Thema Voeding hv12

Thema Voeding hv12

Thema: Voeding

Intro

Gezond eten is 'in'. Zo eten mensen bijvoorbeeld graag een ‘broodje gezond’.  
Alleen al door de naam denken mensen dat ze iets gezonds eten.
Maar is echt ieder ‘broodje gezond’ wel zo goed voor je gezondheid?

In dit thema staat voeding centraal.
Je zoekt uit hoe je een broodje gezond maakt en ontdek je of een broodje gezond ook echt gezond is.
Aan het eind van het thema maak je samen met een klasgenoot een broodje gezond, met een duidelijk kaartje voor in een  broodjeswinkel.
Je maakt het broodje gezond klaar op een hygiënische manier en eet smakelijk!

Voordat je hiermee aan de slag gaat, moet je iets weten over voedingsmiddelen, voedingsstoffen, gezonde voeding en hygiënisch werken. Dat leren jullie in de opdrachten in dit thema.

Als opwarmertje beginnen we met deze video! Bekijk hem goed. Denk je dat dit broodje gezond is?
Waarom wel of waarom niet? Bespreek het met een klasgenoot.

 

Succes!

Wat kan ik straks?

In de tabel vind je de leerdoelen van dit thema.

Aan het einde van dit thema kan ik... Opdracht
aangeven welke veranderende eetgewoonten er in Nederland zijn en hoe deze zijn ontstaan. Eetgewoontes
eisen benoemen waaraan een evenwichtig voedingspakket moet voldoen en ik verklaar wat de gevolgen kunnen zijn als er een niet-evenwichtig voedingspakket wordt gebruikt.

Eetgewoontes

Voedingsstoffen

Energie en gewicht

benoemen wat de de belangrijkste functies van eiwitten, vetten, koolhydraten, mineralen, vitamines en water zijn voor het lichaam. Voedingsstoffen
aan de hand van voorbeelden uitleggen welke delen en voedingsstoffen van planten belangrijk zijn voor mensen. Voedingsstoffen
uitleggen hoe gezondheid beïnvloed wordt door de combinatie van voeding, leefstijl en leefomgeving. Energie en gewicht
voorbeelden geven van functies die schimmels en bacteriën vervullen. Voedselbereiding
uitleggen wat de gevaren zijn van voedselbederf en hoe dit wordt voorkomen in de productie van voedingsmiddelen en bij het bewaren thuis. Voedselbereiding

 

Wat ga ik doen?

In dit thema ga je aan de gang met vier opdrachten, de afsluiting en een diagnostische toets.
In de tabel staat per opdracht hoeveel lessen je ongeveer nodig hebt.

Activiteit Tijd Eindopdracht
Inleiding 0,5 lesuur  
Opdracht: Eetgewoontes 2 lesuren Recept van een wereldgerecht maken.
Opdracht: Voedingsstoffen 2 lesuren Toets maken of
Practicum zetmeel aantonen met een bijbehorend onderzoeksverslag.
Opdracht: Energie en gewicht 2 lesuren Eetdagboek invullen.
Opdracht: Voedselbereiding 3 lesuren Toets maken of
Waarschuwingspicogram maken.
Afsluiting 3 à 4 lesuren Broodje gezond maken.
Diagnostische toets.
Totaal 13 à 14 lesuren  


De tijd is een indicatie en afhankelijk van de keuze van het eindproduct.

 

Opdrachten

Eetgewoontes

Eetgewoontes

Intro

Ieder land heeft zo zijn eigen eetgewoontes. 
Niet alleen wat je eet, ook hoe je eet is afhankelijk van je cultuur en de omgeving waar je eet.

Tafelmanieren verschillen per land.  
In Aziatische landen eten ze vaak met stokjes, in sommige landen is slurpen en boeren netjes en in Amerika organiseren ze zelfs wereldkampioenschappen hotdog eten.

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • twee redenen noemen voor de veranderde eetgewoonten in Nederland.
  • het verschil tussen een vegetariër en een veganist benoemen.
  • aangeven hoe vegetariërs kunnen voorkomen dat ze van sommige stoffen te weinig binnenkrijgen.
  • een aantal voedingsmiddelen opnoemen die vleesvervangers zijn.

Wat ga ik doen?

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Je onderzoekt de invloed van je afkomst op je smaak en eetgewoontes.
Stap 2

Je kunt gerechten koppelen aan hun land van herkomst.

Stap 3 Je kunt van een aantal wereldgodsdiensten aangeven wat het invloed van het geloof is op de eetgewoontes van de aanhangers van het geloof.
Stap 4 Je kunt aangeven waarom mensen kiezen voor een vegetarische of veganistische levenswijze en de verschillende tussen beide uitleggen.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Begrippenlijst Hier vind je de begrippen die horen bij deze opdracht.
Eindopdracht Je maakt een recept van een wereldgerecht.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.

 

Benodigdheden
Als je het gerecht gaat maken:

  • ingrediënten voor het wereldgerecht.
  • keukenspullen.

Tijd
Je hebt ongeveer 2 lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Wereld(w)eten

Of je iets lekker vindt, wordt niet alleen bepaald door de geur, kleur en smaak van voedsel.
Ook wat je gewend bent speelt een belangrijke rol.
Kijk naar de video.
Wat is de invloed van je afkomst op je smaak? Bespreek het met een klasgenoot. 

Video: Smaken verschillen

Stap 2: Nederlandse gerechten

Erwtensoep en stamppot zijn typisch Nederlandse gerechten, maar zijn dat niet altijd geweest.
Zelfs de aardappel is van oorsprong niet Nederlands. Hij is hier pas in de 16e eeuw gekomen sinds de ontdekking van Amerika.

Onze eetgewoonten veranderen steeds. De afgelopen eeuw zijn er veel nieuwe gerechten en producten in de Nederlandse keuken in gebruik genomen en komen er nog steeds meer bij.
Die producten zijn veelal uit het buitenland naar Nederland gekomen.
We hebben ze leren kennen tijdens een vakantie in het buitenland.
Of ze zijn bijvoorbeeld door iemand die in het buitenland is geboren in Nederland geïntroduceerd.

Er staan tegenwoordig verschillende gerechten uit andere landen op onze menukaart.
Er zijn veel restaurants en eetgelegenheden waar je pizza, roti en kousenband, shoarma, kebab, couscous, tandoori kip, saté of taco kunt eten of halen.
 

Stap 3: Godsdiensten

Het christendom, het boeddhisme, de islam, het hindoeïsme en de joodse godsdienst zijn wereldgodsdiensten. Elke godsdienst schrijft wel enkele wetten voor omtrent het eten.

Hieronder lees je over de invloed op het eten van de genoemde godsdiensten.
Lees de informatie door en beantwoord onderstaande vraag.

Christendom
In het christendom mag eigenlijk alles gegeten worden.
Vroeger hield men wel op vrijdag visdag. Op die dag werd er geen vlees gegeten.
Op feestdagen worden er wel speciale dingen gegeten.
Katholieken kennen ook een vastenperiode. Dit is tussen carnaval en Pasen in.
Carnaval is het feest van de vastenavond gevolgd door Aswoensdag.
Dit is dan het begin van de vasten die 40 dagen duurt.

Islam
De Koran is het boek van de islam. In de Koran staan onder andere ook voedingsvoorschriften.

Volgens de islamitische wetten zijn voedingsmiddelen onder te verdelen in halal en haram.

  • Halal betekent letterlijk: toegestaan, wettelijk of rein.
    Halal is bijvoorbeeld vlees van dieren dat geslacht is volgens de islamitische wetten.
  • Haram betekent: niet toegestaan, niet wettelijk of onrein.
    Haram zijn bijvoorbeeld producten op basis van bloed, varkensvlees en het vlees van dieren die aan een natuurlijke dood zijn gestorven (niet geslacht) of die niet in naam van Allah werden geslacht.

Ramadan is de vastenmaand waarbij moslims niets eten en drinken tussen zonsopgang en zonsondergang. De ramadan wordt afgesloten met het Suikerfeest.

Kijk goed naar onderstaande video op de site van Schooltv.
Welke regels rondom voeding tijdens de ramadan, komen in de video aan bod?

Video: Ramadan 



Jodendom
Joden houden zich ook aan de voorschriften in verband met voedsel.
Ze eten koosjer. Dat wil zeggen, ze eten alleen dingen die volgens de bijbel en de tradities toegestaan zijn.
Zo is het verboden bloed te eten of te drinken. Melk- en vleesproducten worden nooit samen opgediend. De dieren die niet gegeten mogen worden staan in de bijbel.
Daar horen bijvoorbeeld varkens, konijnen, paling en zeevruchten bij.
De dieren die wel gegeten mogen worden moeten door een speciaal daarvoor opgeleide slachter geslacht worden.

In de joodse keuken zijn speciale pannen voor zuivel- en voor vleesproducten.
Producten die bereid zijn volgens de joodse spijswetten en daarop gecontroleerd door rabbijnen krijgen het 'Koosjer-certificaat'.

Hindoeïsme
Hindoestanen geloven in reïncarnatie waarbij je na de dood weer op aarde terugkeert in een ander lichaam.
Dit kan een mensenlichaam zijn, maar ook een dier of zelfs een plant.
Andersom kan een dier een gereïncarneerd mens zijn.
Hindoestanen zien alle levende wezens als een deel van God; doden van een levend wezen betekent dus het beschadigen van deze God.
In de praktijk komt het erop neer dat vooral veel oudere hindoes vegetariër zijn. Zij eten dus geen vlees of vis.
Niet-vegetarische hindoes eten geen rund- of kalfsvlees, want juist de koe wordt als een heilig dier beschouwd.

Stap 4: Vegetarisch of veganistisch eten

Mensen hebben verschillende redenen om vegetarisch te eten. Die redenen kunnen persoonlijk zijn, maar ook passen bij het geloof of de cultuur. 

Ook zijn in elke klas zijn wel voor- en tegenstanders van vegetarisch eten te vinden.
Overleg met je docent of het mogelijk is een klassikale discussie rondom dit onderwerp te houden.

Bekijk het volgende filmpje over vleesvervangers. Discussieer na het bekijken van de video met een klasgenoot over de volgende stelling: “Vleesvervangers hoeven niet naar vlees te smaken."

Vegetariërs eten geen vlees, gevogelte en vis.
Bijna alle vegetariërs eten of drinken wel eieren, melk en melkproducten, zoals kaas.
Sommige mensen die zich vegetarisch noemen, eten wel vis.
Ongeveer vier procent van de Nederlandse bevolking eet elke dag vegetarisch.
Daarnaast is er een groeiende groep parttime vegetariërs of 'flex'vegetariërs, die een of meer dagen per week geen vlees eten.

Veganisten eten helemaal geen producten van dierlijke oorsprong, dus ook geen melk, melkproducten of eieren.

Met vlees krijg je belangrijke voedingsstoffen binnen. Missen vegetariërs die dan?...Nee!
Vegetariërs en zelfs veganisten kunnen heel gezond eten als ze vleesvervangers eten, zoals noten, tofu, tempé, eieren en peulvruchten.

Afronding

Begrippenlijst

Vasten
Gedeeltelijk of helemaal niet eten en drinken in een bepaalde periode.
Ramadan
Islamitische maand. In deze maand vasten de moslims overdag. Tussen zonsopkomst en zonsondergang wordt niet gegeten en gedronken. Ook zijn er andere leefregels, zoals niet roken, van kracht.
Suikerfeest
Viering van het einde van de ramadan. Tijdens het Suikerfeest worden veel zoete lekkernijen gegeten. Ook geven mensen cadeaus en voedsel aan mensen die het minder goed hebben.
Halal
Voedingsmiddelen die volgens de islamitische wetten zijn toegestaan.
Haram
Voedingsmiddelen die volgens de islamitische wetten niet zijn toegestaan.
Koosjer
Voedingsmiddelen die volgens de joodse wetten, bijbel en tradities zijn toegestaan.
Vegetarisch
Het niet eten van vlees, vis en gevogelte.
Veganistisch
Het niet eten van producten van dierlijke oorsprong. Dus geen vlees, melk(producten), eieren.
Reïncarnatie
Reïncarnatie betekent dat je na je dood terugkomt op aarde in een ander lichaam. Dit kan een mensenlichaam zijn, maar ook een dier of zelfs een plant.

Eindopdracht: Recept

Als eindproduct van deze opdracht maak je een recept van een wereldgerecht.
Kies bijvoorbeeld voor een Indiaas, Mexicaans, Indonesisch, Zuid-Afrikaans, Thais, Turks of Pools gerecht.
Zorg dat in het recept duidelijk staat waar het recept vandaan komt, welke ingrediënten je nodig hebt om het recept te maken en hoe je het gerecht moet bereiden.

Overleg met je docent of jullie de gerechten ook echt mogen maken.
Maak dan een boodschappenlijstje van de ingrediënten.
Ga boodschappen doen.
Zorg voor de keukenspullen die nodig zijn om het gerecht te bereiden.
Bereid het gerecht en serveer het aan enkele klasgenoten.
Maak een mooie foto van het gerecht dat je hebt gemaakt en voeg die toe aan het recept.

Beoordeling
In je recept staat duidelijk vermeld:

  • waar het gerecht vandaan komt.
  • welke ingrediënten je nodig hebt om het gerecht te maken.
  • hoe je het gerecht moet bereiden.
  • wat de bereidingstijd is.
  • hoe het gerecht gegeten moet worden.


Als je het gerecht ook echt maakt, zorg je voor een foto van je gerecht bij het recept.

Klaar?
Lever je recept in bij je docent.

Terugkijken

Intro

  • Lees de intro van deze opdracht nog eens door.
    Kende je al veel tafelmanieren? Heb je de tafelmanieren thuis ook gelijk toegepast?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 2 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Klopt dat?
  • Inhoud
    Was de inhoud van de opdracht nieuw voor je of wist je het meeste al?
    Schrijf op wat nieuw voor je was.
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht?
    Is het gelukt om het recept duidelijk te formuleren?
    En, als jullie het recept mochten maken, smaakte het?

Voedingsstoffen

Voedingsstoffen

Intro

In Nederland gebruikt iedere persoon gemiddeld 81 kilo aardappelen per jaar.
Niet alleen als aardappel op je bord, maar in veel meer producten. 

Lees de vraag onder de video eerst door, bekijk dan de video en beantwoord de vraag.

Video: Van aardappel tot ...

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • het verschil tussen voedingsstoffen en voedingsmiddelen benoemen.
  • de verschillende groepen voedingsstoffen benoemen.
  • de vier functies van voedingsstoffen benoemen.
  • uitleggen wat de functies zijn van de verschillende voedingsstoffen.
  • uitleggen wat een maaltijdschijf (schijf van vijf) is en welke voedingsstoffen en producten er in de vijf schijven zitten.
  • de productinformatie op een etiket lezen en toelichten.
  • de aanwezigheid van zetmeel in een voedingsmiddel vaststellen.
  • de aanwezigheid van eiwit in een voedingsmiddel vaststellen.
  • aan de hand van voorbeelden uitleggen welke delen en voedingsstoffen van planten belangrijk zijn voor mensen.

Wat ga ik doen?

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Na het bestuderen van de kennisbank kun je aangeven of producten voedingsmiddelen zijn of voedingsstoffen.
Stap 2 Je kunt aangeven waar producten horen in de schijf van vijf en welke voedingsstoffen deze producten bevatten.
Stap 3 Je kunt aangeven waar verschillende voedingsstoffen voor dienen en wat het verschil is in energiebehoefte tussen jongens en meisjes.
Stap 4 Je kunt van vitamines en mineralen aangeven welke functie ze hebben en in welke voedingsmiddelen ze te vinden zijn.
Stap 5 + Je kunt van productinformatie aangeven wat het betekent.
Stap 6 Je ontdekt welke voedingsstoffen er in de eetbare delen van planten zitten en wat wij daarvan eten.
Stap 7 Je voert het practicum Eiwit aantonen uit. Daarbij onderzoek je bij verschillende voedingsstoffen of ze eiwitten bevatten.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Begrippenlijst Hier vind je de kennisbank en de begrippen die horen bij deze opdracht.
Eindopdracht A Eindopdracht A bestaat uit een toets.
Eindopdracht B Eindopdracht B bestaat uit het practicum zetmeel aantonen en het maken van een onderzoeksverslag.
Extra Voedingsstoffenspel.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.

 

Benodigdheden

Tijd
Voor deze opdracht heb je twee lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Voedingsstoffen

Bestudeer de volgende kennisbank.

Voedingsmiddelen en voedingsstoffen

Er is een verschil tussen voedingsmiddelen en voedingsstoffen.
In de volgende oefening geef je steeds aan welke producten voedingsmiddelen zijn en welke voedingsstoffen.

Stap 2: Schijf van vijf

In de schijf van vijf vind je voedingsmiddelen met veel dezelfde voedingsstoffen bij elkaar geplaatst.

Maak de volgende oefening.

Stap 3: Voedingsstoffen

Maak onderstaande oefening over voedingsstoffen.

Om je geheugen op te frissen lees je eerst even de volgende pagina’s uit de Kennisbank:

  • Voedingsstoffen

  • Schijf van vijf

  • Energiebehoefte

  • Vitaminen en mineralen

Voedingsstoffen en voedingsmiddelen

Maak nu de volgende oefening.

Stap 4: Vitamines en mineralen

Vitamines en mineralen zijn beschermende stoffen.
Als je niet voldoende beschermende stoffen binnen krijgt, krijg je een gebreksziekte.
Bekijk de voorbeelden in de tabellen.



 

Stap 5: Productinformatie

Op de verpakking van een voedingsmiddel moet staan wat er precies in het voedingsmiddel zit.

Bekijk de verpakking van minimaal vijf voedingsmiddelen en kijk bij ieder voedingsmiddel of je de volgende informatie kunt vinden:

  • De voedingswaarde per 100 g.
  • De energiewaarde van het product in kCal of kJoule.
  • De voedingsstoffen die in het product zitten.
  • Welke E-nummers in het product zitten.
    Schrijf van enkele E-nummers op wat de functie van het E-nummer is.

 

Stap 6 Voedingsstoffen uit planten

Wat gebruik je van een plant?
Ga naar het Kennisbankitem 'Wat gebruik je van een plant?' en bestudeer de informatie over 'Voedingsstoffen'.

Voeding en grondstoffen



Maak vervolgens onderstaande oefeningen.

 

Stap 7 Eiwit aantonen

Voedingsmiddelen onderzoeken
Je gaat van minimaal zes voedingsmiddelen onderzoeken of ze eiwitten bevatten.
Om aan te tonen of een voedingsmiddel een bepaalde voedingsstof bevat, gebruik je een indicator. 
Een indicator is een stof waarmee je kunt aantonen of een bepaalde andere stof aanwezig is.
Zo kun je met een joodoplossing aantonen dat er zetmeel aanwezig is in bijvoorbeeld een aardappel. 

Afronding

Begrippenlijst

Voedingsmiddelen en voedingsstoffen

Voeding en grondstoffen

Voedingsmiddelen
Alle producten die je eet.
Voedingsstoffen
Bruikbare delen in voedingsmiddelen (voedsel); voedingsstoffen worden direct opgenomen in de darmen of verteerd tot stoffen die kunnen worden opgenomen in de darmen.
Bouwstoffen
Voedingsstoffen met als functie: opbouw, herstel en groei van organismen. Bijvoorbeeld: eiwitten, vetten en water.
Brandstoffen
Voedingsstoffen met als functie: leveren van energie door verbranding. Bijvoorbeeld: koolhydraten en vetten en in mindere mate eiwitten.
Reservestoffen
Voedingsstoffen die dienen als reservestof. Bijvoorbeeld: vetten.
Beschermende stoffen
Voedingsstoffen met als functie: weerstand tegen ziektes vergroten. Bijvoorbeeld: mineralen en vitaminen.
Eiwitten
Voedingsstoffen die vooral dienen als bouwstoffen. Pas wanneer de koolhydraten en vetten opgebruikt zijn, worden ook eiwitten gebruikt als brandstof.
Koolhydraten
Voedingsstoffen die vooral dienen als brandstof, maar ook als bouwstof en reservestof gebruikt worden. Koolhydraten zijn ontstaan uit glucose. Bijvoorbeeld: suiker, zetmeel en cellulose.
Vetten
Voedingsstoffen die vooral als brandstof en reservestof dienen, maar ook als bouwstof kunnen worden gebruikt. Wanneer de koolhydraten opgebruikt zijn, worden vetten gebruikt als brandstof.
Water
Belangrijke bouwstof voor organismen die ontstaat bij verbranding van glucose en die nodig is voor de fotosynthese van planten.
Mineralen
Stoffen die in kleine hoeveelheden voorkomen in eten en drinken en die werken als beschermende stof: ze zorgen ervoor dat je gezond blijft. Ze leveren geen energie. Bijvoorbeeld: ijzer en zout.
Vitaminen
Stoffen die in kleine hoeveelheden voorkomen in eten en drinken en die werken als beschermende stof: ze zorgen ervoor dat je gezond blijft. Ze leveren geen energie. Bijvoorbeeld: vitamine C.
Schijf van vijf
Hulpmiddel opgesteld door het Voedingscentrum dat je kunt gebruiken bij het kiezen van gezonde voeding. Eet elke dag iets uit alle vijf vakken; van de grootste vakken moet je het meeste eten.
Ballaststoffen
Onverteerbare resten van plantaardig voedsel; deze voedingsvezels zijn belangrijk voor een effectieve darmperistaltiek en verlaten je lichaam met de ontlasting.
Energiebehoefte
De hoeveelheid energie uit voedsel die je dagelijks nodig hebt.
Indicator
Een stof waarmee je andere stoffen kunt aantonen. Bijvoorbeeld een joodoplossing voor het aantonen van zetmeel in producten.
Zetmeel
Zetmeel, een koolhydraat, is de vorm waarin glucose wordt opgeslagen in bladeren.
Suiker
Bijvoorbeeld glucose en sacharose. Suikers zijn koolhydraten.
Noten
Noten zijn vruchten met weinig vruchtvlees.

 

 

 

Eindopdracht A: Toets

Eindopdracht A bevat een toets.

Je scoort een voldoende als je 11 van de 13 vragen juist beantwoord.

Eindopdracht B: Zetmeel aantonen

Bij eindopdracht B voer je een practicum uit. Van dit practicum maak je een onderzoeksverslag.

Je gaat aantonen of een voedingsmiddel zetmeel bevat.
Daarvoor maak je gebruik van een indicator. De indicator om zetmeel aan te tonen is een joodoplossing. Een joodoplossing heeft een geelbruine kleur. Als de joodoplossing in aanraking komt met zetmeel verandert de kleur naar blauwzwart. Zit er geen zetmeel in het product dan verandert de kleur niet.

  • Download het practicum Googledoc - Zetmeel aantonen.
    Maak eerst een kopie van het googledocument in je eigen omgeving, zodat je het kunt bewerken.
  • Lees het practicum een keer helemaal door.
  • Zoek de benodigdheden bij elkaar en voer het practicum uit.
  • Maak het onderzoeksverslag. (Kijk voor hulp in de reisgids.)
  • Beoordeel eerst zelf het onderzoeksverslag.
  • Laat het verslag vervolgens beoordelen door de docent.

Beoordeling
Het onderzoeksverslag beoordeel je eerst zelf volgens het schema in je Googledoc.
Daar kun je ook zien op welke punten de docent let bij het beoordelen.

Klaar?
Lever je onderzoeksverslag in bij je docent.

Natuurwetenschappelijk verslag maken

Schrijf je een verslag van een onderzoek voor biologie of NaSk, dan wordt dit een natuurwetenschappelijk verslag genoemd. Het is hierbij vooral belangrijk dat het doel van je onderzoek en de manier waarop je het uitvoert zo duidelijk mogelijk wordt weergegeven. Het schrijven van zo’n verslag gebeurt in verschillende stappen.

 

Terugkijken

Intro

  • Lees de intro van deze opdracht nog eens door.
    Welk product dat van aardappels is gemaakt was je het meest verbaasd over?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 2 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Klopt dat?
  • Inhoud
    Was de inhoud van de opdracht nieuw voor je of wist je het meeste al?
    Schrijf op wat nieuw voor je was.
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht? Had je zelf de keuze tussen beide eindopdrachten of heeft je docent de keuze gemaakt?
    Eindopdracht A: Sloten de vragen goed aan bij de leerdoelen en
    was je tevreden over het behaalde resultaat?
    Eindopdracht B: Lukte het om het onderzoeksverslag volgens de
    richtlijnen te maken? Wat vond je het lastigste
    onderdeel van de hele eindopdracht?

     

Energie en gewicht

Energie en gewicht

Intro

Lekker eten is gezellig en als het dan ook nog gezond eten is, is het prima.
Maar helaas is lekker eten niet altijd gezond.
Sommige voedingsmiddelen bevatten veel meer vetten of koolhydraten dan je nodig hebt.
En dat kan er toe leiden dat je te dik wordt.

In deze opdracht staan energie en gewicht centraal.

Doe voor je aan de opdracht begint de eettest www.voedingscentrum.nl
Ben je tevreden met de uitkomst?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • uitleggen wat wordt bedoeld met energiebehoefte.
  • de betekenis van het begrip 'Body Mass Index' uitleggen.
  • de begrippen "obesitas" en "anorexia" beschrijven.
  • mijn eigen BMI berekenen.

Wat ga ik doen?

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Na het bestuderen van de Kennisbank kun je het BMI van iemand bereken en uitleggen wat een gezond gewicht is.
Stap 2 Je maakt de Beweegtest om te kijken of jij wel voldoende beweegt op een dag.
Stap 3 Je kunt de inspanningsindex berekenen om te kijken hoeveel energie iemand nodig heeft.
Stap 4 Je praat met een klasgenoot over eetproblemen en de gevolgen voor iemands gezondheid en zelfbeeld.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Begrippenlijst Hier vind je de Kennisbank en de begrippen die horen bij deze opdracht.
Eindopdracht Je vult een eetdagboek in.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.

 

Benodigdheden

Tijd
Je hebt twee lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Energiebehoefte en gewicht

Bestudeer uit de Kennisbank biologie de onderdelen

  • Energie en gewicht
  • Verbruik
  • Gezond of ongezond gewicht?

Energie en gewicht

 

Maak vervolgens de oefening:

 

 

 

 

Stap 2: Energiebalans

Eet je te veel of te weinig? Of precies genoeg? Als je niet méér eet dan je nodig hebt, kom je ook niet aan.
Je energiebehoefte is dan in balans. Als je te weinig eet dan je nodig hebt, dan val je af.
Eet je teveel dan kom je aan.

Of je energiebehoefte in balans is, heb je grotendeels zelf in de hand.
Jij bepaalt immers zelf hoeveel je eet en hoe actief je bent.
Als je actief bent dan verbrand je je brandstoffen.
Als je niet zo actief bent, gebruik je minder energie dan als je wel actief bent.

Bewegen is dus belangrijk.
Beweeg jij wel genoeg? Test het zelf! www.30minutenbewegen.nl.

Stap 3: Energiebehoefte

De hoeveelheid energie die iemand per dag nodig heeft, hangt af van zijn/haar gewicht en de die dag geleverde inspanning. De geleverde inspanning wordt gegeven met de inspanningsindex.

Om de energiebehoefte in kilocalorieën uit te rekenen, kun je gebruikmaken van de volgende vuistregel:

hoeveelheid kcal \(=\)  \(\small{6}\ \times\) gewicht \(+\) \(\small{15}\ \times\) inspanningsindex

Stap 4: Eetproblemen

Bestudeer uit de Kennisbank de volgende pagina's:

  • Eetstoornis: Obesitas
  • Eetstoornis: Anorexia

Energie en gewicht

Voor de meeste mensen is eten de normaalste zaak van de wereld.
Helaas zijn er ook een aantal mensen bij voor wie dat niet zo is.
Deze mensen hebben last van een zogenaamd eetprobleem.
Een eetprobleem kan zeer ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid van iemand.

Kijk de volgende video van het NOS Jeugdjournaal helemaal.
Bespreek de inhoud van deze aflevering met een klasgenoot.

Zoek uit:

  • hoe het komt dat mensen aan anorexia lijden.
  • wie er vooral aan anorexia lijden.
  • welk zelfbeeld mensen hebben die anorexia hebben.
  • wat een diëtist is en hoe hij/zij iemand met anorexia kan helpen.


Video: Het Klokhuis - Eetstoornis

Afronding

Begrippenlijst

Energie en gewicht

Energiebehoefte
De hoeveelheid energie uit voedsel dat je dagelijks nodig hebt.
Obesitas
Eetstoornis waarbij overgewicht het gevolg is van teveel eten. Ook wel vetzucht genoemd.
Anorexia nervosa
Eetstoornis waarbij ondervoeding het gevolg is van te weinig eten.
Body Mass Index
Waarde berekend op basis van gewicht en lengte, die aangeeft in hoeverre je een gezond gewicht hebt.

Eindopdracht: Eetdagboek

Eetproblemen voorkom je door bewust om te gaan met eten.
Je gaat één dag bijhouden wat je eet.
Je houdt ook bij wat de belangrijkste activiteiten op die dag zijn.

Download het lege werkblad Googledoc - Eetdagboek.
Sla het Googledocument op in je eigen omgeving, zodat je het kunt bewerken.
Lees het werkblad een keer helemaal door.
Spreek met een klasgenoot af op welke dag jullie de tabellen gaan invullen.
Vul die dag de tabellen zo nauwkeurig mogelijk in.

Ga nu naar de website www.voedingscentrum.nl en zoek uit wat jij volgens het voedingscentrum per dag zou moeten eten.
Schrijf in het dagboek het advies van het voedingscentrum op.
Vergelijk het advies met jouw eetdagboek. Zijn er grote verschillen?
Schrijf de belangrijkste verschillen in je dagboek.

Beoordeling
Je docent let bij de beoordeling van je eetdagboek op het volgende:

  • is het eetdagboek volledig en netjes ingevuld.
  • zijn de adviezen van het voedingscentrum goed geformuleerd.
  • sluiten de adviezen aan bij het eetdagboek.

Klaar?
Laat het eetdagboek beoordelen door je docent.

Terugkijken

Intro

  • Lees de intro van deze opdracht nog eens door.
    Was je tevreden over de uitkomst van de eettest? Was de eettest een inspiratie om beter op je voeding te gaan letten?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 2 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Klopt dat?
  • Inhoud
    Was de inhoud van de opdracht nieuw voor je of wist je het meeste al?
    Schrijf op wat nieuw voor je was.
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de uitkomsten van je eetdagboek?
    Kwam je op ongeveer hetzelfde eetpatroon als in de eettest van de inleiding?

Voedselbereiding

Voedselbereiding

Intro

Wist jij dat bacteriën en schimmels zeer nuttig kunnen zijn bij het bereiden van voedsel? Nee? 
Misschien wist je dan wel dat bacteriën en schimmels voedselvergiftiging kunnen veroorzaken en er voor kunnen zorgen dat sommige voedingsmiddelen bederven.

Bacteriën en schimmels kunnen zowel nuttig als lastig zijn.
Hoe dat precies zit ga je in deze opdracht leren.
Je leert meteen ook hoe je voedsel goed kunt bewaren en hoe je hygiënisch werkt in de keuken.

Genoeg te doen.
Aan de slag!

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • het verschil tussen de cellen van bacteriën en schimmels benoemen.
  • twee voorbeelden beschrijven waaruit blijkt dat bacteriën en schimmels nuttig zijn en twee voorbeelden waaruit blijkt dat bacteriën en schimmels lastig zijn.
  • vier manieren opnoemen om voedsel te conserveren.
  • uitleggen waarom goede hygiëne (in de keuken) belangrijk is en drie voorbeelden opnoemen van hygiënisch gedrag, om voedselinfecties te voorkomen.
  • uitleggen wat kruisbesmetting betekent en hoe ik er kans op maak.

Wat ga ik doen?

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Na het bestuderen van de Kennisbank kun je de celopbouw van schimmels en bacteriën benoemen.
Stap 2 Je kunt van schimmels en bacteriën aangeven waarom ze soms nuttig en soms lastig zijn.
Stap 3 Je kunt na het uitvoeren van het practicum bacteriën een onderzoeksverslag schrijven.
Stap 4 Je kunt van verschillende voedingsmiddelen aangeven hoe ze het beste geconserveerd kunnen worden.
Stap 5 Je kunt, na het lezen van de Kennisbank, aangeven waarom hygiëne zo belangrijk is.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Begrippenlijst Hier vind je de kennisbank en de begrippen die horen bij deze opdracht.
Eindopdracht A Eindopdracht A bestaat uit een toets.
Eindopdracht B Bij eindopdracht B maak je een waarschuwingspictogram.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.

 

Benodigdheden

  • Het practicum + benodigdheden (zie practicum).
    Googledoc - Bacteriën

Tijd
Voor deze opdracht heb je drie lesuren nodig.
Let op het practicum bestaat uit twee delen.
De twee delen moeten een week na elkaar worden gedaan.

Aan de slag

Stap 1: Schimmels en bacteriën

Bestudeer de Kennisbankitems over de bouw van bacteriën en de bouw van schimmels.

Cellen van bacteriën

Cellen van schimmels

 

Bestudeer ook de eerste twee pagina's van het volgende onderdeel:

Schimmels en bacteriën

 

Levende organismen worden onderverdeeld in vier rijken:
het dierenrijk, het plantenrijk, het rijk van de schimmels en het rijk van de bacteriën.

Tot welk rijk een organisme behoort, kun je zien aan de cellen waaruit het organisme is opgebouwd.
Je kijkt dan of de cellen wel of geen celwand hebben, of de cellen wel of geen celkern hebben en of de cellen wel of geen bladgroen hebben.

Stap 2: Nuttig of lastig

Bestudeer uit de Kennisbank de volgende pagina's:

  • Schimmels

  • Bacteriën

  • Melkzuurbacterie

Schimmels en bacteriën

Maak de volgende oefening.

Stap 3: Practicum Bacteriën

Bacteriën kun je met het blote oog niet zien. Overal om ons heen zitten bacteriën.
Bacteriën kunnen zich heel snel vermenigvuldigen. Ze groeien in kolonies.
Een kolonie kun je wel met het blote oog zien.
In dit practicum ga je samen met een klasgenoot bacteriën kweken en bekijken.

  • Download het practicum Googledoc - Bacteriën
  • Lees het practicum een keer helemaal door.
  • Zoek de benodigdheden bij elkaar en voer het practicum uit.
  • Maak het onderzoeksverslag. (Kijk voor hulp in de reisgids.)
  • Beoordeel eerst samen met een klasgenoot het onderzoeksverslag.
  • Laat het verslag vervolgens beoordelen door de docent.


Succes.

Natuurwetenschappelijk verslag maken

Schrijf je een verslag van een onderzoek voor biologie of NaSk, dan wordt dit een natuurwetenschappelijk verslag genoemd. Het is hierbij vooral belangrijk dat het doel van je onderzoek en de manier waarop je het uitvoert zo duidelijk mogelijk wordt weergegeven. Het schrijven van zo’n verslag gebeurt in verschillende stappen.

 

Stap 4: Conserveren

Bestudeer uit de Kennisbank de volgende pagina:

  • Voedsel bewaren - conserveren

Hygiëne en conserveren

 

Stap 5: Hygiëne

Bestudeer uit de kennisbank de volgende pagina:

  • Voedselvergiftiging
  • Hygiëne

Hygiëne en conserveren

Maak nu de volgende oefening.

Afronding

Begrippenlijst

Schimmels en bacteriën

Cellen van schimmels

Cellen van bacteriën

Hygiëne en conserveren

Schimmels
Organismen waarvan de cellen een celkern hebben en een celwand, en geen bladgroenkorrels. Er bestaan zowel eencellige (gist) als meercellige schimmels (zoals paddenstoelen).
Bacteriën
Eencellige organismen zonder kern. Bacteriën hebben vaak nuttige eigenschappen voor mensen (10% van het lichaamsgewicht bestaat uit bacteriën): ze ruimen dode organismen op, maken voedingsmiddelen en helpen bij de spijsvertering. Ze kunnen ook schadelijke eigenschappen hebben, zoals ziekten veroorzaken en voedselbederf.
Eencellige organisme
Organisme bestaande uit één cel.
Bladgroen
Groene kleurstof in bladgroenkorrels (in planten), hebben functie bij fotosynthese.
Hyphen
Andere benaming voor 'schimmeldraden'.
Mycelium
Ook wel zwamvlok genoemd; het netwerk van alle schimmeldraden van een schimmel.
Sporen
Voortplantingscellen van schimmels en sporenplanten.
Sporendrager
De organen van de schimmel waarin de sporen gevormd worden.
Zwamvlok
Ook wel mycelium genoemd; het netwerk van alle schimmeldraden van een schimmel.
Melkzuurbacterie
Bacterie die gebruikt wordt om producten zoals yoghurt, karnemelk en zuurkool te maken.
Conserveren
Voedsel zo bewaren dat het relatief lang eetbaar blijft.
Pasteuriseren
Bij pasteuriseren worden de meeste sporen van de schimmel bestreden (bij 70 graden Celsius).
Steriliseren
Bij steriliseren worden alle sporen van de schimmel bestreden (bij 120 graden Celsius).
Vacuüm verpakken
Als je iets vacuüm verpakt, pak je het in zonder zuurstof. De meeste schimmels gaan dan dood, omdat voor hen zuurstof noodzakelijk is.
Voedselvergiftiging
Je spreekt van een voedselvergiftiging als je ziek bent door een schimmel en/of bacterie die zich in je eten bevond.
Hygiëne
Alles wat je doet om ervoor te zorgen dat organismen (planten, dieren en mensen) gezond blijven door ziekteverwekkers uit de buurt te houden of uit te schakelen.
Cel
Kleinste organisatie-eenheid (bouwsteen) van een organisme.
Celkern
Het deel van een cel dat erfelijke informatie (chromosomen) bevat.
Organel
Onderdeel van een cel met een bepaalde functie.
Celmembraan
Buitenste deel van een cel dat de cel vorm geeft en zorgt dat het celplasma in de cel blijft.
Kernmembraan
De buitenste laag van het kernplasma.
Celwand
Stevige structuur rondom een cel; bestaat uit cellulose. Komt voor bij bacteriën, schimmels en planten.
Bladgroenkorrels
Groene korrels waarin fotosynthese plaatsvindt; ze bevinden zich in het celplasma van planten en soms in bacteriën.

Cytoplasma
Het cytoplasma bestaat uit een stroperige basissubstantie waarin organellen drijven.

Chromosoom
Chromosomen zijn voor te stellen als lange strengen. Ze bestaan uit een stof die we DNA noemen. In het DNA zit de code waarin onze erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd.
Bacteriën hebben een los chromosoom. Ze hebben geen kern zoals dierlijke, planten- of schimmelcellen.

Eindopdracht A: Toets

Eindopdracht A bestaat uit een toets.
De toets bevat 11 vragen. Je hebt een voldoende als je 9 vragen goed beantwoord.

Eindopdracht B: Pictogram

Als eindproduct van deze opdracht maak je een waarschuwingspictogram.
Een pictogram is een symbool of afbeelding die de plaats inneemt van een tekst.
Zonder woorden begrijpt iedereen wat het betekent.

Het waarschuwingspictogram dat je gaat maken, gaat over de hygiëneregels in de keuken. Denk bijvoorbeeld aan het handen wassen voordat je gaat koken. Of het voorkomen van kruisbesmetting. Of ...

Je mag helemaal zelf kiezen welk materiaal en welke verwerkingsmethode  je gebruikt voor het pictogram. Je mag knippen, plakken, kleuren of digitaal werken.
De keuze is aan jou. Eventueel kan je nog inspiratie opdoen in de gereedschapskist.

Beoordeling
De docent beoordeelt het pictogram aan de hand van de volgende vragen:

  • Is duidelijk wat met het pictogram wordt bedoeld?
  • Heeft het pictogram te maken met een hygiëneregel in de keuken?
  • Ziet het pictogram er verzorgd uit?
  • Zijn er geen of weinig woorden in het pictogram te zien?


Klaar?
Laat het resultaat beoordelen door je docent.

Gereedschapskist

Welkom bij de gereedschapskist. Hier vind je uitleg over alle werkvormen waarmee je je eindproducten maakt. Bij iedere werkvorm staat beschreven hoe je deze uitvoert, kun je inspiratiefilmpjes bekijken en vind je de beoordelingscriteria waaraan jouw product moet voldoen. Ook zie je welke digitale middelen je kunt gebruiken en aan welke vaardigheden je werkt tijdens het maken van je eindproduct. Veel succes!

 

Terugkijken

Intro

  • Lees de intro van deze opdracht nog eens door.
    Leek de afbeelding van de bacteriën op het petrischaaltje dat je tijdens het practicum hebt gemaakt?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 3 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Klopt dat?
  • Inhoud
    Was de inhoud van de opdracht nieuw voor je of wist je het meeste al?
    Schrijf op wat nieuw voor je was.
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht? 
    A: Vond je de toets moeilijk? Sloten de vragen goed aan bij de leerdoelen van deze opdracht?
    B: Is het gelukt om een pictogram te ontwikkelen die in één oogopslag laat zien welke hygiënemaatregel er bedoeld wordt?

Afsluiting thema

Kennisbanken: Voeding

De theorie van dit thema vind je in de volgende onderdelen van de Kennisbank biologie:

Voedingsmiddelen en voedingsstoffen

Energie en gewicht

Schimmels en bacteriën

Hygiëne en conserveren

Bouw van bacterie

Bouw van schimmels

Eindopdracht: Voeding

Je rondt dit thema af door het maken van een broodje gezond.
Je maakt niet alleen het broodje. Je maakt ook het recept en een kaartje voor in een broodjeswinkel waarop de productinformatie van het broodje gezond staat.

Op het kaartje komt te staan welke ingrediënten zijn gebruikt en welke voedingstoffen in deze ingrediënten zitten. Ook geef je op het kaartje informatie over de voedingswaarde van het broodje.

Natuurlijk komt er op het kaartje ook een foto van het broodje zelf.

Zoeken informatie
Op de website www.brood.net/recepten vind je allerlei tips voor het samenstellen van een broodje gezond. Hier kun je ideeën opdoen.

Maak nu zelf een recept voor een broodje gezond. Maak een duidelijke lijst met benodigdheden. Beschrijf hoe het broodje gemaakt moet worden.

Overleg met je docent. Pas het recept zo nodig aan. Print het recept (met ingrediënten en bereiding) uit.

Ingrediënten kopen
Koop nu samen de ingrediënten die jullie nodig hebben om het broodje gezond te maken.

Voedingsstoffen en voedingswaarde
Welke en hoeveel voedingsstoffen zitten straks in jullie broodje gezond? Hoeveel energie bevat dit broodje?

Kijk op www.brood.net voor informatie over de voedingsstoffen. Veel informatie vind je onderaan de recepten.

Bereiding
Maak het broodje klaar op een hygiënische manier. Denk aan het handen wassen voordat je gaat beginnen!

Maak, voor je het broodje opeet, een foto of tekening van het broodje.
Maak met behulp van het recept, de foto of tekening èn het overzicht van de voedingsstoffen en energie het kaartje voor in een broodjeswinkel.

Beoordeling
Bij de beoordeling let je docent op het volgende:

  • Hebben jullie een duidelijk recept gemaakt? Met daarin de benodigde producten en de bereidingswijze?
  • Hebben jullie het broodje gezond van het recept gemaakt?
  • Hebben jullie een duidelijke foto of tekening gemaakt?
  • Is het duidelijk welke voedingsstoffen in het broodje zitten?
  • Is aangegeven hoeveel energie het broodje bevat?
  • Hebben jullie tijdens het klaarmaken hygiënisch gewerkt?
  • Ziet het etiket of kaartje er aantrekkelijk uit?

Klaar?
Laat het kaartje beoordelen door je docent.

Diagnostische toets: Voeding

Je sluit het thema Voeding af met het maken van een diagnostische toets.

Terugkijken

Intro

  • In de inleiding van dit thema moest je met een klasgenoot bespreken of het broodje in de video gezond was. Bespreek dezelfde video nogmaals met je klasgenoot. Met de kennis die je hebt opgedaan in dit thema, zou je dan nu hetzelfde antwoord geven?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door. Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Hebben jullie het hele thema binnen 14 lesuren af kunnen ronden? Als dat niet is gelukt, welk opdracht kostte dan meer tijd dan verwacht?
  • Inhoud
    Welke opdrachten uit het thema vond je het leukst?
  • Eindopdracht
    Hoe verliep het maken van het broodje? Lukte het goed om samen met een klasgenoot de verschillende stappen te doorlopen? Waren jullie tevreden over de samenwerking en het eindresultaat?

Verderkijker

De Verderkijker biedt bij het thema passende externe linkjes naar uitleg, oefenmateriaal of filmpjes.

Websites

Schooltv
Op de website van Schooltv zijn veel verschillende video's te zien over dit thema.
We hebben een aantal interessante video's voor je op een rijtje gezet.

Is biologische groente gezonder?

Zijn E-nummers ongezond?

Wat is het nut van vezels?

Hoe fout is zout?

Is koffie slecht voor je hart?

Hoe gezond is melk?

Dierlijke en plantaardige cellen, bacteriën en schimmels

Wat is voedselvergiftiging?

Hoe hygiënisch zijn we?

Schimels

Hygiëne

Hoe kunnen we ons eten het beste bewaren?

Wat zijn E-nummers?

Anorexia of Boulimia

Anorexia

Maud heeft anorexia

Obesitas

Eten van een plant

Plantaardige voeding

Youtube
Op youtube staan talloze filmpjes die passen binnen dit thema. We zetten er een aantal op een rijtje:

Het rijk van de bacteriën en het rijk van de schimmels

Schimmels deel 1 - Klokhuis

Schimmels deel 2 - Klokhuis

Wat doen bacteriën?

Overal zitten miljoenen bacteriën

Voedingsmiddelen en voedingsstoffen

Hygiëne in de keuken

  • Het arrangement Thema Voeding hv12 is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt, maakt en deelt.

    Auteur
    VO-content
    Laatst gewijzigd
    25-11-2025 10:06:35
    Licentie

    Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding en publicatie onder dezelfde licentie vrij bent om:

    • het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat
    • het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
    • voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.

    Meer informatie over de CC Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie.

    Het thema 'Voeding' is ontwikkeld door auteurs en medewerkers van StudioVO.

    Fair Use
    In de Stercollecties van StudioVO wordt gebruik gemaakt van beeld- en filmmateriaal dat beschikbaar is op internet. Bij het gebruik zijn we uitgegaan van fair use. Meer informatie: Fair use

    Mocht u vragen/opmerkingen hebben, neem dan contact op via de helpdesk VO-content.

    Aanvullende informatie over dit lesmateriaal

    Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar:

    Toelichting
    Dit thema valt onder de arrangeerbare leerlijn van de Stercollecties voor biologie voor havo/vwo leerjaar 1. Dit thema heet voeding en behandelt 4 onderwerpen. Het eerste onderwerp is eetgewoontes. Je leert aangeven welke veranderende eetgewoonten er in Nederland zijn en hoe deze zijn ontstaan en eisen benoemen waaraan een evenwichtig voedingspakket moet voldoen en je verklaart wat de gevolgen kunnen zijn als er een niet-evenwichtig voedingspakket wordt gebruikt. Het tweede onderwerp is voedingsstoffen. Je leert benoemen wat de de belangrijkste functies van eiwitten, vetten, koolhydraten, mineralen, vitamines en water zijn voor het lichaam en aan de hand van voorbeelden uitleggen welke delen en voedingsstoffen van planten belangrijk zijn voor mensen. Het derde onderwerp is energie en gewicht. Je leert uitleggen hoe gezondheid beïnvloed wordt door de combinatie van voeding, leefstijl en leefomgeving. Het vierde onderwerp is voedselbereiding. Je leert voorbeelden geven van functies die schimmels en bacteriën vervullen, uitleggen wat de gevaren zijn van voedselbederf en hoe dit wordt voorkomen in de productie van voedingsmiddelen en bij het bewaren thuis.
    Leerniveau
    VWO 2; HAVO 1; VWO 1; HAVO 2;
    Leerinhoud en doelen
    Biologie;
    Eindgebruiker
    leerling/student
    Moeilijkheidsgraad
    gemiddeld
    Studiebelasting
    20 uur 0 minuten
    Trefwoorden
    arrangeerbaar, biologie, eetgewoonte, eiwitten, havo/vwo 1, koolhydraten, schimmels, stercollectie, voedingsstoffen, voedselbereiding

    Gebruikte Wikiwijs Arrangementen

    VO-content Biologie. (2019).

    Eetgewoontes hv12

    https://maken.wikiwijs.nl/62546/Eetgewoontes__hv12

    VO-content Biologie. (2019).

    Energie en gewicht hv12

    https://maken.wikiwijs.nl/62548/Energie_en_gewicht__hv12

    VO-content Biologie. (2019).

    Voedingsstoffen hv12

    https://maken.wikiwijs.nl/62547/Voedingsstoffen__hv12

    VO-content Biologie. (2019).

    Voedselbereiding hv12

    https://maken.wikiwijs.nl/62549/Voedselbereiding__hv12

  • Downloaden

    Het volledige arrangement is in de onderstaande formaten te downloaden.

    Metadata

    LTI

    Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI koppeling aan te gaan.

    Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.

    Arrangement

    Oefeningen en toetsen

    Voeding

    IMSCC package

    Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.

    QTI

    Oefeningen en toetsen van dit arrangement kun je ook downloaden als QTI. Dit bestaat uit een ZIP bestand dat alle informatie bevat over de specifieke oefening of toets; volgorde van de vragen, afbeeldingen, te behalen punten, etc. Omgevingen met een QTI player kunnen QTI afspelen.

    Versie 2.1 (NL)

    Versie 3.0 bèta

    Voor developers

    Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op onze Developers Wiki.