Thema Bloed en bloedsomloop hv12

Thema Bloed en bloedsomloop hv12

Thema: Bloed en bloedsomloop

Intro

Je weet al wel dat je hart één van je belangrijkste organen is.
Maar weet je ook hoe je hart precies in elkaar zit?
Je weet wel dat het hart een belangrijke rol speelt bij het rondpompen van het bloed door je lichaam.
Maar waarom is het zo belangrijk dat het bloed door heel je lichaam wordt gepompt?
Waarschijnlijk weet je ook al wel dat er verschillende hartziekten zijn.
Maar weet je ook wat een hartinfarct is?

In het thema Bloed en bloedsomloop kijk je naar de bouw en de werking van het hart, hoe je bloed door het lichaam stroomt, naar de verschillende functies van het bloed en naar verschillende hart- en vaatziekten.


Aan het eind van dit thema maak samen met een klasgenoot een spel waarmee mensen leert hoe belangrijk je bloed en/of bloedsomloop zijn en/of hoe het allemaal werkt.

Dan moet je natuurlijk eerst zelf alles hierover weten…

Wat kan ik straks?

In de tabel vind je de leerdoelen van dit thema.

Aan het einde van dit thema kan ik: Opdracht:

drie soorten bloedcellen benoemen en beschrijven hoe deze eruit zien.

  • Bloed

de bouw van het hart beschrijven en de verschillende onderdelen benoemen.

  • Hart en bloedsomloop
de werking van het hart, de aders, slagaders en haarvaten uitleggen.
  • Hart en bloedsomloop
drie hartziekten en drie vaatziekten opnoemen en beschrijven.
  • Hart- en vaatziekten

met behulp van een schema bepalen welke bloedgroep een ontvanger van een bloedtransfusie al dan niet toegediend kan krijgen.

  • Bloedtransfusie

 

Wat ga ik doen?

In dit thema ga je aan de gang met vier opdrachten, een extra opdracht (★) over het afweersysteem, de afsluiting en een diagnostische toets.
In de tabel staat per opdracht hoeveel lessen je ongeveer nodig hebt.

Activiteit Tijd Eindproduct
Inleiding 0,5 lesuur  
Opdracht: Bloed 3 lesuren Toets maken.
Opdracht: Hart en bloedsomloop 3 lesuren Toets maken of inspanningsonderzoek uitvoeren.
Opdracht: Hart- en vaatziekten 2 à 3 lesuren Folder maken.
Opdracht: Bloedtransfusie 2 lesuren Toets of eigen les maken.
Extra Opdracht: ★ Afweersysteem 3 lesuren Podcast maken.
Afsluiting 3 lesuren Spel maken.
Diagnostische toets 1 lesuur  
Totaal 17,5 à 18,5 lesuren  

De tijd is een indicatie en afhankelijk van de keuze van het eindproduct.

Opdrachten

Bloed

Bloed

Intro

In deze opdracht staat de samenstelling van het bloed centraal. 
Iedereen weet wat bloed is, maar wat is eigenlijk de samenstelling van bloed?
Daarover gaat deze opdracht.

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • drie soorten bloedcellen benoemen en beschrijven hoe deze eruit zien.
  • beschrijven wat bloedarmoede is, wat de belangrijkste oorzaak is en wat het gevolg kan zijn.
  • aangeven hoe een korstje op een wond ontstaat met behulp van de begrippen fibrinogeen en fibrine.
  • bloed onder de microscoop bekijken en onderdelen tekenen en benoemen.

Wat ga ik doen?

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Je bestudeert de Kennisbank en leert over de samenstelling van bloed. Na het kijken van een video maak je vragen over de samenstelling van bloed.
Stap 2 Je leert wat de functie is van rode bloedcellen en ontdekt wat er gebeurt als je te weinig rode bloedcellen hebt. Daarover maak je ook vragen.
Stap 3 Wat zorgt ervoor dat je beter wordt als je ziek bent? Dat lees je in deze stap. Je maakt vragen over de witte bloedcellen en je afweer.
Stap 4 Als je gewond bent zorgt je lichaam er vaak zelf voor dat je wond geneest. Maar hoe doet je lichaam dat? Dat leer je in deze stap.
Stap 5 Je bestudeert bloed onder de microscoop en maakt twee schematische tekeningen.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Begrippenlijst Hier vind je de Kennisbank en de begrippen die horen bij deze opdracht.
Eindopdracht Je maakt de toets over 'bloed'.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.

 

Benodigdheden

  • Microscoop
  • Kant en klaar preparaat bloed (gesteriliseerd)
  • Werkblad Googledoc - Bloed bekijken

Tijd
Voor deze opdracht heb je drie lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Samenstelling bloed

Bloed is samengesteld uit bloedplasma en bloedcellen.
Bloedplasma bestaat voor het grootste deel uit water.
Hierin worden onder andere voedingsstoffen, afvalstoffen en hormonen vervoerd.

In het bloedplasma zweven ook verschillende bloedcellen met een eigen functie.
Bestudeer uit de Kennisbank biologie het onderdeel:

Bloed en lymfe

Bekijk na het lezen van de Kennisbank de video op van SchoolTV.
De vragen die je hierna gaat beantwoorden gaan over de Kennisbank en de video.

Video: Samenstelling van het bloed

Stap 2: Rode bloedcellen

De taak van de rode bloedcellen is het vervoeren van zuurstof van de longen naar de cellen en van koolstofdioxide van de cellen naar de longen.
Deze twee stoffen hechten zich aan het eiwit hemoglobine.
Hemoglobine bevat ijzer dat zuurstof en koolstofdioxide kan binden.
Bloedcellen met veel zuurstof zijn lichtrood. Bloedcellen zonder zuurstof zijn donkerrood.

Een rode bloedcel heeft een doorsnede van 7 à 8 micrometer (= 0,007 à 0,008 millimeter).
Het bloed bestaat uit 40 tot 50% uit rode bloedcellen.
Reken je het uit, dan zitten er in elke milliliter bloed tussen de 4 à 6 miljard rode bloedcellen.

Rode bloedcellen hebben geen kern. Een cel zonder kern kan zich bij beschadiging niet herstellen.
Rode bloedcellen leven gemiddeld drie maanden.
Nieuwe bloedcellen worden gemaakt in het beenmerg dat zich in het binnenste van je botten bevindt.

Bloedarmoede
Bij een tekort aan rode bloedcellen spreek je van bloedarmoede.
De meeste mensen die hier aan lijden zijn heel snel moe. Waarom?
Bekijk het filmpje om hier meer over te leren:

Een erfelijke vorm van bloedarmoede is sikkelcelanemie.
Klik op de website oscarnederland.nl en bestudeer de eerste pagina over de sikkelcelziekte.
Probeer daarna de volgende vragen te beantwoorden.

Stap 3: Witte bloedcellen

Je hebt vast wel eens een infectieziekte gehad. Gelukkig ben je daarna weer beter geworden.
Daar had je de witte bloedcellen voor nodig.
De functie van de witte bloedcellen is het lichaam verdedigen tegen ziektekiemen.

Witte bloedcellen worden net als rode bloedcellen in het beenmerg gemaakt.
Er zijn veel verschillende soorten witte bloedcellen.

Eén van de soorten is de macrofaag (= vreetcel). Hij kan van vorm veranderen en door de kleine openingen van de bloedvaatjes naar buiten kruipen.
Hij eet de bacteriën en virussen die hij tegenkomt. (zie Kennisbank - Witte bloedcellen).

Bloed en lymfe

Andere soorten witte bloedcellen maakt antistoffen tegen ziektekiemen.
Door die antistoffen kleven bacteriën of virussen aan elkaar vast en kunnen ze het lichaam niet meer ziek maken.

 

Vervolgens eten de macrofagen ze op. Vaak gaan die macrofagen daarna dood.
Dode macrofagen en ziektekiemen samen zijn witachtig van kleur en vormen de pus bij sommige wondjes.

Beantwoord de volgende vragen.

Stap 4: Bloedplaatjes en bloedstolling

Weet jij wat je moet doen bij een snijwondje?
En weet je hoe het komt dat je een korstje op een wond krijgt?

Iedereen heeft zich weleens gesneden. Meestal groeit de wond vanzelf weer dicht.
Wat gebeurt er dan precies met je huid en hoe kan je ervoor zorgen dat wonden zo snel mogelijk herstellen?

Video: Een wond(je)

Bloedstolling
De functie van de bloedplaatjes is dus bloedstolling. Bloedplaatjes worden net als de rode en witte bloedcellen in het beenmerg gemaakt. De cellen waaruit ze ontstaan vallen echter vaak in duizenden kleine stukjes uit elkaar. Elk stukje is een bloedplaatje. Een bloedplaatje is dus heel klein.

Maak de volgende oefening.

Stap 5: Bloedcellen tekenen

Je gaat straks met een microscoop bloedcellen bekijken en je gaat van witte en rode bloedcellen een tekening maken.
Bekijk eerst de volgende toepassing.

Toepassing: Microscoop

Practicum Bloed bekijken

  • Download nu het werkblad
    Googledoc - Bloed bekijken
    Maak een kopie van het werkblad in je eigen omgeving (Bestand - Een kopie maken...)
    of download het werkblad (Bestand - Downloaden als).​
  • Lees het werkblad inclusief de beoordeling een keer helemaal door.
  • Zoek de benodigdheden bij elkaar.
  • Voer het practicum uit.

Klaar?
Vul zelf de beoordeling in en laat de beoordeling invullen door je docent.

Schematische tekening maken

Met een schematische tekening kun je iets duidelijk weergeven. In tegenstelling tot natuurgetrouwe tekeningen bevat een schematische tekening weinig details.

 

Afronding

Begrippenlijst

Bloed

Bloedcellen
Bloedcellen vorm samen met het bloedplasma het bloed. Er zijn drie typen bloedcellen: rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes.
Bloedplasma
Bloedplasma vormt samen met bloedcellen het bloed en bestaat uit water met plasma-eiwitten en een aantal opgeloste stoffen.
Rode bloedcellen
Rode bloedlichaampjes, die hemoglobine bevatten en een functie hebben bij het vervoeren van zuurstof in het bloed.
Witte bloedcellen
Kleurloze bloedcellen met kern. Ze spelen een belangrijke rol in het afweersysteem.
Bloedplaatjes
Bloedplaatjes zijn stukjes van cellen. Ze zorgen voor het ontstaan van stolsel als ze beschadigd worden. Zo kan er uiteindelijk een korst worden gevormd.
Cellulaire afweer
Tweede afweer: witte bloedlichaampjes (witte bloedcellen) kunnen ziekteverwekkers insluiten en uitschakelen.
Lymfe
Lymfe is de vloeistof die door het lymfevatenstelsel stroomt.
Lymfevatenstelsel
Orgaanstelsel dat ervoor zorgt dat weefselvloeistof van overal in het lichaam via lymfevaten wordt teruggevoerd en uiteindelijk weer wordt opgenomen in het bloedvatenstelsel. Daarnaast speelt het lymfevatenstelsel een belangrijke rol bij de afweer tegen ziekteverwekkers.
Lymfeklieren
In de lymfeklieren wordt de lymfe gefilterd op ziekteverwekkers en andere schadelijke stoffen.Ook wel lymfeknopen genoemd.
Milt
Orgaan dat is betrokken bij het afweersysteem.
Zwezerik
Ook wel thymus genoemd; orgaan dat betrokken is bij het afweersysteem.
Hemoglobine
Kleurstof in rode bloedcellen, bindt en vervoert zuurstof en koolstofdioxide (koolzuurgas).

Eindopdracht: Toets

Je sluit deze opdracht af met het maken van een toets.

Terugkijken

Intro

  • Lees de intro van deze opdracht nog eens door.
    Hoeveel steekwoorden over bloed kon je al opnoemen? Schrijf nu nogmaals alle steekwoorden op die je kent die met bloed te maken hebben. Doe het uit je hoofd. Hoeveel woorden ken je nu? Kun je van alle woorden uitleggen wat hun betekenis of functie is?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 3 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Klopt dat?
  • Inhoud
    Was de inhoud van de opdracht nieuw voor je of wist je het meeste al?
    Noem drie dingen die nieuw voor je waren. Waren er  ook drie dingen die je al wist?
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht? 
    Is het gelukt om een voldoende voor de toets te halen? Zo niet, wat heb je dan gedaan om te zorgen dat je de leerdoelen nu wel goed kent? 

Hart en bloedsomloop

Hart en bloedsomloop

Intro

Dat er bloed door je lichaam stroomt, is natuurlijk geen nieuws. Ook weet je dat je hart hier een belangrijke functie in heeft. 
Maar wat is die functie nou precies en hoe werkt je bloedsomloop?
Dat staat in deze opdracht centraal.

Bekijk alvast onderstaande video. In de video zie je de verschillende onderwerpen van deze opdrachten voorbij komen. Let goed op, de informatie die je hoort, kun je gebruiken in de rest van deze opdracht.

 

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • de bouw van het hart beschrijven en de verschillende onderdelen benoemen.
  • de werking van het hart uitleggen.
  • uitleggen wat het verschil is tussen aders, slagaders en haarvaten.
  • een aantal belangrijke aders en slagaders opnoemen.
  • het verschil tussen de kleine en grote bloedsomloop uitleggen.

Wat ga ik doen?

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Na het bestuderen van de Kennisbank ga kun je in een oefening aangeven op welke manier je bloedsomloop functioneert.
Stap 2 Je voert het practicum hartslag meten uit en meet je hartslag voor én na inspanning. Daarover schrijf je een onderzoeksverslag.
Stap 3 De frequentie van je hartslag heeft onder andere te maken met de grote van een dier. Je koppelt de juiste frequentie aan het juiste dier.
Stap 4 Je bestudeert de binnen en de buitenkant van het hart. Daarna geef je in een oefening aan hoe de verschillende onderdelen van het hart allemaal heten.
Stap 5 Bloedvaten worden vaak genoemd naar het orgaan waar ze naar toe lopen. Je gaat op zoek naar verschillende namen van (slag)aders en haarvaten.
Stap 6 Je ontleedt het hart van een schaap en schrijft hier een onderzoeksverslag over.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Begrippenlijst Hier vind je de Kennisbank en de begrippen van de opdracht hart en bloedsomloop.
Eindopdracht A Je maakt een toets die hoort bij de opdracht hart en bloedsomloop.
Eindopdracht B of Je voert een inspanningsonderzoek uit en schrijft hier een onderzoeksverslag over.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.

 

Tijd
Voor de hele opdracht heb je ongeveer drie lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Hart en bloedsomloop

Bestudeer uit de Kennisbank biologie het onderdeel:

Hart en bloedsomloop

Maak de volgende oefening.

Stap 2: Hartslag meten

Je hart maakt geluid. Dit wordt veroorzaakt door de hartkleppen en slagaderkleppen.
Een arts luistert naar de geluiden die het hart maakt met een stethoscoop.

Je kunt zelf het geluid ook horen, bijvoorbeeld door je oor op iemands borst te leggen.
Als je een wc-rolletje gebruikt hoor je het geluid nog beter.

Het hart is een spier die als een pomp werkt. Het rondpompen van het bloed door het hart kun je voelen. Bijvoorbeeld bij je pols of in je hals. Tijdens het rondpompen wordt de wand van de slagaders steeds iets naar buiten gedrukt. Dit gebeurt op het ritme van de hartslag.

Kijk of je je eigen hartslag kunt voelen en voer dan het practicum uit.

Practicum Hartslag meten
Je gaat samen met een klasgenoot onderzoeken wat de invloed van inspanning op je hartslag is.
Is je hartslag hoger of juist lager na een zware inspanning?
Hoeveel minuten duurt het voordat je hart weer net zo snel klopt als voor de inspanning?
Heb je dezelfde waarden als je klasgenoot? Kun je eventuele verschillen verklaren?

  • Download het practicum Googledoc - hartslag meten
    Maak een kopie van het werkblad in je eigen omgeving (Bestand - Een kopie maken...) of download het werkblad (Bestand - Downloaden als).
  • Lees het practicum een keer helemaal door.
  • Zorg dat je een stopwatch hebt en voer het practicum uit.
  • Maak het onderzoeksverslag (kijk voor tips hieronder).
  • Beoordeel eerst samen met een klasgenoot het onderzoeksverslag.
  • Laat het verslag vervolgens beoordelen door de docent.

 

Succes.

Natuurwetenschappelijk verslag maken

Schrijf je een verslag van een onderzoek voor biologie of NaSk, dan wordt dit een natuurwetenschappelijk verslag genoemd. Het is hierbij vooral belangrijk dat het doel van je onderzoek en de manier waarop je het uitvoert zo duidelijk mogelijk wordt weergegeven. Het schrijven van zo’n verslag gebeurt in verschillende stappen.

 

Stap 3: Tempo hartslag en grootte

De hartslagfrequentie in rust verschilt per diersoort.

De vuistregel is:
Hoe zwaarder en groter het dier, hoe lager de hartslagfrequentie.

Maak de onderstaande oefening.

Stap 4: Buiten- en binnenaanzicht hart

Buitenaanzicht van het hart
Je ziet in de opdracht een schematische afbeelding van het hart en de bloedvaten er omheen.
Leer de namen van de verschillende onderdelen.

Het hart van binnen
Je ziet in de opdracht een schematische afbeelding van een binnenaanzicht van het hart.
Leer de namen van de onderdelen die je nog niet kent.

Maak nu de volgende oefening. Probeer niet te kijken bij de voorbeelden hierboven.

Stap 5: Naamgeving van bloedvaten

De bloedsomloop is de verzameling van slagaders, aders en haarvaten.

Slagaders worden genoemd naar de organen waarheen ze het bloed vervoeren. De slagader die vanaf de aorta het bloed naar de darmen vervoert, heet bijvoorbeeld de darmslagader.

Aders worden genoemd naar de organen waar het bloed dat ze vervoeren vandaan komt. De ader die het bloed van een nier naar de holle ader vervoert heet nierader.

Haarvaten worden genoemd naar het orgaan waarin ze voorkomen.
De hersenhaarvaten bevinden zich in de hersenen.

Tabel maken

Een tabel of schema is een manier om gegevens in beeld te brengen, op zo’n manier dat het er overzichtelijk uit ziet.

 

Stap 6: Ontleden van een hart

In het volgende filmpje wordt een schapenhart open gesneden.

Wat is je mening over het snijden in organen van dieren?
Bespreek je mening met een of enkele klasgenoten.

Practicum Hart tekenen
Jullie horen van jullie docent of jullie een tekening van een hart gaan maken.

  • Download het werkblad Googledoc - Hart tekenen
    Maak een kopie van het werkblad in je eigen omgeving (Bestand - Een kopie maken...)
    of download het werkblad (Bestand - Downloaden als).
  • Lees het werkblad een keer helemaal door.
  • Zoek de benodigdheden bij elkaar en maak de twee tekeningen.
  • Houd je aan de tekenregels, zoals beschreven in de reisgids.
  • Beoordeel eerst zelf de tekeningen.
  • Laat de tekeningen vervolgens beoordelen door de docent.

 

Succes.

Natuurgetrouwe tekening maken

In een natuurgetrouwe tekening verwerp je veel meer details dan in een schematische tekening. Je zorgt ervoor dat je het object zo realistisch mogelijk weergeeft.

 

Afronding

Begrippenlijst

Hart en bloedsomloop

Bloed
Lichaamsvocht dat zuurstof en opgeloste stofwisselingsproducten naar de weefsels aanvoert, en koolstofdioxide en afvalproducten afvoert. Ook transporteert bloed hormonen en warmte, zorgt het voor verdediging tegen indringers en voor bloedstolling bij verwondingen.
Bloedsomloop
Het stromen van bloed door aders, slagaders en haarvaten door het lichaam heen.
Slagaders
Bloedvat waardoor zuurstofrijk bloed van het hart wegstroomt om de verschillende organen van zuurstof te voorzien. Een slagader heeft een dikke wand, is elastisch en de bloeddruk in de slagaders is hoog. Alleen de longslagader bevat zuurstofarm bloed.
Aders
Bloedvat waardoor zuurstofarm bloed vanaf de organen naar het hart stroomt om afvalstoffen af te voeren. Een ader heeft een dunne wand en een lage bloeddruk. Uitzondering is de longader: die bevat zuurstofrijk bloed.
Haarvaten
Allerkleinste bloedvaten in de organen. De wand is heel dun, zodat het bloed en orgaan stoffen gemakkelijk kunnen uitwisselen.
Hart
Een spier die regelmatig samentrekt en zorgt voor het stromen van het bloed door het bloedvatenstelsel.
Boezem
Onderdeel van het hart. Een gezond hart heeft een linker- en een rechterboezem.
Kamer
Onderdeel van het hart. Een gezond hart heeft een linker- en een rechterkamer.
Aorta
Belangrijke lichaamsslagader die bloed vanuit de linkerkamer het lichaam in pompt.
Kleine bloedsomloop
Deel van de bloedsomloop dat ervoor zorgt dat zuurstofarm bloed weer zuurstofrijk kan worden: zuurstofarm bloed stroomt van het hart door de longslagader naar de longen. Van de longen stroomt het zuurstofrijke bloed via de longader terug naar het hart.
Grote bloedsomloop
Deel van de bloedsomloop dat ervoor zorgt dat zuurstofrijk bloed door het lichaam stroomt naar alle organen (behalve de longen).

Eindopdracht A: Toets

Bij eindopdracht A sluit je opdracht af met het maken van een toets.

Eindopdracht B: Inspanningsonderzoek

Bij eindopdracht B ga je een onderzoek doen naar je hartslag bij verschillende soorten inspanning. Hierover schrijf je een onderzoeksverslag.

Je mag bij deze opdracht samenwerken met een klasgenoot. Maar je mag er ook voor kiezen om de opdracht alleen te maken.

In stap 2 heb je al een practicum uitgevoerd. Deze opdracht is een uitbreiding van die opdracht.

  • Open het werkblad Googledoc: Eindopdracht B
    Maak een kopie van het werkblad in je eigen omgeving (Bestand - Een kopie maken...)
    of download het werkblad (Bestand - Downloaden als).​
  • Lees het practicum een keer helemaal door.
  • Zorg dat je een stopwatch hebt en voer het practicum uit.
  • Maak het onderzoeksverslag (kijk voor tips hieronder).
  • Beoordeel eerst (samen met een klasgenoot) het onderzoeksverslag.

Beoordeling
De beoordelingseisen voor het onderzoeksverslag vind je in het Googledocument.
Verder let je docent er ook op dat je goede en verschillende inspanningen hebt uitgevoerd voor dit practicum.

Klaar?
Lever je document in bij je docent.

 

Natuurwetenschappelijk verslag maken

Schrijf je een verslag van een onderzoek voor biologie of NaSk, dan wordt dit een natuurwetenschappelijk verslag genoemd. Het is hierbij vooral belangrijk dat het doel van je onderzoek en de manier waarop je het uitvoert zo duidelijk mogelijk wordt weergegeven. Het schrijven van zo’n verslag gebeurt in verschillende stappen.

 

Terugkijken

Intro

  • Lees de intro van deze opdracht nog eens door.
    Gaf de video een duidelijk beeld van de bloedsomloop? Vond je deze video een goede inleiding voor deze opdracht? Zo niet, wat zou jij als inleiding hebben gekozen?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 3 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Klopt dat?
  • Inhoud
    Was de inhoud van de opdracht nieuw voor je of wist je het meeste al?
    Schrijf op wat nieuw voor je was. Schrijf ook op wat je al wist.
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht?
    A: Is het gelukt om de toets voldoende te maken? Heb je kunnen controleren of je alle leerdoelen beheerst?
    B: Heb je er voor gekozen om de opdracht alleen te doen of werk je liever samen? Waarom heb je deze keuze gemaakt?
    Je hebt een onderzoeksverslag geschreven. Geeft dit onderzoeksverslag een duidelijk beeld van jouw (jullie) onderzoek?
    In hoeverre klopte jouw (jullie) hypothese met de eindconclusie?

Hart- en vaatziekten

Hart- en vaatziekten

Intro

Wist je dat? 

  • Er zijn 1 miljoen mensen in Nederland met een hart- of vaatziekte.
  • Iedere dag  gaan 107 mensen (57 vrouwen en 50 mannen)  dood aan een hart- of vaatziekte.
  • Gezonde voeding kan helpen om hart- en vaatziekten te voorkomen.
  • Roken verhoogt het risico op hart- en vaatziekten.


In deze opdracht staan hart- en vaatziekten centraal.
Je bestudeert enkele hart- en vaatziekten.
Je kijkt naar de oorzaken en de gevolgen en je leert over manieren om de kans op hart- en vaatziekten te verkleinen.

Kijk eerst met een klasgenoot de cijfers hierboven. Bespreek de aantallen en risico's die je ziet. Kennen jullie mensen in jullie omgeving die hart- of vaatziekte hebben of hier misschien zelfs wel aan zijn overleden?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • uitleggen wat bedoeld wordt met bloeddruk en twee factoren noemen die de hoogte van je bloeddruk beïnvloeden.
  • drie hartziekten en drie vaatziekten opnoemen en beschrijven.
  • minimaal drie oorzaken opnoemen van hart- en vaatziekten.
  • aangeven hoe je de kans op hart- en vaatziekten kunt verkleinen.

Wat ga ik doen?

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1  en  Je bestudeert de Kennisbank en bespreekt daarna met een klasgenoot stellingen over hart- en vaatziekte.
Stap 2  en  Je leest informatie op de website van de Hartstichting en maakt daarna verschillende oefeningen.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Begrippenlijst Hier vind je de Kennisbank en de begrippen van de opdracht hart- en vaatziekten.
Eindopdracht Je maakt een folder met tips om hart- en vaatziekte te voorkomen.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.
Extra
Onderdeel Activiteit
Extra Je vult een enquête in over je leefstijl.

 

Tijd
Voor deze opdracht heb je 2 à 3 lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Hart- en vaatziekten

Bestudeer uit de Kennisbank biologie het onderdeel:

Hart- en vaatziekten


Maak groepjes van twee of drie leerlingen
Bespreek samen onderstaande stellingen. Zijn ze waar of niet waar?

Stap 2: Nederlandse Hartstichting

Er zijn heel veel soorten hart- en vaatziekten. Soms is de oorzaak een fout in de bouw van het hart of door te wijd openstaande aders. Soms is zo'n ziekte ontstaan tijdens de zwangerschap.
Ook kan ongezond eten of roken de oorzaak zijn van een hart- of vaatziekte.
Op de website van de hartstichting lees je er veel meer over.​

Tabel maken

Een tabel of schema is een manier om gegevens in beeld te brengen, op zo’n manier dat het er overzichtelijk uit ziet.

 

Afronding

Begrippenlijst

Hart- en vaatziekten

Bloeddruk
Bloeddruk is de druk die op bloed in de bloedvaten staat.
Bovendruk
Bovendruk is de druk die ontstaat als het hart het bloed in de slagaders pompt. Ook wel systolische bloeddruk genoemd.
Onderdruk
Onderdruk is de druk die ontstaat als het hart zich na een hartslag opnieuw vult met bloed.
Embolie
Naam voor een verstopping in het bloedvatenstelsel.
Hartinfarct
Bij een hartinfarct wordt de bloedtoevoer in de kransslagader helemaal afgesloten als gevolg van een embolie.
Herseninfarct
Bij een herseninfarct wordt een bloedvat in de hersenen gedurende lange tijd helemaal afgesloten als gevolg van een embolie.
Hersenbloeding
Je spreekt van een hersenbloeding als een bloedvat in de hersenen is gescheurd.
Plaque
Een vetachtige laag aan de binnenkant van een bloedvat, wat voor vernauwing zorgt. Als de plaque loslaat kan een embolie ontstaan.
Dotteren
Door middel van het inbrengen van een ballonnetje in een bloedvat wordt geprobeerd slagaderverkalking te voorkomen, door het laten afbrokkelen van de plaque.
Bypassoperatie
Er wordt een omleiding gemaakt om de verstopping heen, in het bloedvatenstelsel met een bloedvat uit een ander lichaamsdeel.

Eindopdracht: Folder

Maak samen met een klasgenoot een folder over twee hart- of vaatziekten.

Kies in overleg met jullie docent twee hart- of vaatziekten uit.
Ga op internet op zoek naar informatie over de ziekten.
Maak tijdens het surfen aantekeningen in een tekstdocument.
Verzamel tijdens het surfen ook alvast goede en duidelijke afbeeldingen.
Jullie kunnen ook de informatie uit stap 2 gebruiken.

Gebruik de informatie om de folder te maken.
Zorg dat duidelijk is wat de ziekte inhoudt, hoe de ziekte kan ontstaan en wat er gedaan kan worden om de ziekte te voorkomen.
Lees voor je begint eerst nog even de Gereedschapskist door.

Vraag een ander tweetal om commentaar op jullie folder.
Beoordeel ook hun folder. Pas de folder eventueel nog iets aan.

Beoordeling
Jullie docent let bij de beoordeling van de folder op het volgende punten:

  • de inhoud: worden twee hart- of vaatziekten besproken?

  • de opbouw: is de informatie in de folder overzichtelijk en logisch ingedeeld?

  • de vorm: ziet de folder er aantrekkelijk uit?

  • taalfouten: bevatten de teksten geen (of bijna geen) taalfouten?


Tevreden?
Laat de folder beoordelen door jullie docent.

Folder maken

Met maken van een folder presenteer je kennis die je hebt opgedaan aan anderen.

 

Terugkijken

Intro

  • Lees de intro van deze opdracht nog eens door.
    Vind je het een goede intro om de opdracht mee te beginnen?
    Waarom wel of waarom niet?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 3 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Klopt dat?
  • Inhoud
    Was de inhoud van de opdracht nieuw voor je of wist je het meeste al?
    Schrijf op wat nieuw voor je was.
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht?
    Vond je het fijn om de opdracht met z'n tweeën te doen?
    Hoe verliep de samenwerking?
    Waren er problemen waar je tegenaan liep bij het maken van de folder? Zo ja, op welke manier heb je deze opgelost?

Extra

Extra: Leefstijl

Hoe groot is de kans dat jij later last krijgt van hart- en vaatziekten?
BEkijk de website: www.hartstichting.nl/gezond-leven.
Hoe gezond is jouw leefstijl voor je hart?
Lees de adviezen goed door.

Maak voor jezelf een lijstje met vijf dingen die je al goed doet en een lijstje met drie dingen die je nog beter zou kunnen doen.

Bloedtransfusie

Bloedtransfusie

Intro

Je staat er misschien niet zo bij stil, maar elke dag hebben honderden mensen in ons land bloed nodig. 
Dit kunnen verkeersslachtoffers zijn, maar bijvoorbeeld ook vrouwen die een zware bevalling hebben gehad.

Als iemand bloed nodig heeft, wordt er gebruikgemaakt van een bloedtransfusie.
Het bloed dat wordt gebruikt, is afkomstig van een bloeddonor die zijn of haar bloed heeft afgegeven bij de bloedbank. Maar een bloedtransfusie is meer dan het zomaar toedienen van bloed aan patiënten.
Je moet goed rekening houden met de bloedgroep van de patiënt.

In deze opdracht leer je welke bloedgroepen er zijn en waar op gelet moet worden bij een bloedtransfusie.

Ken jij iemand die bloeddonor is of heb je misschien zelf wel een bloedtransfusie ontvangen omdat je bijvoorbeeld te vroeg geboren bent? Bespreek het met een klasgenoot. Zou jij bloed durven geven om anderen te redden?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • de vier verschillende bloedgroepen noemen: A, B, AB en O.
  • omschrijven dat het gevaarlijk kan zijn als er bij een bloedtransfusie het verkeerde bloed wordt gebruikt.
  • aangeven hoe je de bloedgroep van een persoon kunt bepalen.
  • aangeven dat het erfelijk bepaald is welke bloedgroep je hebt.
  • met behulp van een schema bepalen welke bloedgroep een ontvanger van een bloedtransfusie al dan niet toegediend kan krijgen.

Wat ga ik doen?

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Je maakt kennis met de vier verschillende bloedgroepen.
Stap 2 Bloedgroepen kun je niet zomaar combineren. In deze stap leer je welke bloedgroepen je kunt combineren.
Stap 3 Als een moeder zwanger is kan de resusfactor gevaarlijk zijn voor de baby. Daarover leer je in deze stap.
Stap 4 Hoe weet je nou wat iemands bloedgroep is? Dat doe je met antistoffen. Hoe? Dat leer je in deze stap.
Stap 5 Je maakt een oefening om te kijken of jij ook met antistoffen de bloedgroep aan kunt tonen.
Stap 6  en  Welke bloedgroepen zijn er mogelijk als je ouders een bepaalde bloedgroep hebben? Dat ontdek je in deze stap.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Begrippenlijst Hier vind je de begrippen van de opdracht bloedtransfusie.
Eindopdracht A Je maakt een toets over het onderwerp bloedtransfusies.
Eindopdracht B Je maakt een eigen les die je aan klasgenoten kunt geven.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.

 

Benodigdheden
Eindopdracht B: eventueel materiaal dat aansluit bij de te geven les.

Tijd
Twee lesuren.

Aan de slag

Stap 1: Vier bloedgroepen

Bloed bestaat voor ongeveer de helft uit plasma. De andere helft bestaat uit bloedcellen.
De rode bloedcellen vormen het grootste bestandsdeel van de bloedcellen. Op de rode bloedcellen bevinden zich eiwitten die niet bij iedereen hetzelfde zijn. Als twee mensen verschillende eiwitten op hun rode bloedcellen hebben, dan hebben ze een verschillende bloedgroep.

Heb je bloedgroep A, dan betekent dit dat eiwit A op je rode bloedcellen zit.
Iemand met bloedgroep B heeft eiwit B op zijn rode bloedcellen.
Heb je zowel eiwit A als B op je rode bloedcellen, dan heb je bloedgroep AB.
Er zijn ook mensen met de bloedgroep O; die hebben geen eiwit A of B op hun bloedcellen.

Voordat de bloedgroepen werden ontdekt was een bloedtransfusie vaak dodelijk.
Het is namelijk heel belangrijk om vóór een bloedtransfusie de bloedgroep van de patiënt en de bloedgroep van de donor te bepalen.

Lees de informatie in deze video van Bioplek maar eens. 
Als het te snel gaat kun je hem even op pauze zetten. 

Welke gebeurt er met het bloed als de verkeerde bloedgroepen worden gemengd? Bespreek het met een klasgenoot. 

Stap 2: Bloedtransfusie

Als je lichaam in contact komt met lichaamsvreemde stoffen maakt je lichaam afweerstoffen (= antistoffen) aan.
Als je zelf bloedgroep A hebt, dan zijn rode bloedcellen met eiwit B lichaamsvreemd en maak je een antistof aan die het gevecht aangaat met eiwit B.
Er ontstaat een zogenaamde transfusiereactie: je probeert het vreemde bloed af te breken. Hierdoor kun je erg ziek worden en zelfs overlijden.

Kijk nu naar deze video. In de video zie je wat er gebeurt als iemand de juiste bloedgroep toegediend krijgt en er geen gevaarlijke situatie ontstaat.

Kijk nu naar de volgende video. In deze video zie je wat er gebeurt als iemand niet de juiste bloedgroep toegediend krijgt. De rode bloedcellen gaan klonteren.

 

Stap 3: Bloedgroepen en zwangerschap

Bloedcellen hebben ook een antigen dat resusfactor wordt genoemd.
De resusfactor wordt meestal aangegeven met een +.
Er zijn dus acht combinaties mogelijk: A+. A-, B+, B-, AB+, AB-, 0+, 0-.

De resusfactor speelt een belangrijke rol bij zwangerschap.
Een ongeboren baby met + kan een moeder hebben met -. Dat heet resusantagonisme.
De moeder gaat dan antistoffen maken tegen de baby.

De baby kan de antistoffen via de placenta binnenkrijgen en daardoor sterven.
Meestal loopt de eerste baby nog geen gevaar, maar de tweede wel.
Dit kan worden voorkomen door op tijd maatregelen te nemen.

Bekijk de afbeeldingen hieronder en maak de volgende oefening.

Stap 4: Bloedgroep aantonen

Je kunt een bloedgroep bepalen door bloed te mengen met antistoffen.
Bekijk het schema.

bloedgroep antistof A antistof B
A klonteren niet-klonteren
B niet-klonteren klonteren
AB klonteren klonteren
O niet-klonteren niet-klonteren


Je ziet dat als je:

  • bloed van bloedgroep A mengt met antistof A, het bloed gaat klonteren.
  • bloed van bloedgroep A mengt met antistof B, er geen reactie is.

Stap 5: Antistoffen

Bij ieder mens bevat het bloedplasma de antistoffen tegen de bloedfactoren die niet op de rode bloedcellen voorkomen.
Met antistoffen worden vreemde cellen, bacteriën en virussen uitgeschakeld.
- Iemand met bloedgroep A, heeft antistoffen B.
- Iemand met bloedgroep B, heeft antistoffen A.
- Iemand met bloedgroep AB, heeft geen antistoffen.
- Iemand met bloedgroep O, heeft zowel antistoffen A als B.

Je kunt een bloedgroep bepalen door bloed te mengen met antistoffen.
Als je bloed van bloedgroep A mengt met antistof A dan gaat het bloed klonteren. Meng je het bloed met antistof B dan is er geen reactie.

Als je bloed van bloedgroep B mengt met antistoffen B dan gaat het bloed klonteren, meng je het met antistof A, dan is er geen reactie.

Maak de onderstaande oefening.

Stap 6: Welke bloedgroep

Welke bloedgroep je hebt is erfelijk bepaald.
In het onderstaande schema is te zien welke bloedgroep de kinderen van een ouderpaar kunnen krijgen.

bloedgroep ouders mogelijk bij het kind
A en A A of O
A en B A, B, AB of O
A en AB A, B of AB
A en O A of O
B en B B of O
B en AB A, B of AB
B en O B of O
AB en AB A, B of AB
AB en O A of B
O en O O


Bestudeer de tabel goed. Kun je een 'logica' uit de tabel afleiden?
Zo ja, leg de logica uit aan je klasgenoot.

Weet jij jouw bloedgroep? Zo ja, dan kun je herleiden welke bloedgroep je ouders mogelijk hebben. Noteer de mogelijkheden. 

Afronding

Begrippenlijst

Bloedcellen
Bloedcellen vorm samen met het bloedplasma het bloed. Er zijn drie typen bloedcellen: rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes.
Bloedplasma
Bloedplasma vormt samen met bloedcellen het bloed en bestaat uit water met plasma-eiwitten en een aantal opgeloste stoffen.
Rode bloedcellen
Rode bloedlichaampjes, die hemoglobine bevatten en een functie hebben bij het vervoeren van zuurstof in het bloed.
Witte bloedcellen
Kleurloze bloedcellen met kern. Ze spelen een belangrijke rol in het afweersysteem.
Bloedplaatjes
Bloedplaatjes zijn stukjes van cellen. Ze zorgen voor het ontstaan van stolsel als ze beschadigd worden. Zo kan er uiteindelijk een korst worden gevormd.
Bloedsomloop
Het stromen van bloed door aders, slagaders en haarvaten door het lichaam heen.
Bloedtransfusie
Bloed van een donor dat wordt gegeven aan iemand die bloedarmoede heeft of een probleem heeft met de aanmaak van bloed.
Bloedgroep
Het onderverdelen van bloed in verschillende groepen. Dit is afhankelijk van de antigenen die op de rode bloedcellen zitten. Bloedgroepen zijn erfelijk. Er zijn vier soorten bloedgroepen: A, B, O en AB.
Antistoffen
De afweerstoffen die je lichaam aanmaakt als het in contact komt met lichaamsvreemde stoffen.
Resusfactor
Een antigen op een bloedgroep. Is dit antigen aanwezig, dan krijgt de bloedgroep een + . Ontbreekt dit antigen dan krijgt de bloedgroep een -.

Eindopdracht A: Toets

Je sluit deze opdracht af met het maken van een toets.

Eindopdracht B: Eigen les maken

Als eindopdracht B ga je een eigen les maken.

In deze les ga je aan je klasgenoten of een groepje klasgenoten een les geven over één of twee leerdoelen van deze opdracht.

Zorg dat je les uit de volgende delen bestaat:

  • Een inleiding op het onderwerp bloedtransfusie
  • De leerdoelen, wat gaan je klasgenoten leren in jouw les?
  • Een duidelijke uitleg van de stof die hoort bij de leerdoelen die je hebt gekozen. Deze uitleg schrijf je op papier.
  • Minimaal drie vragen die passen bij het onderwerp.
  • Een afsluitende opdracht.
  • Denk ook aan voldoende materiaal, eventueel gekopieerde bladen etc.

Je les mag maximaal 30 minuten duren. De hele les schrijf je uit in een tekstdocument.
Lees voor je begint nog even de Gereedschapskist onderaan deze pagina.
Niet iedereen zal de les in de klas kunnen geven. Overleg met je docent of jij jouw les alleen in moet leveren of dat je hem ook daadwerkelijk aan de klas moet geven.

Beoordeling
Je docent let bij de beoordeling op het volgende:

  • De les is netjes uitgeschreven in een tekstdocument.
  • Er is kritisch nagedacht over de doelgroep.
  • De les past goed bij het onderwerp.
  • De les zit inhoudelijk goed in elkaar.
  • De les kan binnen de 30 minuten worden gegeven.
  • De les is orgineel en creatief.

Als de les ook daadwerkelijk gegeven wordt:

  • Er is voldoende materiaal beschikbaar.
  • De les is op een boeiende en overtuigende manier gebracht.
  • De les duurde maximaal 30 minuten.

Klaar?
Lever je les in bij je docent en maak zo nodig een afspraak voor het geven van de les.

Eigen les maken

Je kunt natuurlijk ook je eigen les maken! Hierbij krijg je de ruimte om je eigen ideeën en inbreng uit te werken en uit te voeren.  

 

 

Terugkijken

Intro

  • Lees de intro van deze opdracht nog eens door.
    Ben jij door deze opdracht anders gaan denken over het geven of ontvangen van een bloedtransfusie? Waarom wel/niet?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 2 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Klopt dat?
  • Inhoud
    Was de inhoud van de opdracht nieuw voor je of wist je het meeste al?
    Schrijf op wat nieuw voor je was.
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht?
    A: Is het gelukt om de toets voldoende te halen? Zo niet, is het gelukt om te achterhalen welk leerdoel je nog niet voldoende beheerst? Hoe ga je dit leerdoel extra oefenen?
    B: Is het gelukt om de les goed in het tekstdocument uit te schrijven? Welke onderdelen van de les vond je lastig? Welke onderdelen vond je makkelijk?
    Als je de les ook moest geven? Hoe heb je je hier op voorbereid? Hoe vond je het om de les te geven voor je klasgenoten? Wat zou je achteraf anders hebben gedaan?

Extra: ★ Afweersysteem

Extra: Afweersysteem

Intro

Infectieziekten worden veroorzaakt door micro-organismen (= bacteriën en schimmels) of virussen. 
Je krijgt deze ziekten binnen via luchtwegen, via besmet voedsel, via bloed en via seksueel contact.

Bekijk het filmpje. In het filmpje krijg je uitleg over ziekteverwekkers en de afweer van je lichaam.

Video: Bacteriën en virussen

Hoe je veel van deze ziektes kunt voorkomen of bestrijden leer je met deze opdracht.

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • van de begrippen antigeen, fagocyten en antistoffen aangeven welke rol zij spelen bij de afweer tegen bacteriën en virussen.
  • uitleggen hoe ons afweersysteem werkt.
  • aangeven op welke manieren je het afweersysteem kunt helpen.

Wat ga ik doen?

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 De meeste infectieziektes worden veroorzaakt door virussen of bacteriën, soms door schimmels of eencellige diertjes. Je leest hier informatie over en maakt een video.
Stap 2 Elke besmettelijke ziekte verloopt in het begin op dezelfde manier. Je beantwoord vragen over de besmetting met een ziekte.
Stap 3 Ziekteverwekkers hebben antigenen. In deze stap leer je hoe de antigenen zorgen dat je niet ziek wordt.
Stap 4 Je lichaam verdedigt zichzelf tegen indringers door onder andere de fagocyten. Hier kijk je een video over en beantwoord je vragen.
Stap 5 Antistoffen vallen ziekteverwekkers aan. Hier kijk je een video over en beantwoord je vragen.
Stap 6 Je kunt je vaccineren tegen bepaalde besmettelijke ziektes. Op die manier kun je jezelf beschermen. in deze stap leer je over het nut van vaccineren.
Stap 7 Antibiotica kan je helpen als je ziek bent geworden. Hoe dit werkt leer je in deze stap.
Stap 8 Bekijk de video over het coronavirus en bespreek de maatregelen die je kunt nemen tegen besmetting door het virus.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Begrippenlijst Hier vind je de begrippen die horen bij deze opdracht.
Eindopdracht Podcast maken.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.

 

Benodigdheden

  • Een draagbaar apparaat, zoals een laptop, iPod of mobieltje, waarmee je geluid kunt opnemen.
  • Een computerprogramma om het opgenomen geluid te mixen met muziek en andere geluiden en er zo een podcast van te maken.

Tijd
Voor deze opdracht heb je twee lesuren.

Aan de slag

Stap 1: Micro-organismen en virussen

De meeste infectieziektes worden veroorzaakt door virussen of bacteriën, soms door schimmels of eencellige diertjes.

Bekijk de video. Wat is het verschil tussen een bacterie en een virus?

Video: Wat is het verschil tussen een bacterie en een virus?

Hoe werkt een virus?
Elk soort virus die ons ziek kan maken valt andere cellen aan. Het verkoudheidsvirus bijvoorbeeld de slijmlaag van je neus en keelholte, hiv (het virus dat aids veroorzaakt) de cellen van het afweersysteem.

Een virus laat de cel die hij binnendringt helemaal voor hem werken: De cel moet het erfelijk materiaal
(= het rode sliertje in het virus) en de eiwitmantel (het blauwe deel van het virus) heel veel keren namaken. Als de cel zo duizenden virussen heeft gemaakt gaat hij zelf dood, maar de virussen komen naar buiten en beginnen bij een andere cel opnieuw.

Stap 2: Ziek worden

Elke besmettelijke ziekte verloopt in het begin op dezelfde manier.
Bekijk de afbeeldingen over iemand die de waterpokken krijgt:

De fasen in de afbeelding gelden ook voor het krijgen van een verkoudheid.
Maak nu de onderstaande oefening:

Stap 3: Afweer: Antigenen

Hoe weet je lichaam dat er een ziekteverwekker is binnengedrongen? Ziekteverwekkers hebben antigenen (= een soort uitsteeksel, gemaakt van eiwit) aan de buitenkant.

Als je geïnfecteerd wordt door een bacterie of virus, krijg je cellen met andere uitsteeksels binnen dan die van je eigen cellen. Dit gebeurt ook bij een transplantatie of bloedtransfusie.

De uitsteeksels op het celmembraan van de vreemde cellen wekken afweer op bij je afweersysteem.
Een uitsteeksel dat de afweer opwekt, wordt een antigeen genoemd. Ziekteverwekkers zoals virussen en bacteriën bevatten veel antigenen. Ziekteverwekkers zonder antigenen zijn het gevaarlijkst.
Ons afweersysteem wordt dan niet actief.

Maak nu de onderstaande oefening:

 

Stap 4: De fagocyten

Hoe verdedigt je lichaam zich tegen binnendringers?
Bij onderdeel 'Bloed' leerde je dat bepaalde witte bloedcellen (de macrofagen of vreetcellen) bij wondjes de binnendringende bacteriën opeten. Macrofagen zijn een soort fagocyten.

Bekijk het filmpje om meer over de rol van de fagocyten te leren.

Video: De hapgrage monsters van het immuunsysteem

Maak nu de onderstaande oefening:

Stap 5: Antistoffen

Antistoffen vallen de ziekteverwekkers aan.
Ze worden gemaakt door de B-lymfocyten (= een soort witte bloedcellen) en worden passend gemaakt op de antigenen van een ziekteverwekker. In dit filmpje nog wat meer informatie daarover.
Bekijk dit filmpje:

Video: Een geraffineerd wapen 

Maak nu de volgende vijf vragen:

Stap 6: Inenten en vaccins

Inenten
Bij inenting krijg je met een injectienaald een stof in de bloedbaan van je lichaam gespoten.
Bij het bestrijden van besmettelijke ziektes zijn er drie mogelijkheden:

Preventief:

  • Actieve immunisatie door inenting met antigenen. Dit heet vaccineren.
  • Passieve immunisatie door inenting met antistoffen.
    Dit doet men bij uitzondering als er onvoldoende tijd is voor een vaccinatiereeks.


Als men de ziekte al heeft:

  • Toedienen van antibiotica. Deze helpen alleen tegen bacteriën en niet tegen virussen.
    Soms worden antibiotica via een infuus toegediend, maar vaak kan men antibiotica als pil of drankje slikken.

De meeste mensen in Nederland zijn in hun kinderjaren tegen veel ziektes ingeënt.
Klik hier als je hierover meer wilt weten.

Actieve immunisatie
Door inenten met een verzwakte ziekteverwekker, wordt het afweersysteem geactiveerd.
Als je later opnieuw met de ziekteverwekker in aanraking komt, ben je beschermd tegen de ziekte.
Dit heet actieve immunisatie. De ingespoten vloeistof heet een vaccin.

Kinderen worden ingeënt tegen allerlei ziekten, zoals de bof, tetanus en rode hond.
Oudere mensen en mensen met een zwakke gezondheid krijgen een griepprik.
Een nieuwe ontwikkeling is de inenting tegen baarmoederhalskanker.
Deze vorm van kanker wordt veroorzaakt door een virus.

Vaccins en sera bij mensen
Vogelgriep, SARS, Mexicaanse griep: er duiken telkens nieuwe gevaarlijke ziektes op.
Daarom is men altijd op zoek naar nieuwe vaccins. Sommige virussen veranderen in de loop van de tijd echter sterk.
Een voorbeeld is het hiv-virus dat aids veroorzaakt. Tegen zo’n virus kun je niet vaccineren.

Als je naar een tropisch land op vakantie gaat, hoef je alleen tijdelijk beschermd te zijn tegen bepaalde ziektes. Je krijgt dan vaak een serum met antistoffen. Dit heet passieve immunisatie. Het immuunsysteem komt dan niet in actie.

Stap 7: Antibiotica bij mensen

In 1928 werd de penseelschimmel voor het eerst gebruikt om bacterieziekten bij mensen te genezen. De penseelschimmel maakt het antibioticum penicilline.
Tegenwoordig worden er allerlei typen antibiotica ingezet bij infecties.

Aids
Bij mensen met aids wordt het afweersysteem aangevallen door hiv, een retrovirus.
Mensen met aids overlijden gewoonlijk aan andere ziekten die ze zelf niet kunnen bestrijden, omdat hun afweersysteem niet goed meer werkt.
Voorbeelden zijn zware verkoudheden, veroorzaakt door verkoudheidsvirussen, of longontsteking, veroorzaakt door pneumokokken, een soort bacteriën.

Beantwoord de volgende vragen:

Stap 8: Coronavirus

In het voorjaar van 2020 raakt de wereld in de ban van het COVID-19 en het coronavirus. COVID-19 is de ziekte die wordt veroorzaakt door het coronavirus SARS-CoV-2.

De ziekte kan luchtwegklachten en koorts veroorzaken en in ernstige gevallen ademhalingsproblemen. Het virus wordt verspreid door hoesten en niezen. Via druppeltjes komt het zo in de lucht. Als andere mensen die druppeltjes inademen, of bijvoorbeeld via de handen in de mond, neus of ogen krijgen, kunnen zij besmet raken met het virus.

Bekijk de volgende video van SchoolTV naar de uitleg over ziek worden door corona.

De belangrijkste klachten die vaak voorkomen bij COVID-19 zijn:

  • Verkoudheidsklachten (zoals neusverkoudheid, loopneus, niezen, keelpijn)
  • Hoesten
  • Benauwdheid
  • Verhoging of koorts
  • Plotseling verlies van reuk en/of smaak (zonder neusverstopping)

Om de bestrijding van het coronavirus zoveel mogelijk tegen te gaan heeft de overheid vanaf het voorjaar 2020 allerlei maatregelen afgekondigd. Hieronder zie je een aantal maatregelen:

  • Houd 1,5 meter afstand van anderen. Dat geldt voor iedereen: op straat, in winkels en op het werk.
    Mensen die samen op één adres wonen, hoeven geen 1,5 meter afstand te houden.
  • Was vaak je handen (20 seconden met water en zeep en daarna goed drogen).
  • Schud geen handen.
  • Hoest en nies in de binnenkant van je elleboog.
  • Draag een mondkapje in publiek toegankelijke gebouwen en in het openbaar vervoer.
  • Werk zoveel mogelijk thuis.
  • Ontmoet zo min mogelijk mensen.
  • Blijf thuis bij klachten; als je klachten hebt, ga je in isolatie.

Opdracht

Werk samen met een klasgenoot.

  • Kies twee van de hiervoor genoemde maatregelen uit.
  • Beschrijf waarom de maatregel helpt om de bestrijding tegen te gaan.
  • Bedenk een pictogram om de maatregel uit te beelden.

 

Afronding

Begrippenlijst

Bloedcellen
Bloedcellen vorm samen met het bloedplasma het bloed. Er zijn drie typen bloedcellen: rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes.
Bloedplasma
Bloedplasma vormt samen met bloedcellen het bloed en bestaat uit water met plasma-eiwitten en een aantal opgeloste stoffen.
Rode bloedcellen
Rode bloedlichaampjes, die hemoglobine bevatten en een functie hebben bij het vervoeren van zuurstof in het bloed.
Witte bloedcellen
Kleurloze bloedcellen met kern. Ze spelen een belangrijke rol in het afweersysteem.
Bloedplaatjes
Bloedplaatjes zijn stukjes van cellen. Ze zorgen voor het ontstaan van stolsel als ze beschadigd worden. Zo kan er uiteindelijk een korst worden gevormd.
Cellulaire afweer
Tweede afweer: witte bloedlichaampjes (witte bloedcellen) kunnen ziekteverwekkers insluiten en uitschakelen.
Lymfe
Lymfe is de vloeistof die door het lymfevatenstelsel stroomt.
Lymfevatenstelsel
Orgaanstelsel dat ervoor zorgt dat weefselvloeistof van overal in het lichaam via lymfevaten wordt teruggevoerd en uiteindelijk weer wordt opgenomen in het bloedvatenstelsel. Daarnaast speelt het lymfevatenstelsel een belangrijke rol bij de afweer tegen ziekteverwekkers.
Lymfeklieren
In de lymfeklieren wordt de lymfe gefilterd op ziekteverwekkers en andere schadelijke stoffen.Ook wel lymfeknopen genoemd.
Milt
Orgaan dat is betrokken bij het afweersysteem.
Zwezerik
Ook wel thymus genoemd; orgaan dat betrokken is bij het afweersysteem.
Hemoglobine
Kleurstof in rode bloedcellen, bindt en vervoert zuurstof en koolstofdioxide (koolzuurgas).

Eindopdracht: Podcast

Podcast vaccinaties
Maak een podcast van vijf minuten over jullie eigen inentingen. Een podcast is een soort radio-uitzending, die je kunt downloaden van het internet. Het is vaak een afwisseling van stukjes muziek met informatie.

In jullie podcast moeten de volgende dingen voorkomen:

  • Interview over je eigen inentingen met jullie ouders/verzorgers.
  • De gegevens in het inentingenboekje over die inentingen.
  • Uitleg over wat er gebeurt bij de inenting op het consultatiebureau.
    (Mag ook in het interview met je ouders worden opgenomen).
  • Uitleg over hoe een vaccinatie in het lichaam werkt.
  • Uitgebreidere informatie over ten minste een ziekte die je niet meer kunt krijgen dankzij de inentingen.
  • Jullie mening of die van andere mensen over het inenten: moet dit wel of niet gebeuren en waarom?
  • Het kan ook zo zijn dat je ouders/verzorgers ervoor hebben gekozen om jou niet in te enten. Als dat het geval is, vertel je in de podcast de motivatie om niet te vaccineren en de risico’s die verbonden zijn aan wel/niet vaccineren.
    Het interview kun je dan ook gewoon doen.

 

Gebruik naast informatie van je ouders deze websites voor meer informatie over vaccineren:

 

Beoordeling
Jullie hebben de opdracht goed uitgevoerd als:

  • In de podcast wordt genoemd tegen welke ziektes jullie als kind zijn ingeënt.
  • Er wordt uitgelegd hoe vaak en op welke leeftijd je tegen verschillende ziektes bent ingeënt en waarom dat vaker moest gebeuren.
  • Er goed wordt uitgelegd waarom inenting er voor zorgt dat je een bepaalde ziekte (je mag zelf kiezen welke) nu niet meer kan krijgen.
  • Er wordt uitgelegd wat er zou zijn gebeurd of zou gebeuren als je die ziekte wel kreeg.
  • De teksten afgewisseld worden met stukjes muziek.
  • Al het gesprokene goed is te verstaan.
  • Een of meer personen in de podcast is/zijn geïnterviewd. (bijv. je moeder over je inentingsboekje van toen je nog klein was)
  • Ben je niet gevaccineerd? Dan let je docent er op dat de reden van niet vaccineren duidelijk is en dat de risico's van niet vaccineren duidelijk benoemd worden.

Klaar?
Lever je podcast in bij je docent.

Terugkijken

Intro

  • Lees de intro van deze opdracht nog eens door. Heb jij wel eens een infectieziekte doorgemaakt. Op welke manier werd jij beter? Kun je dat na het maken van deze opdracht uitleggen.

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 2 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Klopt dat?
  • Inhoud
    Was de inhoud van de opdracht nieuw voor je of wist je het meeste al?
    Schrijf op wat nieuw voor je was.
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht?
    Hoe vond jij het om je ouders/verzorgers te interviewen over jouw vaccinaties. Waren jullie het eens over de reden en noodzaak van vaccineren? Zo niet, heb je hier met hen over gepraat?

Afsluiting

Kennisbanken: Bloed en bloedsomloop

De theorie van dit thema vind je in de Kennisbank biologie HV.

Bloed en lymfe

Hart en bloedsomloop

Hart- en vaatziekten

Eindopdracht: Bloed en bloedsomloop

Dit thema sluit je af met het maken van een spel, waarin de spelers allerlei problemen tegenkomen die het bloed ook tegenkomt als het door het lichaam stroomt.

Het mag een bordspel zijn, maar ook een digitaal spel (als je een beetje ervaring hebt in het werken met GameMaker of Stagecast Creator.

Groepsgrootte
Je maakt het spel samen met een klasgenoot.

Tijd
Je mag per persoon drie lesuren aan het maken van het spel besteden.
Plan de tijd goed en verdeel taken.

Benodigdheden
Bordspel:
Papier, geodriehoek/liniaal/passer, lijm, viltstiften/kleurpotloden, dobbelstenen en pionnen.

Computerspel:
Programma om een simpel computerspel mee te kunnen maken zoals StageCast Creator of GameMaker.

Waar gaat het spel over?
Jullie spel moet gaan over één of een combinatie van de volgende onderwerpen.
In overleg met jullie docent worden onderwerpen over de klas verdeeld.

  • De taken van de verschillende soorten bloedcellen.
  • De weg van het bloed: langs welke verschillende organen in het lichaam gaat het en welke taken voert het bloed daar werkelijk uit?
  • De namen van de onderdelen van het hart en van de verschillende bloedvaten.
  • Ziektes aan het bloed of de bloedvaten en hoe ze zijn te voorkomen of juist het herstel ervan.
  • Bloedtransfusies en bloedgroepen.
  • De werking van het afweersysteem van ons lichaam.

Nadat de onderwerpen zijn verdeeld maak je een overzicht van wat er aan inhoud in het spel moet komen.
Ieder van jullie kijkt terug bij de onderdelen van de afgelopen lessen, waar jullie spel over moet gaan en noteert de dingen die in het spel inhoudelijk aan bod moeten komen.

Bepaal nu welk spel jullie gaan maken.
Maak samen een goede taakverdeling en plan de activiteiten in de tijd.
Vergeet niet de spelregels op te schrijven.

Speel het spel een aantal keer met een ander groepje.
Wat vonden zij van het spel?
Moeten jullie nog wat verbetering aanbrengen?

Beoordeling
Jullie docent let bij de beoordeling van jullie spel op het volgende:

  • Ziet het spel er verzorgd uit?
  • Is het spel compleet?
  • Zijn de regels van het spel duidelijk?
  • Kan een individu (computerspelletje) of een groepje (bordspel) het spel goed uitspelen?
  • Kun je door het spel te spelen meer over het bloed en/of de bloedsomloop en/of het voorkomen van ziektes die ermee te maken hebben leren?

Klaar?
Laat het spel beoordelen door jullie docent.

Spel maken

Een spel is een creatieve manier om informatie te presenteren. Een deel van de lesstof verwerk je in een spel en door deze te spelen onthoud je de kennis beter. Er zijn veel verschillende soorten spellen waarin je informatie kunt verwerken. Denk bijvoorbeeld aan ganzenbord, memory, galgje, een kaartspel, een dominospel, enzovoorts.

 

Diagnostische toets: Bloed en bloedsomloop

Je sluit het thema Bloed en bloedsomloop af met het maken van een diagnostische toets.

Terugkijken

Intro

  • Lees de intro van deze opdracht nog eens door.Had je veel weetjes goed? Een aantal weetjes ben je tegengekomen in dit thema. Weet je welke?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 3 uur met de eindopdracht bezig zou zijn.
    Klopt dat?
  • Inhoud
    Was de inhoud van de opdracht nieuw voor je of wist je het meeste al?
    Schrijf op wat nieuw voor je was.
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht?
    Vond je het fijn om de opdracht met z'n tweeën te doen?
    Hoe verliep de samenwerking?
    Hoe werden de verschillende onderwerpen verdeeld over de groep? Deed jullie docent dat of was dat jullie eigen keuze?
    Hoe vond je het om feedback van klasgenoten te krijgen? Kun je makkelijk met eventuele negatieve feedback omgaan? Hoe ervaar je dat?

Verderkijker

De Verderkijker biedt bij het thema passende externe linkjes naar uitleg, oefenmateriaal of filmpjes.

Websites

Leerlingen voor leerlingen

 

Video: Weefselvloeistof

Video: Bloedstolling

Video: Drie verschillende typen aderen

Video: De slagaders

Video: De haarvaten

Video: De aders

SchoolTV

Op de website van SchoolTV zijn veel verschillende video's te vinden over het thema Omgeving.
We hebben een aantal interessante video's voor je op een rijtje gezet:

  • Wat is het verschil tussen slagaders en aders?
  • Bloedneus
  • Een wond
  • De haarvaten
  • Bio-bits Mens en lichaam transport
  • Hart- en bloedvaten. Waar begint de bloedsomloop
  • Het hart
  • Bloedvaten. Slagaders, aders en haarvaten
  • Bloedsomloop
  • Clipphanger: Bloedbank
  • Clipphanger: Hoe werkt een AED

Youtube

Op youtube staan talloze filmpjes die passen binnen dit thema. We zetten er een aantal op een rijtje:

  • Topdoks Extra: Wat doet een bloedzuiger
  • Er was eens het leven: functie rode bloedcellen
  • Weet u wat uw bloed doet?

 

  • Het arrangement Thema Bloed en bloedsomloop hv12 is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt, maakt en deelt.

    Auteur
    VO-content
    Laatst gewijzigd
    25-11-2025 09:47:28
    Licentie

    Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding en publicatie onder dezelfde licentie vrij bent om:

    • het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat
    • het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
    • voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.

    Meer informatie over de CC Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie.

    Het thema 'Bloed' is ontwikkeld door auteurs en medewerkers van StudioVO.

    Fair Use
    In de Stercollecties van StudioVO wordt gebruik gemaakt van beeld- en filmmateriaal dat beschikbaar is op internet. Bij het gebruik zijn we uitgegaan van fair use. Meer informatie: Fair use

    Mocht u vragen/opmerkingen hebben, neem dan contact op via de helpdesk VO-content.

    Aanvullende informatie over dit lesmateriaal

    Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar:

    Toelichting
    Dit thema valt onder de arrangeerbare leerlijn van de Stercollecties voor biologie voor havo/vwo leerjaar 2. Dit thema heet bloed en behandelt 4 onderwerpen. Het eerste onderwerp is bloed. Je leert drie soorten bloedcellen benoemen en beschrijven hoe deze eruit zien. Het tweede onderwerp is hart en bloedsomloop. Je kunt de bouw van het hart beschrijven en de verschillende onderdelen benoemen en de werking van het hart, de aders, slagaders en haarvaten uitleggen. Het derde onderwerp is hart- en vaatziekten. Je leert om drie hartziekten en drie vaatziekten op te noemen en te beschrijven. Het vierde onderwerp is bloedtransfusie. Je leert om met behulp van een schema te bepalen welke bloedgroep een ontvanger van een bloedtransfusie al dan niet toegediend kan krijgen.
    Leerniveau
    VWO 2; HAVO 1; VWO 1; HAVO 2;
    Leerinhoud en doelen
    Biologie; Instandhouding en ontwikkeling; Instandhouding;
    Eindgebruiker
    leerling/student
    Moeilijkheidsgraad
    gemiddeld
    Studiebelasting
    12 uur 0 minuten
    Trefwoorden
    arrangeerbaar, biologie, bloed, bloedcellen, bloedsomloop, bloedtransfusie, hart, hart-en vaatziekten, havo/vwo 2, stercollectie

    Gebruikte Wikiwijs Arrangementen

    VO-content Biologie. (2019).

    Bloed hv12

    https://maken.wikiwijs.nl/62556/Bloed__hv12

    VO-content Biologie. (2019).

    Bloedtransfusie hv12

    https://maken.wikiwijs.nl/62559/Bloedtransfusie__hv12

    VO-content Biologie. (2019).

    Extra: Afweersysteem hv12

    https://maken.wikiwijs.nl/76273/Extra__Afweersysteem_hv12

    VO-content Biologie. (2019).

    Hart en bloedsomloop hv12

    https://maken.wikiwijs.nl/62557/Hart_en_bloedsomloop__hv12

    VO-content Biologie. (2019).

    Hart en vaatziekten hv12

    https://maken.wikiwijs.nl/62558/Hart_en_vaatziekten__hv12

  • Downloaden

    Het volledige arrangement is in de onderstaande formaten te downloaden.

    Metadata

    LTI

    Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI koppeling aan te gaan.

    Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.

    Arrangement

    Oefeningen en toetsen

    Bloed en bloedsomloop

    IMSCC package

    Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.

    QTI

    Oefeningen en toetsen van dit arrangement kun je ook downloaden als QTI. Dit bestaat uit een ZIP bestand dat alle informatie bevat over de specifieke oefening of toets; volgorde van de vragen, afbeeldingen, te behalen punten, etc. Omgevingen met een QTI player kunnen QTI afspelen.

    Versie 2.1 (NL)

    Versie 3.0 bèta

    Voor developers

    Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op onze Developers Wiki.