Stuurautomaat.

Stuurautomaat.

Inleiding

Heel lang werd er de gehele reis gestuurd met behulp van een roerganger (helmsman).
Tot ver in de jaren '60 hadden de meeste schepen nog geen stuurautomaat.
Tegenwoordig is het leven een stuk gemakkelijker geworden, want het sturen wordt nu door een machine gedaan: de stuurautomaat, autopilot.

De roerganger is nog steeds nodig in nauwe vaarwateren, maar het is geen aparte functie meer aan boord.

In deze Wiki gaan we het over de werking, functies en beperkingen hebben van de stuurautomaat.

 

Basis van de werking


De werking van een oude(re) analoog stuurautomaat:

Op een HiFi stereo versterker zit een 'Balance' knop.
Hiermee kun je instellen hoeveel geluid je in het linker- of het rechterkanaal wil horen.
En dat doe je door meer of minder stroompjes (geluidsstroompjes) naar dat kanaal door te laten.
Zet je de knop in het midden dan is de stroom in beide kanalen gelijk.


Op een stuurautomaat zit ook zo'n balansknop.
Daarmee denken we dat we de koers instellen.
Maar feitelijk zeg je tegen de stuurautomaat: "de koers die het kompas nu aanwijst is de koers die ik wil varen."
Op dat punt is de stroom in het apparaat aan beide zijden van het ingestelde punt gelijk.
Loopt het schip  uit de koers naar, bijvoorbeeld, bakboord dan geeft het apparaat een stroompje af naar de stuurmachine waardoor het schip naar SB gaat.


Een terugkoppelmechanisme op de stuurmachine naar de autopilot meet het verschil in stroom en als die weer gelijk is houdt hij op met sturen.
Vaak is dit gewoon een (schuif)potmeter.

Een stuurautomaat zal dus altijd aangesloten moeten zijn op een kompas, anders weet hij niet wanneer de stroom in evenwicht is.

Wanneer je koers verandert op de stuurautomaat, stel je dus eigenlijk een stroomverschil in.
En het voor ons als gebruiker inzichtelijk te maken hoeveel dat is stellen we geen Volts of Ampères of zo in, maar graden.


Er zijn ook stuurautomaten die niet met stroom werken maar met een lichtje.
Dat werkt feitelijk hetzelfde, maar de automaat wil dan geen lichtje zien.
het merk Robertson werkt bijvoorbeeld op deze manier.

Hierbij moet dus worden opgemerkt dat dit geldt voor oude(re) analoge stuurautomaten.


De reden dat we het hier wel behandelen is dat ze nog steeds voor komen op schepen.
Het waren, en zijn, robuuste apparaten die eenvoudig te repareren zijn als ze defect zijn.
(relais vervangen of opschuren, bijvoorbeeld)

Werking moderne Digitale autopilots:
Ook op dit gebied heeft de tijd niet stilgestaan en ook autopilots zijn gedigitaliseerd.
Deze autopilots hebben wél een kompas nodig.
Zij lezen wel degelijk de koers af en meten daarna de afwijking in die koers om daarna bij te gaan sturen.


Tegenwoordig werken ze digitaal, met graden en microprocessor-regeling.

Deze module legt beide systemen naast elkaar.


2. Hoe een stuurautomaat “vroeger” werkte (analoog)

Kenmerken van klassieke systemen (± 1960–1985)

  • Geen digitale verwerking
  • Kompas gaf géén graden door aan de automaat
  • Werking op basis van balans, lichtcellen, spoelen of analoge stroomverschillen
  • De koersknop verplaatste slechts het evenwichtspunt

Hoe werkte dat in de praktijk?

  1. De automaat ontving van het kompas een analoge referentie
    • dit kon een lichtbron + fotocellen zijn (Robertson)
    • of een balansspoel met veranderende inductie
  2. Je draaide aan de koersknop en daarmee zei je eigenlijk:

“Dit is het punt van evenwicht; deze richting moet je vasthouden.”

  1. Als het schip uit dit evenwicht ging (bijv. naar bakboord),
    ontstond er verschil in de analoge signalen.
  2. De automaat stuurde een stroomsignaal naar de stuurmachine:
    • links signaal → stuurboord roer
    • rechts signaal → bakboord roer
  3. Een roerstandgever (meestal een potmeter) gaf analoge feedback
    zodat het roer niet te ver doorschoot.

Belangrijk:
De stuurautomaat “zag” toen geen graden, alleen verschillen in balans.


3. Hoe een moderne stuurautomaat werkt (digitaal)

Kenmerken van moderne systemen (1985–nu)

  • Kompas levert digitale heading in graden (NMEA 0183/2000)
  • Je stelt een gewenste koers in graden in
  • Stuurcomputer rekent voortdurend een koersfout uit
  • PID-regelaar bepaalt hoeveel roer nodig is
  • Roerstandgever geeft digitale terugkoppeling
  • Veel preciezer, stabieler en beter instelbaar

Hoe werkt dat in de praktijk?

  1. De autopilot ontvangt digitale heading, bijv.:

271,3°

  1. Je stelt bijvoorbeeld 270° in.
  2. De stuurautomaat berekent:

koersfout = gewenste koers – gemeten koers

  1. Een PID-regelaar vertaalt deze fout naar roeruitslag:
    • beetje fout → klein beetje roer
    • veel fout → meer roer
  2. De roerstandgever meldt exact waar het roer staat.
  3. De computer stuurt hydrauliek of motoren aan totdat het roer
    precies de gevraagde positie heeft.

Belangrijk:
De moderne autopilot denkt volledig in graden, data en algoritmes
geen balanspunten meer.


4. De kern van het verschil

Aspect

Vroeger (analoog)

Nu (digitaal)

Wat ziet de autopilot?

Analoge balans (licht / spoelen / stroom)

Graden (met precisie tot tienden)

Koers instellen

Evenwichtspunt verschuiven

Graden instellen

Regeltechniek

Simpele balans, geen berekeningen

PID-regeling

Kompas → autopilot

Geen graden

Digitale heading

Stabiliteit

Kan slingeren, gevoelig voor ruis

Zeer stabiel, adaptief

Feedback roerstand

Potmeter

Digitale encoder / sensor

Type systemen

Robertson, oude Sperry, Sestrel

Raymarine, Simrad, Furuno, Anschütz


5. Samenvatting

  • Vroeger werkte een stuurautomaat op basis van analoge balans; hij kende geen graden maar zocht een evenwicht.
  • Nu werkt een stuurautomaat digitaal; hij vergelijkt ingestelde graden met de gemeten heading en stuurt met een PID-algoritme.
  • Beide systemen doen uiteindelijk hetzelfde: koers vasthouden,
    maar de manier waarop dat gebeurt is fundamenteel veranderd.



 

Bedieningsknoppen op de automaat.

We zouden een hele cursus kunnen wijden aan alleen al de vele soorten automaten zelf.


Ze zijn er van apparaten met bijna geen knoppen, waarbij bediening in menu's zit...


... tot indrukwekkende consoles met meters en knopjes.


Wij bespreken hier een wat ouderwetsere, omdat daar alle knopjes nog apart van elkaar op het paneel zitten

1 Heading indicator


1: De heading indicator.
Deze geeft aan wat het (gyro)kompas op dat moment aanwijst.
Als je de stuurautomaat aanzet zonder aan de instelknop te draaien is dat wat hij gaat sturen.
 

3: Rudder

Je zou nu nummer 2 verwachten, maar we moeten eerst nummer 3 hebben.
Nummer 3 is de Rudder instelling.

En daarmee zeggen we tegen de automaat hoe snel hij van koers mag veranderen door roer te geven.
Dus hoe snel mag ik hij het roer naar de ingestelde roerhoek brengen.
Als je het met een auto vergelijkt: ik wil honderd km/u rijden. Hoe diep trap ik het gaspedaal in en hoe snel doe ik dat?

Je zou zeggen: zo hoog mogelijk zetten dat ding.
Maar als je die op maximaal zet gaat het roer dus ook heel snel naar de ingestelde roerhoek, gaat het schip heel snel van koers veranderen, krijgt de massa van het schip veel draaisnelheid en schiet het schip heel gemakkelijk door de ingestelde koers heen.
Daardoor gaat de automaat hetzelfde doen naar de andere kant, enz. enz.
Het resultaat is dat het schip, zoals we dat noemen, "sinusjes" gaat varen.


Zet je deze knop te laag dan duurt het weer te lang voor het schip gaat draaien.

Deze knop verstel je best vaak gedurende de reis.
Het kan best zijn dat het schip lekker reageert op standje drie.
Maar dat was dan bijvoorbeeld zonder stroom.
Krijg je dan op een gegeven moment stroom tegen, of juist mee, dan stuurt hij in die omstandigheden misschien wel te snel of juist te langzaam.
De instelling is ook afhankelijk van de beladingstoestand.


Als vuistregeltje stel je deze knop iets over de helft van zijn bereik in.
Dus 3 op een schaal van 5, en 6 op een schaal van 10.
Dat is meestal een fijne stand om mee te beginnen en dan kijk je wat je er nog aan bij moet stellen.

 

 

2: Counter rudder

Nu kunnen we naar knopje 2 gaan.


Als het schip van koers aan het veranderen is wil je natuurlijk wel dat hij keurig netjes op de ingestelde koers uitkomt.
Dus zul je op een bepaald moment moeten gaan tegensturen om de draai eruit te halen.

Dat doe je met knop 2: de counter rudder.

 

Daar stel mee in hoe snel, of hoe vroeg van tevoren, de automaat mag gaan tegensturen als de ingestelde koers bijna bereikt is.

Zet je de ze knop te hoog, dan zal hij ruim voor de ingetstelde koers al gaan tegensturen en zul je niet op de ingestelde koers uitkomen.
Zet je deze te laag dan is het schip al op of bijna op de ingestelde koers voor de automaat terug gaat sturen.
Een vuistregel is 2 keer zoveel als de rudder.
Daar begin je mee en dan zie je wel of dat lekker werkt.

Als we weer gaan vergelijken met de auto is dit een beetje het rempedaal.
Hoe diep trap ik die in om te remmen?
Heel diep, zodat ik snel stil sta maar wel met mijn neus op de voorruit zit?
Of doe ik het heel lichtjes, maar knal ik dan misschien ergens op?

Bij sommige automaten kan je de counterrudder nog apart instellen in twee waarden.
De counterrudder gain: "hoe diep trap ik de rem in?"
En de counterrudder time, speed of trade: "hoe snel trap ik het rempedaal in om de remkracht te bereiken?"

4: Yaw, gieren

Als er veel wind staat zal het schip door de golven zo nu en dan uit zijn koers gedrukt worden.
Als de golf voorbij is draait hij dan meestal wel min of meer terug op zijn oude koers.
Zou je niets doen dan wil de automaat gelijk terugsturen naar de oude koers.
Gelijk op het moment dat het schip even weggedrukt wordt.

Met knop 4, YAW(ing) stel je in hoe lang de automaat mag wachten met  sturen als het schip door de golven even van de koers af is.
(Op automaten van Duits fabricaat heet deze knop "Gieren", zoals het ook in het Nederlands genoend wordt.)

NOOT:
De nieuwste generatie stuurautomaten zijn aangesloten op een computer.
Deze ontvangt input van de windmeter, van de GPS en de (doppler) log.
Met deze info kan de computer zelf bepalen hoe rudder, counterrudder, weather etc. ingesteld moet staan.
Geen omkijken meer naar, dus.
Al kan het allemaal ook nog wel met de hand ingesteld worden als dat nodig is.

PID-regeling bij de Stuurautomaat

De instellingen van een stuurautomaat worden bepaald door de PID-regeling (Proportioneel, Integrerend, Differentiërend). Deze drie componenten werken samen om het schip stabiel op koers te houden.

Proportioneel (P): De "RUDDER" instelling

  • Betekenis: De reactie is evenredig aan de fout.
                        Dus als het ene toe- of afneemt neemt iets anders ook toe-of af.

  • Werking: Dit bepaalt de basismacht van het roer. Als het schip 5 graden uit koers loopt, geeft de automaat een bepaalde hoeveelheid roer. Is de afwijking 10 graden? Dan geeft hij (ongeveer) twee keer zoveel roer.

  • In de praktijk: Dit noemen we de Rudder (Gain).
    Het bepaalt hoe fel de automaat reageert op een koersafwijking van dit moment.

Integrerend (I): De "PERMANENT HELM / TRIM" instelling

  • Betekenis: De reactie kijkt naar de opgetelde fout over een bepaalde tijd.
                         Een bepaalde afwijking blijft over een bepaalde tijd plaatsvinden
                         En daar wordt op gereageerd.

  • Werking: Als er een constante kracht op het schip werkt (zoals zijwind of stroom), blijft er vaak een kleine koersfout bestaan die de P-regeling niet wegkrijgt. De I-regelaar ziet dat deze fout blijft duren en verhoogt langzaam de roerdruk totdat de afwijking exact nul is.

  • In de praktijk: Dit zorgt voor Permanent Helm (ook wel 'Auto Trim' genoemd). Het corrigeert voor omgevingsfactoren die het schip structureel opzij duwen.
     

Differentiërend (D): De "COUNTER RUDDER" instelling

  • Betekenis: De reactie kijkt naar de snelheid van de verandering (de draaisnelheid).

  • Werking: De D-regelaar kijkt hoe snel het schip draait. Als het schip heel hard richting de gewenste koers draait, geeft de D-regelaar alvast "tegenroer" om de draaiing af te remmen. Hiermee wordt voorkomen dat het schip voorbij de koers doorschiet.

  • In de praktijk: Dit noemen we Counterrudder. Het werkt als een schokbreker die het gieren van het schip dempt en zorgt voor een rustig vaargedrag.


Samenvattend voor op de brug:

  • P (Rudder): Hoeveel roer geven we voor de hoek die we nu afwijken?

  • I (Trim): Hoeveel extra roer is er nodig om de wind/stroom te compenseren?

  • D (Counterrudder): Hoeveel tegenroer geven we om de draaisnelheid op tijd te stoppen?

Probleem & Oplossing

Wat zie je buiten gebeuren? Welke PID-parameter hoort daarbij? Knop op de stuurautomaat
Het schip reageert te traag op koerswijzigingen. P (Proportioneel) Rudder (omhoog)
Het schip blijft constant 2 graden naast de koers liggen door wind/stroom. I (Integrerend) Auto Trim / Perm Helm
Het schip slingert (zwiept) voorbij de koers bij elke correctie. D (Differentiërend) Counterrudder (omhoog)
De automaat reageert op elke kleine golf (onrustig roer). D (Differentiërend) Weather / Deadband (aanpassen)

 

 

6: Heading Adjust

Knop 6 is de HEADING SET knop.

Door aan de knop te draaien stellen we bij het streepje bovenaan in welke koers het apparaat aan moet gaan houden.
Het is dus geen kompas!

Op moderne autopilots is dit vaak een drukknopje (Hier als extra bij 11) of een pookje, zoals op onze simulator.


 

7 Input selector

 

De autopilot moet input krijgen van een kompas.
Dit kan een gyrokompas zijn, maar mag ook een magnetisch of GPS kompas zijn.
Met de input selector knop 7 selecteer je welk kompas je gebruikt.
Op sommige schepen staat hier het reserve gyrokompas op aangesloten.
(Of allebei, kan ook. Dus magn. en gyro).

8 Heading Alarm

Met knop 8, Heading Alarm, stel je in bij hoeveel graden koersafwijking het apparaat alarm moet geven.
Dit kan bijvoorbeeld komen doordat de stuurmachine uitvalt.
Het schip loopt dan uit zijn roer en bij het ingesteld aantal graden afwijking van de ingestelde koers krijg je dan alarm.

Zet deze niet te hoog, want dan krijg je pas alarm als het misschien wel te laat is.
Maar ook niet te laag, want dan piept hij constant tijdens, bijvoorbeeld, veel zeegang.
Instellen naar omstandigheden, dus.

9: Bedienings selector

Op veel automaten is het mogelijk om aan te geven van waar de automaat bediend kan worden.
Bij voorbeeld op de brugvleugel.
Of er zijn ook automaten met een afstandsbediening. (Al of niet draadloos).
En de automaat op de foto kun je ook op track zetten.
De automaat volgt dan vanzelf de route die je in de GPS of op de ECDIS hebt uitgezet.

Op deze automaat is het niet zo, maar dit is vaak ook de knop waarmee je hem op handbediening kunt zetten en je dus met de hand kunt sturen.
Ook gebruik je knop 9, user mode, om hem uit of op op st-by te zetten.
En dus op autopilot.

Deze maakt de keus tussen:
AUTO: De stuurautomaat stuurt.
HAND FU:  Je stuurt handmatig met Follow Up.
 Follow Up wil zeggen: wat je het stuurwiel verdraait, verdraait het roer ook.
  Je zet het stuurwiel bijvoorbeeld op 20° SB, dan gaat het roer ook naar 20° SB en stopt daar dan.
Moet het roer weer in de midscheeps dan zet je het roer op 0° waarop het roer daar ook heen gaat en dan stopt.
Hij volgt het stuurwiel dus op: Follow Up.
Het voordeel is dat je niet constant naar de roerstandaanwijzer hoeft te kijken om te zien hoeveel roer je geeft, want dat heb je al bij het stuur gezien.

HAND NFU: Je stuurt handmatig middels Non Follow Up.
Non Follow Up wil zeggen dat het roer verdraait zolang je hem bedient.
(middels een pookje of hendeltje, soms met drukknoppen.)
De hydraulische kleppen die de rammen van de stuurmachine aansturen
 worden dan rechtstreeks door jou aangestuurd.
Je drukt het pookje dan net zolang naar SB totdat het roer op bijvoorbeeld
20° SB staat.
Op dat moment laat je het pookje los en blijft het roer daar staan.


Moet het roer weer in de midscheeps, dan druk je het pookje net zo lang naar BB tot de roerstandaanwijzer 0° aanwijst.
Je moet dus aldoor naar een roerstandaanwijzer kijken om te zien hoeveel roer je geeft.

De roerstandaanwijzer krijgt de informatie van de zogenaamde µ-transmitter.
Dat is de al eerder genoemde potmeter op de stuurmachine.
Hij verdraait middels een stangoverbrenging net zo lang als het roer draait.
Hij vertelt de autopilot wat de stand van het roer is wanneer die kan stoppen met signaal geven en hij vertelt aan de roerstandaanwijzer wat de stand van het roer is.

Wanneer je van handsturing weer overschakelt op automaat, neemt de automaat de koers aan die je voorlag op het moment van overschakelen.
Dit kan heel handig zijn.
Als je precies mooi op koers ligt hoef je niet helemaal je koers opnieuw in te stellen.
Of je bent nog langzaam aan het uitdraaien van een bocht en vindt op een gegeven moment dat dit de koers is die je wil.
Je hoeft hem dan alleen nog maar op AUTO te zetten en je bent klaar.
Dit kan alleen als het schip niet meer heel erg draait, anders kan de automaat het niet bijbenen.

10: Ilum

Knop 10, Ilum is een dimmer.
Hiermee stel je felheid van de verlichting van het display in; de illuminatie.

12 en 13: turn rate

Met de twee knopjes #12 stel je de turn rate  in.
Hiermee geef je aan met hoeveel graden per minuut het schip mag draaien.
Dit is vooral van belang bij bochtenplanning.

Je berekent dan van tevoren wanneer het schip een bocht moet gaan maken, het Wheel Over Point, en met hoeveel graden per minuut het schip dan moet draaien om bij het punt dat je van tevoren bepaald hebt uit te komen.

Je gebruikt dit in combinatie met de aflezing in venster 13 waar de Rate of Turn (RoT) afgelezen wordt in °/m.

14 Zero Set

Het kan voorkomen dat als het schip precies op koers ligt de aanwijzing op de instelling afwijkt van wat je afleest in het HEADING venster.

Je leest bijvoorbeeld op de HEADING af dat het schip een koers van 010 graden voorligt en verder corrigeert de automaat ook niet, maar de instelknop wijst 012 graden aan.
Dat houdt in dat de automaat er twee graden uit ligt.
Door nu de twee knoppen tegelijk in te drukken zeg je tegen de automaat: wat je nu stuurt is de koers die het kompas aangeeft.
Hij staat dan ook op 010 graden.


 

15 Rudder Angle

De Rudder Angle knop, #8, stel je mee in hoeveel roer de stuurmachine maximaal mag geven.

Ook deze knop zul je vaak veranderen.
Bij volle kracht op open zee is het prima als het roer maximaal een graad of, tien roer geeft.
Het schip zal dan snel genoeg draaien.
In een haven, met een snelheid van een knoop of 4-5 duurt het dan te lang.
Dan zal hij wel naar 20 of 25 graden mogen.
Ook de Rudder zullen we dan hoger kunnen zetten.

 

Permanent helm

Op de automaat op de foto zit het niet, en hij zit ook niet op elke, maar op sommige automaten kun je de permanent helm instellen.

Op een schip met veel windvang, containerschepen, car cariers, kan het zijn dat je continu een klein beetje roer moet geven om op koers te blijven.
Zou je dan geen Permanent Helm knop hebben dan stuurt de automaat het schip naar de ingestelde koers, zet het roer weer in het midden, schip "waait" weer van zijn koers, automaat gaat weer sturen, enz.

Je kunt dan uitzoeken hoeveel graden roer je moet geven om het schip precies tegen de wind op te laten sturen.
Bijvoorbeeld vijf graden.

In theorie werkt dit goed,
Maar helaas is de wind nooit constant.
Hij waait maar zo minder hard of juist harder.
En dan is die 5 graden teveel of juist te weinig.

Als hij erop zit wordt deze instelling maar weinig gebruikt.


 

Samenvattend filmpje


Navigational Instruments: Auto Pilot. Bron YouTube, Millenial Seafarers.

Noodsturen

Het kan gebeuren dat, om wat voor reden dan ook, het niet mogelijk is om met de automaat of met de hand te sturen.
Het is verplicht dat er dan een mogelijkheid is om in de stuurmachinekamer handmatig het roer te bedienen.


Daarvoor moeten we even een beetje begrijpen hoe een stuurmachine, die het roer verdraait, werkt.

De twee grote hydraulische cilinders zijn vastgeklemd op de roerkoning.
Wanneer een cilinder uitpompt, trekt de ander in en daarmee verdraait de roerkoning waar op zijn beurt het roer weer aan bevestigd is.

Die cilinders werken op hydrauliek.
En daar zit hem de truc.
In geval van nood moet je de olie die de hydrauliek gebruikt manueel kunnen verpompen.

Wat hebben we nodig voor de procedure die noodsturen wordt gemoed/

- Communicatie met de brug.
   
Daarvoor worden meestal headsets als deze gebruikt.
Ze zijn goed gelyuidsdicht en de microfoon is erg richtingsgevoelig, zodat omgevingsgeluid zoveel mogelijk buiten gehouden wordt.

De brug geeft roercommando's die in de stuurmachinekamer (SMK) uitgevoerd worden.

- Roerstandaanwijzer.

   Zowel op de brug als in de SMK.
Je moet natuurlijk wel kunnen zien hoeveel het roer verdraait is.
Het mag een elektronisch exemplaar zijn, maar je ziet ook wel eens een bronzen of messing plaatje met de gradenverdeling erin gegraveerd en een pijltje aan de roerkoning die de graden aanwijst.

- Een middel om de hydrauliek te bedienen.

Dat mag een stuurwiel zijn waarmee je de olie verpompt.
Vaak is het stuurwiel op de brug dan ook de noodstuurbediening.
Je draait je helemaal suf aan zo'n ding, want er moet behoorlijk wat olie verpompt worden om het roer te verdraaien.


Het mag ook een doodnormale handbediende pomp zijn, waarbij je met een driewegkraan de stroomrichting van de olie bepaalt. (BB, SB, Neutraal.)


Het mag ook mechanisch. (Hier met een wormwiel.)

Deze methoden zijn allen bijzonder arbeidsintensief.
Na tien minuuutjes heb je het echt wel gehad.
Zorg dus dat er iemand mee is die jou af kan lossen.


Op moderne schepen zullen de elektrisch aangedreven hydralische pompen aangesloten zijn op de noodgenerator.

De noodgenerator is een aparte motor met dynamo en start automatisch nadat er een black out is gesignaleerd.
Binnen 45 seconden moet de noodstroom on-line zijn en moeten alle minimaal noodzakelijke systemen weer werken.
(Navigatieverlichting, noodverlichting, en dus ook de stuurinrichting.)
De set moet genoeg stroom leveren om binnen 30 minuten alle benodigde (hulp)systemen om de hoofdmotor weer te kunnen starten van power te voorzien.


De stuurmachine is nu weer van hydraulische druk voorzien.
Bij een beetje luxere noodstuurinrichting kun je nu op een bedieningspaneel met drukknoppen de sollenoids (perskleppen) van de hydrauliek bedienen.

Soms moet je met een pennetje de solenoid zelf, tegen de hydr. druk in, open drukken.
Een zware, en later pijnlijke, bedoening.

Al met al heet noodsturen niet voor niets noodsturen.
Het is echt om een veilige plek (niet eens haven, maar een plek waar je veilig bent) te bereiken om daar reparaties uit te voeren.
Het is geen pretje om te doen.
Toch dient er 1 x in de drie maanden een Emergency Steering Drill gehouden te worden.
Bovendien dient de installatie voor elk vertrek getest te worden, en anders binnen 12 uur na vertrek.
(Een eis die bijna nooit uitgevoerd wordt.)


STEERING GEAR | EMERGENCY STEERING | UASUPPLY
 

  • Het arrangement Stuurautomaat. is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt, maakt en deelt.

    Auteur
    Menno Jacobs
    Laatst gewijzigd
    27-01-2026 10:49:06
    Licentie

    Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding 4.0 Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding vrij bent om:

    • het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat
    • het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
    • voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.

    Meer informatie over de CC Naamsvermelding 4.0 Internationale licentie.

    Aanvullende informatie over dit lesmateriaal

    Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar:

    Toelichting
    Hoe werkt een stuurautomaat van een schip.
    Eindgebruiker
    leerling/student
    Moeilijkheidsgraad
    gemiddeld
  • Downloaden

    Het volledige arrangement is in de onderstaande formaten te downloaden.

    Metadata

    LTI

    Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI koppeling aan te gaan.

    Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.

    Arrangement

    IMSCC package

    Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.

    Voor developers

    Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op onze Developers Wiki.