenschat

Spelling

Eindopdracht

Als je in een ander land gaat wonen, is dat in het begin vaak erg onwennig.
Het verhuizen naar een ander land heet emigreren.

Waar zou jij naar toe willen emigreren?

In deze eindopdracht ga je een informatieve webpagina maken, over een land waar jij wel naar toe zou willen emigreren.
De webpagina is bedoeld voor klasgenoten die op zoek zijn naar informatie over dat land.
Werk samen met een klasgenoot. Jullie krijgen voor deze opdracht ongeveer 2 uur de tijd.
Kijk ook in de Gereedschapskist hoe je dit kunt aanpakken.

Bekijk eerst de video.

Hoe ga je te werk?

  • Kies samen een land uit waar jullie naartoe zouden willen emigreren.
  • Bedenk minimaal vijf dingen die je over het land wilt weten.
    Denk aan gewoontes, aantal inwoners, taal, klimaat, etc.
  • Verzamel informatie op internet.
  • Zorg ook voor passende afbeeldingen.

Website

  • Maak een gratis website aan via bijvoorbeeld Triple Interactive.
  • Overleg met je docent hoe je het kunt aanpakken.
  • Zet alle informatie die je gevonden hebt op de website.
  • De website is bedoeld voor medeleerlingen. Zorg dat de site aantrekkelijk is voor die leeftijdsgroep.

Feedback

Laat de website zien aan een of twee klasgenoten. Vraag om commentaar.
Bekijk ook de website van je klasgenoten. Geef elkaar op een goede manier feedback.
Verwerk de feedback voor je de website laat beoordelen.

Beoordeling

Je webpagina wordt door je docent beoordeeld op de volgende punten.

  • Inhoud:
    Je webpagina bevat voldoende informatie over het betreffende land.
    De webpagina is geschreven voor de juiste doelgroep.
    De webpagina bevat geen of weinig spelfouten.
  • Vorm:
    Je webpagina is overzichtelijk.
    Je bent bij het samenstellen creatief en origineel geweest.

Website maken

Op een website kun je informatie weergeven over allerlei onderwerpen, door middel van kleuren, teksten, filmpjes en afbeeldingen. Door een website te maken laat je zien welke kennis je hebt opgedaan over een bepaald onderwerp.

 

Examentraining

Als toets krijg je een opdracht met examenvragen.
Om de opdracht te kunnen maken heb je een Entree-account nodig.

Opgeruimd staat netjes

 

Meer oefenen?
Als je school deelneemt aan VO-content kun je verder oefenen met ExamenKracht
Oefen daar ook met hele examens.

D-toets

Test je kennis. Maak de diagnostische toets.

Terugkijken

Inleiding

  • Kijk nog eens goed naar de Inleiding.
    Past de video goed bij het thema? Waarom wel/niet?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van dit thema nog eens door.
    Zijn alle leerdoelen volgens jou voldoende behandeld in dit thema?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je 16 à 17 uur met dit thema bezig zou zijn.
    Klopt dat met het aantal lessen dat je over dit thema hebt gedaan?
    Welke opdracht heeft meer tijd gekost? En welke opdracht minder tijd?
    Heb je in die tijd ook de webpagina kunnen maken?
  • Inhoud
    Schrijf drie dingen op die je geleerd hebt in dit thema.
    Vergelijk de dingen die je opgeschreven hebt met de dingen die je klasgenoot opgeschreven heeft.
  • Eindopdracht
    Heb je de eindopdracht gedaan? Is het je gelukt een webpagina te maken?
    Verliep de samenwerking met je klasgenoot goed?
    Zijn jullie tevreden over het eindresultaat?
  • Het arrangement Thema: Wonen vmbo-b34 is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt, maakt en deelt.

    Auteur
    VO-content
    Laatst gewijzigd
    29-11-2025 10:24:50
    Licentie

    Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding en publicatie onder dezelfde licentie vrij bent om:

    • het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat
    • het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
    • voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.

    Meer informatie over de CC Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie.

    Het thema 'Wonen B' is ontwikkeld door auteurs en medewerkers van StudioVO.

    Fair Use
    In de Stercollecties van StudioVO wordt gebruik gemaakt van beeld- en filmmateriaal dat beschikbaar is op internet. Bij het gebruik zijn we uitgegaan van fair use. Meer informatie: Fair use

    Mocht u vragen/opmerkingen hebben, neem dan contact op via de helpdesk VO-content.

    Aanvullende informatie over dit lesmateriaal

    Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar:

    Toelichting
    Dit thema valt onder de arrangeerbare leerlijn van de Stercollecties voor Nederlands voor vmbo-b34. In de bij dit thema behorende opdrachten staan verschillende taalvaardigheden centraal. Zo wordt het herkennen en maken van een reclamespotje en het herkennen en beschrijven van het belang van tijd en plaats in een verhaal behandeld. Later komt het belang van humor in een stripverhaal, het verschil tussen een gezegde en een uitdrukking en het juist toepassen van de regels voor werkwoordspelling aan bod. Om het thema af te sluiten wordt in tweetallen een webpagina over een ander land geschreven. Ook is er examentraining en een diagnostische toets beschikbaar. Veel succes!
    Leerniveau
    VMBO basisberoepsgerichte leerweg, 4; VMBO basisberoepsgerichte leerweg, 3;
    Leerinhoud en doelen
    Nederlands; Schrijfvaardigheid; Leesvaardigheid;
    Eindgebruiker
    leerling/student
    Moeilijkheidsgraad
    gemiddeld
    Studiebelasting
    16 uur 30 minuten
    Trefwoorden
    arrangeerbaar, emigreren, nederlands, reclamespot, stercollectie, uitdrukkingen en gezegden, vmbo-b34, webpagina maken, werkwoordspelling, wonen

    Gebruikte Wikiwijs Arrangementen

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Fictie - Strips vmbo-b34

    https://maken.wikiwijs.nl/74517/Opdracht__Fictie___Strips__vmbo_b34

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Lezen - Plaats en tijd vmbo-b34

    https://maken.wikiwijs.nl/74516/Opdracht__Lezen___Plaats_en_tijd__vmbo_b34

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Luisteren en kijken - Reclame vmbo-b34

    https://maken.wikiwijs.nl/74515/Opdracht__Luisteren_en_kijken___Reclame__vmbo_b34

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Spelling - Werkwoordspelling vmbo-b34

    https://maken.wikiwijs.nl/74520/Opdracht__Spelling___Werkwoordspelling__vmbo_b34

    VO-content Nederlands. (2020).

    Opdracht: Woordenschat - Uitdrukkingen vmbo-b34

    https://maken.wikiwijs.nl/74518/Opdracht__Woordenschat___Uitdrukkingen__vmbo_b34

  • Downloaden

    Het volledige arrangement is in de onderstaande formaten te downloaden.

    Metadata

    LTI

    Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI koppeling aan te gaan.

    Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.

    Arrangement

    Oefeningen en toetsen

    Wonen

    IMSCC package

    Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.

    QTI

    Oefeningen en toetsen van dit arrangement kun je ook downloaden als QTI. Dit bestaat uit een ZIP bestand dat alle informatie bevat over de specifieke oefening of toets; volgorde van de vragen, afbeeldingen, te behalen punten, etc. Omgevingen met een QTI player kunnen QTI afspelen.

    Versie 2.1 (NL)

    Versie 3.0 bèta

    Voor developers

    Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op onze Developers Wiki.