Kennismakingsactiviteiten
Spel 1: Zoek iemand die...
Spel 1 |
Zoek iemand die... |
Doel
|
Elkaar leren kennen |
Benodigheden
|
Werkblad 1 + potloden |
Uitleg |
Elke leerling krijgt een werkblad en een potlood. Iedereen stelt vragen aan klasgenoten en probeert zo veel mogelijk kruisjes te verzamelen. Eventueel kan er een bingo van worden gemaakt. Wie als eerste 3 of 4 op een rij heeft, heeft gewonnen. |
|
Spel 2: Mensenjacht
Spel 2 |
Mensenjacht |
Doel
|
Elkaar leren kennen |
Benodigheden
|
Werkblad 2 + potloden |
Uitleg |
Print voor elke leerling werkblad 2. In de linkerkolom mag iedere leerling zijn eigen voorkeuren invullen. Vervolgens gaan de leerlingen op zoek naar klasgenoten met dezelfde voorkeuren. De namen worden in de rechterkolom opgeschreven. |
|
Spel 3: Binnen-/buitenkring
Spel 3 |
Binnen-/buitenkring |
 |
Doel |
Elkaar leren kennen |
|
Benodigdheden |
Geen |
|
Uitleg |
De leerlingen staan in twee cirkels. De leerlingen in de binnenkring kijken naar buiten, de leerlingen in de buitenkring kijken naar binnen, zodat de leerlingen met het gezicht naar elkaar toe staan. Stel vragen als “Wat heb je gisteren na schooltijd gedaan?” of “Waarom heb je deze naam van je ouders gekregen?”. De leerlingen voeren vervolgens een gesprekje met degene tegenover hen. Vertel daarna welke kring hoeveel plekken moet opschuiven. Leerlingen kunnen voorafgaand aan het spel ook zelf kennismakingsvragen opschrijven. |
|
Spel 4: gebaar - naam-spel
Spel 4 |
Gebaar-naam-spel |
 |
Doel |
Elkaar leren kennen |
|
Benodigdheden |
Geen |
|
Uitleg |
Ga in een kring staan. Iedere leerling zegt om de beurt zijn naam door deze in lettergrepen te verdelen en een beweging toe te voegen aan elke lettergreep. De groep herhaalt de naam en de bewegingen in koor. |
|
Spel 5: schakels
Spel 5 |
Schakels |
 |
Doel |
Elkaar leren kennen |
|
Benodigdheden |
Geen |
|
Uitleg |
De leerlingen gaan in een kring in het lokaal staan. Eén leerling stapt naar het midden en zegt iets over wat hij leuk vindt/waar hij van houdt, bijvoorbeeld “Ik ben Tim en ik houd van aardbeienijs”. Iedere leerling die ook van aardbeienijs houdt, kan reageren door zijn arm ‘in te haken’ en te zeggen “Ik ben Peter en ik houd ook van aardbeienijs. En ik vind het leuk om met mijn hond te spelen.” Vervolgens haakt een leerling die ook van spelen met zijn hond houdt in, en noemt weer iets nieuws op, enz. Als de laatste leerling inhaakt, maakt hij de cirkel rond door de arm van de eerste leerling te pakken. Als de leerlingen allemaal geschakeld staan, zeggen ze bijvoorbeeld “Wij zijn groep … en wij horen bij elkaar” (eventueel gevolgd door een yell). |
|
Spel 6: rondpraat
Spel 6 |
Rondpraat |
 |
Doel |
Elkaar leren kennen |
|
Benodigdheden |
Optioneel: knutselmaterialen |
|
Uitleg |
De RondPraat is een fl exibel in te zetten activiteit. De leerlingen krijgen eerst individueel denktijd en mogen daarna om de beurt vertellen aan hun teamgenoten. Als je RondPraat inzet als kennismakingsspel, kun je allerlei vragen stellen, zoals “wat is je ideale vakantie?” of “wat is je droomauto?”. Je kunt er ook een knutselactiviteit van maken, door de leerlingen bijvoorbeeld een ‘Dit ben ik-tas’ te laten maken met vijf voorwerpen die bij hen passen, of een collage met familiefoto’s en een familiestamboom. |
|
Spel 7: kruip in de rol
Spel 7 |
Kruip in de rol |
 |
Doel |
Elkaar leren kennen |
|
Benodigdheden |
Werkblad 3 + schaar |
|
Uitleg |
Dit spel kan worden gespeeld bij een overgang naar nieuwe teams. Zorg dat de nieuwe teams op papier al gevormd zijn. Elk nieuw team bestaat uit 4 karakters van één programma, film of strip (als het niet mogelijk is om alleen teams van 4 te vormen, kan ook met een team van 5 worden gewerkt). Zie werkblad 3 (bijlage C) voor suggesties voor teams en de bijbehorende karakters. Uiteraard kunnen de karakters naar eigen inzicht worden aangepast. Schrijf de namen van de leerlingen onder de karakters. Knip de kaartjes uit en geef iedere leerling zijn/haar kaartje. Doe dit als ze nog in de oude teams zitten en vertel dat ze hun kaartje nog niet aan anderen mogen laten zien. Daarna mogen de leerlingen door de klas lopen om hun nieuwe teammaatjes te vinden. Als ze in de nieuwe teams zitten, mogen de leerlingen elkaar vragen stellen, bijv.: wat is je naam, waar woon je, waar ben je goed in, wat zijn je hobby’s? De leerlingen moeten zo antwoorden als hun karakter zou doen (in de rol kruipen). |
|