Groen Ontwerpen

Groen Ontwerpen

Inleiding

Er is natuur, cultuur, en natuur die in cultuur wordt gebracht. Jij hebt gekozen voor een vak waarin je de natuur in cultuur brengt, door haar te beheren, te onderhouden of aan te leggen.

Tijdens deze lessen leer je hoe je plannen maakt voor de natuur. Dit noemen we Groen Ontwerpen. Plannen maken kun je alleen als je weet hoe de natuurlijke groei en processen verlopen. Een fout in het plan levert namelijk altijd (te) veel onderhoud op. Ook leer je hoe je je plannen op een begrijpelijke manier presenteert aan degenen die het plan uit gaan voeren.

Het bedenken van een goed plan voor Groen heeft  te maken met vormgeving, esthetiek (kunstgevoel), persoonlijke smaak, maar ook met tradities, gebruiksgemak, kosten, en natuurlijk met functionaliteit, het doel waarvoor het Groen wordt ontworpen. Over al deze aspecten van Groen Ontwerpen gaat dit arrangement.

 

Hoe ziet jou favoriete landschap eruit?

Met behulp van de website http://www.daarmoetikzijn.nl/ kun je je eigen favoriete landschap samenstellen. Deze website is ook handig om je favoriete landschap in Nederland op te zoeken.

 

 

Leerwijzer

Integrale opdrachten HKS

Gedurende de opleiding (HKS) maak je verschillende integrale opdrachten die de hele lesstof beslaan. In een integrale opdracht laat je zien dat je de geleerde theorie in de praktijk kunt toepassen. Het resultaat van elke opdracht levert een rapportcijfer. Je voert de opdrachten uit tijdens de lessen Groene theorie (plantenkennis, werkvoorbereiden en groen ontwerpen)

 

De integrale opdrachten die dit jaar uitgevoerd moeten worden zijn

blok 7 Planning en uitvoering van een onderhoudsproject

blok 8 Vernieuwingen en ontwikkelingen

blok 9 Ontwerp en beplantingsplan

blok 10 Planning en uitvoering aanlegproject

Bijlagen bij de IO's

Tekenen I

Doel

In het hoveniersvak worden tekeningen gemaakt om de ideeën van de ontwerper te communiceren naar de klant en de uitvoerenden. Een tekening kan zowel digitaal als met de hand worden gemaakt.

Dit arrangement leert je de juiste materialen te kiezen voor een handgemaakte tekening.

1. Tekenmaterialen en tekenruimte

1. Tekengereedschap

Voor het maken van een tekening zijn allerlei materialen te koop. Loop maar eens een kantoor-boekhandel binnen.

Voor de lessen tuintekenen heb je minimaal nodig:

Produktinformatie

Potloden

Potloodstifthouders zijn makkelijker in het gebruik dan gewone potloden. Stifthouders leveren namelijk een constante dikte en je hoeft ze nooit te slijpen. Kijk bij aanschaf altijd naar de juiste dikte en hardheid.

Voor het tekenen op transparant papier is nodig een stiftdikte van 0.2-0.5 mm, met hardheid H of HB.

Voor schetsen op gewoon papier kun je een dikkere pen (0.9 mm) van een zachtere soort gebruiken (B). Dit tekent minder nauwkeurig maar is makkelijker uit te gummen.

Tekenpennen

Aan de inkt van de pennen worden hoge eisen gesteld.

- snel drogend, maar niet te snel

- goed zwart, ook na kopiëren

- gelijkblijvende viscositeit onder alle omstandigheden

- watervast

Op school wordt  gebruik gemaakt van fineliners in verschillende diktes.

Kleurmaterialen

Stiften: op alcohol- en waterbasis. Alcoholstiften zijn waterproof, maar belasten het milieu meer. Het aantal kleuren is groot.

Kleurpotloden: met kleurstift, deze geeft lichte kleuren waarbij je snel het gevaar loopt te 'krassen', vooral bij blauwe tinten.

Krijt: er zijn ook kleurpotloden met een krijtstift. Het krijt kun je na opbrengen met je vinger of een watje verdoezelen, waarmee je een mooi egaal effect krijgt. Hetzelfde effect krijg je met pastelkrijt (géén oliepastel!)

Driehoek, cirkelsjabloon en liniaal : deze moeten een inktrand en/of dopjes heben die de kans op inktvlekken verminderen. Je kunt er ook een stukje tape onder plakken.

Passer: een passer moet een verwisselbare houder hebben, waarin je ook een tekenstift kunt plaatsen.

 

 

2. De tekenruimte

De ideale werkplek ziet er zo uit:

- Rustig, zodat je ongestoord kunt werken

- Juist klimaat, constante temperatuur en luchtvochtigheid, omdat anders het tekenpapier gaat bobbelen.

- Goede verlichting, niet spiegelend en geen armschaduw over je eigen werk.

- Tekenmaterialen onder handbereik

- Een tekentafel met haak, of tekenbord (van glad kunststof, 70x100 cm, A1 formaat)

- Een tafel om tekeningen neer te leggen

- Een schrijfbureau met in hoogte verstelbare stoel

 

 

 

3. Tekeningdragers

De tekeningdrager is het materiaal waarop je tekent. Dat kan gewoon wit papier zijn, maar ook transparant papier.

Transparant papier is handig omdat je een millimeterverdeling onder je tekening kunt leggen, die het loodrecht tekenen en het meten makkelijker maakt. Er is trouwens ook doorzichtig milimeterpapier te koop, wat handig is bij het opmeten van bijvoorbeeld getekende, onregelmatige plantvakken.

Voor een brainstormen en voor-ontwerpen gebruik je schetspapier op de rol, voor een definitieve tekening het dure calque papier. Calque papier is te krijgen in verschillende gewichten en maten. Hoe zwaarder het papier, hoe duurder.

Papierformaten:

 

Een A0 heeft een oppervlak van 1m2. Elk volgend formaat is telkens de helft van de voorgaande. Deze maten zijn vastgelegd door het NEN en internationaal gebruikelijk.

2. Het maken van een basistekening

1. Het bepalen van het formaat van je tekening

Welk formaat papier je kiest hangt o.a. af van

  • De keuze van de schaal, dat is de verhouding tot de werkelijkheid. Bij een schaal van 1:1 is de tekening even groot als de werkelijkheid. Schaal 1:100 betekent dat 0.01 m op de tekening 1 m in werkelijkheid is. Voor detaillering wordt schaal 1:5, 1:10, 1:20  gebruikt, voor overzichten 1:50, 1:100, 1:200, 1:500, 1:1000, 1:2000, 1:5000 en 1:10000
  • De grootte van het object. Kies de schaal zo dat het object duidelijk getekend kan worden. Op alle papierformatien wordt gewoonlijk in de breedte getekend, behalve op A4 formaat die veel als lengtemaat wordt gebruikt.
  • Ruimte voor details, foto's en legenda. Bepaal van te voren wat je naast de tekening wilt laten zien.
  • Het gebruik. Bedenk van te voren of je je tekening wilt kopiëren en het kopieerapparaat het dit formaat aankan.

 

 

2. Het opspannen van de tekeningdrager

Voordat je begint met tekenen, was je eerst je handen met zeep. Doe je dit niet dan maken je handen het papier vettig of vies, waardoor de inkt of het potlood moeilijk hecht en de tekening er slordig uit zal gaan zien.

Als je een tekenbord gebruikt zorg dan dat je tekenarm tijdens het tekenen kan steunen op het bord. Het opspannen van het papier doe je diagonaal, eerst één hoek vastplakken met crêpe tape en vervolgens de tegenoverstaande hoek. Het tekenpapier moet glad en recht op het tekenbord bevestigd worden. De foto hiernaast geeft aan wat er gebeurt als je het papier niet opspant.

 Als je gebruik maakt van millimeterpapier, bevestig je dit eerst en daaroverheen het transparante tekenpapier.

 

 

3. Het kiezen van de juiste lijndikte

De keuze van de lijndikte hangt onder meer af van:

  • het formaat van de tekening
  • de schaal van de tekening
  • het aan te brengen onderscheid op de tekening
  • mogelijke verkleining of vergroting

Als je verschillen in lijndiktes wilt toepassen gebruik dan tenminste voor een verhouding 2:1.

Welke lijndikte je kiest is meestal een kwestie van routine, ervaring of gevoel. Lijnen moeten zwaarder getekend worden als de schaal groter wordt. De verdikking van de lijnen is bij lange na niet evenredig met de vergroting van de schaal. Want een lijndikte van 0.18 in een tekening van 1:1000 wordt bij 10x vergroten naar 1:100 maar 2x zo dik nl 0.36 cm, en niet 10x0.18=1.80 cm.

Probeer de lijndiktes steeds op dezelfde manier te gebruiken, dus bijv. voor de kaderlijn gebruik je altijd lijndikte 1.0 en voor de details in dezelfde tekening 0.5.

De gebruikte lijndikte in een plattegrond zegt iets over de hoogte van het object. Hoe dikker de lijn, hoe hoger het object. Dus een boomkroon geef je met een dikkere lijn weer dan bijv. de vaste planten in dezelfde tuin.

Je kunt in plaats van doorgetrokken lijnen ook kiezen voor onderbroken lijnen - - - - - - - - -  of stippellijnen . . . . . . . . Geef in de legenda altijd aan wat de verschillende lijnen voorstellen.

 

 

 

 

4. Patronen

Er zijn verschillende soorten patronen om een tekening te verduidelijken, ze worden ook wel rasters genoemd. Het tekenen van deze patronen is veel werk, daarom worden patronen vaak maar gedeeltelijk ingetekend. In digitale onwerpen wordt veel meer gebruik gemaakt van patronen dan in handgemaakte tekeningen. Ook hier geldt weer: geef duidelijk in de legenda aan wat het gebruikte patroon betekent.

Hieronder zie je een aantal patronen voor verschillende soorten bestratingen.

5. Raderen

Het weghalen van een getekende lijn kun je als volgt doen:

  • op gewoon papier en schetspapier: gummen
  • op calque papier: raderen met een mesje. Je krabt met een (radeer)mesje de lijn voorzichtig weg.

6. Het tekenen van het kader

Een kader is de lijn die het gedeelte van het papier waarbinnen je tekent aangeeft. De lijndikte van een kader is dik in verhouding tot de rest van de gebruikte lijndiktes, bijv. 0.7 of 1.0.

Tussen kaderlijn en rand van het papier houd je voor A0 en A1 formaten tenminste 20 mm aan. Voor A2-, A3-,en A4- formaten houd je een breede van tenminste 10 mm aan.

7. De identificatiestrook

De identificatiestrook, ook wel stempel of onderhoek genoemd, zet je rechtsonder tegen de kaderlijn, zodat deze na het vouwen (op A4 formaat) zichtbaar is, zowel bij liggende als bij staande formaten. Houd deze strook uniform, zodat de basisgegevens makkelijk terug te vinden zijn. Op het bovenstaande voorbeeld zie je welke gegevens op een stempel moeten staan. Het (bedrijfs-)logo wordt vaak ook binnen het stempel afgebeeld.

8. Het overbrengen van meetgegevens op tekening

Met behulp van het veldwerk, bouw- en/of kaveltekening ga je de basistekening of ondergrond maken. Je moet in staat zijn gegevens te verzamelen en zodanig op papier te zetten, dat het object duidelijk is voor anderen, bijvoorbeeld de ontwerper. Toepassing van de juiste schaal is hierbij belangrijk.

Als de (bouw-)tekening waar je vanuit gaan, niet de juiste schaal heeft moet de tekening vergroot of verkleind worden. Dit kan op verschillende manieren:

  • Door het tekenen van hulplijnen. Ga uit van het belangrijkste element (bijv. het huis) en zet daar maten bij. Bij het maken van de tekening worden deze maten omgerekend naar de andere schaal. Bijvoorbeeld: als je uitgangstekening 1:100 is, vermenigvuldig je de maten met 2 voor schaal 1:50. Je kunt ook een schaallat gebruiken.
  • Door het tekenen van een ruitennet. Je maakt een ruitennet op het origineel en vergroot deze op de kopie. Dan neem je de tekening over waarbij je vooral let op de snijpunten met het ruitennet. Deze methode is vooral handig bij onregelmatige vormen.
  • Met een kopieerapparaat. Maar omdat een vergroting of verkleining met het kopieerapparaat meestal niet erg nauwkeurig is, moet je op het origineel een schaalbalk tekenen die ook op de kopie precies aangeeft wat de schaal is.

 

9. Het aanbrengen/tekenen van de noordpijl

Op elke tuintekening plaats je een noordpijl met de punt naar het noorden. De noordpijl is voor de oriëntatie van de ontwerper en de uitvoerder tjdens het werk. De juiste stand van de pijl staat op het veldwerk (de inventarisatiegegevens), de kadastrale tekening of een bouwkundige tekening. Neem het noorden hiervan over of gebruik Google Maps waarvan alle kaarten noordgericht zijn.

Let op dat een gekantelde N een Z lijkt, waardoor verwarring zou kunnen ontstaan.

 

3. Symbolen

1. Inleiding

Op een ontwerptekening worden symbolen gebruikt. Dit zijn tekens, waarvan we de betekenis hebben afgesproken. Sommige symbolen zijn vastgesteld volgens het NEN en kunnen niet zo maar veranderd worden. Bijvoorbeeld de aanduidingen op landschap- en tuintekeningen die gebruikt worden voor tekeningen op schaal 1:5000 t/m 1:2000.

Bij het tuintekenen worden elementen vrijer weergegeven. Je mag zelf symbolen verzinnen, maar belangrijk is dat de afbeelding herkenbaar blijft.

 

2. Het weergeven van dode materialen

Er zijn veel tuinobjecten die gemaakt zijn van dode materialen. Hoe je deze tekent hangt af van het doel van je tekening. Bijvoorbeeld, een schetsontwerp hoeft slechts aan te geven wáár de bestrating ligt, teken dan niet teveel naar de werkelijkheid; het gaat om de indruk en de hoofdrichtingen van het straatwerk. Een detailtekening echter moet het bestratingspatroon laten zien en dus op schaal zijn. Bij grote oppervlakken kun je ook alleen de randen aangeven.

Bestrating

Trappen

 

Talud

Water

 

 

 

3. Het weergeven van beplantingen

Ook bij beplanting gebruik je symbolen om duidelijk te maken wat er staat, of komt te staan. Deze symbolen zijn afgeleid van de werkelijkheid. Beplanting kun je op verschillende manieren aangeven. De keuze hangt af van het onderwerp en je eigen smaak.

We geven wel een paar tips:

  • Beperk het gebruik van verschillende boomvormen in één tekening, anders krijg je een rommelige tekening
  • Als iets (bijv. de lijn van een pad) niet zichtbaar is door een boomkroon of struik, teken je dit met een dun stippellijntje voor de duidelijkheid.
  • Bomen geef je in een tekening altijd weer met hun  kroonprojectie in volwassen stadium (eindbeeld).
  • Bij het tekenen van bomen en struiken kun je (voor de afwisseling) in het symbool ook laten zien wat de takvorm of verschijningsvorm is.
  • Maak de vlakvulling bij borders niet te druk. Geef ze het karakter van het object dat je wilt weergeven.

Hieronder een aantal gangbare symbolen voor verschillende beplantinsvormen:

Bomen/boomgroepen

4. 3D effecten

Er zijn een aantal manieren om in een platte tekening toch iets van een 3D-effect te bereiken. Gebruik bijvoorbeeld

  • grijstinten, hoog = donkergrijs, laag = lichtgrijs
  • contourlijnen, hoog = dikke lijnen, laag = dunne lijnen
  • schaduwvlakken, hoog = brede schaduwen, laag = smalle schaduwen

4. Teksten

Een voorlopige schets met gedrukte letters geeft de indruk dat het plan klaar is en niet meer bespreekbaar. Met de hand geschreven letters passen hier beter bij en geven je de mogelijkheid je eigen stijl te gebruiken. Maar ook bij een definitief ontwerp mag je teksten met de hand schrijven, mits dit geen afbreuk doet aan de netheid van de tekening.

Let er bij het gebruik van geschreven letters wel op dat je vooraf bedenkt welk lettertype en welke lettergrootte je gebruikt, en wees daar heel consequent in. Kies je bijv. voor het gebruik van hoofdletters, hou dit dan door de hele tekening vol. Dat geeft een rustig beeld. Ook wanneer je handschrift niet perfect is, is het effect toch regelmatig.

 

Nog een paar tips voor een regelmatig resultaat:

  • gebruik een vaste regelafstand
  • zet de voorkant van de regels onder elkaar
  • zet teksten zoveel mogelijk in een blok
  • leg een gelinieerd vel onder je transparantpapier

Wanneer je liever gedrukte teksten op je tekening zet kun je dit eenvoudig doen door teksten uit te printen via je computer, en letterlijk te knippen en te plakken op de plaats waar deze moet komen te staan. Gebruik voor het plakken scotch-tape of foto-lijm, zodat bij het kopiëren van de tekening niet meer zichtbaar is dat er is geknutseld. Het resultaat is verbluffend.

 

 

 

 

5. Kopiëren en vouwen

1. Het kopiëren van tekeningen

Wanneer je tekening klaar is, maak je hiervan een kopie voor de opdrachtgever en later ook voor de uitvoerenden.

Je houdt de originele tekening altijd in eigen bezit.

Een tekening kopieer je met een kopieerapparaat, of print je uit met een plotter. Wanneer je grotere formaten dan A4 of A3 wilt kopiëren, kun je terecht bij een printshop. Hou er rekening mee dat kleurkopieën prijzig zijn, vraag vooraf dus wat het kopiëren gaat kosten.

Met een kopieerapparaat kun je een tekening ook vergroten of verkleinen. Het percentage waarmee je wilt vergroten of verkleinen is nauwkeurig in te stellen. Bijvoorbeeld: een tekening met een schaal van 1:100 vergroot je 2x (vergrotingspercentage 200). De schaal van de vergrootte tekening is nu 1:50.

 

2. Het vouwen van tekeningen

Originele tekeningen vouw je niet, dit zou bij kopiëren storende lijnen opleveren. Deze tekeningen kunnen het best opgerold in een koker bewaard worden.

Voor het vouwen van een kopie zijn regels opgesteld door het NEN. Het principe is dat elke kopie zo wordt gevouwen dat het resultaat een A4 formaat is, en dat de identificatiestrook nog steeds voorop, rechtsonder zichtbaar is.

 

Opdrachten Tekenen 1

Tekenen II

Doel

In dit arrangement leer je hoe je een ontwerp kunt maken voor een tuin. Je maakt een ontwerptekening om jou ideeën voor deze tuin te verduidelijken voor de opdrachtgever.

Het ontwerpproces is in stappen te verdelen:

1. Inventarisatie, het verzamelen van alle wensen van de opdrachtgever en gegevens van het terrein.

2. Het maken van schetsontwerpen, voor overleg met de opdrachtgever.

3. Het maken van een definitief ontwerp, waar alle informatie in te vinden is die nodig is om het ontwerp te realiseren.

 

 

1. De inventarisatie

1. Inleiding

Planmatig ontwerpen is noodzakelijk om de opdrachtgever te betrekken in het ontwerp en de kosten ervan. Daarom worden na een grondige inventarisatie de ideeën van de ontwerper op papier gezet en/of digitaal gepresenteerd.

Voordat je dit doet, moet je precies weten wat de opdrachtgever wil en hoe het gebied eruit ziet. Maar waar let je nou op bij deze inventarisatie?

Begrippen zoals schaal, maat, ruimte en massa vorm en functie, verhoudingen worden in deze lesstof besproken. Deze begrippen leren je zó naar de omgeving te kijken dat je oog krijgt voor wat nou belangrijk is bij het maken van een ontwerp voor deze omgeving. 

 

Hoe beleef je deze ruimtes en waardoor komt dat?

 

2. De opdrachtgever

Wat zijn de wensen?

Probeer alle gebruikers die van de tuin gebruik gaan maken te betrekken bij je ontwerp. Vaak komt dan aan het licht dat de verschillende gebruikers verschillende wensen hebben. Aan jou de taak om van deze 'wensenpuzzel' (ook wel programma van eisen genoemd) één compleet geheel te maken. Soms is het nieuwe ontwerp een compromis tussen de verschillende gebruikers, waarin iedereen iets terugziet van zijn/haar wensen. Het nadeel van deze manier van ontwerpen is dat niemand helemáál tevreden is.

Mooi is het als je als ontwerper met een geheel nieuw, creatief idee komt waaraan de gebruikers nog niet gedacht hebben. Als de neuzen dezelfde kant op staan heb je een breed draagvlak wat de uitvoering en het onderhoud ten goede komt.

Belangrijk is het om tijdens het gesprek met de opdrachtgever(s) hoofd- en bijzaken te scheiden. Probeer in het gesprek goed te achterhalen wat voor de opdrachtgever de belangrijkste punten zijn.

Houd er ook rekening mee dat bepaalde wensen nú wel belangrijk zijn, maar over enkele jaren helemaal niet meer (bijv. een omheining of zandbak bij kleine kinderen). Je maakt altijd een ontwerp voor de lange termijn, tenzij de opdrachtgever expliciet aangeeft dan de inrichting tijdelijk is.

 

Een voorbeeld van een inventarisatieformulier vind je in het arrangement 'Het ontwerpen van Tuinen'

 

Wat is het budget?

Met andere woorden: hoeveel geld wil de opdrachtgever besteden aan het ontwerp, de aanleg en het onderhoud van de tuin? Vaak is de tuin een sluitpost maar een goed ontwerp kan de opdrachtgever enthousiast maken om hiervoor meer geld te reserveren. Aan de andere kant kun je als ontwerper alternatieven aandragen waardoor de prijs lager uitvalt dan verwacht. Gebruik van veel dode materialen (muurtjes, bakken) doet de prijs al snel stijgen. Zoek ook altijd naar een manier om oude materialen opnieuw te gebruiken.

 

 

3. Feiten inventariseren

Bij deze manier van inventariseren kijk je naar de werkelijke uitgangssituatie van het te ontwerpen gebied, en haar omgeving. Verzamel hiervoor foto's, kadastrale kaarten en  bouwtekeningen. Controleer altijd of de maten kloppen.

Je inventariseert het volgende:

- De ligging van het plangebied. Is de omgeving bosrijk, een duingebied, industrieel, stedelijk, langs de snelweg? Houd rekening met de naburige bebouwing of beplanting. Hoe zijn de kavels gegroepeerd, zijn er mooie uitzichten, zichtlijnen, een kerktoren of bosrand? Binnen de stad is het klimaat anders dan op de vlakte. Daarentegen moet de beplanting van een daktuin tegen een (wind)stootje kunnen. Binnen een klein gebied kan het microklimaat behoorlijk verschillen.

- De plaats van het huis. Meestal is de vorm van de tuin al bepaald. Alleen wanneer de woning nog gebouwd moet worden kun je hierop inspraak hebben. Let dan op dan het huis als het even kan niet midden op de kavel wordt geplaatst, waardoor de tuin al snel versnippert of saai wordt. Noteer de plaats van het noorden (kan ook met Google Earth). Houd rekening met de ligging van de verschillende ruimtes in het huis. Belangrijke zichtlijnen lopen vanuit de ramen van de keuken, de kamer en de entree van het huis.

zichtlijnen in het centrum van Hardenberg

- De beplanting. Wees zuinig op (gezonde) volwassen bomen en struiken, ze geven een nieuw aangelegde tuin meteen karakter. Maak hierover in een vroeg stadium afspraken met de architect of aannemer, en zorg voor bescherming. Beplanting van de buren kan de sfeer van een tuin beïnvloeden dus neem deze mee in de inventarisatie (foto). Noteer welke beplanting behouden moet blijven en welke niet. 

- De bodemgesteldheid. Kijk op wat voor grond de tuin aangelegd gaat worden: zand, leem, klei, veen of een combinatie hiervan. Is de grond geroerd? Wat is de grondwaterstand en hoe zit het met de afvoer van het (hemel)water, mag dit naar het riool of moet het ter plekke opgevangen worden? Hoe is de structuur van de bodem en zijn er storende lagen (bijv. door bouwwerkzaamheden?) Hoe zit het met de vruchtbaarheid en het bodemleven? Zwarte grond met veel wormen duidt op een gezonde grond. Zorg er voor dat goede grond die uit een bouwput of cunetten komt in depôt gezet wordt. Deze kan later weer gebruikt worden.

- Niveauverschillen. Als er in de tuin hoogteverschillen voorkomen moet je deze inmeten. Hiervan maak je een kaart met hoogtelijnen.

- De wind. In Nederland heeft beplanting het meest te lijden van zuidwesten wind. Houd hiermee rekening wanneer je bomen, terrassen en schuttingen plaatst.

- Zon en schaduw. Behalve door de zonnestand wordt het licht (expositie) ook bepaald door omringende beplanting en gebouwen.

 

Als je klaar bent met de inventaristatie leg je de gegevens vast op een zogenaamd 'veldwerk'. Dit is meestal de basis voor je ontwerp. Maak hiervan een aantal kopieën om te brainstormen over het schetsontwerp.

4. Functies inventariseren

Voor je een ontwerp maakt moet je weten welke functies het gebied heeft: wat is de bestemming, en welke activiteiten zullen er zijn?

Stel je hebt een tuin waarin gespeeld moet gaan worden, waarin een pad en en parkeerplaats moet komen. De functies zijn spelen, lopen, en parkeren. Elke functie geef je nu een plek in de tuin (waarbij wel overlap kan zijn). Zo'n tekening heet een vlekkenplan.

Vooral bij grote projecten wordt een functiolele inventarisatie gedaan. Bij gemeentelijke bestemmingsplannen voor bijvoorbeeld woonwijken, winkelzones, industrie en recreatiegebieden wordt op deze manier geïnventariseerd. Bij kleine projecten zoals een particuliere tuin is het inventariseren van de functies een slimme stap om helder te krijgen wat de opdrachtgever precies wil. Door te vragen voorkom je dat functies vergeten worden omdat die voor de opdrachtgever zo vanzelfsprekend zijn dat ze niet bewust benoemd worden.

5. Ruimtelijk inventariseren

Ruimte en massa

Als ontwerper wordt van je gevraagd om een nieuwe verdeling van massa en ruimte te maken, omdat de oude niet meer voldoet. Daarom zul je de oude situatie in kaart moeten brengen. Je kunt dit op verschillende manieren doen: door foto's te maken, of door een maquette te maken (van steekschuim op een plattegrond, of met lego...).

 

Massa wordt gevormd door gebouwen en beplanting, en ruimte is wat overblijft. Ruimte krijg je door begrenzing, die gevormd wordt door massa. Een plein wordt omgeven door gebouwen, een kamer door muren. De vehouding tussen ruimte en massa is van belang voor de beleving van een gebied. Een plein omgeven door hoogbouw lijkt opeens veel kleiner dan datzelfde plein omgeven door laagbouw. Ook de mensen die over het plein lopen beleven de ruimte anders als de begrenzing anders is.  Ditzelfde speelt ook in een tuin: een hoge schutting kan een opgesloten gevoel geven. De ooghoogte is daarbij belangrijk. Als je zit is deze 1.20 m en als je staat 1.70 m.

In een goed ontwerp zijn massa en ruimte zo verdeeld dat mensen zich daar prettig bij voelen. 'Rekening houden met de menselijke maat' is een typische vakterm van ontwerpers.

Ruimtelijke opbouw

Een gebied kan op verschillende manieren ingedeeld zijn. Er kunnen hoofd- en nevenruimten onderscheiden worden. Een hoofdruimte kan soms  -naar de menselijke maat- te groot zijn. Door zo'n grote ruimte opnieuw te verdelen in kleinere subruimten kan een gebied een totaal ander karakter krijgen. Een koud, open plein wordt door bomen vriendelijker en besloten. De beleving van een langgerekte tuin hangt sterk af van de verdeling in subruimten, zoals hieronder te zien is. Subruimten kun je maken door hagen, heestergroepen of hoogteverschillen.

 

 

Schaal

Een tekening heeft een bepaalde schaal, dat is de verhouding van de tekening tot de werkelijkheid. 'Schaal 1:50' betekent: in werkelijkheid is alles 50x groter dan op de tekening. 1 cm op de tekening is dan in werkelijkheid 50 cm, en 1 mm op de tekening is in werkelijkheid 50 mm = 5 cm.

Het is handig om op je ontwerptekeningen een schaalbalk te tekenen. Zo corrigeer je schaalfouten die ontstaan bij het kopieren van de tekening.

 

 

6. Samenvatting

Bij de inventarisatie kijk je naar alles wat van belang is voor je ontwerp. Je verzamelt alle relevante gegevens en kaartmateriaal. Je noteert niet alleen wat er is (feitelijke inventarisatie), maar ook wat er mist of wat er veranderd moet worden.

In een gesprek inventariseer je de wensen van de opdrachtgever, wat betreft de bestemming en de activiteiten die er moeten gaan gebeuren (functionele inventarisatie, vlekkenplan).

Ook de verdeling van de ruimten (ruimtelijke inventarisatie) breng je in kaart.

Nadat je je gegevens hebt geordend in een veldwerk, maak je kopieën om te brainstormen over de volgende stap: het schetsontwerp.

 

2. Het schetsontwerp

1. Inleiding

Ontwerpen is een creatief gebeuren, daar zijn geen vaste regels of methodes voor aan te reiken. Er zijn wel een aantal tips waarmee je kunt experimenteren, en kunt ontdekken wat goed werkt voor jou. De één krijgt de beste ideeën door zich ter plekke te laten inspireren, de ander is het best op dreef achter het bureau.

 

2. Het schetsontwerp

Een schetsontwerp (of voorlopig ontwerp) is een tekening die in grote lijnen aangeeft hoe de tuin eruit komt te zien.

Vermijd een te grote detaillering van het schetsontwerp. Dit kost onnodig veel energie terwijl het idee nog door de opdrachtgever goedgekeurd moet worden. In het schetsontwerp orden je massa en ruimte. Je geeft dus al wel de hoogtes van de beplantingsgroepen aan, maar nog niet de exacte soorten.

Een schetsontwerp is de eerste ontmoeting tussen jou idee en de opdrachtgever. Zorg dus dat deze tekening goed communiceert, duidelijk is in patroon- en/of kleurgebruik, stempel, legenda, kaderlijn, teksten. Veel goede ideeën halen het niet omdat de klant schrikt van een rommelige eerste presentatie.

rommelige presentatie van nog niet relevante zaken

eenvoudige presentatie van relevante zaken (massa-ruimte)

3. Vormgeving

Mensen hebben een natuurlijke behoefte aan orde. Als er geen enkele vorm is, heerst er wanorde. Het ordenen van losse elementen kan op allerlei manieren gebeuren, afhankelijk van de mode.

Als ontwerper begrijp je deze soms irrationele behoefte van mensen, en je probeert er in je ontwerpen vorm aan te geven.

Over het algemeen kun je zeggen dat de vormgeving van de tuin moet aansluiten bij de stijl van het huis, zodat huis en tuin een eenheid vormen. Over smaak valt niet te twisten, maar over het algemeen blijkt dat eenvoudige vormen (vereenvoudiging) meer aanspreken dan ingewikkelde.

 

Vorm en functie

Vorm volgt functie. De vorm hangt af van de functie, daarom moet je weten wat de functie van een bepaald onderdeel in de tuin is, of gaat worden. De vorm hangt ook af van het gebruikte materiaal: wat je met hout kunt doen kan niet met staan, en andersom. Kennis van het materiaal waarmee je werkt is noodzakelijk.

Een vorm de functioneel is hoeft echter nog niet mooi gevonden te worden. Smaak bepaalt uiteindelijk de definitieve vorm.

De functie van beide bruggen is hetzelfde, maar de materialen bepalen de beleving.

 

Compositie

Compositie is ordening van diverse onderdelen tot een samenhangend geheel

Je hebt gezien dat vorm niet automatisch functie volgt. Tijdens het ontwerpproces worden de diverse onderdelen samengevoegd tot een goed sluitend geheel met een onderlinge samenhang.

Als ontwerper beoordeel je een compositie als volgt:

- Is er een consequent gebruik van vormen?

- Zijn er storende (niet-bedachte) restvormen? Wat kan ik doen om toch een eenheid te maken?

- Is er genoeg afwisseling in de compositie, passend bij de menselijke maat?

- Hoe beleef ik deze tweedimensionale tekening in drie dimensies?

- Is de compositie vanuit diverse standpunten in evenwicht?

Een compositie van Piet Oudolf

 

Ruimtelijke indeling

Een ruimte wordt interessanter als je deze indeelt in verschillende kleinere ruimtes waartussen een verband bestaat, maar ook een zeker verschil. Waren vroeger de tuinen vooral in het platte vlak ontworpen (twee dimensionaal), tegewoordig is de indeling meer drie dimensionaal. De statische opzet met symmetrie en een overzichtelijke, gelijkmatige indeling, heeft plaats gemaakt voor een dynamische aanpak. Je vindt daarin afwisselende vormen en maten met veel verrassende overgangen. De ruimte moet beleefd worden, je moet er doorheen lopen, hem ontdekken. Hierdoor lijkt de ruimte ook groter.

Bij het beoordelen van de ruimtelijke indeling heb je een isometrie, perspectieftekening of maquette nodig.

Een slimme manier om van een 2 dimensionale tekening een 3 dimensionale tekening te maken vind je in deze PowerPoint

 

De ruimtelijke indeling beoordeel je als volgt:

- Is er voldoende afwisseling tussen open en besloten plekken?

- Zijn er interessante (onder-)doorkijkjes, zichtlijnen, coulissen, beschutte plekken waar je je terug kunt trekken?

- Komt de beplanting bij deze ruimteverdeling tot zijn recht? Wat kan ik eventueel doen om dit te verbeteren?

- Past de ruimte massa indeling bij de behoefte van de gebruiker?

De grijze blokken (beplanting) brengen de ruimte massa verhouding in deze woonwijk in evenwicht

 

Harmonie en contrast

Harmonie is de juiste verhouding tussen vormen, kleuren, of ruimten.

In een omgeving waar alles in harmonie is, sluit alles op elkaar aan of is op elkaar aangepast. Te denken valt aan natuur, cultuur, stijl van het huis, kleurgebruik, gebruik van levende en dode materialen. Engelse tuinen staan bekend om hun bijzonder harmonieuze vormgeving.

Oud Engelse cottage

Binnen harmonie kan er wel contrast zijn, dat maakt het geheel interessanter. Goed gebruikt contrast versterkt de harmonie. Laat het contrast niet overheersen, dan verstoort het namelijk de harmonie. Eén bonte heester past goed, maar veel bonte heesters maken het geheel onrustig.

De oranjebruine daglelies maken een contrast met de hamonieuze kleuren. Zonder dit contrast zou de border minder interessant zijn

 

 

4. Uitgangspunten

Tijdens de inventarisatie heb je gegevens verzameld over bezonning, beschutting, door-en uitzichten en looplijnen. Samen met de wensen van de opdrachtgever maak je hiervoor een plan.

Schaduw en bezonning

Hou rekening met de tijd van het jaar. In juni staat de zon het hoogst, dit geeft dus het gunstigste beeld. Op de schaduwkaart kun je zien waar de zonnigste plaatsen zijn. Bij de indeling van de tuin liggen de zitjes over het algemeen op die plaatsen. De tijd waarop een terras wordt gebruikt is ook een punt: de meeste werkende mensen willen aan het eind van de dag nog even de laatste zonnestralen meepikken, daarvoor heb je een terras op het westen nodig. Vooral in de herfst heb je hier veel plezier van, mits er voldoende beschutting is tegen wind. Schaduw is altijd te maken door een overkapping, parasol of bomen.

 

Beschutting

Mensen hebben van oudsher behoefte aan beschutting tegen vijandige elementen (wilde dieren, oorlogszuchtige stammen, water. Ze gingen daarom hun terrein omsluiten, omheinen. Hierdoor ontstond een tuin. De 'vijanden' die tegenwoordig tegengehouden moeten worden zijn wind, zon, inkijk en geluid. Een huis dat in de noordwest hoek van een perceel is geplaats ligt gunstig. Een winderig terras is niet aantrekkelijk. Beschutting die massief is veroorzaakt valwinden. Je kan beter de wind breken dan tegenhouden.. Bomen, struiken en hagen zijn daarvoor uitstekend geschikt. Omhein alleen datgene wat strikt noodzakelijk is, anders krijgen de bewoners al gauw een opgesloten gevoel.

Voor het tegenhouden van geluid is veel massa nodig. Denk maar eens aan een stil hofje midden in een drukke stad. Aarden wallen als geluidsscherm zijn op een klein oppervlak niet te realiseren. Het middel is dan soms erger dan de kwaal. Als de geluidsbron uit het zicht is blijkt dit soms ook voldoende te zijn.

Wanneer is het middel erger dan de kwaal?

 

Door- en uitzichten

Door goed om je heen te kijken ontdek je soms elementen die het waard zijn om gezien te worden. Het uitzicht hoeft niet meteen een groots panorama te zijn. Het kan ook een oud kerktorentje of een mooie appelboom van de buren zijn. In een bestaande tuin moet je daarvoor wel eens een stukje haag of schutting wegnemen, maar daarentegen wordt de tuin er gelijk een stukje groter door. Als er niets interessants in de omgeving is, dan maak je zelf een blikvanger. Lelijke plekken werk je weg, en mooie accentueer je.

Het grootste gedeelte van de tijd bevind je je in huis. De tuin is dan een verlengstuk van de ruime waarin je bent. Het zicht vanuit die ruimte moet dan ook aantrekkelijk zijn, zodat ook op koude, regenachtige dagen vanuit het huis van de tuin genoten kan worden. Ga na vanuit welke vertrekken het meest in de tuin gekeken wordt en trek vanuit deze vensters enkele lijnen naar aanwezige uitzichten (zichtlijnen).

Een opengewerkte deur houdt de zichtlijn vrij, maar is ook blikvanger.

 

Looplijnen

De belangrijke vertrekken van een woning en tuin moeten gemakkelijk bereikbaar zijn, liefst langs de kortste weg. Er is ook een nauwe relatie tussen het binnen- en buitengebeuren. Zo moet een terras makkelijk bereikbaar zijn vanuit de woonruimte en/of keuken. Looplijnen kunnen in het ontwerp ook opgenomen worden in een groter verhardingsvlak. Verschillende richtingen kunnen hierdoor samenvallen. Je vereenvoudigt nu de verharding, waardoor de vormgeving verbetert. De noodzakelijke looplijnen worden verbindingspaden en ze worden wat betreft de richting en de afmeting bij het begin van het ontwerp, tegelijk met de ruimtelijke indeling bepaald. Het gehele padenstelsel rolt als het ware automatisch uit het indelingsplan of vlekkenplan. Het pad kan nog wel veranderen om een bepaald uitzicht te accentueren (zichtlijn), of om een compositie in evenwicht te brengen.  Probeer paden door rechte of stompe hoeken op elkaar te laten aansluiten.

5. Materialen- en beplantingsindicatie

Als de opdrachtgever akkoord is met het schetsontwerp beslis je welke materialen gebruikt gaan worden.

Dode materialen

De leidraad voor het maken van een keus is steeds: probeer een eenheid te vormen tussen de nieuwe materialen en dat wat er al is. Kies daarom voor eenvoudige en rustige materialen. En teveel verschillende soorten geven onrust in de tuin, één materiaal kun je vaak op verschillende manieren toepassen, bijv. bestrating in verschillende patronen. Kies materialen die al aanwezig zijn rondom of in het huis. Probeer ook wat kleur betreft te kiezen voor  wat de eenheid bevordert.

Houten materialen geven een natuurlijk karakter aan de tuin, stenen geven een harder karakter.

De kosten van de materialen en de beschikbare maten spelen natuurlijk ook een rol. Verder moet je rekening houden met de ondergrond en met eventuele plaatselijke verordeningen.

 

Kleur

Ook hier geldt: goed kleurgebruik versterkt de eenheid van de tuin. Kleuren kies je daarom heel bewust. Kies je voor harmonie, of voor contrast? Kleuren hebben een invloed op de beleving van de ruimte, ze roepen gevoelens op. Zo heb je warme, opvallende kleuren (rood-oranje-geel) en koele, wijkende kleuren (blauw-paars-wit). En wanneer je kleuren kiest die complementair zijn, versterk je het effect ervan. Andere contrasten krijg je door lichte en donkere tinten van eenzelfde kleur naast elkaar te gebruiken. Bij twijfel over kleurgebruik geldt: kies voor de meest neutrale kleur. Voor bouwwerken of elementen is zwart, donkergrijs of donkergroen vaak een goede keus.

Beplanting

Voordat je beplanting gaat kiezen, weet de opdrachtgever al wat het beplantingsidee is. Je hebt als het ware aan elk stukje tuin een label gehangen, waarop iets staat over de massa, de kleur, de winterhardheid, de transparantie, winterbeeld, enz. Met behulp van deze labels ga je op zoek naar de juiste beplanting. Behalve je eigen ervaring en kennis van planten zijn zoekmachines op internet nu een handig hulpmiddel om een keuze te maken. Zie bijvoorbeeld de zoekmachines op de websites van Esveld (vaste planten, heesters), van de berk (bomen), Tuinen Mien Ruys (robuuste soorten) en Liannes siergrassen

Het maken van een beplantingsplan is een hele klus. In het arrangement 'Beplantingsplan Tuinen' staat uitvoerig beschreven hoe je dit aanpakt.

 

6. Maatvoering

Bij het maken van het ontwerp let je op de praktische uitvoerbaarheid. De maatvoering is hierbij belangrijk. Pas deze aan de te gebruiken materialen aan. De maten van materialen vind je op websites met/of catalogi van diverse fabrikanten. Probeer zoveel mogelijk om kap- en hakwerk te voorkomen, wat immers het project onnodig duurder maakt.

 

Behalve met de maten van materialen houd je in je ontwerp ook rekening met min of meer vaste maten voor de onderdelen in een tuin:

Paden

kleine tuin: 0.60-1.00 m (1-persoonspad)

grote tuin: 1.20-1.50 m (2-persoonspad) of 1.80-2.40 (3-persoonspad)

Breedte van een oprit

2.50-3.00 m

Grootte van een terras

3 m2 per persoon

Maten van zitplaats

0.45 m breed, 0.35-0.45 m hoog, 0.60 m diep per zitplaats

Op- en aantrede bij een trap

Deze bereken je met de trapformule: 2x tredehoogte + 1x de paslengte = paslengte (0.60-0.70 m)

Minimale tredebreedte = voetgrootte (0.30 m)

Maximale tredehoogte = 0.16 m

Hoogte omheining

Besloten 1.80-2.00 m

Vrij uitzicht maximaal 1.20 m

 

7. Onderhoudseisen

Behalve de echte tuinliefhebbers willen de meeste mensen tegenwoordig graag een onderhoudsarme tuin. Bij het ontwerp houd je daar al rekening mee, want het eindbeeld en de aanleg bepalen hoeveel onderhoud nodig is. 

De vraag is: hoe ontwerp je een onderhoudsarme tuin? Om te voorkomen dat de tuinbezitter ertoe overgaat zijn tuin geheel te bestraten volgen hier een aantal tips.

- De grootte van de plantvakken, borders en gazons bepaalt hoeveel onderhoud nodig is: hoe minder versnippering, hoe minder onderhoud. Dus maak bijvoorbeeld geen vaste planten border tussen twee heesterborders, maar vereenvoudig dit tot één heesterborder en breng de vaste planten onder in één aansluitende border.

- Breng kantopsluiting aan om borders en gazons van elkaar te scheiden. Dit voorkomt dat kantjes gestoken moeten worden.

- Een schutting is duurder dan een haag maar vereist minder onderhoud.

- Op grote percelen kan (een deel van) het siergazon vervangen worden door een grasveld met minder onderhoud. Wanneer je de ondergrond verschraalt, en een speciaal grasmengsel inzaait hoef je maar 2 á 3x per jaar te maaien. Het gemaaide gras moet wel afgevoerd worden. De aanblik wordt natuurlijk anders, dus zorg ervoor dat de tuinbezitter van te voren weet waar hij/zij aan toe is.

- Plant bij de aanleg meer  vaste planten per m2 (20-30%), zodat de vakken sneller gevuld zijn en schoffelen minder vaak nodig is.

- Gebruik bodembedekkers, dat beperkt schoffelen. 

- Selecteer plantensoorten die passen bij de groeiplaats (bodem, klimaat, hydrologie, zuurgraad en voedselrijkdom). Inheemse soorten vragen minder onderhoud en zorg dan exoten. Kies voor planten die zich bewezen hebben in plaats van de nieuwste cultivars.

- Houd rekening met de ecologie van het gebied. Vraag je af wat er gebeurt met een tuin wanneer je niet ingrijpt. Op welke plekken in de tuin kun je de natuur z'n gang laten gaan? Pas desnoods je eindbeeld aan op ecologische processen om het onderhoud te beperken. Zie voor meer informatie 'Basisboek groenontwerp en -beheer'.

- Kies voor gebruik van duurzame (dode) materialen, dat is een investering om onderhoud en reparaties te beperken.

Een onderhoudsarme tuin kan ook een natuurlijke uitstraling hebben

 

8. Samenvatting

Ontwerpen is een complex gebeuren. Als ontwerper moet je voor elke tuin een nieuwe serie van oplossingen bedenken voor specifieke wensen van de opdrachtgever. In het begin moet je hiervoor stapsgewijs werken: van de inventarisatie naar een vlekkenplan, dan brainstormen, schetsontwerpen, overleggen met de opdrachtgever totdat deze overtuigd en tevreden is over je ontwerp. Dan pas ga je aan de slag met het definitieve ontwerp.

In het algemeen geldt bij het ontwerpen van tuinen dat vereenvoudiging in vormen, kleur en materialen leidt tot een betere vormgeving en meer harmonie.

Vereenvoudiging in vormen, kleur en materialen (Piet Oudolf) 

3. Het definitieve ontwerp

1. Inleiding

In dit blok leer je hoe je van een schetsontwerp een definitief ontwerp maakt. Ook wordt ingegaan op de presentatie van het plan. Tenslotte komt de uitvoeringsvoorbereiding aan bod.


 

2. Van schetsontwerp naar definitief ontwerp

Zodra de opdrachtgever accoord is met het schetsontwerp, ga je deze uitwerken tot een definitief ontwerp.

Een definitief ontwerp is een tekening met een plattegrond, aangevuld met doorsnedes of driedimensionale weergaven, die zo goed mogelijk aangeven hoe het plangebied er na aanleg uit komt te zien. Een beplantingsplan, beplantingslijst(aantallen en kwaliteit), illustraties van de beplanting en te gebruiken dode materialen, een plan van aanpak, een matenplan, een kostenraming en een beheerplan maken het ontwerp compleet.

 

Voorbeeld van een posterpresentatie van een definitief ontwerp

 

3. De presentatie

Je hebt wel gemerkt dat het voor anderen erg moeilijk is zich iets bij een tekening voor te stellen. Jij bent als tuinontwerper al lang bezig geweest met het vormgeven van deze tuin. Je bent er als het ware ingegroeid, en het plaatje zit al in je hoofd, maar nu moet het nog gecommuniceerd worden naar de opdrachtgever.

Je kunt je ontwerp op 2 manieren verduidelijken, namelijk visueel en verbaal. Vaak wordt een ontwerp gescand en gepresenteerd in PowerPoint, via een beamer.

Visuele presentatie

De ontwerptekening is een plattegrond die duidelijk moet zijn. De kijker kan zich makkelijk oriënteren. Huis, aanliggende straat, gebouwen en beplanting en terreingrenzen zijn aangegeven. In het blok Tekenen I van Groen Ontwerpen heb je geleerd hoe je een leesbare tekening maakt (met schaal, noordpijl, stempel, kaderlijn, legenda).

Om je ontwerp verder te verduidelijken maak je doorsnedes en aanzichten. Een doorsnede is een tekening waarbij denkbeeldig een snijlijn wordt getrokken door een belangrijk deel van de tuin. Je geeft op je ontwerp aan waar je de snijlijn hebt getrokken. Een aanzicht is een tekening van hoe je tegen het object aankijkt. Dit kan in verschillende richtingen (voor- of zijaanzicht). Doorsnede en aanzicht zijn ook voor jou als ontwerper handig om te controleren of de diverse elementen ten opzichte van elkaar de goede verhouding hebben. Een afbeelding van een persoon ernaast brengt de menselijke maat erin.

 

Verbale presentatie

De tekening spreekt voor een groot gedeelte voor zichzelf. Veel meer wil de opdrachtgever inzicht krijgen in het ontwerp, dus: waarom ligt het terras dáár en is het zó groot. Je moet het verhaal goed voorbereiden, wat wil zeggen dat je de opdrachtgever meeneemt in je eigen gedachtengang rondom het totstandkomen van het ontwerp. Noem de grote lijnen, en bewaar het overzicht door niet teveel in detail te treden. Neem voor de toelichting de tijd, geef de opdrachtgever en betrokkenen de tijd om het ontwerp op zich te laten inwerken.

 

 

4. Uitvoeringsvoorbereiding

Als het ontwerp klaar is moet het uitgezet worden. Hiervoor maak je een uitzettekening of matenplan. 

Een uitzettekening of matenplan is een plattegrond waarop de belangrijkste lijnen, punten en hoogten van het ontwerp staan, en ook relevante afstanden van onderdelen tot deze lijnen zijn aangegeven.

Zo'n tekening maak je door de omtrekslijnen van de belangrijkste onderdelen van het definitieve ontwerp over te trekken. Trek ook een (rode) hoofdmeetlijn die makkelijk in het veld te bepalen is en vrij ligt. Bijvoorbeeld een lijn die evenwijdig aan de gevel ligt. Laat vervolgens loodlijnen neer vanuit (logische) punten die je wilt vastleggen naar de hoofdmeetlijn. Schrijf bij het begin van de loodlijn de afstand vanaf het beginpunt van de hoofdmeetlijn. Bij het eind van de loodlijn doe je hetzelfde. Het begingetal onderstreep je enkel, het eindgetal dubbel.

5. Samenvatting

In dit blok heb je geleerd hoe een definitief ontwerp gestalte krijgt. Elke ontwerper zal zijn eigen stijl gaan ontwikkelen. Tekeningen laten vaak een sterke indruk achter bij de opdrachtgever, ze zijn als het ware een visitekaartje. Als een tekening er netjes uitziet, dan geeft dat vertrouwen voor de uitvoering.

Bij het hele ontwerpproces geldt: werk systematisch en geconcentreerd.

 

Werkdocument Tekenen II

Tuinkunstgeschiedenis

Paleis het Loo in Apeldoorn

Opdrachten

http://www.geschiedenisvandetuinkunst.nl/

Het ontwerpen van tuinen

Het ontwerpen van tuinen

Opdrachten

Basisboek Groenontwerp en -beheer

Opdrachten Groenontwerp en -beheer

PowerPoints

Achtergrondinformatie

Aanvullingen bij de lesstof:

- hoofdstuk 1.2, Successie zie http://www.biologiepagina.nl/Flashfiles/Ispring/Successie.htm en 

  https://www.youtube.com/watch?v=quYy89PigY8

Hieronder een artikel uit Dagblad Trouw d.d. 2 mei 2015, 'Terug naar de natuur? Nee, bedankt.'

Beplantingsleer

Introductie

Voorwoord

Dit programma biedt lesstof aan over het maken van beplantingsplannen.

Na het maken van een ontwerp voor een tuin volgt het opstellen van een beplantingsplan. 'Welke plant zet ik op welke plaats?'. Die keuze hangt van veel dingen af. Bijvoorbeeld: de bodem, de vochtigheid, het klimaat, het licht, de omgeving, het kleurenschema, de wensen van de opdrachtgever, de arbeidsintensiteit. De lesstof gaat uitgebreid in op de diverse factoren.

De lesstof bestaat uit 4 hoofdstukken. Hoofdstuk 1 en 2 bevatten algemene informatie over basisbegrippen en groeivoorwaarden. Hoofdstuk 3 en 4 gaan over het daadwerkelijk opstellen van een beplantinsplan. De totale lesstof wordt ook klassikaal behandeld in een periode van 8 weken, 1 uur per week. Het zwaartepunt qua werkbelasting ligt op hoofdstuk 3 en 4.

De docent levert de werkbladen die je nodig hebt voor de opdrachten in hoofdstuk 3 en 4. Deze opdrachten werk je uit op papier. Tevens bepaalt de docent de data voor in te leveren opdrachten.

De lesstof is gebaseerd op een uitgave van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, directie landbouwonderwijs, zomer 1990. Deze lesstof is bewerkt door H. Kwant, werkzaam aan AOC 'De Groene Welle', te Hardenberg, en is bedoeld voor leerlingen van de opleiding 'Outdoor Life', hoverniersopleiding niveau 3 en 4. Overige bronnen staan vermeld in de lopende tekst.

De volgende beroeps- en leercompetenties bepalen de lesstof: vakdeskundigheid toepassen, materialen en middelen inzetten, analyseren, plannen en organiseren, instructies en procedures opvolgen, bedrijfsmatig handelen. Zie voor meer informatie over het competentieprofiel:  http://www.degroenestandaard.nl/

Hardenberg, maart 2010.

 

 

1. Basisbegrippen

1.1 Inleiding

Ontwerp en beplantingsplan liggen dicht bij elkaar; ze zijn eigenlijk niet los van elkaar te zien.

Onder een beplantingsplan of beplantingstekening verstaan we een eenvoudige weergave van de ontwerptekening.

Arceringen en diverse aanduidingen, die voor de uitvoering niet van belang zijn, kun je weglaten. Op deze tekening schrijf je wetenschappelijke namen en hoeveelheden van planten.

Bij het maken van een beplantingsplan moetje steeds weer werken met een aantal basisbegrippen. In dit hoofdstuk kun je deze basisbegrippen, die ook van toepassing zijn bij een beplantingsplan, nader bekijken.

 

1.2 Habitus

Bij het kiezen van planten voor een tuin, letten we o.a. op het uiterlijk van de planten. Dit noem je habitus.

De habitus van een plant is de "uiterlijke verschijningsvorm" van de plant; hoe de plant zich aan ons voordoet; hoe we deze plant visueel ervaren.

habitus van de rode beuk

De habitus van een plant is o.a. van belang in verband met de smaak van de opdrachtgever. Als een opdrachtgever een bepaalde plant niet mooi vindt, kun je deze ook niet in het plan gebruiken.  

Bij de habitus van een plant denken we op de eerste plaats aan de vorm van een plant. Deze vorm heeft vaak weer iets te maken met de "gekozen" vormen in het ontwerp.

De vorm van een plant wordt grotendeels bepaald door de stand van de takken ten opzichte van de stam of basis van de plant, maar ook door de vorm, de stijfheid of stugheid van de takken.

Bekende vormen zijn o.a.:

  •      De zuilvorm: Stijve, rechtopstaande takken; kleine inplantings-hoek (bijvoorbeeld Populus nigra 'Italica');
  •      De bolvorm: Kroon met bolvormig groeiende takken (bijvoorbeeld Robinia pseudoacacia 'Umbraculifera' en Acer platanoides 'Globosum');
  •      De kruipende vorm: Takken groeien in horizontale richting (bijvoorbeeld Contoneastersalicifolius 'Repens').

Zo kent elke boom of struik of variëteit zijn eigen karakteristieke vorm.

Grootte

De grootte van een plant speelt bij de keuze een zeer belangrijke rol. Als een boom, bijvoorbeeld een Fagus sylvatica, of een struik, bijvoorbeeld een Syringa vulgaris, voor een bepaalde tuin te groot wordt, kun je deze niet gebruiken. Ook al vind je ze nog zo mooi. Sommige planten worden voor bepaalde plaatsen nu eenmaal te hoog of te breed.

De grootte van planten in volwassen toestand is niet altijd exact aan te geven. De grootte hangt o.a. af van de groeiomstandigheden. Planten worden daarom o.a. naar grootte-klassen ingedeeld.

Bijvoorbeeld:

Bomen:

  • 1 e grootte; hoger dan 12,00 m bijvoorbeeld Quercus (eik) en Fagus (beuk)
  • 2e grootte; 6,00-12,00 m bijvoorbeeld Betula (berk) en Acer campestre (veldesdoorn)
  • 3e grootte; lager dan 6,00 m bijvoorbeeld Malus hybriden 'Liset' (sierappel) en Prunus serrulata 'Kiki Shidare Sakkura' (sierkers).

 Heesters:

  • 1e grootte; hoger dan 6,00 m bijvoorbeeld Cornus mas (kornoelje).
  • 2e grootte; 1,00 - 4,00 m bijvoorbeeld Weigelia hybride (weigelia)
  • 3e grootte; 0,50 -1,00 m bijvoorbeeld Deutzia gracilis (bruidsbloem)
  • 4e grootte; lager dan 0,50 m bijvoorbeeld Genista pilosa

 -   Coniferen:

  • 1e grootte; hoger dan 6,00 m bijvoorbeeld Abies concolor
  • 2e grootte; 1,00 - 6,00 m bijvoorbeeld Taxus baccata 'Fastigiata'
  • 3e grootte; dwergvormen bijvoorbeeld Picea abies 'Repens'

Textuur

Elke plant bestaat uit meerdere delen, bijvoorbeeld uit takken en bladeren. Bij de textuur van een plant letten we in hoofdzaak op de grootte en de vorm van de bladeren en, in mindere mate, op de grofheid en de fijnheid van de takken. Let er vooral op dat de planten, die je voor een plan kiest, qua textuur bij elkaar passen.

 

    Asperagus, fijne textuur        Bereklauw, grove textuur

 

Kleur

Kleur in de zin van habitus heeft meestal betrekking op blad en houtkleur. Het is echter altijd de bladkleur die het meest opvalt. Het kan hier natuurlijke en gekweekte (gecultiveerde) kleuren betreffen. Natuurlijke kleuren kunnen in het voorjaar en najaar duidelijk verschillen van de normale kleuren.

Bijvoorbeeld:

  •      De bladkleur van in het voorjaar uitlopende bomen, als het lichtgroene tot bruinrode van de eik;
  •      Schitterende herfstkleuren zoals bij het rode krenteboompje of de Amerikaans eik;
  •      De vaak grijze tinten in de zomer.

Een ander belangrijk punt is, dat een aantal planten een natuurlijke bescherming hebben, waardoor de kleur afwijkt. Een waslaagje of beharing op het blad geven vaak een grijs- of blauwachtige kleur. Voor de plant is het een bescherming tegen uitdroging. Dergelijke planten zijn daardoor vaak geschikt voor droge standplaatsen. Planten met zeer frisgroene tinten daarentegen zijn meestal geschikt voor vochtigere standplaatsen. En zo zie je dat combineren van dit soort planten niet altijd even eenvoudig zal zijn.

Door veel selectie van planten door de mens zijn "gekweekte" (gecultiveerde) kleuren ontstaan, die duidelijk afwijken van de natuurlijke kleuren. Voorbeelden hiervan zijn Acer platanoides "Faassen's Black" (bruinrood), vele variëteiten in de heideplanten en gele coniferen zoals Chamaecyparis lawsoniana 'Stewartii'.

Soms zijn de kleuren van dit soort planten zo "onnatuurlijk" dat we met de toepassing van deze planten wel voorzichtig moeten zijn. Vaak zijn deze kleuren wel geschikt om bepaalde plaatsen in de tuin te accentueren.

Natuurlijk gaan in het hele kleurenspel van een tuin de verschillende bloemkleuren en bloeitijden ook een belangrijke rol spelen. Hierover vind je in paragraag 2.7, 'Eigenschappen van planten', meer informatie.

1.3 Karakter en stijl

Het karakter van iets aangeven, bijvoorbeeld van een plant, wordt als volgt omschreven: kenmerkende bijzonderheden tot een geheel samenvatten. De habitus van een plant is ook een stuk karakter. Zo kun je dus naar het karakter van een plant kijken, maar ook naar het karakter van een groep planten (tuin).

Je bent de termen natuurlijk en gecultiveerd al tegengekomen. Deze termen kun je ook weer bij karakter plaatsen. In een landelijke omgeving zal de beplanting een meer natuurlijk karakter hebben; terwijl als je in de stads- en dorpstuinen gaat kijken de beplanting een meer gecultiveerd karakter zal hebben, dat aangepast is aan de bebouwing. Karakter van omgeving, bebouwing en planten moet je dus op elkaar laten aansluiten. Je gaat bij een boerderij in een landelijk gebied dus niet puur "siergoed" gebruiken, omdat dit niet in die omgeving past.

Er wordt vaak gewerkt in een bepaalde stijl. Bijvoorbeeld barok, modern, romantiek, landschapsstijl. Zie voor meer informatie over deze stijlen: http://www.geschiedenisvandetuinkunst.nl/ Elke stijl heeft zijn eigen vorm en lijn. Deze vorm en lijn kom je duidelijk tegen in een ontwerp. Je moet deze door laten lopen, terug laten komen, in de beplanting. Bij een bepaalde stijl van een siertuin, hoort een beplanting met eenzelfde karakter. Bijvoorbeeld een boerderijtuin met Buxus-haagjes of Crataegushaagjes en een oud herenhuis met rosarium. 

 

Het fraaie rosarium van de koninklijke Abdij van Chaalis in Frankrijk.

1.4 Harmonie en contrast

Harmonie en contrast zijn in een ontwerp en beplantingsplan erg belangrijk. Eigenlijk valt of staat een plan ermee. We spreken in een tuin van harmonie als de planten onderling en de ruimte waarin ze toegepast zijn, goed bij elkaar passen. In een harmonieus beplantingsplan moet je rust, maar ook spannings- en verrassingselementen tegen komen. De harmonie in een plan kan beter tot uiting komen door ook wat contrasten te gebruiken. Dus vormen van planten die in tegenstelling staan tot, of duidelijk afwijken van, de rest.

Je moet echter steeds proberen om niet tot een verzameltuin of bonte kleurentuin te komen. Je kunt nu eenmaal niet alle planten in één tuin toepassen. Door gebruikte maken van veel soorten in kleine aantallen, krijg je namelijk een zeer onrustig geheel. Bovendien komt dan eigenlijkgeen enkele plant tot zijn recht. Zoek het liever in minder soorten in grotere aantallen. Ook geeft variatie in grotere aantallen per soort een zeer goed resultaat. Dit alles geldt zeker als je een beplantingsplan maakt voor een kleine tuin.

 

1.5 Solitairs en groepen

In een beplantingsplan kom je altijd planten in groepen en solitairs tegen. De planten kunnen in groepen en in aantallen verschillen. Die planten, welke een bijzondere sierwaarde hebben, staan meestal in kleine groepjes. Op deze manier valt de sierwaarde van de planten meerop. Soms staat een plant van grote sierwaarde alleen. Zo'n plant noemen we dan een solitair.

Onder solitair verstaan we hier dus een plant die als eenling in de tuin geplant wordt, om extra op te vallen.

De sierwaarde van zo'n plant is dan zo groot voor ons, dat we die speciaal tot uiting willen laten komen. De bijzondere sierwaarde kan bijvoorbeeld berusten op:

  •     Blad
  •     Bloem
  •     Twijgkleur
  •     Vorm

Maak spaarzaam gebruik van solitairs, omdat deze planten anders juist niet meer opvallen. Ze vallen dan weg in de "grote massa".

 

Prunus als solitair. Tuinen Mien Ruys, Dedemsvaart

1.6 Samenvatting

Je hebt nu een aantal zaken bekeken, die erg belangrijk zijn voordat je, aan welk beplantingsplan dan ook, begint. Elk tuinontwerp heeft zijn eigen vorm en lijn. Deze vorm en lijn moet je in het beplantingsplan in ieder geval proberen terug te laten komen. Dit kun je o.a. doen door rekening te houden met de habitus van de planten. Het beeld dat je bij het ontwerpen van de beplanting hebt, de vorm, grootte, kleur en textuur, moet je proberen te realiseren. Tijdens het ontwerpen vorm je namelijk al een beeld van de eindfase van de beplanting (structuurbeplantingsplan). Belangrijk is een harmonieus geheel met een eigen karakter en stijl.

 

1.7 Opdrachten

2. Toepassing van beplanting

2.1 Inleiding

In het vorige hoofdstuk heb je wat algemene zaken als habitus, harmonie, vorm, contrast en dergelijke kunnen bekijken. Deze zijn belangrijk ten aanzien van elke beplanting die je maakt. Nu gaan we de zaak verder uitdiepen. Je kunt wat situatie gerichter gaan werken: Je kunt nu gaan bekijken onder welke omstandigheden planten "moeten" kunnen groeien.

Elke praktijksituatie is anders. Voordat je tot een definitief plan komt zijn er steeds weer een groot aantal factoren die een rol spelen. Je zult je plan dan ook steeds weer moeten aanpassen.

2.2 Groeivoorwaarden

Zoals je weet staat ons een zeer groot plantensortiment ter beschikking. Dit is natuurlijk prachtig, want je hebt dus steeds zeer grote keuzemogelijkheden. Dit kan je echter ook voor problemen zetten: Wat moet je nu in welke situatie kiezen? Een keuze maken is vaak moeilijk, want laten we nu eerlijk zijn, er zijn veel mooie planten. Je moet echter kiezen, selecteren, om tot een verantwoorde planning, beplanting, te komen. Je bent namelijk ook afhankelijk van een groot aantal omstandigheden en factoren. Dus moet je je, bij het maken van een beplantings-plan, allereerst afvragen, welke planten je in een bepaalde situatie kunt gebruiken. Zo moet je dus starten met het toepassen van een selectie. Je gaat selecteren op groeivoorwaarden.

Onder groeivoorwaarden verstaan we :

  •      Grondsoort;
  •      Vochtigheidstoestand;
  •      Klimatologische omstandigheden;
  •      Lichtbehoefte
  •      Afmetingen
  •      Plantverband

Grondsoort

De grondsoort is voor het maken van je keuze zeer belangrijk. Misschien wel een van de meest bepalende factoren. Het is maar goed dat we zo'n groot plantensortiment hebben, want lang niet elke plant kan zomaar op elke grondsoort groeien. Je moet dus bepalen op welke grondsoort je moet gaan beplanten. Dus bijvoorbeeld is het zand, leem, klei, zavel, e.d.

Verder moet je iets weten over de bemestingstoestand; is de grond rijk of arm aan voedingsstoffen; is de grond zuur of juist kalkrijk (pH). Veengrond heeft een lagere pH dan kleigrond, dat wil zeggen dat veengrond zuurder is dan kleigrond. De pH van zandgrond ligt tussen die van veen- en kleigrond. 

Als je dit allemaal weet, kun je al wat makkelijker selecteren uit het grote plantensortiment en weet je al iets meer over welke planten geschikt zijn voor jouw project.

Zware kleigrond

 

Vochtigheidstoestand van de bodem

Uit de bodemkunde weet je dat lucht en water in de bodem een belangrijke rol spelen ten aanzien van plantengroei. Op een vrij droge grond groeien van nature andere planten dan op een natte grond. Tussen droog en nat zitten allerlei gradaties. De grondwaterstand is een belangrijke factor en is niet overal gelijk. Deze kan zelfs in een relatief klein terrein grote verschillen vertonen.

Er zijn allerlei factoren die invloed kunnen uitoefenen op de grondwaterstand. Dit kunnen zijn de ligging van het terrein ten opzichte van rivieren, bebouwing, wegenbouw e.d. Verder moet de bodem voor de plantengroei voldoende doorlatend zijn. Ook de mate van doorlatendheid is niet overal gelijk. De behoefte aan de grootte van de doorlatendheid is niet van alle planten gelijk. Denk hierbij o.a. aan diepe en vlakwortelende gewassen en het verschil in groei van een boom of vaste plant. In ieder geval is de vochtigheidstoestand van de bodem weer iets waar je bij de keuze van het sortiment rekening mee moet houden.

 

de doorlatendheid van de grond kan makkelijk verstoord raken

 

Klimatologische omstandigheden

Als je aan Europa of de hele wereld denkt, weet je dat het klimaat per continent of land nogal kan verschillen. In Zuid-Amerika, Zuid-Europa en Afrika groeien dan ookandere planten, dan in ons gebied van Europa. Zo groeien in Italië al een groot aantal planten die je in Nederland niet tegenkomt.

Maar zelfs in Nederland, "ons eigen kleine landje", kom je verschillende omstandigheden tegen. In het zuiden is het vaak warmer en is er veel minder wind, dan bijvoorbeeld in de kuststreken. In kustgebieden speelt, naast wind, het zout een belangrijke rol. Niet alle planten kunnen zout (in de lucht e.d.) verdragen. Daarnaast speelt luchtverontreiniging in heel Nederland een belangrijke rol. Deze wordt o.a. bijvoorbeeld veroorzaakt door industrie en verkeer. Het zijn allemaal zaken waar je niet omheen kunt en je zult je plan erop moeten aanpassen.

Lichtbehoefte

De hoeveelheid licht waarover een plant in een bepaalde situatie kan beschikken is erg belangrijk. Er zijn planten die graag in de volle zon staan, in de schaduw of in lichte schaduw. De lichtbehoefte is in elke situatie anders. Het kan zelfs in een tuin verschillen en heeft o.a. sterkte maken met de directe omgeving van de tuin. Je kunt de planten dus voor elke situatie naar lichtbehoefte selecteren.

 

De hoeveelheid licht bepaalt de beplanting

 

Afmetingen

De afmetingen van een tuin behoren ook tot de groeivoorwaarden. Daarbij zijn ook belangrijk massa, ruimte en verhouding. Ook in plantmateriaal zit nogal wat verschil in afmetingen. Planten kunnen heel laag zijn (1,00- 2,00 m boven het maaiveld), maar ook hoger dan 30,00 m (bomen).

Gelukkig zitten tussen deze twee uitersten allerlei andere afmetingen. Zo kun je voor elke tuin nog wel geschikte planten vinden. Als een "boom" gewenst is, kun je alleen in een erg grote tuin bijvoorbeeld een eik planten; in een heel klein tuintje zul je dan een klein boompje, als bijvoorbeeld Prunus triloba op stam, moeten kiezen.

De groei van een plant is van veel factoren afhankelijk. Daarom is de uiteindelijke hoogte van veel gewassen moeilijk te bepalen. Hiermee zul je zeker in de kleinere tuin rekening moeten houden. Als je een ontwerp en beplantingsplan maakt, heb je voor jezelf al een soort eindbeeld, volwassen toestand, een beeld van zo moet het worden, voor ogen. In een kleine stadstuin is een "volwassen" stadium vaak al na een jaar of vijf tot zeven bereikt, terwijl dit in een grotere siertuin bijvoorbeeld vijfentwintig jaar kan duren. De afmetingen van de planten moeten dus in de juiste verhouding staan tot de afmeting, grootte van de tuin.

 

Plantverband

Het plantverband wordt mede bepaald door het type van de beplanting. Dit heeft vaakte maken met o.a. de onderhoudsaspecten. In een landschappelijkgebied moet bijvoorbeeld onkruidbestrijding in verband met de tijd en kosten machinaal plaatsvinden terwijl dit in een siertuin vaak handmatig kan of moet gebeuren.

We kunnen bijvoorbeeld als volgt planten:

  •  Op rijen:  rechthoekig ofwel vierkantsverband (planten tegenover elkaar).
  •  Verspreid verband:  driehoeksverband (planten niet keurig in de rij; voor bijvoorbeeld een siertuin).

Verspreid en op rijen

Een en ander hangt ook af van de soort planten en plantafstanden. In het gebruik van bijvoorbeeld heesters en vaste planten zitten nogal wat verschillen.

 

Aanpassen van groeivoorwaarden 

Je kunt andere plantengroei mogelijk maken, door veranderingen aan te brengen t.o.v. de groeivoorwaarden.   

Bijvoorbeeld:

  •      Grondsoort veranderen, zoals klei vervangen door zand;
  •      Verhoging of verlaging van de grondwaterstand;
  •      Grondverbetering;
  •      Ophoging van het terrein;
  •      Kappen van schaduwgevende bomen enz.

Zorg er wel voor dat je door veranderingen t.a.v. de omgeving niet het beplantingsbeeld uit de toon laat vallen (te rigoreuze veranderingen). Bovendien is het vaak een kostbare zaak. Het zijn echter prima mogelijkheden voor kleine siertuinen, stadstuinen enz.

 

 

2.3 Omgeving

Bij het maken van een ontwerp speelt de omgeving al een belangrijke rol. Je moet de omgeving van een object goed bestuderen: Zit je in een natuurlandschap (heide, bos e.d.), in een cultuurlandschap (weilanden, akkers) of in een stedelijk gebied (stad, dorp).

Deze omgeving van een tuin heeft een grote invloed op de plantenkeuze. In een stedelijk gebied zal de beplanting een meer gecultiveerd karakter hebben, terwijl deze in het landschap een natuurlijker karakter zal hebben. In een kleine siertuin zul je dus veel beplanting toepassen met een gecultiveerd, maar zeker een fijner karakter (habitus!).

Een stedelijk landschap 

Ligging van het object

Behalve de omgeving moet je ook letten op de windrichting. Ligt een tuin op het noorden, zuiden, westen of oosten. Vaak zul je zien dat meerdere windrichtingen een rol spelen. Bijvoorbeeld bij een duidelijk gescheiden voor- en achtertuin. Ook hier zijn weer niet alle planten geschikt om op elke windrichting te planten (denkhierbij ookaan lichtbehoefte, schaduw, zon e.d.). Bij het ontwerpen heb je hier al mee te maken gehad, maar bij de keuze van de planten is het weer erg belangrijk.

Ook hebben we al gesproken over verschillende grondsoorten. Bij de keuze van plantmateriaal moet je echter niet alleen rekening houden met de grondsoort. Je moet namelijk ook rekening houden met het karakter (vorm) van het terrein. Of het nu een vlak terrein of een glooiend terrein is, een terrein met kleine of grote hoogteverschillen; je moet het karakter van het terrein, ook na het beplanten, zoveel mogelijk behouden. Hoogteverschillen kunnen, ook in Nederland, al of niet van natuurlijke aard zijn. Zo kunnen wegen en waterlopen met hun vorm ook een belangrijke bijdrage leveren aan de samenstelling van de beplanting.

Als je terreineigenschappen aanpast aan je ontwerp, komt je beplanting daardoor meestal veel beter tot zijn recht. Wanneer je je bij het maken van een ontwerp/beplantingsplan laat inspireren door de omgeving is het effect een harmonieuze tuin, die mensen van nature waarderen! 

Tuin en landschap horen bij elkaar

2.4 Functie van de beplanting

Elke beplanting heeft zijn doel, zijn functie. De beplanting heeft als het ware een taak. De taak kan in elke situatie anders zijn. Deze taak kan zijn:

  •      Constructief;
  •      Decoratief;
  •      Instructief.

De constructieve taak: Bij deze taak zijn de vorming en geleding van de ruimte en de massa het belangrijkste. Toch kan de beplanting in deze taak ook een sierwaarde hebben. Ook al staat deze niet voorop. Een functionele taak hierin kan bijvoorbeeld zijn, het scheppen van luwte, het geven van schaduw en vlakverdeling.

De decoratieve taak: Bij deze taak is de sierwaarde van de gewassen het meest belangrijk. Dit kan in groepsverband. We noemen dit passief. Het kan echter ook als solitair. Dit noemen we actief.

Wanneer je een beplantingsplan maakt, begin je met de constructieve beplanting. Daarna vul je de rest in met decoratieve beplanting.

In de winter herken je het best de constructie (opbouw) van tuinen. Het winterbeeld geeft je dus belangrijke informatie over de kwaliteit van de constructieve beplanting van een tuin.

Waar is de beplanting constructief, waar decoratief? 

 

Bij de instructieve taak moet je laten zien hoe planten groeien en bloeien. Dit kom je bijvoorbeeld tegen in een botanische tuin (instructief = educatief/onderwijstuin). Het beplantingsplan wordt hier in de eerste plaats bepaald door het nut dat de planten hebben voor het onderwijs.

National Botanic Garden Dublin, Ierland

2.5 Wensen van de opdrachtgever

Een aantal belangrijke aspecten, waar je bij de wensen van een opdrachtgever bijvoorbeeld mee te maken kunt krijgen:

Het onderhoud

  •      Geen bodembedekkers;
  •      Geen hagen die je moet snoeien;
  •      Geen planten met doorns;
  •      Op bepaalde plaatsen in de tuin geen bladval;
  •      Geen gazon;
  •      Geen giftige planten i.v.m. bijvoorbeeld kinderen, huisdieren.

De beschikbare financiële middelen: 
Als er weinig geld voor de beplanting is, moetje daarmee rekening houden bij de keuze van de planten.
Dit kan bijvoorbeeld door maar weinig groenblijvend materiaal te gebruiken, omdat dit vaak duurder is dan bijvoorbeeld bladverliezend materiaal. In zo'n situatie moeten we planten kiezen uit het "goedkopere" sortiment.

Planten die de opdrachtgever zelf heeft of speciale wensen:

  •      Planten die uit de vorige tuin meegebracht worden. Deze moet je dan toch, waar mogelijk, op een verantwoorde manier    verwerken;
  •      Vaak willen opdrachtgevers bepaalde soorten graag in hun tuin zien. Hier moet je dan mee om kunnen gaan; zodanig in je plan kunnen verwerken dat ze passen in het samengestelde sortiment en bij de grondsoort. 

 

 

 

2.6 Budget

Onder budget verstaan we een begroting.

Voordat we een project kunnen uitvoeren moet de zaak eerst begroot worden. Bijvoorbeeld in verband met de kosten. Het is erg belangrijk dat een opdrachtgever weet hoeveel geld hij nodig heeft om zijn plan te realiseren. Zo is er o.a. geld nodig voor het maken van de totale planning (bijvoorbeeld tekenen, bestellen van materiaal), maar ook voor de uitvoering (bijvoorbeeld grondwerk, meststoffen, dode materialen en het kopen van plantmateriaal, onderhoud van het materiaal).

Bij het maken van een beplantingsplan moet je dus weten hoeveel geld je ter beschikking hebt voor het kopen van plantmateriaal. Als je te maken hebt met financiële beperkingen, bijvoorbeeld een maximaal bedrag dat je ter beschikking staat, dan moet je toch een verantwoord plan maken. Deze beperkingen kunnen deels al in het ontwerp verwerkt zijn bijvoorbeeld minder of eenvoudige bouwkundige elementen. Intensieve, soms dure, beplantingshoeken kun je beperken; in andere delen van de tuin beperk je je tot een goedkopere beplanting in aanschaf en onderhoud.

2.7 Eigenschappen van planten

Al eerder heb je kunnen zien dat planten mooi kunnen zijn om hun habitus (vorm, textuur), bladkleur, houtvorm, houttekening e.d. De bloei van planten is echter ook belangrijk. Vrijwel alle planten die we gebruiken bloeien. De ene uitbundiger en langer dan de andere. Juist omdat planten zoveel sierwaarden hebben, kunnen we er bij de keuze en toepassing rekening mee houden.

We kunnen kiezen uit twee hoofdgroepen nl. de houtachtige en de kruidachtige gewassen.

Houtachtige gewassen kun je als volgt verdelen:

  • Loofbomen
  • Coniferen
  • Bladverliezende heesters
  • Groenblijvende heesters
  • Haagplanten (eventueel
  • bos- en haagplantsoen)
  • Ericaceae
  • Rozen
  • Klim-enleiplanten
  • Fruit 

De sierwaarde van houtachtige gewassen zit in de bloei, vorm, bladkleur, vrucht, kegels, kleur, bottels en blad.

Kruidachtige gewassen kun je als volgt verdelen:

  • Eén- en tweejarige planten
  • Hoge en middelhoge vaste planten
  • Lage vaste planten en rots-planten
  • Bol- en knolgewassen
  • Water- en oeverplanten
  • Varens
  • Grassen
  • Kruiden 

De sierwaarde van kruidachtige gewassen zit in de bloei, vorm, bladkleur, vrucht, kleur, blad, winterbeeld en groeiwijze.

 

 

  Een vleesetende plant heeft bijzondere eigenschappen

Gebruik en toepassing van plantmateriaal onder verschillende omstandigheden

De keuze die je moet maken voor een plan, hangt direct van een aantal zaken af. Het allerbelangrijkste is nu dat je weet hoe het zit met de ligging, grondsoort e.d. van het object. In allerlei boeken, websites en catalogi kun je dan lijsten van planten, geschikt voor bepaalde groeiomstandigheden, vinden. Een handige website voor selecteren  van planten is: http://www.ontwikkelcentrum.nl/objects/website/OC-24059/html/index.html 

 

De eigenschappen, standplaatseisen en gebruiksmogelijkheden waarop je planten kunt selecteren staan beschreven in de volgende lijsten. Gebruik deze lijsten als naslagwerk, of om ideeën op te doen bij het maken van een beplantingsplan.

We maken onderscheid tussen houtachtig materiaal en kruidachtige planten.

A Houtachtig materiaal (loofhout en coniferen)

Eigenschappen:

  •      Grootte (bijvoorbeeld kruipend, tot 50 cm, 2,00 - 3,00 m, 10,00 -20,00 m, hoger dan 20,00 m).
  •      Bijzondere groeivormen:
    •      Hangend;
    •      Klimmend;
    •      Zuilvormig;
    •      Bijzondere "tekeningen" (bijvoorbeeld krullend);
    •      Lichtdoorlatend en los;
    •      Rond tot kogelrond;
    •      Breedkronig (bomen);
    •      Rechtopgaand.
  •     (Tijd van) uitlopen
    •      Mooie kleur;
    •      Vroege uitlopers;
    •      Zeer late uitlopers.
  •    Bladvormen:
    •      Bijzonder groot;
    •      Fijn en sierlijk.
  •   Bladkleur:
    •      Witbont;
    •      Geelbont;
    •      Rood;
    •      Zilvergrijs of zilverblauw;
    •      Herfstkleur.
  •   Bladhoudendheid:
    •      In de winter bladverliezend;
    •      Zeer laat bladverliezend;
    •      Groenblijvend;
    •      Half groenblijvend.
  •   Planten die bestand zijn tegen veel ziektes en schades.
  •   Bloei:
    •      Éénjarig hout;
    •      Meerjarig hout.
  •   Bloeitijd: indeling naar maand en kleur (januari t/m december).
  •   Bloeiwijzen.
  •   Bijzondere en sierlijke vruchten: 
    •      Mannelijke en vrouwelijke planten;
    •      Kleur, vorm en grootte van de vruchten.
  •   Houttekeningen:
    •      Vorm en draaiingen in stam en takken;
    •      Kleur van de stam en takken.

 De stam van een plataan heeft een bijzondere kleur.

N.b. Coniferen vormen onder de houtige gewassen vaak een aparte groep i.v.m. hun toepassing. De sierwaarde van deze planten vinden we o.a. terug in hun vorm (zuil-, bol-, treurvorm, bodembedekkend), kleur van naalden en schubben (blauw, bont, geel, grijs), houttekeningen in takken en stam.

Standplaatseisen:

  •      Kalkrijke grond (minnend of verdragend).
  •      Zure grond (minnend of verdragend).
  •      Lichte, drogegrond (minnend of verdragend).
  •      Zware klei (minnend of verdragend).
  •      Zouthoudende grond (minnend of verdragend).
  •      Vochtige grond (minnend of verdragend).
  •      Vochtige en droge grond verdragend.
  •      Schaduw (minnend of verdragend).
  •      Halfschaduw (minnend of verdragend).
  •      Zonnig (minnend of verdragend).

Gebruiksmogelijkheden:

  •     Extreem stadsklimaat.
  •     Industriegebieden.
  •      Bodembedekkers.
  •     Muurbekleding en dergelijke; 
    •      Klimplanten;
    •     Leiplanten;
    •     Slingerplanten.
  •    Haagplanten:
    •      Losgroeiend;
    •      Strakgroeiend;
    •      Hoogtes (vanaf 4,00 men hoger);
    •      Architectonische hagen (bijvoorbeeld bloei, "ondoordringbaarheid" en bladverliezend).
  •      Hoogstam bomen.
  •      Solitairs: 
    •      Voorde kleine tuin;
    •      Voor de grote tuin, openbaar groen en groepsbeplantingen. 
  •      Dekheesters.
  •      Sterk-, snelgroeiende gewassen.
  •      Park-enstraatbomen: 
    •      Groot-en kleinkronig;
    •      Langzaamgroeiend;
    •      Bijzondere bloei. 
  •      Gewassen voor autowegbeplantingen.
  •      Windscherm.
  •      Kuststreek.
  •      Landschappelijke gebieden.
  •      Bosplantsoen: 
    •       Tuin;
    •       Landschappelijke beplantingen.
  •      Rozen:
    •      Botanische rozen;
    •      Leirozen (klimrozen);
    •      Stamrozen;
    •      Struikrozen. 
  •     Rotstuinen.
  •     Heidetuinen.
  •     Vogels:
    •      Vogelbeschermend;
    •      Vogellokkend.
  •      Planten voor bijen.
  •      Geur.
  •      Trekheesters.
  •      Kuipbeplanting.
  •      Bloemwerk.
  •      Grafbeplanting
  •      Bloemen voorde vaas.
  •      Geluiddemping.
  •      Schaduwgevende bomen.
  •      Giftigheid.
  •      Fruit: 
    •      Groot (bijvoorbeeld appel, peer);
    •      Klein (bijvoorbeeld bes, aardbei);
  •      Losgroeiende haagplanten;
  •      Gewassen voor autowegbeplantingen;
  •      Giftige planten;
  •      Winterhardheid. 

 

B Kruidachtig materiaal

Voor kruidachtig materiaal beschrijven we daarnaast de volgende specifieke gebruiksmogelijkheden waaruit een selectie gemaakt kan worden:

  • Borderplanten
  • Perkplanten
  • Randplanten
  • Schaal- en balkonplanten
  • Snijbloemen
  • Droogbloemen
  • Solitairs
  • Geschikt voor verwildering
  • Rotstuinplanten
  • Bodembedekkers
  • Bloemenweide
  • Boerentuin
  • Moerasplanten
  • Vijverplanten
  • Planten in stromend water

2.8 Bloei en kleur

Bij de keuze van planten spelen bloei (-tijd) en kleur een belangrijke rol. Vooral als het gaat om planten die we juist om hun bloei en kleur willen gebruiken. Bijvoorbeeld heesters en vaste planten. Je moet echter goed op de hoogte zijn van bloeitijd, kleur en kleurencombinaties: Niet alles past zomaar bij elkaar. Bij de beplanting van een tuin zijn kleurcontrasten (tussen twee te vergelijken kleurwerkingen zijn duidelijke verschillen waar te nemen) zeer belangrijk. Met behulp van de kleurencirkel kun je kleurcontrasten "maken". 

 

de kleurencirkel 
Voorbeelden van kleurcontrasten:

  • Kleur-tegen-kleur, licht-donker, warm-koud

Kleuren bestaan uit primaire, secundaire en tertiaire kleuren. Als de drie primaire kleuren cyaan, geel en magenta tegen elkaar liggen, versterken ze elkaar het meest. Dat gebeurt ook bij de andere zuivere kleuren (die niet met wit of zwart zijn gemengd). Dit is kleur-tegen-kleurcontrast. Licht-donkercontrast is het contrast tussen twee kleuren van verschillende helderheid. Bij koud-warmcontrast worden kleuren ten opzichte van elkaar als koud of warm ervaren.

  • Complementair en simultaan contrast:

Slagers leggen vaak groene strookjes tussen het rode vlees. Hierdoor lijkt het vlees roder. Dit heet complementair contrast. Het menselijk oog roept ook automatisch een complementaire kleur op, als die niet aanwezig is. Op theeplantages, waar alles groen is, zien plukkers dus continu de complementaire kleur rood als ze even van de planten wegkijken. Om dat te voorkomen, dragen ze rode kleding en zaaien ze rode planten tussen de thee. Deze ‘illusie’ van het oog heet simultaan contrast.

 

  • Kwaliteits- en kwantiteitscontrast, ton-sur-ton

Bij kwaliteitscontrast of verzadigingscontrast kijk je binnen een kleur naar het verschil in onderlinge kleurschakering door bijmenging met andere kleuren of zwart en wit.

 

  • Kwantiteitscontrast 

Als je gelijke delen blauw en geel naast elkaar zet, dan vraagt het geel meer aandacht. Dat kun je uitdrukken in getallen: drie delen geel zijn net zo sterk als zes delen rood of groen. Zie de tabel voor de stralingskracht van verschillende kleuren. Hoe groter het getal, hoe meer je nodig hebt voor hetzelfde effect.

Kleur

Getal

geel

3

oranje

4

rood en groen

6

blauw

8

paars

9

Harmonie: het in bepaalde situaties goed bij elkaar passen van kleuren;

Disharmonie: het in bepaalde situaties niet bij elkaar passen van kleuren (lelijke kleurencombinaties).

Het is goed om in je beplanting bepaalde kleurcontrasten aan te brengen, denk maar aan een vaste plantenborder. Bij je plan moet je echter steeds rekening houden met de bloeitijd van de planten. Voor bepaalde contrasten moeten bijvoorbeeld meerdere planten(groepen) gelijktijdig bloeien.

Harmonie. Sissinghurst GB.

 

 

Zie voor achtegrondinformatie:

over kleurenleer:http://www.ontwikkelcentrum.nl/repository_output/ecc/OC-34030d/OC-34030-4/OC-34030-4-16df/OC-34030-4-16df.html

over kleurcontrasten:http://www.ontwikkelcentrum.nl/repository_output/ecc/OC-34030d/OC-34030-4/OC-34030-4-17df/OC-34030-4-17df.html

Over verschillende typen kleur: http://www.ontwikkelcentrum.nl/repository_output/ecc/OC-34030d/OC-34030-4/OC-34030-4-18df/OC-34030-4-18df.html

Over de kleurencirkel: http://www.ontwikkelcentrum.nl/repository_output/ecc/OC-34030d/OC-34030-4/OC-34030-4-19df/OC-34030-4-19df.html

Over kleuren mengen: http://www.ontwikkelcentrum.nl/repository_output/ecc/OC-34030d/OC-34030-4/OC-34030-4-20df/OC-34030-4-20df.html

Over kleursymboliek: http://www.ontwikkelcentrum.nl/repository_output/ecc/OC-34030d/OC-34030-4/OC-34030-4-23df/OC-34030-4-23df.html

 

Op kleur en naar bloeitijd werken

Afhankelijk van de wensen van de opdrachtgever kun je kleuren op allerlei manieren toepassen. De meest opvallende kleuren kom je tegen in de bloemen van planten. Bij heestervakken kun je bijvoorbeeld als volgt werken:

  •      Vakken met één kleur bijvoorbeeld rood;
  •      Vakken met meerdere kleuren;
  •      Vakken met een kleurenopbouw bijvoorbeeld van rood-rood-achtig-paars-blauwachtig-blauw naar wit;
  •      Vakken met bijvoorbeeld voorjaarsbloeiende heesters (seizoensvak). Bij perkplanten en vaste planten kun je als volgt werken;
  •      Solitair bijvoorbeeld Cortaderia selloana bij een terras;
  •      Met gemengde vakken; allerlei kleuren per vak;
  •      Met vakken naar kleur bijvoorbeeld witte, blauwe en rode borders;
  •      Met vakken naar seizoen, bijvoorbeeld vakken die in het voorjaar of in de zomer op hun mooist zijn (seizoensborder).

2.9 Plantafstand

Voor plantafstanden van houtachtige en kruidachtige gewassen geldt allereerst, datje zelf het plantmateriaal goed kent. Daarnaast is de plantafstand ook situatie gebonden. Bijvoorbeeld grondsoort, licht, lucht, enz. Je kunt echter gebruik maken van bestaande vuistregels en tabellen in boeken en catalogi. 

 

Voorbeelden Haagplanten: Fagus sylvatica 80/100   3  - 4 st/m1
  Ligustrum vulgare 60/80   4  - 5   st/m1
Heesters: klein : afstand  80-100 cm 1   - 3   st/m2
  middelgroot : afstand 100-125 cm 1 st/m2
  groot : afstand 100-200 cm 1/4- 1/2 st/m2
Vaste planten: klein : afstand   15-20 cm 25- 45 st/m2
  middelgroot : afstand   25-35 cm 10- 16 st/m2
  groot : afstand  40-70 cm 3  - 6   st/m2

 

 

2.10 Wettelijke bepalingen

Bij het maken van een ontwerp, beplantingsplan e.d. moet je ook al aan de realisatie van het plan denken. Dit houdt niet alleen het beeld van de aangelegde tuin in.

Er zijn namelijk altijd, net als bij het bouwen van een huis, een aantal regels waar je rekening mee moet houden. Met deze regels, juridische aspecten, wettelijke bepalingen, moet je al rekening houden tijdens het ontwerpen.Voorbeelden hiervan zijn burengerucht, rooien van bomen en de afwatering van het terrein.

Ten aanzien van het plantmateriaal moet je bijvoorbeeld aan de volgende punten denken:

  •      Zonder overleg mag je geen bomen binnen twee meter van de grens van het terrein planten;
  •      Een niet gemeenschappelijke haag mag je niet op minderdan 0,50 meter uit de grens tussen twee tuinen of percelen   planten;
  •      Mag je overhangende takken wel of niet wegnemen.enz.?
  •      Mag je op bepaalde plaatsen in de tuin wel of geen hoge beplanting aanbrengen; wel of geen bomen planten enz.?  Denk   hierbij aan de hoek van de straat.

Bij de selectie van je plantmateriaal moet je deze regels dus goed in acht nemen. Het is belangrijk in verband met welke planten je kiest, maar ook ten aanzien van de aantallen van planten.

 

2.11 Samenvatting

Om een keuze te maken uit het enorme plantensortiment, dat ons ter beschikking staat, moet je een goede kennis hebben van de planten. Daarnaast zijn er legio andere aspecten, die een verantwoorde keuze van het materiaal beïnvloeden.

Groeivoorwaarden als bodemgesteldheid, grondsoort, licht, wind e.d. bepalen bijvoorbeeld welke plantengroei mogelijk is. De afmeting van een tuin zegt ons iets over de grootte van de planten die wegebruiken.

Welke typen, soorten van planten je kunt gebruiken hangt mede af van de omgeving van het te beplanten object. In stedelijke omgeving hou je je meer bezig met gecultiveerde gewassen en in het landschappelijke gebied gebruik je meer een natuurlijke beplanting. Verder weet je dat de beplanting een constructieve en/of decoratieve functie heeft. Het gaat om vorm en geleiding, maar ook om de sierwaarde van gewassen.

Andere belangrijke aspecten zijn de wensen van de opdrachtgever en het budget. Want het is belangrijk dat je een plan maakt dat verantwoord is, maar waar je daarnaast rekening houdt met die dingen die de opdrachtgever mooi vindt; bovendien moet het plan ook voldoen aan het financiële plaatje wat erbij hoort; de financiële middelen die ter beschikking zijn.

Ten aanzien van al deze zaken kun je dan bekijken uit welke groepen van planten je een geschikte keuze kunt gaan doen voor je plan.

Hou bij de keuze ook rekening met een aantal wettelijke bepalingen. Dit voorkomt problemen bij de uitvoering van je plan.

 

2.12 Opdrachten

3. Het schetsmatige beplantingsplan.

3.1 Inleiding

Na inventarisatie van het object (en het ontwerp ervan) waar je een beplantingsplan voor moet maken volgt een beplantingskeuze. Hoe je tot een verantwoorde beplantingskeuze kunt komen, heb je in hoofdstuk 1 en 2 kunnen zien.

De uitgekozen planten, voor een bepaald project, ga je nu gebruiken om het beplantingsplan samen te stellen. Hierbij kun je overigens nog altijd veranderingen aanbrengen in je plantenlijst. Soms voer je soorten af en soms voeg je andere soorten toe.

 

Een schetsmatig beplantingsplan

Bekijk het filmpje over materialenindicatie op:

https://livelink.groenkennisnet.nl/livelink/llisapi.dll?func=factsheet.download&objid=94751134&format=html

3.2 De opzet van een beplantingsplan

De beplantingsopzet kan voor elk project anders in elkaar zitten. Dit komt doordat een ontwerp voor elk project andere, eigen uitgangspunten heeft. ledere opdrachtgever heeft een andere smaak, eigen eisen en ideeën en dergelijke voor zijn tuin. Ook grondsoort, wind, water omgeving e.d. kunnen voor elk project anders zijn. Bij het samenstellen van een beplantingsplan voor een bepaald ontwerp, bekijk je daarom eerst het totale ontwerp met haar uitgangspunten. Je denkt bij uitgangspunten o.a. aan budget, bebouwing, grondsoort, functie van de beplanting in het ontwerp, relatie met de omgeving, standplaatseisen en eisen/smaak van de opdrachtgever.

In de praktijk maak je na het ontwerp eerst een schetsbeplantingsplan. Aan de hand van dit schetsplan maak je dan daarna het definitieve beplantingsplan.

Bij het samenstellen van een plan werk je in een bepaalde volgorde:

1 Bepalen van de beplanting met een constructieve taak. Dus die beplanting die de ruimte, vorm, geleding en massa van het ontwerp tot uiting doen komen. Dit zijn meestal bomen, hoge coniferen en de heesters met een begeleidende taak.

2 Samenstellen van de beplanting met een decoratieve taak. Dus de planten die je kiest om hun sierwaarde. Dit kan passief (in 
groepen) en actief (solitair) zijn. Dit alles noem je ook de aanvullende beplanting.
Tot deze aanvullende beplanting behoren o.a. vakken vaste planten, solitairs, klimplanten, heidebeplanting, rozen enz. Op deze manier werk je eigenlijk in ieder plan van groot naar klein of van belangrijke, opvallende basis-elementen naar "details".

Voorbeeld van een beplantingsplan

Hier volgt een beplantingsplan van een smalle, ingesloten stadstuin.

Nr 1 t/m 18 planten met een constructieve taak: 

nr 19 t/m 32 planten met een decoratieve taak:

3.3 Hoogteverschillen.

In elk ontwerp kun je onderdelen tegenkomen die bij het maken van je beplantingsplan speciale aandacht vragen. Enkele van deze onderdelen kun je in de volgende paragrafen bekijken.

Landschap

De beplanting kun je op allerlei manieren opzetten. Denk bijvoorbeeld aan een tuin in een vlak landschap. Voor een dergelijke tuin kun je de beplanting ook in de vorm van het "platte" vlak toepassen. De uiteindelijke beplanting zal hier en daar voor niveauverschillen zorgen.

Voor een tuin met hoogteverschillen, glooiingen, kun je de beplanting aan deze hoogteverschillen aanpassen. De tuin heeft daardoor een heel eigen karakter en leent zich bijzonder goed voor een bepaalde beplanting en structuur (dieptewerking met behulp van heuvels, bomen e.d.).

Het glooiend landschap van park Sonsbeek, Arnhem

Talud

Een talud (taluud, taluut) is een hoogteverschil, glooiing. Het talud kan natuurlijk of kunstmatig zijn.

Zo kan het terras achter een huis bijvoorbeeld 1,00 m hoger liggen dan het gazon. Dit hoogteverschil wordt dan vaak opgevangen door de grond, tuin, vanaf het terras onder een bepaalde hoek af te laten lopen naar het gazon. Je noemt dit een talud.
De beplanting voor zo'n talud kan van allerlei aard zijn. Je voelt echter wel aan dat de grond niet steeds naar beneden moet kunnen "rollen". Zo kun je deze grond vasthouden met bepaalde planten, bijvoorbeeld met bepaalde bodembedekkers. De hiervoor geschikte planten zijn vaak vlakwortelend. Een eis aan de beplanting voor het talud is dan ook, dat deze beplanting de grond moet "vasthouden" (is een functie van de beplanting).

fig. 17 een talud

 

Hoogteverschillen in een tuin of plantvak

Planten kun je in je hele tuin gebruiken voor aanbrengen van hoogteverschillen. Dit kan bijvoorbeeld door de combinatie boom-struik-bodembedekker. Deze "beplanting in lagen", zoals je dit noemt, kom je in bijna elke tuin tegen (hoogteverschillen hoef je dus niet altijd met verhoogde bakken aan te brengen).

Je kunt dit soort hoogteverschillen echter ook per plantvak toepassen. Zo kan een plantvak er in verschillende situaties anders uitzien. Bijvoorbeeld:

3.4 Bijzondere typen tuinen

Sommige planten hebben zo'n typisch, eigen karakter, dat je er een speciale tuin (vaak omgeving gebonden) van maakt, of je reserveert er een bepaald deel van de tuin voor.

   De rozentuin

Voorbeelden hiervan zijn:

  •   De rozentuin
    •      Meestal in een afgesloten tuin tegen bijvoorbeeld een groenblijvende achtergrond;
    •      Vaakvakken in gazon of verharding;
    •      Liefst in beschutte, maar toch open omgeving.
  •   De bloementuin
    •      Samentrekken van bloembeplanting, naar bijvoorbeeld bloeiseizoen;
    •      Vaak bollen, vaste planten, heesters e.d. bij elkaar in verband met de aantrekkelijkheid buiten het      bloeiseizoen.
  •   De rotstuin
    •        Gebruik van veel stenen;
    •      Liefst in een tuin van eenvoudige vorm en karakter. Dit in verband met het drukke karakter van de rotstuin;
    •      Extreme klimatologische en bodemkundige omstandigheden bijvoorbeeld extreme koude of hitte; kalkrijke bodem e.d.;
    •      Hoogteverschillen aanpassen aan de omgeving;
    •      Open, zonnige plaats metgoede omranding, omplanting;
    •      Dooreen juiste verhoudingtussen stenen en planten, vormen de stenen de ondergrond voor de planten.
  •    De wildeplantentuin
    •      Op plaatsen waar oorspronkelijke, natuurlijke planten goed tot hun recht komen;
    •      Op plaatsen met zeer geschikte groeivoorwaarden;
    •      Om nadrukte leggen opafwijkende omstandigheden; bijvoorbeeld schaduw, droge- of natte grond;
    •      Aangepastaan de plaatselijke begroeiing.
  •   De moestuin
    •      Soms in combinatie met siertuin;
    •      Indeling; ligging wel of niet in het zicht;
    •      Paden, kweekbak, waterput, composthoop.
  •    De kruidentuin
    •      Tegenwoordig voor keukenkruiden; vroeger in verband met de geneeskrachtige werking;
    •      Liefst een zonnige, goed bereikbare plaats bij de keuken.
  •    De fruittuin
    •      Kleine hoeveelheden in combinatie met siertuin of moestuin;
    •      Aparte, moderne fruittuin, met kleinfruit, bijvoorbeeld bessen en bomen als appel en peer;
    •      Bijzonder geschikt in een landelijke omgeving.
  •    De patio
    •      Ook wel binnenhof of binnentuin;
    •      Ommuurde tuin (schaduw);
    •      Vaak een beschut klimaat, ligt het hele jaar in het oog, een eigen sfeer, omgeving.
  •     De daktuin
    •      Winderig door hoge open ligging;
    •      Schermen met planten of ander materiaal;
    •      Dakconstructie mede bepalend voor de beplanting in verband met het dragen van gewicht;
    •      Mogelijkheden van complete beplanting tot bakken en potten.
  •    Het balkon
    •      Meestal werken met bakken en potten;
    •      Beplanting vaak kruidachtige gewassen, een houtachtige solitair, klim- en/of leiplanten.
  •    De border
    •        Border is Engels voor rand; dus de rand (randbeplanting) vormt 
             de border van bijvoorbeeld de tuin;
       
    •      Ligging t.o.v. het noorden; we zien de border graag in de zon;
    •      Met veel soorten planten te beplanten, bijvoorbeeld heesters, vaste planten, coniferen en eventueel  een enkele boom. Vaak zijn het in de praktijk echter vaste planten tegen bijvoorbeeld een achtergrond van heesters. Belangrijk bij de samenstelling zijn: Kleur van de bloemen, vorm van de bloemen of bloeiwijzen, hoogte van de plant of planten, duur van de bloei, tijdstip van de hoofdbloei, grondsoort.
  •     De heidetuin
    •      In bepaalde gebieden in Nederland met een kalkarme, voedselarme zand- of veengrond;
    •      Beplanting o.a. Calluna, Erica, Rhododendron, Sorbus, Pinus, Juniperus, grassen en Hebe (Ericaceae);
    •      Sortiment sterk uitgebreid door cultuurgewassen en -variëteiten;
    •      Liefst niet in directe combinatie met beplanting van "rijkere" gronden.
  •  Het heempark of de heemtuin
    •      Kruid- en houtachtige gewassen, daar toepassen waar ze van nature voorkomen;
    •      Twee typen:
      •      Het wilde plantenpark: Onderhoud als wieden e.d. door deskundig personeel;
      •      Het natuurpark: Onderhoud door maaien, begrazen, kappen, branden, plaggen en steken.
  •   Bogen, pergola's en colonnades
    •       Deze zijn zeer geschikt om te beplanten met klim-en leiplanten.

3.5 Voorbeelden

Nogmaals het is belangrijk dat  je de eisen, uitgangspunten en functies van het ontwerp gaat 'vertalen' in beplanting. In een goed ontwerp heeft elke plant of groep van planten een eigen functie. Daarnaast mag je factoren als grondsoort, wind, schaduw, zon, vocht e.d. niet aan je voorbij laten gaan.

Hierna kun je twee voorbeelden van de opbouw van een beplantingsplan bestuderen; voor een vaste plantenborder en voor een vak van houtachtige gewassen.

Voorbeeld I

 

Tuin met houtige gewassen en vaste planten

Doel van het voorbeeld:

-     De opbouw van een vaste plantenborder, waarin ook houtige gewassen voorkomen;

-     De opbouw van constructieve naar decoratieve taak van de beplanting; van opvallende basiselementen naar details.

Werkvolgorde bij het maken van een beplantingsplan:

Eerst houtachtige gewassen (rondje met stip in het midden); zij geven de ruimte, vorm, geleding en massa aan (functies uit/in ontwerp). Ze zorgen tevens voor een "eigen klimaat" voor dit vak. Denk bijvoorbeeld aan tocht en wind, op de hoek van een huis, wat nadelig kan zijn voor vaste planten.

  
Vervolgens de leidende vaste planten (dicht rondje). Dit zijn eventueel solitairs of groepen. Ze kunnen van dezelfde of verschillende soort zijn. Bijvoorbeeld rode Phloxen en witte Phloxen.

 
In het achterste gedeelte (punten) volgen nu de voorjaarsbloeiers. Ze worden vanuit de houtige gewassen inde beplanting betrokken. De uiteindelijke uitbreiding naar voren toe, hangt mede af van de rest van de beplanting. De lage voorjaarsbloeiende vaste planten moetje niet achter de later bloeiende zomer-en herfstbloeiers verstoppen. 

De nu nog open plaatsen (horizontale strepen) zijn beschikbaar voor zomer- en herfstbloeiers, die er ook vóór de bloei al "mooi", "aardig" uitzien. Bij de keuze van deze planten moetje er rekening mee houden, dat je planten kiest die qua kleur bij elkaar passen. Let ook op de bloeiperiode.

 
Om te voorkomen dat op plaatsen waar de herfstbloeiers staan, in het voorjaar bloei ontbreekt, kun je gebruik maken van bol- en knol gewassen (driehoekjes). Bijvoorbeeld groepjes tulpen en hyacinten op de voorgrond. Andere bol-en knolgewassen kun je ook toepassen bij de houtige gewassen naar de voorjaarsbloeiers toe. Denk wel aan kleurencombinaties.

 

 

 

 

 

Voorbeeld II:

 

 

 

Een achtertuin met houtachtige gewassen, grenzend aan het perceel van de buren.

 

Doel van hetvoorbeeld:

-     De opbouw van een plantvak voor houtachtige gewassen;

-     De opbouw van constructieve taak naar decoratieve taak; dus van basiselementen naar details.

 

Situatie:  Een plantvak aan het einde van een achtertuin. De tuin grenst aan een kant aan het perceel van de buren. Aan de rand van het plantvak begint of eindigt het gazon.

 

Werkvolgorde bij het maken van een planning: 

Eerst de basiselementen kiezen die vorm en geleding, ruimte en massa aangeven. In dit geval een haag en de bomen (het geraamte). Deze beplanting is constructief. 

Daarna heesters of heestergroepen (actief en passief) met bijvoorbeeld een zeer opvallende bloei in het voorjaar (van constructief naar decoratief).

Vervolgens kunnen  zomerbloeiende en herfstbloeiende heesters op een groot deel van de nu nog open plaatsen gezet worden (aanvullende beplanting). In dit geval, waar een haag op de achtergrond staat, kun je beter geen gebruik maken van hoge heesters.

Als laatste ga je nu de rand beplanten met zeer lage tot bodembedekkende heesters (eventueel bodembedekkende coniferen). 

Bovenstaande voorbeelden kun je toepassen voor de opbouw van elke vaste plantenborder en elk heestervak. Maar eigenlijk is het toepasbaar in de opbouw van een compleet beplantingsplan voor een tuin. Als je maar steeds de uitgangspunten, eisen, functies, voorwaarden en dergelijke gesteld aan het ontwerp volgt.

Geef de keuze van de planten schetsmatig aan op een tekening. Dit kan op de plaats waar de planten komen te staan of naast de tekening. Als je dit naast de tekening aangeeft, plaats dan in de tekening, op de juiste plaats een nummer, letter of ander teken. Zo kun je zien wat waar thuis hoort.   

 

In een schetsmatig beplantingsplan kun je ook aangeven welk type beplanting je gebruikt, zonder soorten te noemen. Bijvoorbeeld: 'Opgaande, bladverliezende heesterbeplanting; maximaal 2.50 mhoog', of: 'Bodembedekkende vaste planten, waarvan de bladeren, vorm e.d. belangrijker zijn dan de kleur'.  

3.6 Samenvatting

Je hebt nu aan de hand van uitleg, voorbeelden en gemaakte opdrachten kunnen zien, hoe je een beplantingsplan opbouwt. Je moet steeds weer uitgaan van andere functies, eisen, budget, grondsoort e.d. Steeds weer heb je te maken met andere uitgangspunten.

Bij de opbouw, samenstelling, van de beplanting werkje eerst aan de constructieve en daarna aan de decoratieve taak van de planten. Je werkt steeds van basiselementen naar details. Op deze manier zet je je plan allereerst schetsmatig op. In het volgende hoofdstuk kun je zien hoe je van zo'n schetsmatig plan een definitief plan maakt.

Nell's Park, Trier DE

 

3.7 Opdrachten

4. Het definitieve beplantingsplan

4.1 Inleiding

Je hebt nu een aantal beplantingsplannen schetsmatig weergegeven. Nu kun je bekijken hoe je van zo'n schetsmatig plan uiteindelijk een net en compleet plan maakt. Een keurig uitgewerkt plan is noodzakelijk voor het gebruik en de uitvoering hiervan.

 

Voorbeeld van een uitgewerkt beplantingsplan. Stempel, noordpijl en kaderlijn ontbreken nog.

 

4.2 Het plan op transparant materiaal

Het schetsmatig plan ga je nu netjes op een tekening zetten: op deze tekening komen, zoals in een ontwerp wel het geval is, geen arceringen (opwerking van de tekening) voor. Deze tekening moet je, behalve netjes maken, ook voorzien van wetenschappelijke namen, hoeveelheden van planten, oppervlakten of lengten van plantvakken, plantverbanden en plantafstanden. Je probeert zo perfect mogelijk te werken: dit o.a. omdat de opdrachtgever dit exemplaar ontvangt en het bij de uitvoering van het plan belangrijk is.

Voor dit soort tekenwerk maak je gebruik van transparant tekenpapier. Dit papier kun je in verschillende diktes aanschaffen. Het iets dikkere papier is in gebruik vaak makkelijk: het scheurt bijvoorbeeld niet zo snel.

Afhankelijk van de grootte van het object en de schaal waarin je tekent, kies je voor een bepaalde maat papier. Denk hierbij aan de verschillende A-formaten zoals AO, A1, A2, A3, A4. Elke kopie van een tekening die groter is dan A4-formaat, wordt gevouwen tot ze de grootte van A4 heeft.

Na het vouwen moet het stempel (of onderhoek) van de tekening rechts onderaan zichtbaar zijn. (Stempel: hierin staan de gegevens over het project zoals naam, opdrachtgever, schaal, onderdeel, datum, naam tekenaar e.d.). Om een schetsmatig plan tot een definitief uitgewerkt plan op transparant papier te maken, kunnen we op bepaalde manieren te werk gaan.

Allereerst zet je het ontwerp (of schetsmatig beplantingsplan) zonder arceringen netjes op papier. Dit kan in dezelfde schaal als het ontwerp heeft. Soms zet je het beplantingsplan in verband met bijvoorbeeld duidelijkheid, in een andere schaal. (Bijvoorbeeld vergroten, dus heb je een andere schaal nodig.)

Daarna geef je op het transparant papier netjes de solitairs, plant-vakken, gazon e.d. uit de schets aan. Nu kun je gaan aangeven welke planten en hoeveel je op de daarvoor bestemde plaats gebruikt. Dit kun je als volgt doen:

1   Zet de wetenschappelijke naam en de aantallen van planten in het daarvoor bestemde vak, of bij 1, in de solitair.

2   Zet de wetenschappelijke naam en de aantallen van planten in het daarvoor bestemde vak. Geef daarnaast per plantvak aan waar de planten moeten staan.

3  Ook kun je de plantvakken e.d. voorzien van een code. Dit kan bijvoorbeeld een letter, cijfer of ander teken zijn.Naast de tekening geef je dan aan wat de codes betekenen, ofwel welke plant(en) bij een bepaalde code horen.

Op deze manieren zijn er vele varianten mogelijk. Zorg erin ieder geval voor dat het plan duidelijk en makkelijk leesbaar blijft voor iedereen.

Door bomen, solitairs en plantvakken van verschillende soorten codes te voorzien kun je op je plan al lijsten maken van de verschillende plantengroepen die je toepast. Bijvoorbeeld eerst de bomen, daarna de solitairs en daarna de overige plantvakken aangeven. Eén en ander is gemakkelijk bij het maken van de bestellijsten van de planten.

Doordat je het beplantingsplan op schaal tekent, kun je de oppervlaktes en groottes per plantvak steeds goed nagaan. Dit is erg belangrijk omdat je namelijk, naast het vermelden van de namen van de planten die je gebruikt, ook meteen het aantal planten per soort moet aangeven. Dit laatste is alleen mogelijk als je de oppervlakte of grootte van een plantvak weet.

En dan, los hiervan, een aparte "kop" plantverbanden.

Bijvoorbeeld:

Plantverbanden:

-     Alle heesters worden in verspreid verband geplant;

-     Rozen worden in drie rijen, in driehoeksverband geplant.

Als je bovenstaande gegevens met codes naast je tekening zet, maak je hiervoor een kolom die legenda heet.

Enkele regels bij de vermelding van namen e.d. op een beplantingsplan:

-     Gebruikwetenschappelijke namen;

-     Voor inheemse kruidachtige gewassen kun je de Nederlandse naam gebruiken;

-     Schrijf netjes en duidelijk. Dit kan bijvoorbeeld ook met een sjabloon (lettermal);

-     Algemeen: DUIDELIJK EN OVERZICHTELIJK.

Afwerken van de tekening:

Om het beplantingsplan, maak je een kader of rand. Dit kader wordt twee cm vanaf de snijrand gemaakt. Op één cm naar binnen toe vanaf kader noetdan de grens(lijn) getekend zijn. Denk ook aan het "stempel" rechts onderaan de tekening.

 

Het uitgewerkte beplantingsplan, met  de wetenschappelijke namen, aantallen, plaatsaanduiding, stempel, noordpijl en kaderlijn.

4.3 Bestellijsten

Als je een beplantingsplan af hebt, kun je een lijst maken voor het bestellen van planten. Dit noem je een bestellijst. Zo'n bestellijst maak je op een bepaalde manier. De lijst moet er zo uitzien, dat de leverancier (bijvoorbeeld een boomkweker) makkelijk een prijsopgave kan doen en de eventuele bestelling makkelijk kan klaarmaken.

Verder moet de leverancier kunnen zien welke maten van planten hij moet leveren; of hij de heesters in container of als vollegrondsplant moet leveren; welke kwaliteit een bepaalde plant moet hebben. Voor maten e.d. kennen we internationale coderingen. Deze coderingen moet je ook gebruiken op je bestellijst.

'Cash &  carry'

Voorbeelden van coderingen:

Bomen:  Fagus sylvatica 'Atropunicea' maat 12-14: dit betekent dan deze beuk op één meter vanaf de grond gemeten een stamomtrek van 12-14 cm heeft.

Heesters:  Forsythia intermedia 60-80 vollegrond: dit betekent een vollegronds Forsythia van 60-80 cm hoog. (Bij normale kwaliteit heeft zo'n heester dan drie tot vijf takken.); Cotoneaster horizontalis 30-40: dit betekent een Cotoneaster horizontalis met een breedte van 30-40 cm;

Verder kun je aangeven of de heester in pot, container, met kluit e.d.moet zijn.

Zo betekenen:

  •      p7, p9, p12 achtereenvolgens een pot met een 0 van 7, 9 en 12 cm.
  •      C1, C2, C3 achtereenvolgens een container van één, twee en drie liter.
  •      M.k. betekent met kluit.

Coniferen: Chamaecyparis lawsoniana 'Columnaris' 80-100 m.k. betekent een Chamaecyparis lawsoniana 'Columnaris' van 80-100 cm hoog met kluit;

Bij horizontaal groeiende coniferen gebruikt men weer breedtematen.

Vaste planten: Hierbij geeft men vaak de potmaat aan.Hier worden dus coderingen als p7, p9 e.d. veel gebruikt.

Verder kan men ook de leeftijd van de planten aangeven. Bij fruit en een aantal andere gewassen kan men om NAKB gekeurd materiaal vragen. (Soms is een NAKB-keuring verplicht. Gekeurde planten kun je herkennen aan een plombe aan de plant.)  

N.b. De Nederlandse Bond van Boomkwekers (NBvB) en de Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor Boomkwekerijgewassen (NAKB) hebben tabellen waarin je zulke coderingen kunt opzoeken.

Hoe maak je zo'n bestellijst?

  • Rubriceer de beplanting in bomen, heesters, coniferen, vaste planten, waterplanten, gazon (grasmengsels, zaad, zoden), 
    perkgoed, bol- en knolgewassen enz.
    Eén en ander is afhankelijk van welke beplanting in een plan voorkomt. Vaak werk je van grof plantmateriaal naar fijn plantmateriaal, omdat dit ook de werkvolgorde bij het planten is.
  • Werk per rubriek in alfabetische volgorde.
  • Geef per soort dejuiste.totale aantallen en/of hoeveelheden aan.
  • Geef per soort maten, kwaliteitseisen/aanduidingen aan. 

N.b. Je kunt gebruik maken van voorbedrukte bestellijsten. 

Voorbeeld van een bestellijst:

4.4 Presentatie

Behalve dat je een beplantingsplan keurig netjes en compleet op papier kunt zetten, moet je het plan ook kunnen presenteren naar een opdrachtgever toe. Bij zo'n presentatie van je plan horen bijvoorbeeld:

  •    Een verzorgde, duidelijke en leesbare tekening;
  •    Een voor de opdrachtgever begrijpelijke, mondelinge toelichting;
  •    Het geven van een (eind)beeld van het resultaat van het gemaakte plan, na een bepaalde tijd. Dit beeld moetje zodanig  geven, dat het voor de opdrachtgever duidelijk is;
  •    Het beantwoorden van eventuele vragen, van de opdrachtgever, over het plan. 

Dit betekent voor jezelf, dat je het plan goed moet kennen: je moet er volledig inzicht in hebben. Je moet goed weten waarom je voor een bepaalde beplanting hebt gekozen; hierbij is kennis van het gebruikte materiaal zeerbelangrijk. Denk bijvoorbeeld aan groeiomstandigheden, de grootte van planten e.d. Zorg dus voor een door jezelf bewust gemaakt plan.

 

Een uitgewerkt beplantingsplan, geschikt voor presentatie

4.5 Samenvatting

In dit hoofdstuk heb je kunnen leren hoe je een beplantingsplan netjes afwerkt. Hiervoor is het erg belangrijk datje inzicht hebt in de beplanting, groeiomstandigheden e.d.; maar ook dat zo'n plan werkbaar, bruikbaar en leesbaar is in de praktijk. Denk aan aantallen en afmetingen van planten; internationale coderingen en prijzen van planten en bestellijsten.

 

4.6 Opdrachten

Opdrachten

Achtergrondinformatie

Keuzeonderwerpen

Digitaal tekenen

In de lessen leer je digitaal tekenen met behulp van het CAD programma van VectorWorks. 

Je kunt een gratis licentie voor het programma aanvragen via http://www.vectorworks.nl/

 

Informatie over het gebruik van het programma is te vinden op

1. Onderstaande links

2. Helpfunctie: http://www.designexpress-it.eu/vwhelp/2015/NL/index.htm#t=VW2015%2FWelkom%2FWelkom.htm

    Deze is ook te openen via de F1-toets in het tekenprogramma

3. Online webtrainingen: http://videotraining.vectorworks.nl/index.php?type=573

4. Filmpjes op youtube, bijvoorbeeld https://www.youtube.com/user/MrVectorworks

 

Pesticidenvrij ontwerpen

Sinds het gebruik van glyfosaat  op de meeste plekken verboden is, is het van je belang je ontwerp zodanig te maken dat gebruik van bestrijdingsmiddelen niet nodig is.

Zie daarvoor http://www.zonderisgezonder.be/aanleg-en-ontwerp/voorbeeldprojecten/tuinen

En doe de test! Op http://www.zonderisgezonder.be/aanleg-en-ontwerp/de-pesticidentoets-toegepast

Kijk ook eens op http://www.onkruidvergaat.nl/ en http://www.schoon-water.nl/forum/

 

 

 

Opdrachten

  • Het arrangement Groen Ontwerpen is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt, maakt en deelt.

    Auteurs
    Hannie Kwant
    Laatst gewijzigd
    21-02-2018 15:51:56
    Licentie

    Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding 3.0 Nederlands licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding vrij bent om:

    • het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat
    • het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
    • voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.

    Meer informatie over de CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie.

    Aanvullende informatie over dit lesmateriaal

    Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar:

    Toelichting
    Uitgebreid arrangement over ontwerpen, van tuinkunst tot beheer.
    Eindgebruiker
    leerling/student
    Moeilijkheidsgraad
    gemiddeld

    Bronnen

    Bron Type
    http://www.geschiedenisvandetuinkunst.nl/
    http://www.geschiedenisvandetuinkunst.nl/
    Link
    Het ontwerpen van tuinen
    http://provisioning.ontwikkelcentrum.nl/objects/OC-34030d/index.html
    Link

    Gebruikte Wikiwijs Arrangementen

    Kwant, Hannie. (z.d.).

    Beplantingsplan Tuinen

    https://maken.wikiwijs.nl/28718/Beplantingsplan_Tuinen

    Kwant, Hannie. (z.d.).

    Tekenen II

    https://maken.wikiwijs.nl/56191/Tekenen_II

    Kwant, Hannie. (z.d.).

    Tekenen l

    https://maken.wikiwijs.nl/52936/Tekenen_l

  • Downloaden

    Het volledige arrangement is in de onderstaande formaten te downloaden.

    Metadata

    LTI

    Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI koppeling aan te gaan.

    Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.

    Arrangement

    IMSCC package

    Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.

    Voor developers

    Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op onze Developers Wiki.