Thema Omgeving vmbo-kgt12 - proef 2

Thema Omgeving vmbo-kgt12 - proef 2

Thema: Omgeving

Intro

Biologie betekent leer van het leven.
Biologen bestuderen levende wezens (organismen) en de omgeving waarin ze wonen.

In de volgende video ontdek je wat biologie is en wat je allemaal gaat leren bij het vak biologie.

Bespreek na het kijken met een klasgenoot wat je denkt te gaan leren bij het vak biologie.



In dit eerste thema leer je eerst wat biologen bedoelen met leven.

Wat kan ik straks?

In de tabel vind je de leerdoelen van dit thema.

Aan het einde van dit thema kan ik:

Opdracht

negen levenskenmerken noemen en in eigen woorden vertellen wat deze levenskenmerken inhouden.

 

Levenskenmerken

aangeven wanneer iets dood, levend of levenloos is.

Levenskenmerken

 

beschrijven wat een ecosysteem is.

Ecosysteem

Fietsen in de omgeving

uitleggen wat het verschil is tussen biotische en abiotische factoren en hier voorbeelden van noemen.

Ecosysteem

Fietsen in de omgeving

de begrippen voedselketen en voedselweb beschrijven.

Voedselweb en voedselketen

Fietsen en de omgeving

de begrippen producenten, consumenten en reducenten beschrijven en aangeven welke rol producenten, consumenten en reducenten in een voedselketen spelen.

Voedselweb en voedselketen

beschrijven wat gedrag, een gedragselement, een gedragssysteem en een gedragsketen zijn

Diergedrag

uitleggen wat het gedrag van een dier te maken heeft met zijn uiterlijk en met zijn leefomgeving.

Diergedrag

Wat ga ik doen?

In dit thema ga je aan de gang met vijf opdrachten en de afsluiting.
In de tabel staat per onderdeel hoeveel lessen je ongeveer nodig hebt.

Activiteit

Aantal lesuren

Eindproduct

Inleiding

0,5

 

Opdracht: Levenskenmerken

2

Toets

Opdracht: Ecosysteem

2 à 3

Toetsvragen of een spel ontwikkelen.

Opdracht: Voedselweb en -keten

2

Voedselweb maken

Opdracht: Fietsen in de omgeving

4 à 5

Beschrijving ecosysteem of toets.

Opdracht: Diergedrag

3

Ethogram en protocol

Afsluiting

3

Maquette

Diagnostische toets

1

 

Totaal aantal lesuren

17-19

 

Levenskenmerken

Intro

Bekijk het volgende filmpje. In het filmpje zie je twee hondjes. 
Eén hond leeft, de ander leeft niet. Wat is eigenlijk het verschil, waardoor we zeggen: Dit leeft en dat leeft niet…. ? Bespreek dit met een klasgenoot.
Benoem minimaal 4 punten die aangeven dat iets leeft.

 

 

 

Wat kan ik straks?

Aan het eind van deze opdracht kan ik: 

  • negen levenskenmerken noemen.
  • met eigen woorden vertellen wat elk levenskenmerk inhoudt.
  • aangeven wanneer iets dood, levend of levenloos is.
  • bij een levend wezen herkennen welke levenskenmerken aanwezig zijn.

Wat ga ik doen?

Aan de slag

Stap

Activiteit

Stap 1

Na het bestuderen van de Kennisbank kun je in een oefening aangeven welke levenskenmerken er zijn.

Stap 2

Je kunt aangeven of dingen die je ziet op een afbeelding levend, dood of levenloos zijn.

Stap 3

Je kunt aangeven wanneer er sprake is van groei en wanneer er sprake is van ontwikkeling.

Stap 4

en

Je kunt aangeven op welke manier de hagedis in de video waarneemt en reageert.

Stap 5

Je ziet verschillende video's over het voortplanten van organismen. Je kunt aangeven welke manier van voortplanten bij welke video hoort.

Afronding

Onderdeel

Activiteit

Begrippenlijst

Hier vind je de Kennisbank en de begrippen die horen bij deze opdracht.

Eindopdracht

Toets

Terugkijken

Terugkijken op de opdracht.

 

Tijd
Voor deze opdracht heb je twee lesuren nodig.

 

Stap 1 Kennisbank

In de biologie houden we ons met het leven bezig. Biologie betekent: leer van het leven.
Maar wanneer noem je iets nu precies levend?
Bestudeer uit de Kennisbank biologie het volgende onderdeel.

Levenskenmerken


Maak de volgende oefening.

 

Stap 2 Levend dood levenloos

Levend

Gevoelsmatig weet je vast wel wat wordt bedoeld met levend, dood en levenloos. Vooral bij levend en dood heb je gelijk een idee.

Maak onderstaande oefeningen.

 

Stap 3 Groeien en ontwikkelen

Groeien en ontwikkelen zijn twee levenskenmerken die nog wel eens door elkaar gehaald worden.
Bekijk het filmpje over de erwt op SchoolTV. Zie jij het verschil tussen groeien en ontwikkelen? Bespreek het met een klasgenoot. Maak daarna samen de oefening.


Stap 4 Waarnemen en reageren

Reageren betekent dat een organisme iets doet of dat er in het lichaam van het organisme iets verandert, als er in de omgeving iets verandert.
Je bent dan eerst aan het waarnemen en daarna aan het reageren.

Bekijk het filmpje.

In het filmpje zie je een woestijnhagedis.
De hagedis reageert op een verandering in de omgeving.
Bespreek met een klasgenoot hoe de hagedis reageert op:

  • het heter worden van het zand.
  • het geritsel van dode planten.
  • een bewegend insect.

Ben je klaar? Maak dan de volgende opdracht.

Stap 5 Voortplanten

Begrippenlijst

Levenskenmerken

Levenskenmerken/Levensverschijnselen
De kenmerken die levende organismen vertonen, zoals: bewegen, waarnemen, reageren, voortplanten, groeien, ontwikkelen, eten/voeden, ademhalen en uitscheiden.

Organisme
Een levend wezen: een bacterie, schimmel, plant of dier. Organismen vertonen levensverschijnselen/levenskenmerken.

Dood
Een organisme is dood als het geen levenskenmerken meer vertoont.

Levenloos
Iets dat nooit geleefd heeft, is levenloos.

Levend
Iets dat alle levenskenmerken vertoont.

Organisme
Levend wezen

Levenskenmerken
Een levenskenmerk is een teken van leven in een organisme.
Er zijn negen levenskenmerken:

  • bewegen

  • waarnemen

  • reageren

  • voortplanten

  • groeien

  • ontwikkelen

  • eten/voeden

  • ademhalen

  • uitscheiden

Eindopdracht: Toets

Je sluit deze opdracht af met het maken van een toets.

Terugkijken

Intro

  • Lees de intro van deze opdracht nog eens door.
    Heb je de vraag over het koraal goed beantwoord?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 2 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Klopt dat?
  • Inhoud
    Was de inhoud van de opdracht nieuw voor je of wist je het meeste al?
    Schrijf op wat je al wist.
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht? Was het een moeilijke toets? Was je tevreden over het resultaat? Zo niet, wat heb je daar dan aan gedaan?

Ecosysteem

Intro

Bekijk het volgende filmpje op Schooltv:
In het filmpje zie je een voorbeeld van een ecosysteem.
In het ecosysteem in het filmpje spelen water, bomen, rupsen en vogels een rol.

Video: Hoe werkt een ecosysteem?


In deze opdracht leer je hoe je een ecosysteem kunt omschrijven en welke factoren kunnen bepalen hoe het ecosysteem eruitziet.

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • beschrijven wat een ecosysteem is.
  • uitleggen wat het verschil is tussen biotische en abiotische factoren.
  • voorbeelden noemen van biotische en abiotische factoren.
  • met voorbeelden uitleggen hoe organismen binnen een ecosysteem elkaar kunnen beïnvloeden.
  • met voorbeelden uitleggen hoe abiotische factoren invloed hebben op het leven van organismen.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag

Stap

Activiteit

Stap 1

Na het bestuderen van de kennisbank kun je aangeven welke factoren biotisch en abiotisch zijn. Om dat te oefenen geef je daarna van 10 zinnen aan of het abiotische of biotische factoren zijn.

Stap 2

Het 'gedrag' van het ene organisme van invloed kan zijn op de beschikbaarheid van een abiotische factor voor een ander organisme. Met behulp van voorbeelden ga je dit zelf uitleggen.

Stap 3

Je ontdekt hoe abiotische factoren het leven van een organisme kan beïnvloeden. Hier maak je vragen over.

Afronding

Onderdeel

Activiteit

Begrippenlijst

Hier vind je de kennisbank die je hebt gelezen in deze opdracht en begrippen die te maken hebben met het ecosysteem.

Eindopdracht A

Bedenk een toets van minimaal 6 vragen. Deze toets laat je maken door een klasgenoot. Daarna beoordeel je de gemaakte toets.

Eindopdracht B

Je maakt een spel waarin je minimaal 8 begrippen uit deze opdracht verwerkt. Het spel laat je spelen door één of meerdere klasgenoten.

Terugkijken

Terugkijken op de opdracht.

 

Benodigdheden
Als je kiest voor eindopdracht B heb je materiaal nodig om het spel te maken.
Denk daarbij aan papier, lijm, schaar, pionnetjes en dobbelstenen.

Tijd
Voor deze opdracht heb je twee à drie lesuren nodig.

 

Stap 1: Ecosysteem

Bestudeer uit de Kennisbank biologie het volgende onderdeel:

Biotisch en abiotisch

Maak de volgende oefening.

Stap 2: Invloed van biotische factoren

In de kennisbank heb je een voorbeeld gezien van hoe organismen elkaar kunnen beïnvloeden: in een bos neemt een boom het licht weg ten koste van een bodemplant.
Het 'gedrag' van het ene organisme heeft effect op de beschikbaarheid van een abiotische factor voor het andere organisme.

Maak de volgende opdracht.

Stap 3: Invloed van abiotische factoren

De abiotische factoren in ecosysteem kunnen het gedrag van een organisme beïnvloeden.
Daarnaast zijn de abiotische factoren vaak bepalend voor de eigenschappen van bepaalde organismen.

De onderstaande oefening gaat over de aanpassingen van een plant aan het leven in de woestijn.

Begrippenlijst

Biotisch en abiotisch

Ecosysteem
Min of meer begrensd deel van de natuur als een samenhangend geheel van biotische (levende) en abiotische (niet-levende) factoren.
Biotisch
Biotisch betekend 'levend'.
Abiotisch
Abiotisch betekent 'niet levend'.
Biotoop
Door abiotische factoren bepaald gebied(je) binnen een ecosysteem waar organismen kunnen leven. Bijvoorbeeld: droge en warme heidegebieden vormen een biotoop voor de adder.
Verstoring
Gebeurtenis die ervoor zorgt dat een ecosysteem verandert.
Wisselwerking
De invloed van biotische en abiotische factoren onderling en op elkaar.
Levensgemeenschap
Alle organismen in een ecosysteem.
Abiotische factoren
De niet-levende omgeving in een ecosysteem.
Woestijn
Voorbeeld van biotoop; gebied met weinig neerslag en grote verschillen in temperatuur.
Zee
Voorbeeld van biotoop; zout water.
Rivier
Voorbeeld van biotoop; waterloop, afvoer van water uit gebied, zoet water.
Bos
Voorbeeld van biotoop; met bomen en vaak een ondergroei van struiken en kruidachtige planten.
Duinen
Voorbeeld van biotoop; smalle strook tussen zee en binnenland, soms kaal bestaande uit zand, soms begroeid.
Akker
Voorbeeld van biotoop; open land waar voedingsgewassen groeien.
Weide
Voorbeeld van biotoop; open grasland.
Sloot
Voorbeeld van biotoop; zoet stromend water.
Stad
Voorbeeld van biotoop; plaats waar mensen wonen en werken.
Gebergte
Voorbeeld van biotoop; gebied met grote verschillen in hoogte (temperatuur- en bodemverschillen).

Eindopdracht A: Toetsvragen

Als je kiest voor eindopdracht A, ga je toetsvragen ontwikkelen.

Bedenk een toets van minimaal zes vragen over ecosystemen.
Gebruik de leerdoelen bij het maken van de toets.
Schrijf van alle vragen ook de antwoorden op.
Geef ook aan hoeveel punten je per vraag kan halen en hoe het cijfer berekend wordt.

Je kunt als basis het Googledoc Werkblad Toetsvragen gebruiken.
Maak een kopie van het werkblad in je eigen omgeving (Bestand - Een kopie maken...) of download het werkblad (Bestand - Downloaden als).

Laat de toets maken door een klasgenoot.
Kijk de toets na. Heeft hij/zij een voldoende voor de toets gehaald? Voeg de ingevulde toets van je klasgenoot bij als je hem inlevert.
Vraag hem/haar om feedback op de toets.
Natuurlijk maak je ook zijn of haar toets. Welk cijfer haal jij?

Beoordeling
Je docent let bij de beoordeling van je toetsvragen op het volgende:

  • zijn er voldoende toetsvragen gemaakt?
  • passen de toetsvragen bij de leerdoelen uit deze opdracht?
  • passen de vragen bij leerlingen van jouw leeftijd en jouw niveau?
  • kloppen de antwoorden bij de vragen die gemaakt zijn?
  • is de toets door een klasgenoot gemaakt?
  • ziet het geheel er netjes en verzorgd uit?


Klaar?
Laat de toetsvragen beoordelen door je docent.

 

Eindopdracht B: Ontwikkel een spel

Als je kiest voor eindopdracht B, ontwikkel je een spel.

Eindopdracht B:

Als je kiest voor deze eindopdracht maak je een spel naar keuze. Je kunt bijvoorbeeld een kwartet maken, een ganzenbord of memory.

  • Kies minimaal 8 begrippen uit de begrippenlijst.
  • Bedenk een spel waarbij je deze 8 begrippen kunt gebruiken. Let goed op:niet alleen de begrippen, maar ook de betekenis moet zichtbaar zijn in je spel.
  • Zorg dat je de benodigde materialen bij elkaar krijgt. Denk bijvoorbeeld ook aan een dobbelsteen als je die nodig hebt. Vraag eventueel je docent om hulp.
  • Werk je spel verder uit. Zorg dat er echt mee gespeeld kan worden.
  • Laat je spel spelen door één of meerdere klasgenoten.
  • Vraag om feedback op je spel en pas je spel waar mogelijk aan.

Beoordeling
Je docent let bij de beoordeling op het volgende:

  • het spel bevat minimaal 8 begrippen.
  • de betekenis van de begrippen is duidelijk in het spel.
  • het spel is compleet en kan gespeeld worden
  • het spel ziet er netjes en verzorgd uit.
  • het is duidelijk hoe het spel gespeeld moet worden (maak spelregels als je geen standaard spel zoals memory/ganzenbord/kwartet maakt)

Klaar?
Laat je spel beoordelen door je docent.

 

Terugkijken

Intro

  • Lees de intro van deze opdracht nog eens door.
    Vind je het een goede intro om de opdracht mee te beginnen?
    Waarom wel of waarom niet?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 3 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Klopt dat?
  • Inhoud
    Was de inhoud van de opdracht nieuw voor je of wist je het meeste al?
    Schrijf op wat nieuw voor je was.
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht? Welke eindopdracht heb je gekozen?
    A: Kon je klasgenoot de vragen die jij verzonnen had beantwoorden? Lukte het om voldoende vragen te formuleren?
    B: Vond je het moeilijk om een keuze te maken tussen de verschillende spellen? Konden je klasgenoten je spel goed spelen?

 

Voedselweb en -keten

Intro

Een ecosysteem is het geheel van planten, dieren en het gebied waarin ze wonen.
Hoe een ecosysteem eruitziet wordt bepaald door de levende factoren en niet-levende factoren.

In deze opdracht kijk je naar de voedselrelaties tussen planten en dieren en voedselrelaties tussen dieren onderling.
Je leert hoe je die relaties kunt weergeven in een voedselweb en in een voedselketen.

Kijk maar eens naar de video over de egel.
"De egel staat bovenaan in een voedselweb".
Bespreek de stelling met een klasgenoot. Denken jullie dat deze stelling klopt? Waarom wel of waarom niet?

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • de begrippen voedselketen en voedselweb beschrijven.
  • de begrippen producenten, consumenten en reducenten beschrijven.
  • aangeven welke rol producenten, consumenten en reducenten in een voedselketen spelen.
  • twee voorbeelden van reducenten noemen.

Wat ga ik doen?

Aan de slag

Stap Activiteit
Stap 1 De informatie die je leest in de kennisbank over voedselweb en voedselketen kun je gebruiken bij het maken van vragen over dit onderwerp.
Stap 2 Je kunt aangeven welke rol de levensstijl van het ene organisme heeft op de levensstijl van een ander organisme.
Stap 3 Je geeft aan welke rol reducenten hebben in een voedselketen en gaat op zoek naar voorbeelden van reducenten.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Begrippenlijst Hier vind je de kennisbank en de begrippen van de opdracht voedselweb en -keten.
Eindopdracht Je maakt met een klasgenoot een voedselweb.
Terugkijken Terugkijken op de opdracht.

 

Tijd
Voor deze opdracht heb je twee lesuren nodig.

 

Stap 1: Voedselweb en voedselketen

Bestudeer uit de Kennisbank biologie het onderdeel voedselweb en voedselketen.

Voedselweb en voedselketen

Maak de volgende oefening.

Stap 2: Gevolgen

Stap 3: Bodemdieren en reducenten

Reducenten staan aan het eind van de voedselketen. Zij leven van dode planten en dieren. Ze ruimen als het  ware 'de rotzooi' op.

Reducenten zijn vaak bodemdiertjes. Kijk maar eens naar de video op de site van Schooltv. Zorg dat je na het kijken een omschrijving van een bodemdier kan geven.

Video: Ondergrondse beestjes

Begrippenlijst

Voedselweb en voedselketen

Voedselweb
Geheel van voedselrelaties binnen een levensgemeenschap.
Voedselketen
Een keten van eten en gegeten worden, waarbij elk organisme een voedselbron is voor een volgend organisme. Een voedselketen begint altijd met een plant (producent). Bijvoorbeeld: gras → rups → koolmees.
Plaagdier
Een plaagdier is een bepaald soort organisme dat veel voorkomt en zich snel voortplant, waardoor het een bedreiging voor het voortbestaan van andere soorten vormt.
Producenten
Organismen (planten) die zelf voedsel maken; planten maken door fotosynthese suikers (voedsel) van koolstofdioxide, water en zonlicht.
Consumenten
Organismen die andere organismen als voedsel gebruiken.
Reducenten
Reducenten staan aan het eind van de voedselketen en leven van dode planten en dieren.
Dierlijke plankton
Dierlijk plankton bestaat uit kleine diertjes in zee.
Plantaardig plankton
Plantaardig plankton bestaat uit kleine plantjes in zee.
Voedselpiramide
Een grafische afbeelding waarin verschillende organismen van een voedselketen zijn weergegeven, met de producenten (planten) onderaan en predatoren (roofdieren/carnivoren/vleeseters) bovenin. De piramidevorm geeft het verlies van organische stoffen en energie aan in iedere stap van de keten.

 

Eindopdracht: Voedselweb

Als eindproduct van deze opdracht maken jullie samen een voedselweb.
In het voedselweb komen organismen die jullie rond de school zouden kunnen tegenkomen.
Ga op internet op zoek naar passende afbeeldingen.

Plak de afbeeldingen op een groot papier. Zet de namen van de organismen onder de afbeeldingen.
Verbind de afbeeldingen met pijlen. Zorg dat de pijlen in de juiste richting wijzen!

Laat jullie voedselweb beoordelen door twee klasgenoten. Beoordeel ook hun voedselweb.
Geef op een goede manier commentaar.
Pas jullie voedselweb eventueel nog wat aan.

Beoordeling
Bij de beoordeling van het voedselweb gebruikt je docent de volgende vragen:

  • Bevat het voedselweb minimaal zes organismen?
  • Staan er in het voedselweb zowel producenten als consumenten?
  • Zijn tussen de organismen de pijlen goed getrokken?
  • Is het voedselweb met zorg gemaakt?

Klaar?
Laat het voedselweb beoordelen door jullie docent.

 

Terugkijken

Intro

  • Waren jij en je klasgenoot het eens over de stelling? Zo niet, hebben jullie elkaar kunnen overtuigen met argumenten?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 2 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Klopt dat?
  • Inhoud
    Was de inhoud van de opdracht nieuw voor je of wist je het meeste al?
    Schrijf op wat nieuw voor je was.
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht?
    Vond je het fijn om de opdracht met z'n tweeën te doen?
    Hoe verliep de samenwerking? Waren er punten waar je tegenaan liep of verliep alles soepel?

Fietsen in de omgeving

Intro

Je leest in de krant wel eens dat een ecosysteem dreigt te verdwijnen.
Natuurliefhebbers vinden dat het ecosysteem beschermd moet worden.

In de andere opdrachten binnen het thema Omgeving heb je geleerd wat een ecosysteem is.
In deze opdracht ga je onderzoeken of er ook ecosystemen in jouw omgeving zijn.

 

Wat kan ik straks?

Hieronder staan de leerdoelen die horen bij de opdracht Fietsen in de omgeving

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • in mijn eigen woorden vertellen wat een ecosysteem is.
  • een ecosysteem beschrijven door aan te geven welke organismen er in het ecosysteem voorkomen.
  • een ecosysteem beschrijven door aan te geven welke omgevingsfactoren bepalend zijn voor het ecosysteem.
  • een ecosysteem beschrijven door aan te geven welke relaties tussen organismen voorkomen in het ecosysteem.

Wat ga ik doen?

Activiteiten

Aan de slag

Stap

Activiteit

Stap 1

Je kunt na het lezen van de kennisbank aangeven welke relaties er zijn tussen organismen in een ecosysteem.

Stap 2

Je leest een tekst en kijkt een video over ecosystemen. Daarna kun je in eigen woorden omschrijven wat een ecosysteem is.

Stap 3

Met een klasgenoot onderzoek je een gebied rondom je school. Daarna kun je het betreffende ecosysteem beschrijven.

 

Onderdeel

Activiteit

Begrippenlijst

Hier vind je de kennisbanken die horen bij deze opdracht. Ook vind je hier de begrippen die passen bij deze opdracht.

Eindopdracht A

Als je kiest voor eindopdracht A, gebruik je alle informatie die je verzameld hebt om een beschrijving te maken van het ecosysteem.

Eindopdracht B

Als je kiest voor eindopdracht B maak je een toets. De vragen gaan over de stof die je in deze opdracht hebt gelezen.

Terugkijken

Terugkijken op de opdracht.


Benodigdheden
Voor eindopdracht A hebben jullie nodig:

  • potlood en papier
  • fototoestel

Tijd
Voor deze extra opdracht hebben jullie 4 à 5 uur de tijd. Dat is afhankelijk van de eindopdracht die je kiest.

Stap 1: Relaties tussen organismen

Bestudeer de volgende onderdelen uit de kennisbank:

Relaties tussen organismen

Voedselweb en voedselketen

 

Stap 2: Ecosysteem

Lees eerst hieronder nog even wat een ecosysteem is.

Binnen een bepaald gebied vormen organismen en de omgevingsfactoren,
zoals klimaat en bodemgesteldheid, een samenhangend geheel.
Een dergelijk gebied wordt wel een ecosysteem genoemd.
Voorbeelden van ecosystemen zijn een oceaan of een woestijn.
Op kleinere schaal zijn bijvoorbeeld een bos of een sloot ook ecosystemen.

In elk ecosysteem heersen specifieke omstandigheden.
De temperatuur en de hoeveelheid licht in een bos zijn anders dan in een open veld.
In een sloot zijn de omstandigheden weer totaal anders.
De omstandigheden bepalen welke planten en dieren er in het ecosysteem kunnen leven.

In video wordt alle informatie over ecosystemen nog een keer samengevat.

Stap 3: Begrensd gebied

Kies, samen met een klasgenoot,  een min of meer begrensd gebied uit in de omgeving van jullie school.
Bezoek samen dat gebied en verzamel informatie over het gebied:

  • Welke planten en dieren komen er voor in het gebied?
  • Welke relaties tussen organismen komen er voor?
  • Wat kunnen je zeggen over de bodemgesteldheid van het gebied?

Begrippenlijst

Relaties tussen organismen

Voedselweb en voedselketen

Ecosysteem
Min of meer begrensd deel van de natuur als een samenhangend geheel van biotische (levende) en abiotische (niet-levende) factoren.

Biotisch
Biotisch betekent 'levend'.

Abiotisch
Abiotisch betekent 'niet levend'.

Biotoop
Door abiotische factoren bepaald gebied(je) binnen een ecosysteem waar organismen kunnen leven. Bijvoorbeeld: droge en warme heidegebieden vormen een biotoop voor de adder.

Predator-prooi-relatie
Voedselrelatie tussen predator (roofdier) en prooi(dier), waarbij predator en prooi de grootte van elkaars populaties beïnvloeden; zij houden elkaar in (dynamisch) evenwicht.

Dynamisch evenwicht
Toestand waarbij alle veranderingen in een ecosysteem binnen bepaalde grenzen blijven schommelen.

Verstoring
Gebeurtenis die ervoor zorgt dat een ecosysteem verandert.

Wisselwerking
De invloed van biotische en abiotische factoren onderling en op elkaar.

Levensgemeenschap
Alle organismen in een ecosysteem.

Abiotische factoren
De niet-levende omgeving in een ecosysteem.

Predator
Natuurlijke vijand of roofdier, dier dat zijn prooi actief bejaagt om te doden (predatie).

Prooi
Dier dat als voedsel dient voor een predator.

Competitie
Onderlinge strijd tussen dieren van dezelfde soort om bijvoorbeeld het afschermen van een territorium of het verkrijgen van voedsel.

Symbiose
Relaties tussen verschillende organismen die te maken hebben met voedsel.

Parasieten
Organismen die energierijk voedsel uit een ander organisme halen. Meestal doden parasieten hun gastheer niet.

Commensalisme
Het voordeel dat een van de twee soorten heeft van de relatie. De ander heeft geen voordeel, maar ook geen nadeel.

Mutualisme
Beide organismen hebben voordeel van hun onderlinge relatie.

Territorium
Een leefgebied van een (roof)dier dat hij moet verdedigen tegen soortgenoten.

Eindopdracht A: Ecosysteem

Gebruik de verzamelde informatie om een beschrijving van het ecosysteem te maken. Neem ook voldoende beeldmateriaal op in jullie beschrijving.

Maak als dat mogelijk is een tekening van een voedselweb zoals dat in jullie ecosysteem voorkomt.

Beoordeel jullie beschrijving van het gebied met de beoordelingsvragen.
Pas de beschrijving eventueel nog iets aan.

Beoordeling
Gebruik bij de beoordeling van het eindproduct de volgende vragen:

  • Maakt het eindproduct duidelijk wat een een ecosysteem is?
  • Hebben jullie aangegeven welke planten/dieren in het ecosysteem voorkomen?
  • Hebben jullie aangegeven welke omgevingsfactoren een rol spelen in het ecosysteem?
  • Hebben jullie aangegeven welke relaties tussen organismen voorkomen in het ecosysteem?
  • Hebben jullie foto's/tekeningen gemaakt van het ecosysteem?

Klaar?
Laat de beschrijving beoordelen door jullie docent.

Eindopdracht B: Toets

Als je kiest voor eindopdracht B, sluit je deze opdracht af met het maken van een toets.

Terugkijken

Intro

  • Lees de intro van deze opdracht nog eens door.
    Heb je ook echt wel eens ergens gelezen dat het ecosysteem verdwijnt?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 4 á 5 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Klopt dat?
  • Inhoud
    Was de inhoud van de opdracht nieuw voor je of wist je het meeste al?
    Schrijf op wat nieuw voor je was.
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht?
    Heb je gekozen voor opdracht A of opdracht B? Vind je het fijn dat je een keuze hebt?

Diergedrag

Intro

Weet jij waarom dieren doen wat ze doen?
Hoe het gedrag van dieren past bij het uiterlijk?

Dieren doen altijd iets, zelfs als ze slapen.
Al hun gedrag is er niet zomaar, het heeft een reden.

 

Wat kan ik straks?

Aan het eind van de opdracht kan ik:

  • beschrijven wat gedrag, een gedragselement, een gedragssysteem en een gedragsketen zijn.
  • aangeven hoe een gedragsonderzoeker/etholoog werkt.
  • uitleggen wat het gedrag van een dier te maken heeft met zijn uiterlijk en met zijn leefomgeving.
  • beschrijven wat het verschil tussen een ethogram en een protocol is en deze zelf ook maken.

Wat ga ik doen?

Aan de slag

Stap

Activiteit

Stap 1

Na het bestuderen van de Kennisbank kun je in twee oefeningen aangeven of er sprake is van gedrag en van welk soort gedrag.

Stap 2

Je bestudeert het gedrag van een flamingo en benoemt de gedragselementen.

Stap 3

Je bestudeert het gedrag van een stekelbaarsje en kunt een gedragsketen maken.

Stap 4

Je bestudeert in de Kennisbank informatie over het ethogram en het protocol en kunt aangeven wanneer je beter een ethogram kunt gebruiken en wanneer beter een protocol.

Stap 5

Je oefent met het maken van een ethogram en een protocol.

Afronding

Onderdeel

Activiteit

Begrippenlijst

Hier vind je de Kennisbank en de begrippen die horen bij deze opdracht.

Eindopdracht

Je maakt een ethogram en een protocol.

Terugkijken

Terugkijken op de opdracht.

 

Benodigdheden

Tijd
Drie lesuren.

Stap 1: Diergedrag

Bestudeer uit de Kennisbank biologie het volgende onderdeel:

Diergedrag

Bekijk onderstaande video op de site van Schooltv.
Waarom is het belangrijk dat je, als je het gedrag van een dier observeert, geen mening hebt?
Bespreek het antwoord met een klasgenoot.

Video: Gedrag bestuderen

Maak de volgende oefening.

Stap 2: Gedrag van de flamingo

Flamingo's uit Zuid-Europa trekken in het najaar naar Afrika en komen in het voorjaar terug om te broeden.
Een paring begint met een inleiding.
Daarna landt de man op de rug van het vrouwtje.
Het valt niet mee het evenwicht te bewaren.

Bekijk het volgende filmpje op de website van Schooltv.
Welke gedragselementen zie je voorbijkomen bij het mannetje?
Let goed op. Je hebt het antwoord nodig voor de opdracht onderaan de pagina.

Video: Het paren van een flamingo

De presentatrice beschrijft de gedragselementen, maar doet dat niet volgens de gedragsleer.
Zo beschrijft ze soms met één zin gedrag dat uit meerdere gedragselementen bestaat.
Ook verwerkt ze soms conclusies of meningen in haar beschrijvingen.

Stap 3: Stekelbaarsjes

In de Kennisbank heb je op pagina 3 een gedragsketen gezien over het paringsgedrag van stekelbaarsjes.

Je gaat nu een gedragsketen 'Territorium verdedigen' maken.
Probeer de verschillende gedragingen waaruit deze gedragsketen bestaat op een rijtje te zetten.
Bekijk daarvoor eerst goed de video op de pagina van Schooltv.

Video: Stekelbaars bouwt nest

Stap 4: Ethogram en protocol

Bestudeer nu uit de Kennisbank 'Wat is gedrag?' de onderdelen over:

  • Ethogram
  • Protocol

Wat is gedrag?


Maak nu de volgende oefening.

Stap 5: Oefenethogram en -protocol

Oefenethogram
Je gaat zelf oefenen met het maken van een ethogram.
Download nu eerst het werkdocument

Googledoc - Dieren wat doen ze?

Dit werkdocument heb je nodig bij deze stap en straks bij de eindopdracht.
Lees het hele werkdocument een keer door.

Bekijk nu het filmpje hieronder. Je ziet een aantal gedragingen van een schaap.

Maak met de gedragingen die je in de video hebt gezien een ethogram van een schaap.

Vergelijk je ethogram met het ethogram van een klasgenoot.
Bespreek de verschillen. Pas je ethogram aan als dat nodig is.
Jullie werken in de volgende stap samen. Dus zorg dat jullie hetzelfde ethogram hebben.

Oefenprotocol
Jullie gaan het filmpje 'Schapengedrag' opnieuw bekijken.
Nu om te oefenen in het protocolleren.

Beschrijf de gedragingen in een ritme van vier seconden.
Een van jullie benoemt het gedrag. De ander noteert de afkorting in de tabel.

Op het eind van het filmpje gebeurt iets onverwachts.
Bedenk snel een afkorting en vul later het ethogram aan.

Begrippenlijst

Diergedrag

Gedrag
Alles wat een mens of dier doet, zoals eten, lopen, slapen en zitten.

Prikkel
Vanuit een intern of extern milieu afkomstig signaal.

Motivatie
De inwendige prikkel om tot gedrag te komen.

Gedragselement
Een afzonderlijke handeling van een dier.

Gedragssysteem
Groep gedragselementen die samen ergens voor zorgen.

Gedragsketen
Verzamelnaam voor reeks gedragingen in vaste volgorde.

Ethogram
Nauwkeurige beschrijving van alle gedragingen van een dier.

Protocol
Een door een onderzoeker gemaakte lijst van gedragselementen in de waargenomen volgorde.

Verdedigen
Afweer, beschermen tegen vijanden en gevaar.

Territorium
Een gebied van een dier om voedsel te zoeken en jongen te verzorgen. Dieren verdedigen hun territorium tegen soortgenoten. Verdediging bij vogels door zang (roodborst), dreigen of vechten. Verdediging bij bijvoorbeeld de hond ook door geur.

Balts
Gedrag dat voorafgaat aan de voortplanting (paring): verleiden of versieren van een partner.

Eindopdracht: Ethogram en protocol

Je gaat samen met een klasgenoot een ethogram en een protocol maken.
Van jullie docent horen jullie welke dieren jullie mogen observeren.

Hoe moet je het aanpakken?

  • Haal de benodigdheden voor de buitenopdracht op en ga naar jullie dier toe.
  • Observeer jullie dier volgens de beschrijving in je werkdocument.
  • Maak het ethogram en protocol. Werk na het observeren foutjes bij.
  • Maak ook foto’s van het dier: zowel het hele dier als detailopnamen van bijvoorbeeld zijn hoofd en onderdelen ervan of van zijn poten of staart.

Beoordeling
Je hebt de opdracht goed uitgevoerd als:

  • In het werkdocument het ethogram en het protocol goed zijn ingevuld.
  • Jullie voldoende verschillende gedragingen hebben beschreven
  • De gedragingen gedetailleerd zijn beschreven.
  • Jullie handige afkortingen voor elk gedragselement hebben gebruikt.
  • Je mooie foto’s hebt gemaakt van het hele dier en de verschillende lichaamsdelen.

Klaar?
Laat het werkdocument beoordelen door jullie docent.

Terugkijken

Intro

  • Lees de intro van deze opdracht nog eens door.
    Vind je het een goede intro om de opdracht mee te beginnen?
    Waarom wel of waarom niet?
    Zou je nu een ander antwoord geven op de vragen dan aan het begin van deze opdracht? Zo ja, hoe denk je dat dat kan?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 3 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Klopt dat?
  • Inhoud
    Was de inhoud van de opdracht nieuw voor je of wist je het meeste al?
    Schrijf op wat nieuw voor je was.
  • Eindopdracht
    Wat vond je van de eindopdracht?
    Vond je het fijn om de opdracht met z'n tweeën te doen?
    Hoe verliep de samenwerking?
    Welk onderdeel van de opdracht vond je het meest lastig? 
    Welk onderdeel van de opdracht vond je het meest makkelijk?

Afsluiting

Kennisbank: Omgeving

De theorie van dit thema vind je in de volgende onderdelen van de Kennisbank biologie:

Levenskenmerken

Voedselweb en voedselketen

Ecosysteem

Diergedrag

Relaties tussen organismen

 

 

Eindopdracht

Als afsluiting van deze opdracht maak je, samen met drie klasgenoten, een maquette van een ecosysteem.
Jullie maken dus, met behulp van papier en kosteloos materiaal, een 3D-ecosysteem.

Jullie kunnen kiezen voor een ecosysteem op bijvoorbeeld de noordpool, in de sloot, in het bos of iets anders.
Jullie kunnen eventueel inspiratie opdoen op deze pagina van Natuurinformatie.

De ondergrond van jullie maquette moet minimaal 50x50 cm zijn.
Op een aantal plekken in jullie maquette moeten jullie toelichten wat jullie gemaakt hebben.
Op die plek plaatsen jullie een vlaggetje. In het lijstje hieronder staat aangegeven met dit tekentje waarvoor een vlaggetje geplaatst moet worden.
Jullie mogen zelf kiezen of jullie de informatie op het vlaggetje schrijven of dat de vlaggetjes worden genummerd en de informatie op een bijgesloten papier wordt geschreven.

Jullie maquette bevat minimaal de volgende onderdelen:

  • Minimaal 8 verschillende organismen. Benoem elk organisme.
  • Van de 8 organismen is er minimaal 1 een producent, 1 een reducent en 1 een consument.
  • Van drie verschillende organismen geven jullie het levenskenmerk weer.
  • Bij drie verschillende organismen geven jullie twee biotische en twee abiotische factoren aan, die van invloed zijn op het organisme.
  • Jullie laten in jullie ecosysteem minimaal 1 voedselweb zien. Dit voedselweb beschrijven jullie.
  • Van twee dieren binnen je ecosysteem beschrijf je wat het gedrag van het dier te maken heeft met zijn uiterlijk en zijn leefomgeving.
  • Jullie werken met verschillende kosteloze materialen om jullie ecosysteem vorm te geven. Jullie mogen ook gebruik maken van materialen zoals bijvoorbeeld Lego/Playmobil of andere bouwstenen.
  • In jullie ecosysteem verwerken jullie géén echte organismen.

Zorg dat jullie de taken goed verdelen, maak afspraken wie wat doet.
Denk na over de tijdsplanning. Hoe krijgen jullie de opdracht binnen de afgesproken tijd af?

Op een bijgesloten papier schrijven jullie een algemeen verhaal over jullie ecosysteem.
Waar bestaat het uit? Welke organismen leven er?
Ook beschrijven jullie kort jullie taakverdeling.

Beoordeling:
Jullie docent let bij het beoordelingen van de maquette op de volgende punten:

  • Er is duidelijk aangegeven om welk ecosysteem het gaat.
  • In het begeleidende papier staat een duidelijke uitleg van jullie ecosysteem.
  • Alle bovengenoemde vlaggetjes zijn verwerkt én beschreven.
  • Jullie taakverdeling is duidelijk en eerlijk.
  • De organismen zijn duidelijk herkenbaar in het ecosysteem verwerkt.
  • Voor verdere beoordelingseisen kun je kijken in de Gereedschapskist hieronder.

Klaar?
Zijn jullie tevreden? Spreek dan met jullie docent af hoe jullie de maquette in leveren.

Maquette maken

Een maquette is een nagebouwde situatie van bijvoorbeeld een dorpje of een gebouw. Dit maak je op miniatuurschaal. Door een maquette te maken kun je je een beter beeld bij de situatie vormen dan via een tekening. Maquettes worden soms ook gebruikt om een ontwerp voor een fabriek te controleren.

 

Diagnostische toets

Je sluit het thema Omgeving af met het maken van een diagnotische toets.

Terugkijken

Het thema 'Wat doe je bij biologie' is afgerond.

Beantwoord samen de volgende vragen.
Bespreek de antwoorden eventueel met jullie docent.

  • Welke opdrachten uit het thema vonden jullie het leukst?
    Leg uit waarom jullie die opdrachten leuk vonden.
  • Welke opdracht van het thema vonden jullie het moeilijkst?
    Leg uit wat er moeilijk aan was.
  • Zijn jullie tevreden over de samenwerking?
    Leg uit waarom de samenwerking wel/niet goed liep.

Verderkijker

De Verderkijker biedt bij het thema passende externe linkjes naar uitleg, oefenmateriaal of filmpjes.

 

Leerlingen voor leerlingen

Op de website www.lvoorl.nl vind je verschillende video's die door leerlingen voor leerlingen zijn gemaakt.
Hieronder staan video's die goed passen bij dit thema.


Video: Energiestroom in een voedselketen

SchoolTV

Op de website van SchoolTV zijn veel verschillende video's te vinden over het thema Omgeving.
We hebben een aantal interessante video's voor je op een rijtje gezet:

 

 


Interactieve schoolplaat over het Ecosysteem in de sloot

Youtube

Op youtube staan talloze filmpjes die passen binnen dit thema. We zetten er een aantal op een rijtje:

 

  • Het arrangement Thema Omgeving vmbo-kgt12 - proef 2 is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt, maakt en deelt.

    Laatst gewijzigd
    28-03-2025 18:47:18
    Licentie

    Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding en publicatie onder dezelfde licentie vrij bent om:

    • het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat
    • het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
    • voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.

    Meer informatie over de CC Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie.

    Het thema 'Wat doe je bij biologie?' is ontwikkeld door auteurs en medewerkers van StudioVO.

    Fair Use
    In de Stercollecties van StudioVO wordt gebruik gemaakt van beeld- en filmmateriaal dat beschikbaar is op internet. Bij het gebruik zijn we uitgegaan van fair use. Meer informatie: Fair use

    Mocht u vragen/opmerkingen hebben, neem dan contact op via de helpdesk VO-content.

    Aanvullende informatie over dit lesmateriaal

    Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar:

    Toelichting
    Dit thema valt onder de arrangeerbare leerlijn van de Stercollecties voor biologie voor vmbo-kgt1. Dit thema heet omgeving en bevat 5 onderwerpen. Het eerste onderwerp is levenskenmerken, hierbij kan je de negen levenskenmerken benoemen en weet je wat ze inhouden en aangeven wanneer iets leeft, levenloos of dood is. De negen levenskenmerken zijn; bewegen, waarnemen, reageren, voortplanten, groeien, ontwikkelen, eten/voeden, ademhalen en uitscheiden. Het tweede onderwerp heet ecosysteem, hierbij kan je omschrijven wat een ecosysteem is en kan je voorbeelden noemen van biotische factoren (dieren, planten, bacteriën en schimmels) en abiotische factoren (temperatuur, hoeveelheid licht, hoeveelheid water, samenstelling van de bodem en wind). Ook kan je een voorbeeld noemen hoe een organisme een ecosysteem kan beïnvloeden en hoe abiotische factoren een ecosysteem kan beïnvloeden. Het derde onderwerp is voedselweb en voedselketen, hierbij leer je deze begrippen te beschrijven en leer je wat een producent, reducent en een consument is en welke rol ze vervullen in een voedselketen. Ook kan je twee voorbeelden van reducenten geven (schimmels en bacteriën). Het vierde onderwerp gaat over fietsen in de omgeving, hierbij kan je in je eigen woorden uitleggen wat een ecosysteem is, een ecosysteem beschrijven door aan te geven welke organismen er in voorkomen en welke omgevingsfactoren bepalend zijn voor het ecosysteem en welke relaties russen organismen er voorkomen in het ecosysteem. Het laatste onderwerp is diergedrag, hierbij leer je wat het gedrag van een dier te maken heeft met zijn uiterlijk en leefomgeving.
    Leerniveau
    VMBO gemengde leerweg, 2; VMBO kaderberoepsgerichte leerweg, 1; VMBO kaderberoepsgerichte leerweg, 2; VMBO theoretische leerweg, 1; VMBO gemengde leerweg, 1; VMBO theoretische leerweg, 2;
    Leerinhoud en doelen
    Reproductie en evolutie; Dynamisch evenwicht; Biologie; Instandhouding en ontwikkeling;
    Eindgebruiker
    leerling/student
    Moeilijkheidsgraad
    gemiddeld
    Studiebelasting
    19 uur 0 minuten
    Trefwoorden
    arrangeerbaar, biologie, diergedrag, ecosysteem en biotsiche factoren en abiotische, kgt12, levenskenmerken, omgevingsfactoren, producenten reducenten en consumenten, stercollectie, voedselweb en voedselketen

    Gebruikte Wikiwijs Arrangementen

    Test VO-content. (z.d.).

    Diergedrag vmbo-kgt12 - proef

    https://maken.wikiwijs.nl/215407/Diergedrag__vmbo_kgt12___proef

    Test VO-content. (z.d.).

    Ecosysteem vmbo-kgt12 - proef

    https://maken.wikiwijs.nl/215404/Ecosysteem__vmbo_kgt12___proef

    Test VO-content. (z.d.).

    Fietsen in de omgeving kgt12 - proef

    https://maken.wikiwijs.nl/215406/Fietsen_in_de_omgeving__kgt12___proef

    Test VO-content. (z.d.).

    Levenskenmerken vmbo-kgt12 - proef

    https://maken.wikiwijs.nl/215403/Levenskenmerken__vmbo_kgt12___proef

    Test VO-content. (z.d.).

    Thema Omgeving vmbo-kgt12 - proef 1

    https://maken.wikiwijs.nl/215389/Thema_Omgeving__vmbo_kgt12___proef_1

    Test VO-content. (z.d.).

    Voedselweb en -keten vmbo-kgt12 - proef

    https://maken.wikiwijs.nl/215405/Voedselweb_en__keten__vmbo_kgt12___proef

  • Downloaden

    Het volledige arrangement is in de onderstaande formaten te downloaden.

    Metadata

    LTI

    Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI koppeling aan te gaan.

    Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.

    Arrangement

    Oefeningen en toetsen

    Omgeving

    IMSCC package

    Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.

    QTI

    Oefeningen en toetsen van dit arrangement kun je ook downloaden als QTI. Dit bestaat uit een ZIP bestand dat alle informatie bevat over de specifieke oefening of toets; volgorde van de vragen, afbeeldingen, te behalen punten, etc. Omgevingen met een QTI player kunnen QTI afspelen.

    Versie 2.1 (NL)

    Versie 3.0 bèta

    Voor developers

    Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op onze Developers Wiki.