Thema 8 Dichter bij dieren vmbo-kgt12

Thema 8 Dichter bij dieren vmbo-kgt12

Dichter bij dieren

Inleiding

Kees Stip maakte grappige gedichten over dieren.
Hij leefde van 1913 tot 2001 en maakte vele honderden dierengedichtjes
voor de Volkskrant.
In al die dierengedichtjes speelt hij op een aparte manier met de taal.

Hieronder een voorbeeld:

Op twee slakken
Twee slakken waren al sinds jaren
op weg van Groningen naar Haren.
Tenslotte kwam geheel ontdaan,
de oudste aan het eindpunt aan.
Hij slikte en sprak diep bewogen:
"Mijn broer is uit de bocht gevlogen."

Wat kan ik straks?

Hier vind je de leerdoelen die horen bij het thema: Dichter bij dieren.

Leerdoel Opdracht
Ik kan een zakelijk telefoongesprek voeren. Spreken - Telefoneren
Ik kan het lijdend voorwerp in een zin aanwijzen. Grammatica - Lijdend voorwerp
Ik kan het voltooid deelwoord correct spellen. Spelling - Voltooid deelwoord
Ik kan de vier tekstdoelen noemen en omschrijven waarvoor ze bedoeld zijn. Lezen - Doel formuleren
Ik kan rijmschema's en dichtvormen herkennen. Fictie - Gedichten

Wat ga ik doen?

Het thema 'Dichter bij dieren' bestaat uit de volgende onderdelen:

Onderdeel Tijd Eindproduct
Inleiding 0,5 lesuur -
Spreken - Een telefoongesprek voeren 2 lesuren Toets of script van een telefoongesprek
Grammatica - Lijdend voorwerp 1 à 2 lesuur Toets of rap
Spelling - Voltooid deelwoord 1 lesuur Toets
Lezen - Tekstdoelen 3 lesuren Krantenpagina of voorbeelden van doelen zoeken
Fictie - Gedichten 2 lesuren Gedicht
Afsluiting 2 lesuren Poster
Totaal ongeveer 12 lesuren  

De tijd is een indicatie en afhankelijk van de keuze van het eindproduct.

Opdrachten

Spreken - Telefoneren

Telefoneren

Intro

Telefoneren...of bellen zoals de meeste van ons het noemen, is iets wat iedereen kan en doet.
Maar op welke manier voer je nou een goed telefoongesprek?
Wat zeg je tegen iemand als je een zakelijk gesprek voert? Praat je dan op dezelfde manier als wanneer je een vriend of vriendin belt?

Daarover gaat deze opdracht.

 

Wat kan ik straks?

Aan het eind van deze opdracht kan ik:

  • een zakelijk telefoongesprek voeren.
  • de drie stappen van een zakelijk telefoongesprek benoemen.
  • van elk van de drie stappen een voorbeeld noemen.
  • gebruikmaken van het 'spelalfabet' als ik aan de telefoon een naam moet spellen.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 en Bestudeer het Kennisbankitem 'Een telefoongesprek voeren'. Geef daarna van voorbeelden aan of het gaat om een privé- of zakelijk telefoongesprek.
Stap 2 en Ik geef van een zakelijk telefoongesprek aan of het gaat om het leggen van contact, het uitwisselen van informatie of de afsluiting.
Stap 3 en Ik beantwoord stellingen over een telefoongesprek.
Stap 4 Ik oefen hoe ik mijn eigen naam kan spellen met behulp van het spellingalfabet.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind ik de kennisbank die hoort bij deze opdracht.
Eindopdracht A Ik maak een toets over deze opdracht.
Eindopdracht B Schrijf een script voor een zakelijk telefoongesprek. Deze voer ik ook op.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je 2 lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Kennisbank

Bestudeer uit de Kennisbank Nederlands het volgende onderwerp:

Stap 2: Zakelijk telefoongesprek

Een (zakelijk) telefoongesprek kun je vaak in drie fasen onderverdelen:

  1. Contact leggen.
  2. Informatie uitwisselen.
  3. Afsluiten.

Je krijgt acht zinnen te zien.
Geef per zin aan bij welke fase van het telefoongesprek de zin hoort.

 

Stap 3: Telefoongesprek

Lees het onderstaand telefoongesprek en beantwoord de vragen.


Ilse de Vries: Goedemiddag, Vathorst College met Ilse de Vries. Waarmee kan ik u helpen?
Mevrouw Doretti: Goedemiddag, u spreekt met Elian Doretti van de Stichting Lezen is leuk!
Ilse de Vries:  Dag mevrouw Doretti, waarmee kan ik u helpen?
Mevrouw Doretti: Ik ben op zoek naar uw collega Annette Labrie. Is zij aanwezig?
Ilse de Vries:  Helaas, zij werkt vandaag niet. Kan ik misschien een boodschap doorgeven?
Mevrouw Doretti: Graag. Mevrouw Labrie heeft bij ons een leskist besteld. Deze is inmiddels binnen en ik zou graag met haar afspreken wanneer we die kunnen komen afleveren.
Ilse de Vries:  Ik maak er even een notitie van.
Mevrouw Doretti: Heel fijn.
Ilse de Vries:  Zal ik vragen of zij u terugbelt?
Mevrouw Doretti: Prima. Ik ben op alle werkdagen bereikbaar tussen 9.00 en 17.00 uur op nummer: 033-4677891.
Ilse de Vries:  Ik heb het genoteerd.
Mevrouw Doretti: Dankuwel. Dan wens ik u nog een fijne dag.
Ilse de Vries:  U ook een fijne dag. Dag mevrouw Doretti.

 


Stap 4: Spellingsalfabet

Wordt jouw voor- of achternaam wel eens fout geschreven?
Dan heb je je naam vast wel eens moeten spellen tijdens een telefoongesprek.
Om het spellen van woorden te vergemakkelijken, gebruik je het spellingsalfabet.

Het spellingsalfabet is een voor het telefoonverkeer ontworpen alfabet.
Elke letter is gekoppeld aan een bepaalde naam.

  • Zoek op internet het spellingsalfabet op.
  • Leer uit je hoofd hoe je je voor- en achternaam spelt met het spellingsalfabet.

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de kennisbank die hoort bij deze opdracht.

Eindopdracht A: Toets

Bij eindopdracht A maak je de toets.

Succes!

Eindopdracht B: Script telefoongesprek

Bij Eindopdracht B ga je samen met een klasgenoot aan de slag.

Jullie schrijven allebei de helft van een script voor een zakelijk telefoongesprek. Vóór jullie het script gaan schrijven, bereiden jullie je eerst voor op jullie rol in het telefoongesprek.

Een van jullie is een docent die een excursie naar Parijs wil organiseren.
Je gaat bellen naar een reisbureau. Je belt voor informatie over bijvoorbeeld mogelijke data, aantal leerlingen, mogelijkheden voor een rondleiding, enzovoorts. Je doel is erachter te komen of het reisbureau de excursie voor jou kan organiseren.

De ander is een medewerker van het reisbureau. Je moet antwoord geven op de vragen. Je doel is dat het reisbureau waarvoor je werkt de excursie mag organiseren. Help de docent dus zo goed mogelijk.

Verdeel de rollen en bereid je zo goed mogelijk voor op de rol! Let op: verwerk beide het spellingsalfabet in jullie tekst!

Telefoongesprek opvoeren
Speel nu samen het telefoongesprek.
Vraag twee klasgenoten om naar jullie te kijken en om feedback te leveren.
Speel het telefoongesprek eventueel een tweede keer.

Natuurlijk luisteren (en kijken) jullie ook naar het gesprek van jullie klasgenoten en geven jullie op een goede manier commentaar.

Als jullie tevreden zijn over het gesprek schrijf dan allebei jullie eigen deel van het gesprek uit. De twee delen van het telefoongesprek laten jullie beoordelen door jullie docent.

Beoordeling
Bij het beoordelen van het script gebruikt de docent de volgende vragen:

  • Is het een script voor een zakelijk telefoongesprek?
  • Wordt er op een goede manier contact gelegd?
  • Worden er de goede vragen gesteld?
  • Krijgt de docent antwoord op zijn vragen?
  • Wordt het gesprek netjes afgesloten?
  • Is het spellingsalfabet tweemaal verwerkt?
  • Is het script in goed Nederlands?

Klaar?
Overleg met je docent of jullie het telefoongesprek ook voor de hele klas op moeten voeren.

Terugkijken

Intro

  • Lees de intro van deze opdracht nog eens door.
    Heb je je eigen leerdoelen gehaald? Waarom wel/niet? Hoe heb je dit gemeten?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 2 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Had je die tijd ook nodig voor deze opdracht of kwam je tijd te kort?
  • Inhoud
    Welke informatie over het voeren van een zakelijk telefoongesprek kende je al? Wat was nieuw voor je?
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht?
    A: Haalde je een voldoende voor de toets? Zo niet, wat heb je er aan gedaan om toch een voldoende te halen?
    Heb je met het maken van de toets alle leerdoelen kunnen controleren?
    B: Hoe verliep de samenwerking met je klasgenoot? Waren jullie het snel eens over de rolverdeling?
    Is het gelukt om het script zo te schrijven dat het goed aansloot bij de ideeën en de rol van je klasgenoot?

Grammatica - Lijdend voorwerp

Lijdend voorwerp

Intro

In deze grammaticaopdracht staat het lijdend voorwerp centraal.

Wat is het lijdend voorwerp? Dat wordt uitgelegd in de video hieronder. 
Let goed op. De informatie die je in de video hoort, kun je goed gebruiken in deze opdracht. 

Wat kan ik straks?

Aan het eind van deze opdracht kan ik:

  • het lijdend voorwerp in een zin aanwijzen.
  • uitleggen waarom ik eerst het werkwoordelijk gezegde en het onderwerp in een zin moet vinden voordat ik het lijdend voorwerp kan vinden.
  • met een voorbeeld laten zien waarom niet in iedere zin een lijdend voorwerp hoeft te zitten.

Wat kan ik al?

Zoals je in de video in de inleiding hebt gezien, kun je het lijdend voorwerp vinden door:
wie of wat + onderwerp + werkwoordelijk gezegde =  lijdend voorwerp.

Maar hoe vind je ook alweer het onderwerp en het werkwoordelijk gezegde in een zin?
Dat herhalen we hier kort.

Lees voor je onderstaande oefeningen maakt even de volgende kennisbanken:

Maak nu de volgende oefeningen. Scoor je onvoldoende? Lees dan nogmaals de kennisbank en maak de oefening opnieuw.
Dat zijn veelal andere vragen, maar je kunt ook dezelfde vragen nogmaals tegenkomen.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Na het bestuderen van de Kennisbank kan ik het lijdend voorwerp vinden in de zin.
Stap 2 en Ik kan zinnen maken die geen lijdend voorwerp bevatten omdat er een naamwoordelijk gezegde in de zin zit.
Stap 3 Ik kan het lijdend voorwerp vinden in een zin.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind ik de kennisbanken die horen bij deze opdracht.
Eindopdracht A Als ik kies voor eindopdracht A maak ik een toets: 'Het lijdend voorwerp'.
Eindopdracht B   Als ik kies voor eindopdracht B schrijf ik een raptekst over het lijdend voorwerp.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je 1 lesuur nodig.

Aan de slag

Stap 1: Kennisbank

Als je het lijdend voorwerp in een zin wilt vinden, moet je eerst het werkwoordelijk gezegde en het onderwerp opzoeken. Dat heb je net kunnen oefenen bij 'Wat kan ik al?'.
 

Bestudeer nu de Kennisbank over het lijdend voorwerp.

Maak de volgende oefeningen.

Stap 2: Naamwoordelijk gezegde

Bekijk de volgende zin:

  • Dat meisje is de knapste leerling.

In deze zin zit geen lijdend voorwerp.
Er is namelijk sprake van een naamwoordelijk gezegde (ng).
Het ng in deze zin is: 'is de knapste leerling'.
Een zin met een naamwoordelijk gezegde heeft nooit een lijdend voorwerp.

Weet je nog wat het naamwoordelijk gezegde is?
Als je twijfelt, bestudeer dan het volgende item in de Kennisbank:

Kun je een aantal zinnen bedenken waarin geen lijdend voorwerp voorkomt?
Schrijf er minstens vijf in je schrift.
Laat de zinnen die je hebt opgeschreven zien aan een klasgenoot
Bekijk ook haar/zijn zinnen. Lijken de zinnen op elkaar?
Bespreek elkaars zinnen.

Stap 3: Lijdend voorwerp

Maak de volgende sleepoefening.
Je ziet tien zinsdelen. Elk zinsdeel is een lijdend voorwerp.
Kies bij elke zin het juiste lijdend voorwerp en maak de zin compleet!

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de kennisbanken die horen bij deze opdracht.

Eindopdracht A: Toets

Je sluit deze opdracht af met het maken van een toets.
De toets bestaat uit vijftien vragen.
Je moet twaalf vragen goed beantwoorden om een voldoende te halen.

Klik op de volgende link om te beginnen:

Eindopdracht B: Rap

Als je kiest voor eindopdracht B schrijf je een rap van minimaal vijftien zinnen over het lijdend voorwerp. Verwerk alles wat je weet over het lijdend voorwerp in de rap. Gebruik ook voorbeelden in de rap.

Hier heb je alvast een begin, maar je mag ook de hele rap zelf schrijven.

Rap over het lijdend voorwerp
Goedemorgen beste vrienden en vriendinnen
deze rap gaat over een paar gekke zinnen
het lijdend voorwerp is het onderwerp van deze rap
geloof me deze tekst is echt en zeker niet nep
...

Beoordeling
Je docent let bij de beoordeling van de rap op het volgende:

  • In de rap heb je verwerkt hoe je het lijdend voorwerp kunt vinden.
  • In de rap heb je voorbeelden verwerkt van het lijdend voorwerp.
  • De rap bestaat uit minimaal 15 zinnen.
  • De overige beoordelingseisen vind je in het overzicht in de gereedschapskist.


Klaar?
Laat je klasgenoten, in overleg met je docent, genieten van jouw rap.

Raptekst schrijven

Een raptekst kun je goed gebruiken om je mening over een onderwerp over te brengen. Maar een rap kun je ook gebruiken om een verhaal te vertellen. 
Een rap presenteer je natuurlijk op een goede beat.

 

Succes!

Terugkijken

Intro

  • Lees de intro van deze opdracht nog eens door. Vond je de video al een duidelijk beeld geven van het lijdend voorwerp? Snapte je de uitleg in de video gelijk?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees het leerdoel van deze opdracht nog eens door.
    ​Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 1 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Had je die tijd ook nodig voor deze opdracht of kwam je tijd te kort?
  • Inhoud
    Lukte het om elke keer het lijdend voorwerp te vinden in de oefeningen? Vond je de uitleg in stap 2, over het naamwoordelijk gezegde/lijdend voorwerp duidelijk?
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdrachten:
    A: Heb je een voldoende gescoord voor de toets? Zo niet, weet je dan waar het fout ging? Heb je de kennisbank nogmaals gelezen en opnieuw de toets gemaakt?
    B: Is het gelukt om de informatie over het lijdend voorwerp in de rap te verwerken? Had je veel aan de informatie in de gereedschapskist? Mocht je de rap voor de klas opvoeren? Hoe vond je dat?

Spelling - Voltooid deelwoord

Voltooid deelwoord

Intro

In deze opdracht behandelen we het voltooid deelwoord.

Hoe weet je nou of je 'Hij heeft het geleerd' of 'Hij heeft het geleert' schrijft? Dat leer je in deze opdracht. In de video krijg je alvast de eerste uitleg.
Let dus maar goed op tijdens het kijken!

Wat kan ik straks?

Aan het eind van deze opdracht kan ik:

  • het voltooid deelwoord vinden in een zin.
  • het voltooid deelwoord correct spellen.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Stap        Activiteit
Stap 1 Na het bestuderen van de Kennisbank kan ik de voltooid deelwoorden op de juiste manier spellen.
Stap 2 Veel oefenen helpt. Maak nog een oefening over het voltooid deelwoord.
Stap 3 Vul in de kruiswoordpuzzel de voltooid deelwoorden in.
Stap 4 en Ik maak tabellen waarin ik verschillende werkwoorden en voltooid deelwoorden verwerk.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind ik de kennisbank die hoort bij deze opdracht.
Eindopdracht Sluit de opdracht af met het maken van een toets.
Extra opdracht Overleg met mijn docent of ik de extra opdracht maak.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je lesuur nodig.

Aan de slag

Stap 1: Kennisbank

Bestudeer uit de Kennisbank Nederlands het volgende onderwerp:

Maak daarna de volgende oefening.

 

Stap 2: Oefenen helpt!

Maak ook de volgende oefening.

Stap 3: Kruiswoord

Maak de kruiswoordpuzzel.
De omschrijving is steeds een heel werkwoord.
Vul het voltooid deelwoord in.

Download hier de puzzel.
Maak een kopie van het werkblad in je eigen omgeving (Bestand - Een kopie maken...) of download de kruiswoordpuzzel (Bestand - Downloaden als).

 

 

Succes!

Stap 4: Tabellen

Maak in een tekstdocument drie tabellen met twee kolommen.
Tik in het eerste vakje van de eerste kolom: 'hele werkwoord'.
Tik in het eerste vakje van de tweede kolom: 'voltooid deelwoord'.

In tabel 1 komen minimaal vijf werkwoorden waarvan het voltooid deelwoord eindigt op een '-t'.
Bijvoorbeeld: vissen (want je schrijft: Hij heeft gevist).

In tabel 2 komen werkwoorden (weer minimaal vijf) waarvan het voltooid deelwoord eindigt op een '-d'.
Bijvoorbeeld: rennen (want je schrijft: Hij heeft gerend).

In tabel 3 komen minimaal vijf sterke werkwoorden en het daarbij horende
voltooid deelwoord.
Bijvoorbeeld: gaan (sterk, want je schrijft: hij ging)

Vergelijk jouw tabellen met de tabellen van een klasgenoot.
Hebben jullie dezelfde werkwoorden gebruikt? Controleer elkaars voltooid deelwoorden. Zijn alle antwoorden juist?

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de kennisbank die hoort bij deze opdracht.

Eindopdracht: Toets

Je sluit deze opdracht af met het maken van een toets.
De toets bestaat uit tien vragen.
Je moet acht vragen goed beantwoorden om een voldoende te halen.
 

Succes!

Extra opdracht

Veel oefenen helpt!

Hier vind je een extra oefening over het voltooid deelwoord.
Maak van elk werkwoord een voltooid deelwoord en zet deze in de juiste kolom.

Terugkijken

Intro

  • Lees de intro van deze opdracht nog eens door. Vond je dat de uitleg in de video duidelijk was?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees het leerdoel van deze opdracht nog eens door.
    ​Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 1 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Had je die tijd ook nodig voor deze opdracht of kwam je tijd te kort?
  • Inhoud
    Kun je de regels van het voltooid deelwoord makkelijk toepassen of heb je voor jezelf ezelsbruggetjes gemaakt?
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht?
    Was de toets moeilijk? Kon je de vragen goed begrijpen? Is het gelukt om een voldoende te halen?
  • Extra opdracht
    Heb je de extra opdracht gemaakt? En gaat het steeds beter?

Lezen - Doel formuleren

Doel formuleren

Intro

In deze opdracht behandelen we het doel van een tekst of verhaal formuleren.

Een schrijver heeft een bepaald doel met zijn tekst. Hij wil bijvoorbeeld de lezer overtuigen een bepaald product te kopen. Het kan ook zijn dat hij de lezer aan het lachten wil maken.

Kijk naar de video hieronder.
Daarin wordt uitgelegd welke tekstdoelen er zijn.
Bespreek na het kijken met een klasgenoot welke tekstdoelen worden genoemd in deze video.

 

Wat kan ik straks?

Aan het eind van deze opdracht kan ik:

  • de vier tekstdoelen noemen en omschrijven waarvoor ze bedoeld zijn.
  • per tekstdoel minimaal twee tekstsoorten noemen.
  • na het lezen van een tekst aangeven wat het tekstdoel van de tekst is.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Ik bestudeer het kennisbankitem over Tekstdoel en tekstsoort en beantwoord daarna vragen over verschillende soorten tekstberichten en hun doel.
Stap 2 Ik lees een tekst en geef daarna aan wat het doel van de tekst is.
Stap 3 Ik bekijk twee videofragmenten en praat met een klasgenoot over het doel van de fragmenten.
Stap 4 Ik lees een tekst en geef daarna aan wat het doel van de tekst is.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind ik de kennisbank die hoort bij deze opdracht.
Eindopdracht A Ik maak een pagina uit een krant.
Eindopdracht B Ik ga op zoek naar video's en teksten die aansluiten bij de vier verschillende tekstdoelen.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je 3 lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Kennisbank

Bestudeer uit de Kennisbank Nederlands het volgende onderwerp:

Maak de volgende oefening.

Stap 2: Orkanen

Lees de volgende tekst:

Door de felle zon in de zomer wordt het zeewater warm.
Het warme water verdampt en stijgt op.
Zo ontstaan gigantische regenwolken.
Omdat de aarde ronddraait gaan de wolken ook ronddraaien.
Hierdoor ontstaat een keiharde wind en dat is een orkaan.


Beantwoord de volgende vragen:

 

Stap 3: Clips

Net als een schrijver van een tekst heeft de maker van een videoclip vaak een bepaald doel met zijn clip.
Bekijk (een deel van) de volgende twee videofragmenten van YouTube.

Fragment 1:

Fragment 2:

Bespreek met een klasgenoot per videofragment wat het doel van het videofragment is.
Kies uit:

  • informeren
  • amuseren
  • tot handelen aanzetten
  • overtuigen

Stap 4: Hoe overleef je...

Lees de tekst en beantwoord vervolgens de vragen.

Hoe overleef je een vliegtuigongeluk?
Wie in een vliegtuig neerstort, heeft weinig kans het na te vertellen.
Toch komt het voor, dat mensen als door een wonder gered worden, zelfs als alle andere passagiers omkomen.

Op kerstavond 1971 steeg een passagiersvliegtuig op van Jorge Chavez International Airport in Lima op weg naar Peru. Toen het vliegtuig op 21.000 voet vloog en een half uur onderweg was, werd het getroffen door onweer.
Het toestel begon te duiken en door de geweldige luchtdruk brak een vleugel af. Het vliegtuig stortte neer in een onherbergzaam oerwoud.
De 17-jarige Duitse Juliane Koepcke was de enige die overleefde.
Zij zocht zonder resultaat naar haar moeder en begon daarna hulp te zoeken.
Negen dagen zwierf ze door het Amazonegebied. Tot haar grote geluk vond ze een kano en een tent, die aan houthakkers bleken toe te behoren. Die namen haar mee naar hun basis, vanwaar ze naar een ziekenhuis kon worden gevlogen.

Vaak overleven juist kinderen of cabinepersoneel, al begrijpt niemand precies waarom.
Wat wel te begrijpen is: vaak zitten de overlevers achter in het toestel.
Als het vliegtuig de grond raakt met de neus, zijn de overlevingskansen achterin groter, omdat de klap voorin is opgevangen.
Ook vluchtrecorders worden om deze reden juist in de staart van het toestel bevestigd.

 

Beantwoord de volgende vragen.

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de kennisbank die hoort bij deze opdracht.

Eindopdracht A: Krantenpagina

Bij eindopdracht A maak je een krantenpagina. Je maakt deze eindopdracht met een klasgenoot. 

Stel je voor... je moet voor een huis-aan-huisblad een pagina vullen over het onderwerp: HUISDIER WEGGELOPEN!

Jullie gaan vier korte teksten maken. Dit zijn:

  1. Tekst 1: een informatieve tekst over dit onderwerp.
  2. Tekst 2: een amuserende tekst over dit onderwerp.
  3. Tekst 3: een overtuigende tekst over dit onderwerp.
  4. Tekst 4: een activerende tekst over dit onderwerp.

Zijn de teksten klaar? Maak dan de krantenpagina. 

  • Maak met deze vier teksten een leuke pagina voor het huis-aan-huisblad. 
  • Zorg dat deze pagina er ook echt uitziet als een krantenpagina.
  • Bedenk dus een naam voor het blad, zoek of maak er foto's bij enzovoort... gebruik je fantasie!
  • Maak er een poster van die je kunt ophangen in de klas.

Overleg met je klasgenoot en maak duidelijke afspraken. Zorg dat jullie de taken eerlijk verdelen. 

Beoordeling
Jullie docent let bij de beoordeling op het volgende: 

  • Bevat de krantenpagina vier verschillende teksten?
  • Hebben de vier teksten vier verschillende tekstdoelen?
  • Zijn de teksten samengevoegd in één krantenpagina. 
  • Is de krantenpagina voorzien van naam en voorzien van bijpassende afbeeldingen?
  • Ziet het geheel er netjes en verzorgd uit?

Klaar? 
Lever jullie krantenpagina in bij je docent.

 

Krant maken

Een krant kun je natuurlijk hartstikke goed zelf maken! Je verzamelt foto’s, tekeningen, schema’s, tekststukjes en quotes over een bepaald onderwerp.

 

Eindopdracht B: Doelen

Bij Eindopdracht B zoek je verschillende media met verschillende doelen. 

Ga samen met een klasgenoot op internet op zoek naar:

  • Een filmpje dat als doel heeft informeren.
  • Een filmpje dat als doel heeft tot handelen aansporen.
  • Een tekst die als tekstdoel heeft amuseren.
  • Een tekst die als tekstdoel heeft overtuigen.

Als jullie twee filmpjes en de twee teksten gevonden hebben, laten jullie ze beoordelen door jullie docent.

Bij de beoordeling let jullie docent op:

  • De inhoud: is het duidelijk welk (tekst)doel bij het filmpje/de tekst hoort?
  • De originaliteit: zijn de filmpjes/teksten leuk om te zien/te lezen?
  • De lengte: zijn de filmpjes niet te lang (maximaal 5 minuten)?

Succes.

Terugkijken

Intro

  • Lees de intro van deze opdracht nog eens door.
    Welk doel dacht je dat de cartoonist met de cartoon had?
    Nu ken je de vier tekstdoelen. Welk doel zou je nu kiezen voor de cartoon?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je 3 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Had je die tijd ook nodig voor deze opdracht of kwam je tijd te kort?
  • Inhoud
    Welke manier van doelen formuleren spreekt jou het meest aan?
    Zou je zelf het liefst een informatieve tekst schrijven of juist een tekst om te amuseren of...
    Motiveer je antwoord.
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht?
    A: Is het gelukt om duidelijke afspraken te maken met je klasgenoot?
    Konden jullie de taken goed verdelen? Zo nee, hoe hebben jullie dit opgelost?
    B:Viel het mee of tegen om de juiste video's/teksten te vinden? Wat vond je lastiger?
    De teksten of de video's? Hoe verliep jullie samenwerking?
    Hadden jullie de taken verdeeld of werkten jullie overal samen aan? Hoe beviel dat?

Fictie - Gedichten

Gedichten

Intro

In deze opdracht leer je een aantal vormen van poëzie en rijm.

Kijk naar de volgende video. In de video zie je Toon Hermans.
Toon Hermans was een erg bekende cabaretier. In de tijd dat Toon Hermans optrad, waren er nog niet zoveel cabaretiers die echt bekend waren.
Hij probeerde zijn verhalen altijd zo te vertellen dat iedereen ze snapte.
Toon Hermans overleed in 2000.

In de volgende video vertelt hij een aantal van zijn gedichten. Ze zijn allemaal kort en grappig. Maar rijmen niet allemaal op dezelfde manier. Bespreek na het kijken waardoor de gedichtjes van Toon Hermans makkelijk te begrijpen en grappig zijn.

Wat kan ik straks?

Aan het eind van deze opdracht kan ik:

  • rijmschema en dichtvormen herkennen.
  • zelf een gedicht maken vol gevoel.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Ik bestudeer het Kennisbankitem 'Gedichten' en maak de oefening over de verschillende dichtvormen.
Stap 2 Ik bekijk 5 video's van gedichten waarin gevoelens duidelijk zijn. Ik overleg met een klasgenoot over welke gevoelens deze gedichten gaan.
Stap 3 Ik lees bekende kindergedichten en bepaal welk rijmschema er is gebruikt.
Stap 4 Ik schrijf een gedicht van 10 regels over iets wat mij persoonlijk raakt.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Samenvattend Hier vind ik de kennisbanken die horen bij deze opdracht.
Eindopdracht Maak samen een gedicht vol gevoel.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.


Tijd
Voor deze opdracht heb je 2 lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Kennisbank

Bestudeer uit de Kennisbank Nederlands de volgende twee items over gedichten:

Doe nu de volgende oefening.

Stap 2: Gedichten en gevoelens

Gedichten zijn er niet om iets uit te leggen.
Ze gaan over wat je voelt.
Geen wonder dat veel gedichten op muziek worden gezet, want ook muziek werkt op je gevoel.
Bekijk de volgende vijf videoclips en beantwoord daarna de vraag:

Video 1:
Video 2:

 

Video 3:
Video 4:
Video 5:

 

Stap 3: Gedichten

Lees hier het bekende kindergedicht 'Het fluitketeltje' van Annie M.G. Schmidt:

Het fluitketeltje

Meneer is niet thuis en mevrouw is niet thuis,
het keteltje staat op het kolenfornuis,
de hele familie is uit,
en het fluit en het fluit en het fluit: túúúút

De pan met andijvie zegt: Foei, o, foei!
Hou eindelijk op met dat nare geloei!
Wees eindelijk stil asjeblief,
je lijkt wel een locomotief.

De deftige braadpan met lapjes en zjuu
zegt: Goeie genade, wat krijgen we nu?
Je kunt niet meer sudderen hier,
ik sudder niet meer met plezier!

Het keteltje jammert: Ik hou niet meer op!
Het komt door m'n dop! Het komt door mijn dop!
Ik moet fluiten, zolang als ik kook
en ik kan het niet helpen ook!

Meneer en mevrouw zijn nog altijd niet thuis
en het keteltje staat op het kolenfornuis,
het fluit en het fluit en het fluit.
Wij houden het echt niet meer uit... Jullie?

Auteur: Annie M.G. Schmidt

 

  • Welk rijmschema heeft het gedicht? Hoe heet dit rijmschema? Bespreek het met een klasgenoot.


Lees nu ook het gedicht 'De blikken fluit' van Daan Zonderland:

De blikken fluit

Er was eens een arme jongen
Die had een blikken fluit.
Daar blies hij de zonderlingste
En raarste liedjes uit.

De ouden schudden hun hoofden.
De wijzen werden kwaad.
De koning en zijn ministers
Verjoegen hem van de straat.

Maar alle jongens en meisjes
Gingen er heimlijk op uit
En luisterden 's nachts in het duister
Naar het lied van de Blikken Fluit.

Auteur: Daan Zonderland

 

  • Welk rijmschema heeft het gedicht? Hoe heet dit rijmschema? Bespreek ook dit gedicht met een klasgenoot.

Stap 4: Gedichten schrijven

Gedicht maken

Een gedicht wordt vaak gebruikt om een mening over een onderwerp over te brengen. Dit kan op verschillende manieren en de zinnen hoeven niet altijd precies te rijmen. Een gedicht kun je presenteren op een poster, maar bijvoorbeeld ook op een ansichtkaart.

 

Afronding

Samenvattend

Hier vind je de kennisbanken die horen bij deze opdracht.

Eindopdracht: Gedicht maken

Eindopdracht: maak samen een gedicht vol gevoel
Ga als volgt te werk:

  1. Werk samen met een klasgenoot.
  2. Kies een rijmschema. In overleg met je docent mag je ook een bepaalde dichtvorm kiezen.
  3. Maak allebei een gedicht van vier regels over een afgesproken gevoel.
    Dat gevoel is voor jullie allebei hetzelfde.
    Bijvoorbeeld: schaamte, jaloezie, angst, afkeer, vrolijk... enz.
  4. Voeg de twee gedichten samen tot één nieuw gedicht.
  5. Zorg ervoor dat het gedicht mooi 'klinkt'. Pas waar nodig de zinnen een beetje aan zodat ze bij elkaar passen.

Klaar?
Laat jullie gedicht beoordelen door jullie docent.
Je docent beoordeelt het gedicht op de volgende punten:

  • Het gedicht is origineel.
  • In het gedicht is één bepaald gevoel herkenbaar.
  • Taal en spelling zijn in orde.
  • Het gedicht heeft een herkenbaar rijmschema.
  • Het gedicht loopt lekker en klinkt goed.

Gedicht maken

Een gedicht wordt vaak gebruikt om een mening over een onderwerp over te brengen. Dit kan op verschillende manieren en de zinnen hoeven niet altijd precies te rijmen. Een gedicht kun je presenteren op een poster, maar bijvoorbeeld ook op een ansichtkaart.

 

Terugkijken

Intro

  • Kijk nogmaals de video van Toon Hermans. Welke rijmschema's herken je?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 2 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Had je die tijd ook nodig voor deze opdracht of kwam je tijd te kort?
  • Inhoud
    Kon je de emoties herkennen in de gedichten/liederen?
    Waarom denk je dat het belangrijk is dat emoties worden verwerkt in een gedicht?
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht? Is het gelukt om samen een samenhangend gedicht te schrijven?
    Waren jullie het eens over de gevoelens die jullie in het gedicht wouden verwerken? En het onderwerp?

Afsluiting

Kennisbanken

Hier vind je de kennisbanken die gebruikt zijn in dit thema.

Eindopdracht

Je gaat het thema 'Dichter bij dieren' afronden.

Je gaat als eindproduct een poster maken met een zelfgekozen gedicht van Kees Stip, maar je mag zelf ook een ander grappig en niet te lang dierengedicht opzoeken of maken! Dit moet een ander gedicht zijn dan dat je in de inleidende opdracht van dit thema gemaakt hebt.

Op de poster moet ook een grappige afbeelding staan, waarin iets te zien is van het gedicht.

Groepsgrootte
Je maakt het eindproduct alleen.

Tijd
Voor het maken van de poster heb je twee lesuren.

Benodigdheden

  • computer met internet
  • een vel dik papier A3-formaat
  • papier en (kleur)potloden, stiften, schaar, lijm, karton, plakband, etc. voor het maken van de poster

Aan de slag

Kies een gedicht uit van Kees Stip met behulp van een boek uit de bibliotheek, of van de website 4umi.com/stip/op_beesten.htm. Bedenk hoe je de situatie in het gedicht grappig en origineel kunt uitbeelden.

Kies de juiste materialen en techniek om je poster te maken.

Lees eerst even de beoordelingseisen hieronder door. Dan weet je waar je op moet letten tijdens het maken van je poster.

Maak eerst een schets op een kleiner vel papier. Geef met kleurpotlood de kleuren aan die je wilt gebruiken.
Overleg met een medeleerling of je idee grappig en duidelijk overkomt. Misschien kan hij/zij je helpen met een tip.
Werk dan pas je schets uit op het grote vel papier.
Trek rechte hulplijnen om de tekst van het gedicht over te schrijven, of: print het gedicht uit in een mooi (groot, leesbaar) lettertype. Plak het netjes op je poster.

Beoordeling
Bij het beoordelen van je poster let je docent op het volgorde:

  • De poster bevat een gedicht van Kees Stip of een eigen verzonnen dierengedicht.
  • Het gedicht is foutloos overgenomen/geschreven.
  • De tekening past bij het gedicht en bevat humor.
  • De tekening bij het gedicht is origineel.
  • De naam van de dichters staat vermeld bij het gedicht.
  • De poster is opvallend, mooi van kleur en goed getekend of gemaakt.
  • De tekst en tekeningen zijn mooi verdeeld over de poster.
  • De poster is van een afstandje goed te lezen.


Tevreden?
Laat je poster beoordelen door jullie docent.

Poster maken

Op een informatieve poster kun je laten zien wat de belangrijkste delen van de lesstof zijn. Ook kun je weergeven hoe bepaalde delen zich tot elkaar verhouden.

 

D-Toets

Test je kennis. Maak de diagnostische toets.

Terugkijken

Inleiding

  • Kijk nog eens goed naar de inleiding. Ben je tevreden over het gedicht dat je geschreven hebt? Moest je het gedicht voor de klas voordragen? Zo ja, hoe heb je je daar op voorbereid?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van dit thema nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 12 uur met dit thema bezig zou zijn.
    Klopt dat met het aantal lessen dat je over dit thema hebt gehad?
  • Inhoud
    Welke opdracht binnen dit thema vond je het leukste? Welke het moeilijkste?
    Kun je informatie die je in de ene opdracht krijgt soms weer gebruiken in de andere opdracht?
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht?
    Wat vind je van de dierengedichten van Kees Stip?
    Zijn deze gedichten voor kinderen geschreven? Waarom denk je dat?
    Vind je het zelf leuk om gedichten te bedenken?
    Waarom denk je dat mensen gedichten lezen?
    Hoe vond je het werken aan deze poster?
    Welke vaardigheden heb je geoefend met het werken aan deze opdracht?

Verderkijker

De Verderkijker biedt bij het thema passende externe linkjes naar uitleg, oefenmateriaal of filmpjes.

Spreken

Voor het onderdeel Telefoneren zijn de volgende items geselecteerd.

Grammatica

Voor het onderdeel Lijdend voorwerp zijn de volgende items geselecteerd.

Spelling

Voor het onderdeel Voltooid deelwoord zijn de volgende items geselecteerd.

Lezen

Voor het onderdeel Doel formuleren zijn de volgende items geselecteerd.

Fictie

Voor het onderdeel Gedichten zijn de volgende items geselecteerd.

  • Het arrangement Thema 8 Dichter bij dieren vmbo-kgt12 is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt, maakt en deelt.

    Auteur
    VO-content
    Laatst gewijzigd
    28-11-2025 12:44:01
    Licentie

    Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding en publicatie onder dezelfde licentie vrij bent om:

    • het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat
    • het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
    • voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.

    Meer informatie over de CC Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie.

    StudioVO

    Deze module is ontwikkeld door medewerkers van StudioVO.

    Fair Use

    In de Stercollecties van StudioVO wordt gebruik gemaakt van beeld- en filmmateriaal dat beschikbaar is op internet. Bij het gebruik zijn we uitgegaan van fair use. Meer informatie: Fair use

    Mocht u vragen/opmerkingen hebben, neem dan contact op via de helpdesk VO-content.

    Aanvullende informatie over dit lesmateriaal

    Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar:

    Toelichting
    Dit thema valt onder de arrangeerbare leerlijn van de Stercollecties voor Nederlands voor vmbo-kgt12. Dit thema bestaat uit vijf opdrachten, waarbij in iedere opdracht een andere taalvaardigheid centraal staat. Zo komt in dit thema het voeren van een telefoongesprek, het gebruik van het lijdend voorwerp, de spelling van het voltooid deelwoord, het herkennen en beschrijven van tekstdoelen en het herkennen van rijmschema's en dichtvormen aan bod. Om het thema af te sluiten maak je een poster over een zelfgekozen gedicht van Kees Stip. Ook is er een diagnostische toets beschikbaar.
    Leerniveau
    VMBO gemengde leerweg, 2; VMBO kaderberoepsgerichte leerweg, 1; VMBO kaderberoepsgerichte leerweg, 2; VMBO theoretische leerweg, 1; VMBO gemengde leerweg, 1; VMBO theoretische leerweg, 2;
    Leerinhoud en doelen
    Schrijven; Spelling, interpunctie en grammatica; Nederlands; Schrijfvaardigheid; Mondelinge taalvaardigheid; Literatuur; Woordgebruik en woordenschat (Nederlands); Lezen van fictionele teksten en literaire teksten (Nederlands); Gesprekken voeren (Nederlands); Tekstkenmerken;
    Eindgebruiker
    leerling/student
    Moeilijkheidsgraad
    gemiddeld
    Studiebelasting
    12 uur 0 minuten
    Trefwoorden
    arrangeerbaar, dichter bij dieren, gedichten, lijdend voorwerp, nederlands, poster maken, stercollectie, tekstdoelen, vmbo-kgt12, voltooid deelwoord

    Gebruikte Wikiwijs Arrangementen

    VO-content Nederlands. (2025).

    Opdracht: Fictie - Gedichten - vmbo-kgt12

    https://maken.wikiwijs.nl/61693/Opdracht__Fictie___Gedichten___vmbo_kgt12

    VO-content Nederlands. (2025).

    Opdracht: Grammatica - Lijdend voorwerp - vmbo-kgt12

    https://maken.wikiwijs.nl/61690/Opdracht__Grammatica___Lijdend_voorwerp___vmbo_kgt12

    VO-content Nederlands. (2025).

    Opdracht: Lezen - Doel formuleren - vmbo-kgt12

    https://maken.wikiwijs.nl/61692/Opdracht__Lezen___Doel_formuleren___vmbo_kgt12

    VO-content Nederlands. (2025).

    Opdracht: Spelling - Voltooid deelwoord - vmbo-kgt12

    https://maken.wikiwijs.nl/61691/Opdracht__Spelling___Voltooid_deelwoord___vmbo_kgt12

    VO-content Nederlands. (2025).

    Opdracht: Spreken - Telefoneren - vmbo-kgt12

    https://maken.wikiwijs.nl/61689/Opdracht__Spreken___Telefoneren___vmbo_kgt12

  • Downloaden

    Het volledige arrangement is in de onderstaande formaten te downloaden.

    Metadata

    LTI

    Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI koppeling aan te gaan.

    Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.

    Arrangement

    Oefeningen en toetsen

    Dichter bij dieren

    IMSCC package

    Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.

    QTI

    Oefeningen en toetsen van dit arrangement kun je ook downloaden als QTI. Dit bestaat uit een ZIP bestand dat alle informatie bevat over de specifieke oefening of toets; volgorde van de vragen, afbeeldingen, te behalen punten, etc. Omgevingen met een QTI player kunnen QTI afspelen.

    Versie 2.1 (NL)

    Versie 3.0 bèta

    Voor developers

    Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op onze Developers Wiki.