Studiewijzer Verzorging mondial

Studiewijzer Verzorging mondial

Studiewijzer Verzorging mondial

Inleiding

In deze studiewijzer krijg je alle informatie over hoe er wordt gewerkt binnen het vak verzorging. Je leert onder andere alles over hygiëne, veiligheid en de manier van werken. Het is belangrijk dat je gedurende de twee jaar dat je het vak volgt regelmatig de studiewijzer doorneemt, zodat je niets vergeet.

Keuken materialen & Veiligheid

Materialen: Hygiëne

Hygiëne en veiligheid in de keuken zijn heel belangrijk. Als je de keuken schoon houdt, voorkom je dat bacteriën en vuil in je eten komen, wat je ziek kan maken. Veilige gewoontes, zoals het dragen van ovenwanten en het voorzichtig omgaan met scherpe messen, beschermen je tegen brandwonden en snijwonden. Door hygiënisch en veilig te werken, zorg je ervoor dat je eten gezond en lekker blijft en voorkom je ongelukken tijdens het koken.

Materialen: Keuken

Gebruik de juiste materialen in de keuken, omdat elk gereedschap voor een specifieke taak is ontworpen. Bijvoorbeeld, een broodmes is bedoeld voor brood en niet geschikt om groenten te snijden. Gebruik bijvoorbeeld een schil/koksmes voor groenten om efficiënter en veiliger te werken.

Hygiëne

Werk zo hygiënisch mogelijk voor meer veiligheid in de keuken:

  • Vervang vaatdoekjes iedere dag.
  • Gebruik alleen schone snijplanken en messen.
  • Verwerk nooit kip op een gebruikte plank (i.v.m. kruisbesmetting) of andersom.
  • Houd bereidde en rauwe producten gescheiden.
  • Was altijd voor en na het bereiden van voedsel de handen.
  • Zorg voor een schone werkplek.

Veiligheid

Veiligheid in de keuken, het lijkt vanzelfsprekend. Echter gebeuren, in en rondom het huis, de meeste ongelukken in de keuken. Hoog tijd om een aantal tips op een rij te zetten waardoor je ongelukken kan voorkomen.

  1. In de keuken wordt nu eenmaal gemorst. Ruim dit altijd, indien mogelijk, direct op. Natte vloeren worden glibberig met alle gevolgen van dien.
  2. Denk goed na over welke kleding je draagt tijdens het koken. Vermijd lange mouwen en synthetische stoffen. Draag daarom altijd een kookshort, zo worden je kleren minder snel vies en biedt het bescherming bij ongevallen.
  3. Houd theedoeken, handdoeken en ovenwanten uit de buurt van het gasfornuis.
  4. Blus een vlam in de pan nooit met water en laat de brandende pan op zijn plaats staan. Zet een passende (of grotere) deksel over de pan, het vuur dooft hierdoor direct.
  5. Brandwonden kunnen ook ontstaan ​​door hete stoom. Wees voorzichtig bij het optillen van deksels bij pannen en maak gebruik van ovenwanten bij het gebruiken van de oven.
  6. Blijf zoveel mogelijk in je eigen keuken. Mocht er iets aanbranden dan ben je altijd in de buurt om er iets aan te doen.
  7. Nooit rennen, waterspatten en slaan met doeken in de keuken.

Regels in de keuken

Regels zijn belangrijk in de keuken om ervoor te zorgen dat iedereen veilig werkt en dat alles schoon blijft. Veiligheidsregels helpen voorkomen dat je je brandt of snijdt. Hygiëneregels zorgen ervoor dat het eten schoon is en je niet ziek wordt. Door de regels te volgen, kun je efficiënt werken, weet je precies wat je moet doen, en blijft de keuken een fijne plek om te koken. Regels zorgen ervoor dat iedereen goed samen kan werken en dat alles op rolletjes loopt.

  • Haren in een staart
  • Sieraden af
  • Houd je aan de hygiëne regels
  • In de keuken heb je altijd je schort aan
  • Handdoek & theedoek hang je altijd aan de hendel onder de wasbak
  • Niet, rennen, waterspatten en slaan met doeken
  • Geen tassen in de keuken
  • Gebruik altijd twee ovenwanten voor je veiligheid
  • Je blijft altijd in je eigen keuken
  • Het zitten op de vensterbanken is niet toegestaan
  • Hete gebruikte pannen haal je van het fornuis en leg op het hittebestendige aanrecht
  • Je bent pas klaar wanneer de docent je keuken heeft gecontroleerd. Pas daarna mag je de vuile was in de wasmand doen.

Werkwijze

Werken op dezelfde manier in de keuken is belangrijk omdat het zorgt voor duidelijkheid en veiligheid. Als iedereen dezelfde stappen volgt, weet je precies wat er van je verwacht wordt en kunnen we elkaar beter helpen. Het voorkomt verwarring en zorgt ervoor dat alles soepel verloopt. Bovendien helpt het om de keuken netjes en schoon te houden, omdat iedereen weet waar alles hoort en wat de regels zijn. Zo maken we koken leuker en veiliger voor iedereen!

  • Werk stap voor stap
  • Maak goede en duidelijk afspraken tijdens het samenwerken
  • Laat de keuken na het werk controleren
  • Je levert pas je vuile was in nadat de docent je keuken gecontroleerd heeft
  • Je legt alle materialen op de plek waar ze horen (ook al heb je ze niet gebruikt)
  • Koeken pannen leg je op de kop terug in het kastje
  • Leerlingen zijn verplicht de was te vouwen

Opruimen en schoonmaken

Volgorde voor opruimen en afwassen in de keuken

Er is een volgorde voor opruimen en afwassen in de keuken om alles schoon en georganiseerd te houden. Door eerst het minst vuile af te wassen, zoals glazen en bestek, voorkom je dat het water snel vies wordt. Daarna komen de borden en pannen aan de beurt. Zo blijft het water langer schoon en worden alle spullen goed schoon. Door een vaste volgorde aan te houden, werk je efficiënt en vergeet je niets. Dit zorgt ervoor dat de keuken netjes blijft en je de volgende keer weer fijn kunt koken.

Volgorde opruimen

1. Lever het recept in (schoon en droog).

2. Verzamel alle spullen o.a. vuile vaat bij de wasbak, ingrediënten inleveren, weggooien van overbodige ingrediënten etc.

3. Afspoelen: Het verwijderen van vet en grove voedselresten.

4. Afwassen: Was de afwas met afwasmiddel en een spons of borstel (nu pas pak je de afwasbak).

  • 1. Glazen/Kopjes
  • 2. Bestek
  • 3. Borden
  • 4. Schalen
  • 5. Snijplanken
  • 6. Pannen

5. Afdrogen: Droog de afwas af met een schone theedoek..

6. Opbergen: Berg de schone afwas op de juiste plaats op, zoals aangegeven staat in het keukenkastje.

7. Schoonmaken: Maak alles grondig schoon, inclusief keukenkastjes, ovens, vloer, kraan en wasbak.

Oven

Instructie voor het gebruiken van een oven

  1. Voorverwarmen: Zet de oven aan en stel de juiste temperatuur in volgens het recept. Wacht tot de oven is opgewarmd.

  2. Voorbereiden: Plaats het gerecht in een ovenbestendige schaal of op een bakplaat met bakpapier.

  3. Ovenhandschoenen: Gebruik altijd twee ovenhandschoenen om je handen te beschermen tegen de hitte.

  4. In de oven plaatsen: Open de ovendeur voorzichtig. Plaats het gerecht in het midden van de oven. Sluit de deur goed.

  5. Baktijd instellen: Let goed op de klok of stel de timer in op de juiste baktijd volgens het recept.

  6. Controleren: Controleer af en toe of het gerecht niet aanbrandt. Gebruik de ovenlamp of open de deur heel voorzichtig.

  7. Gerecht eruit halen: Als je gerrecht klaar is, trek je de ovenhandschoenen aan en haal je voorzichtig het gerecht uit de oven.

  8. Afkoelen: Zet het gerecht op een hittebestendige ondergrond en laat het even afkoelen voordat je het serveert.

Volg deze stappen altijd en wees voorzichtig om brandwonden te voorkomen.

De oven
De oven
Oven standen
Oven standen

Oven gebruiken

Op de afbeeldingen zie je de oven afgebeeld. Zorg ervoor dat je de juiste instelling selecteert. Als je alleen het lampje aanzet, gaat de oven niet aan. Draai daarom altijd de knop twee keer naar rechts om de oven aan te zetten.

Inductie

Koken met inductie is veiliger, sneller, energiezuiniger, en makkelijker schoon te maken. De kookplaat wordt niet heet, verwarmt de pan direct, en biedt nauwkeurige temperatuurcontrole.

Op de afbeelding zie je de aan/uit-knop. Houd deze knop een paar seconden ingedrukt om de inductieplaat aan te zetten. Het vierkantje in het vierkantje geeft aan welke kookzone je activeert. In dit geval is dat de linker bovenkant.

Spullen opbergen

Het is belangrijk om spullen goed op de juiste plek op te bergen in de keuken zodat je snel kunt vinden wat je nodig hebt, de keuken netjes blijft en iedereen veilig kan werken.

Aan de binnenkant van de keukenkastjes staat aangegeven waar alle materialen moeten worden opgeborgen. Zorg er ook voor dat al het bestek netjes in het juiste vakje in de lade ligt. Als je materialen mist of te veel hebt, meld dit dan aan je docent.

Opdracht Thema 1 Meten & wegen

Inleiding

Wanneer je begint met koken, is het vaak noodzakelijk om een recept te volgen. Een recept is doorgaans opgedeeld in verschillende secties:

  1. Naam van het recept: Dit geeft aan welk gerecht je gaat bereiden en helpt je om snel het gewenste recept te vinden.

  2. Ingrediënten en benodigdheden: Hier vind je een lijst van alle benodigde ingrediënten, evenals de benodigde keukengerei en apparatuur.

  3. Werkwijze: Dit gedeelte beschrijft stap voor stap hoe je het gerecht moet bereiden, inclusief de volgorde van handelingen.

Als je naar de lijst met ingrediënten kijkt, zie je ook hoeveel je ervan nodig hebt. Soms moet je meten of wegen om erachter te komen hoeveel precies. Dat doe je met dingen zoals een weegschaal, een maatbeker of met andere spullen om te meten. Dit helpt je om het gerecht goed te maken.

Meten

Voor het meten gebruik je een maatbeker. In de maatbeker meet je vloeibare ingrediënt en zoals water, melk of room. Werken met de maatbeker is niet altijd even makkelijk, maar hoe meer je hem gebruikt hoe makkelijker het wordt!

In de meeste maatbekers past juist 1 liter. 1 liter kan je vergelijken met een volle fles water.

In recepten wordt vaak gewerkt met milliliters (ml) of met deciliters (dl).

1 liter = 1000 ml

1 ml = 0,001 liter

1 liter = 100 cl

1 cl  = 0,01 liter

1 liter = 10 dl

1 dl  = 0,1 liter

Het bovenste streepje op de maatbeker geeft 1 liter aan. Daarnaast is de maatbeker ook verdeeld met allerlei kleine streepjes. Deze kunnen deciliters en centiliters of milliliters aanduiden.

Wegen

Wegen doe je altijd met vaste stoffen zoals bloem, boter, pasta, suiker. Gebruik je een weegschaal zorg er dan voor dat hij in het begin altijd op 0 staat voordat je gaat wegen.

Wanneer je een recept gaat lezen ga je merken dat je ook enkele ingrediënt en zal moeten wegen met de weegschaal.

  1. Plaats een kom op de weegschaal.
  2. Zet de weegschaal op door op de ON-knop te drukken.
  3. Doe je ingrediënt dat je moet afmeten in de kom.
  4. Lees op het scherm het gewicht van je ingrediënt af.
  5. Zet de weegschaal uit door op de OFF-knop te drukken.

De meeste recepten die je gaat gebruiken gaan hun ingrediënt en uit drukken in gram. Wanneer dit niet gebeurt kan je de weer gebruik maken van een omzettingstabel. Hij werkt hetzelfde als de tabel voor het omzetten van inhoudsmaten.

  • 1 kilogram is 1000 gram
  • 1 gram is 1000 milligram

Je doet dus bij elke stap het getal keer of delen door duizend of je zet 3 nullen achter het getal of je schuift de komma 3 cijfers naar links.

Omrekenen

Gewichten en liters omrekenen in de keuken is handig om verschillende redenen:

  1. Recepten volgen: Veel recepten gebruiken verschillende meeteenheden, zoals grammen en milliliters. Door te weten hoe je deze omrekent, kun je lekker koken.

  2. Recepten aanpassen: Soms wil je een recept maken voor meer of minder mensen. Als je kunt omrekenen, is dat makkelijk.

  3. Ingrediënten schatten: Als je geen geschikte meetinstrumenten hebt, kun je gewichten omrekenen naar volumes en omgekeerd.

  4. Voedingsinformatie: Op etiketten van eten vind je vaak informatie in grammen en milliliters. Door dit te begrijpen, kun je zien wat je eet.

  5. Koken voor veel mensen: Soms moet je voor een grote groep koken. Dan moet je de hoeveelheden aanpassen.

Opdracht thema 2 Je leeft samen poster maken

De opdracht

Je gaat een poster maken over een onderwerp dat belangrijk voor jou is. Denk bijvoorbeeld aan de onderwerpen die we in Thema 2 van het verzorgingsboek behandeld hebben. Je kan kiezen uit o.a. cultuur, hobby’s, normen en waarden, geaardheid en gewoontes. Je bent niet verplicht om deze onderwerpen te kiezen. Als je poster klaar is ga je die presenteren voor de klas. Je presentatie moet minimaal een duur hebben van 5 minuten.

Beoordeling

De poster

  • Zorg dat je poster van 2-3 meter afstand goed te lezen is.
  • Kies voor goede passende afbeeldingen.
  • Wees origineel en creatief. Maak de poster eigen.
  • Kies voor een duidelijke lay-out en kies voor lettertypes dat bij je thema past.
  • Zet informatie op je poster bijvoorbeeld een slogan, website, telefoon nummer, email, etc.
  • Maak een eigen logo
  • Gebruik hoofdletters voor je titel
  • Let op taalfouten

De presentatie

  • Gebruik eigen woorden tijdens je presentatie
  • Vertel over je onderwerp. Vertel bijvoorbeeld waarom het belangrijk voor je is, wat het met je doet, wanneer het belangrijk is etc.
  • Vertel over de keuzes die je hebt gemaakt bij het maken van je poster, zoals de afbeelding, het lettertype, het logo, enzovoort. 
  • Betrek de klas bij je presentatie. Laat ze je vragen stellen en stel ook vragen aan je medeleerlingen.
  • Zorg voor een goede structuur in je presentatie. Begin-midden-eind.
  • Zorg dat je goed verstaanbaar bent.
  • Laat zien dat je enthousiast bent.
  • Kijk je rond en kijk ook het publiek aan.

Eindresultaat

  • Iemand die jouw poster ziet, moet gelijk kunnen zien wat het doel van jouw poster is. De poster ga je presenteren in de klas. Aan de hand van jouw poster ga je vertellen wat jouw boodschap is.

Extra info en tips

  • Een slogan is een korte zin of een paar woorden die vertellen waar iets over gaat, zoals "Redbull geeft je vleugels" of “Nike just do it”. Het is bedoeld om snel en makkelijk te laten weten waar een product of idee voor staat.
  • Het is belangrijk dat je meteen begrijpt waar een poster over gaat, zodat je snel kunt beslissen of het interessant voor je is. Het is als een snelle gids die je vertelt waarom je de poster zou moeten bekijken.
  • Gebruik voor je titel altijd hoofdletters.
  • Tijdens je presentatie, bespreek de keuzes die je hebt gemaakt bij het maken van je poster, deel iets over jezelf, zoals waarom dit onderwerp belangrijk voor je is en hoe je er interesse in hebt ontwikkeld. Daarnaast, deel ook informatie over het onderwerp zelf.
  • Ga via google opzoek naar vergelijkbare posters om inspiratie op te doen.

Een poster

Een poster is een groot affiche om op te hangen. Het doel van een poster is vaak om een boodschap over te brengen of de aandacht te trekken.

Een goede poster valt op. En als je kort naar een poster kijkt, weet je meteen waar die over gaat. De boodschap is duidelijk. De tekst die er op staat is goed leesbaar en er staan vaak duidelijke en mooie foto's op. Maar een goede poster roept ook emotie op. Je wordt er vrolijk , boos of verdrietig van. En daarmee zorgt een poster ervoor dat je iets gaat doen. Een goede poster zet aan tot actie.

Wat is een poster?

  • Met een poster geef je op een aantrekkelijke manier informatie door.
  • Een poster, of een affiche, is een soort reclameboodschap met plaatjes en tekst.

Wanneer maak je een poster?

  • Een poster maak je als je iemand iets duidelijk wilt maken, met weinig tekst en weinig plaatjes.
  • Je wilt bijvoorbeeld reclame maken voor een mooie film, een toneelvoorstelling of een vakantiereis.

Hoe maak je een poster?

  • Zoek tekst en plaatjes bij het onderwerp.
  • Als je wilt, maak je er een eigen tekening bij.
  • Kies welke tekst en welke plaatjes en tekeningen het beste bij het onderwerp passen.
  • De tekst en de plaatjes plak je op een vel papier, dat mag een gewoon A4-tje zijn maar ook een groter vel papier.
  • Tip maak gebruik van de website: www.canva.com.
  • Je kan ook Microsoft word gebruiken of een ander programma naar keuze.

 

Hoe maak je een poster?

Stap 1: Bepaal het Doel van de Poster

  • Bedenk waar de poster over gaat. Moet het informatief zijn, mensen overtuigen of iets anders?

Stap 2: Verzamel Informatie

  • Zoek feiten, afbeeldingen of quotes die passen bij het doel van de poster.

Stap 3: Kies het juiste programma

  • Tip maak gebruik van de website: www.canva.com.
  • Je kan ook Microsoft word gebruiken of een ander programma naar keuze.

Stap 4: Maak een Ontwerp

  • Bedenk een eenvoudig ontwerp. Plaats de belangrijkste informatie in het midden en gebruik kleuren die opvallen.

Stap 5: Voeg Tekst Toe

  • Gebruik duidelijke en grote letters. Vermijd te veel tekst op één plek.

Stap 6: Voeg Afbeeldingen Toe

  • Voeg relevante afbeeldingen of illustraties toe. Zorg ervoor dat ze passen bij het onderwerp van de poster.

Stap 7: Gebruik Kleur

  • Gebruik kleuren om de aandacht te trekken. Kies kleuren die bij elkaar passen en gemakkelijk leesbaar zijn.

Stap 8: Let op de Lay-out

  • Zorg voor een logische indeling. Plaats tekst en afbeeldingen zo dat het makkelijk te volgen is. Gebruik hoofdletters voor je titel.

Stap 9: Voeg Details Toe

  • Overweeg om een slogan, website of telefoonnummer te gebruiken om informatie duidelijker te maken.

Stap 10: Controleer op Fouten

  • Lees de tekst opnieuw en kijk of er grammaticale of spelfouten zijn. Vraag iemand anders om het ook te controleren.

Stap 11: Presenteer de Poster

  • Laat je poster zien aan anderen. Vertel wat erop staat om je boodschap over te brengen.

Probeer de stappen stap voor stap te volgen en wees creatief! Veel succes!

Poster maken met CANVA

Poster maken met Canva

Opdrachten

Opdracht Thema 3 EHBO

Inleiding

EHBO is een vorm van hulpverlening die door gewone burgers kan worden geboden in afwachting van professionele eerstehulpverleners, zoals de ambulancezorgverlening. Eerste hulp is een belangrijke vaardigheid. Je wil toch kunnen helpen als iemand in je omgeving hulp nodig heeft? Wat doe jij bij een bloedneus, een botbreuk of snijwond?

Je zult drie verschillende EHBO-technieken aanleren en je zal daarvoor beoordeeld worden:

  • Mitella aanleggen
  • Pleister plakken
  • Verband omdoen

Mitella aanleggen: vouwen en omdoen

Een mitella is een hulpmiddelen om je arm te laten rusten. Bij verschillende aandoeningen aan arm, pols of sleutelbeen heeft de arm rust nodig. Een mitella maken we van een driekante doek. Een mitella kan gebruikt worden bij alle letsels aan de onderarm en/of hand.

Aanleggen van een mitella:

  • Haal de mitella uit de verpakking en vouw hem helemaal uit.
  • Haal de mitella tussen de arm en het lichaam door (linkse afbeelding hieronder). De lange kant moet aan de kant van de pols en de punt aan de kant van de elleboog. De slip die naar boven wijst gaat over de schouder aan de gezonde zijde.
  • Bij een breuk moet de onderarm horizontaal in de mitella. Bij wonden en kneuzingen moet de hand hoger dan de elleboog in de mitella liggen.
  • De slip die naar beneden wijst gaat over de schouder aan de gewonde zijde achter de nek langs (tweede afbeelding). Maak een platte knoop onder het oor aan de gezonde zijde. Niet achter in de nek omdat dit gaat vervelen bij het dragen van een jas.

De punt bij de elleboog kan op 3 manieren vastgezet worden (derde afbeelding). Heb je een veiligheidsspeld dan kan kun je de punt naar voren vouwen en vastzetten. Je kunt in plaats van de veiligheidsspeld ook kleefpleister gebruiken. Heb je geen veiligheidsspeld of kleefpleister maak dan een knoop zo dicht mogelijk bij de elleboog. Let erop dat de het vingerkootje van de pink net buiten de mitella steekt (vierde afbeelding).

Pleister plakken

Een pleister moet geplakt worden om een wondje schoon en beschermd te houden. Dit helpt om infecties te voorkomen en zorgt ervoor dat het sneller geneest.

Stappen pleister plakken

  • Spoel de wond schoon met water.
  • Dep voorzichtig droog met een schone doek of papier.
  • Ontsmetten het met ontsmettingsmiddel.
  • Knip de pleister op de juiste grootte.
  • Bedekken de wond met een pleister.

(Druk)Verband omdoen (Pols)

Een drukverband wordt aangelegd wanneer je iets gekneusd of verstuikt hebt. De belangrijkste reden om drukverband aan te leggen is om zwelling te voorkomen.

Hoe moet je drukverband aanleggen?
  • Als het slachtoffer sieraden draagt, doe deze dan eerst af.
  • Zet het geblesseerde gewricht in een stand die het prettigst is.
  • Om het verband makkelijk te laten rollen, is het belangrijk dat je als het ware in het verband kijkt.
  • Verbind naar het lichaam toe, leg de slagen zo dat steeds twee derde van de vorige slag bedekt wordt.
  • Trek het verband steeds licht aan, maar let erop dat je het niet te strak aantrekt.
  • Leg de laatste slag weer rondom en zet het verband vast met een kleefpleister of tape.

Drukverband omdoen

Opdracht Thema 4 Relaties & Seksualiteit Flyer Maken

Inleiding

Wat ga je doen?

Je gaat een flyer maken over verschillende soorten relaties. Denk aan vriendschap, liefde en andere soorten relaties, zoals LGBTQ+. De flyer moet laten zien waarom respect en begrip in relaties belangrijk zijn.

Wat is een flyer?

Een flyer is een klein, vaak kleurrijk papiertje waarop informatie staat over iets specifieks, zoals een evenement, een aanbieding of een product. Het doel van een flyer is om mensen snel en op een makkelijke manier te informeren en hun aandacht te trekken.

Flyers worden vaak verspreid in de stad, op school of in winkels. Ze zijn meestal kort en bondig, met opvallende afbeeldingen en teksten die de belangrijkste informatie in één oogopslag duidelijk maken. Denk bijvoorbeeld aan een flyer voor een concert, een uitverkoop in de winkel of een evenement op school.

De bedoeling van een flyer is dus om mensen nieuwsgierig te maken en ze te laten weten waar ze meer informatie kunnen vinden of waar ze naartoe moeten gaan.

De opdracht

Stap 1: Kies een onderwerp

Kies een onderwerp (zie volgende pagina) waar je interesse in hebt. Dit maakt het leuker om aan te werken!

Stap 2: Verzamel informatie

Beantwoord deze vragen:

  • Wat betekent jouw gekozen onderwerp?
  • Waarom is respect en acceptatie in relaties belangrijk?
  • Hoe beïnvloeden relaties je dagelijks leven?

Gebruik internet, boeken of eigen ervaringen om je flyer interessanter te maken.

Stap 3: Maak de flyer

Gebruik het programma Canva. Je flyer moet:

  • Een duidelijke en pakkende titel hebben.
  • Korte en begrijpelijke uitleg geven over jouw onderwerp.
  • Aantrekkelijk zijn, met plaatjes, kleuren of iconen.
  • Duidelijk uitleggen waarom respect en begrip belangrijk zijn.

Stap 4: Inleveren

  • Klik rechtsboven op "Delen".
  • Kies "E-mail" in het menu.
  • Vul het e-mailadres van je leraar in en voeg eventueel een bericht toe.
  • Klik op "Verstuur". Je leraar ontvangt dan een e-mail met je flyer en kan feedback geven.

Extra Tips!

  • Zorg dat iemand die jouw flyer bekijkt snel en makkelijk snapt waar het over gaat.
  • Gebruik voorbeelden om je uitleg duidelijker te maken.
  • Werk netjes en zorg dat je flyer overzichtelijk is!

Veel succes!

Mogelijke Onderwerpen voor de Flyer

Vriendschap

  • Wat is vriendschap?
  • Hoe bouw je een goede vriendschap op?
  • Het belang van vriendschap in het dagelijks leven.

Romantische Relaties

  • Wat zijn romantische relaties?
  • Hoe onderhoud je een gezonde romantische relatie?
  • Het verschil tussen vriendschap en romantische relaties.

LGBTQ+ Relaties

  • Wat betekent LGBTQ+?
  • Het belang van acceptatie van LGBTQ+ relaties.
  • Veel voorkomende misverstanden over LGBTQ+ relaties.

Familie Relaties

  • Het belang van familiebanden.
  • Hoe houd je relaties met je familie gezond?
  • Vormen van familie: kerngezin, samengesteld gezin, enz.

Diversiteit in Relaties

  • Wat is diversiteit in relaties?
  • Het belang van respect en begrip voor verschillende soorten relaties.
  • Hoe cultuur en achtergrond invloed hebben op relaties.

Relaties en Sociale Media

  • Hoe sociale media invloed heeft op relaties (positief en negatief).
  • Het belang van grenzen stellen op sociale media.
  • Vriendschappen en romantische relaties online.

Gezonde en Ongezonde Relaties

  • Wat maakt een relatie gezond?
  • Waaraan herken je een ongezonde relatie?
  • Wat te doen bij een ongezonde relatie?

Relaties en Communicatie

  • Het belang van goede communicatie in relaties.
  • Hoe los je conflicten op in vriendschappen en romantische relaties?
  • Lichaamstaal en non-verbale communicatie in relaties.

Relaties en Emoties

  • Hoe beïnvloeden emoties je relaties?
  • Omgaan met conflicten en emoties in vriendschappen en romantische relaties.
  • Het belang van emotionele steun in relaties.

Relaties in Verschillende Culturen

  • Hoe gaan verschillende culturen om met relaties?
  • Wat kun je leren van andere culturen over relaties?
  • De invloed van tradities op relaties in verschillende culturen.

Hoe maak je een flyer?

  • Ga naar Canva: Open je internetbrowser en typ in de zoekbalk: canva.com. Maak een gratis account aan als je dat nog niet hebt.

  • Kies een flyer: Als je eenmaal in Canva bent, typ je "flyer" in de zoekbalk bovenaan. Er komen nu veel verschillende flyer-ontwerpen tevoorschijn. Klik op een ontwerp dat je leuk vindt.

  • Pas de tekst aan: Klik op de tekst die je wilt veranderen. Je kunt de tekst typen die je op de flyer wilt zetten, zoals de naam van je evenement of aanbieding.

  • Verander de kleuren en afbeeldingen: Je kunt de kleuren van de achtergrond of de tekst veranderen door op het element te klikken. Ook kun je afbeeldingen toevoegen door op de "Afbeeldingen" knop aan de linkerkant te klikken en te zoeken naar plaatjes die je mooi vindt.

  • Voeg extra elementen toe: Wil je bijvoorbeeld een vorm, lijn of icoon toevoegen? Klik dan op de knop "Elementen" aan de linkerzijde. Daar kun je veel leuke dingen vinden om je flyer mee op te vrolijken.

  • Sla je flyer op: Als je klaar bent, klik je rechtsboven op de knop "Downloaden" en kies je het bestandsformaat (meestal kies je PNG of PDF). Je kunt de flyer nu opslaan en printen!

Flyer ontwerpen in Canva

Beoordeling

Criteria

1 - Onvoldoende

2 - Voldoende

3 - Goed

4 - Uitstekend

Inhoud & Informatie

Belangrijke info ontbreekt of is onjuist.

Basisinfo is aanwezig, maar mist uitleg of diepgang.

Info is correct en duidelijk. Kleine details kunnen beter.

Alle info is volledig en goed uitgelegd. Extra details toegevoegd.

Opmaak & Ontwerp

Slordig of onleesbaar. Weinig aandacht aan opmaak.

Beetje rommelig of saai. Tekst en beeld niet altijd in balans.

Netjes en duidelijk. Goede verdeling van tekst en beeld.

Zeer overzichtelijk en aantrekkelijk. Goed kleur- en beeldgebruik.

Duidelijkheid & Leesbaarheid

Veel fouten, onleesbaar of onbegrijpelijk.

Soms onduidelijk door fouten of moeilijke zinnen.

Duidelijk met kleine taalfouten. Over het algemeen goed leesbaar.

Geen taalfouten, goed geformuleerd en makkelijk te lezen.

Creativiteit

Geen creativiteit of saaie flyer.

Basisidee is er, maar weinig origineel.

Interessant en creatief, maar kan nog iets unieker.

Origineel, opvallend en goed uitgewerkt.

Gebruik van Feiten & Bronnen

Geen feiten of bronnen, info is onbetrouwbaar.

Beperkte feiten, geen of onduidelijke bronnen.

Feiten zijn goed gebruikt, maar bronvermelding kan beter.

Betrouwbare bronnen correct vermeld, feiten versterken de inhoud.

Respect & Acceptatie

Weinig tot geen aandacht voor respect en acceptatie.

Wordt genoemd, maar niet goed uitgewerkt.

Duidelijke aandacht voor respect en acceptatie.

Respect en acceptatie komen goed naar voren en inspireren.

Afbeeldingen

Geen of slechte afbeeldingen die niet passen.

Afbeeldingen zijn niet altijd relevant of missen kwaliteit.

Afbeeldingen ondersteunen de flyer goed.

Sterke, relevante afbeeldingen die de flyer versterken.

Voorbeeld

Voorbeeld
Voorbeeld

Opdracht Thema 5 De Was

Inleiding

Het is belangrijk om de was op de juiste wijze te doen om ervoor te zorgen dat je kleding schoon blijft en langer meegaat. Door kleding goed te sorteren, juiste temperatuur en wasprogramma te kiezen, voorkom je dat kleding krimpt, verkleurt of beschadigd raakt. Zo houd je je kleding mooi en fris. 

De opdracht bestaat uit drie onderdelen, je gaat de was sorteren, etiketten lezen en opvouwen.

 

Was sorteren

Het sorteren van de was is erg belangrijk voor het behoud van de kleur en kwaliteit. Tegenwoordig zijn veel wasmiddelen in staat de kleuren van de kleding gescheiden te houden, maar dit geldt lang niet voor alles. Daarom is het belangrijk om kleren te scheiden.

Het scheiden doe je door allereerst alles op kleur te scheiden. Daarna is het belangrijk dat je goed kijkt naar de temperatuur en van welk materiaal het is gemaakt. Deze kun je vinden op het label binnen in de kleding.
Opdracht: Maak 4 stapels van de was en sorteer ze op Witte/lichte was, Fijne was, Bonte was en donkere was.

Instructiekaart wasgoed sorteren
Instructiekaart wasgoed sorteren

Was opvouwen

Bij het vouwen van wasgoed van de zelfde soort is het belangrijk om alle was op dezelfde manier te vouwen, dit zorgt er voor dat de kleding gemakkelijk te stapelen is in de kast. Hierdoor blijft een kast netjes en overzichtelijk.
Opdracht: Vouw een broek en shirt zoals het aangegeven staat op de werkkaart.

Instructiekaart wasgoed vouwen
Instructiekaart wasgoed vouwen

Etiketten lezen

Om de kwaliteit van je kleding goed te houden is het belangrijk dat je het was etiket goed bekijkt. Op het etiket staat in hoe je het product moet behandelen, wassen, drogen en strijken. Voor de levensduur van het product is het dus belangrijk dat je hier goed naar kijkt, tijdens het sorteren van de was houd je hier ook rekening mee. Was je een product te heet dan kan hij bijvoorbeeld krimpen en dat zou zonde zijn.
Opdracht: Benoem de betekenissen van verschillende was symbolen.

Wassymbolen
Wassymbolen

Opdracht Thema 6 Voeding en Vertering PowerPoint

Inleiding

Tijdens dit thema maken jullie in tweetallen een PowerPointpresentatie die jullie uiteindelijk ook zullen presenteren. Het onderwerp gaat over een voedingsmiddel, waarbij je onderzoekt welke voedingsstoffen erin zitten en in welke schijf van de Schijf van Vijf het voedingsmiddel thuishoort. Informatie over de Schijf van Vijf en voedingsstoffen kunnen jullie vinden in het verzorgingsboek (thema/hoofdstuk 6) en op internet. Op de site van het Voedingscentrum is veel informatie te vinden over de Schijf van Vijf (zie link onderaan de tekst). In deze studiewijzer krijgen jullie meer uitleg over hoe je aan het werk kunt gaan. Belangrijk is dat je deze studiewijzer volledig afrondt.

Voedingscentrum schijf van vijf

Schijf van 5

Als je eet volgens de Schijf van Vijf, dan krijg je alle voedingsstoffen binnen die je nodig hebt. De Schijf van Vijf bestaat uit 5 vakken en vijf regels die je helpen om gezondere keuzes te maken.

De schijf van vijf bestaat uit 5 vakken en vijf regels.

Dit zijn de vakken:

  1. Groente en fruit
  2. Brood, (ontbijt)granen, aardappelen, rijst, pasta en peulvruchten
  3. Zuivel, vlees(waren), vis, ei en vleesvervangers
  4. Vetten en olie
  5. Dranken

Belangrijk zijn deze vijf regels:

  1. Eet gevarieerd
  2. Eet niet te veel en beweeg
  3. Gebruik weinig verzadigd vet
  4. Eet volop groente, fruit en brood
  5. Ga veilig met voedsel om

Duurzaam & Gezond eten met de Schijf van Vijf | Voedingscentrum

Bekijk het filmpje en lees blz. 260 t/m 263 (Leerwerkboek BK 6.3) of blz. 130 t/m 132 (Handboek KGT 6.2). Maak daarbij de volgende opdrachten.

Voedingsstoffen

Voedingsstoffen zijn de bruikbare stoffen uit voedingsmiddelen en een voedingsmiddel is alles wat je eet of drinkt. De voedingsmiddelen kunnen de volgende voedingsstoffen bevatten:

  • Koolhydraten
  • Eiwitten
  • Vetten
  • Vitaminen
  • Mineralen
  • Water

Al deze voedingsstoffen hebben in je lichaam een of meerdere functies. De functies van voedingsstoffen zijn:

  • Bouwstof
  • Brandstof
  • Reservestof
  • Beschermende stof

Lees 6.1 6.2 en 6.3 uit je verzorgingsboek en maak de volgende opdrachten.

PowerPoint

Jullie gaan een PowerPoint maken. PowerPoint is een programma waarmee je op een handige manier presentaties kunt maken. Je kunt bijvoorbeeld tekst combineren met beeld en geluid en dit in de vorm van een serie dia’s projecteren met een beamer in een klaslokaal.

Er zijn enkele punten die zeer belangrijk zijn bij het maken van een PowerPoint. Bekijk deze goed en zorg dat je deze punten verwerkt in je opdracht:

  • Ontwerp en achtergrond van PP zijn duidelijk en passend
  • De presentatie heeft duidelijk contrast (goed zichtbaar verschil tussen licht en donker). Bevat titel-dia (duidelijke titel met onderwerp, naam of groep)
  • Bevat inhoudsopgave (puntsgewijs vermeld wat behandeld gaat worden)
  • Presentatie bevat in elke dia goed gekozen afbeeldingen, korte zinnen, geen lange en hoofdzaken, geen bijzaken.
  • Presentatie ziet er verzorgd uit en bevat geen taalfouten.
  • Presentatie bevat duidelijke afsluiting (bijvoorbeeld leuke eind-dia) en er wordt ruimte gegeven voor vragen.

Instructie: Start PowerPoint

Wanneer je een presentatie maakt is het belangrijk van tevoren een aantal zaken goed in de gaten te houden. De hoofdzaak van presentaties is het overbrengen van informatie. Het is daarom belangrijk dat je de tijd neemt om te bedenken hoe je dit wilt gaan doen. Zet eerst in grote lijnen je presentatie op papier, een soort inhoudsopgave waarin je opschrijft wat je wilt vertellen, in welke volgorde, wat de kernboodschap is, enzovoort. Aan de hand van deze aantekeningen kun je de presentatie in PowerPoint ontwerpen.

Bekijk het filmpje en begin met je PowerPoint.

Start PowerPoint

Instructie: Thema

Bekijk het 2e filmpje en ga verder met je presentatie.

Thema

Instructie: Plaatje

Plaatje

Instructie: Nog meer plaatjes

Nog meer plaatjes

Instructie: Tekst vak en opsomming

Tekst vak en opsomming

Praktijkopdracht PowerPoint maken

Maak een Powerpointpresentatie en ga deze samen met een medeleerling presenteren. Het onderwerp van jullie presentatie gaat over een enkelvoudige voedingsmiddel. Dus niet bijvoorbeeld over een pizza, daar zitten meerdere voedingsmiddelen in. De presentatie moet minimaal 10 minuten duren.

De volgende punten zijn belangrijk voor de PowerPoint:

  • Bevat titel-dia (duidelijke titel met onderwerp, afbeelding, naam of groep)
  • Bevat inhoudsopgave (puntsgewijs vermeld wat behandeld gaat worden)
  • Het onderwerp is een voedingsmiddel uit de Schijf van Vijf.
  • Beschikt over dia: Schijf van vijf
  • Beschikt over dia: Voedingstoffen van het voedingsmiddel
  • Beschikt over dia: Functie voedingstof (bouwstof, brandstof etc.)
  • Bevat in elke dia goed gekozen afbeeldingen, korte zinnen, geen lange en hoofdzaken, geen bijzaken.
  • Bevat duidelijke afsluiting (bijvoorbeeld leuke eind-dia) en er wordt ruimte gegeven voor vragen.

 

De volgende punten zijn belangrijk voor de presentatie:

  • Welke voedingsstoffen zitten in het voedingsmiddel?
  • In welk vak van de schijf van vijf zit het?
  • Is het product belangrijk voor jouw dagelijkse voedingspatroon?
  • Is het geschikt voor mensen die vegetarisch eten? En waarom?
  • Is het geschikt voor mensen met een voedselallergie zoals bijv. lactose beperkt, glutenvrij of pinda-allergie? Leg uit waarom.
  • Hoe ging de samenwerking?
  • Ben je tevreden over de taakverdeling en hebben jullie deze verdeeld? En waarom?
  • Werden de afspraken nagekomen?
  • Wat zou je de volgende keer anders doen?

Stappenplan

  1. Kies een voedingsmiddel uit de lijst (bijv. appel, kipfilet, olijfolie, havermout).

  2. Onderzoek dit voedingsmiddel. Zoek informatie over:

    • In welke groep van de Schijf van Vijf hoort het?

    • Welke voedingsstoffen zitten erin (bijv. vezels, vitamines, eiwitten, gezonde vetten)?

    • Waarom is dit belangrijk voor je gezondheid?

    • Hoeveel heb je ongeveer per dag nodig?

    • Voorbeelden van gerechten waarin dit voedingsmiddel voorkomt.

  3. Maak een PowerPoint met minimaal 5 dia’s:

    • Titel + namen

    • Beschrijving van het voedingsmiddel

    • Belangrijke voedingsstoffen en hun functie

    • Waarom dit product gezond is / hoe vaak je het kunt eten

    • Voorbeelden en plaatjes van gerechten

    • Wees creatief (quiz, vragen, filmpje etc.)

  4. Bereid je presentatie voor (ongeveer 10 minuten).

    • Spreek duidelijk en wissel elkaar af.

    • Gebruik de dia’s als steun, maar lees niet alles voor.

  5. Presenteer voor de klas.

Mogelijke onderwerpen

Groente en fruit

  • Appel

  • Banaan

  • Sinaasappel

  • Aardbei

  • Druiven

  • Wortel

  • Broccoli

  • Paprika

  • Tomaat

  • Komkommer

Volkoren producten

  • Volkorenbrood

  • Volkorenpasta

  • Zilvervliesrijst

  • Havermout

Eiwitrijke producten

  • Kipfilet

  • Zalm

  • Tonijn

  • Ei

  • Linzen

  • Kikkererwten

  • Tofu

Zuivel en alternatieven

  • Magere yoghurt

  • Magere melk

  • 30+ kaas

  • Sojadrink verrijkt met calcium

Vetten en olie

  • Olijfolie

  • Halvarine

  • Noten (ongezouten, bv. amandelen, walnoten)

  • Avocado

 

Tips

Hieronder vind je handige tips voor je opdracht. Als je deze gebruikt, wordt het een stuk makkelijker én leuker om je opdracht goed af te maken!

  • Waarom hoort dit voedingsmiddel bij de Schijf van Vijf?

  • Welke voedingsstoffen zitten erin? (bijv. vezels, vitamines, eiwitten)

  • Hoe kun je het gebruiken in gerechten?

  • Wat is een gezonde portie?

  • Waar komt het vandaan? (in Nederland of uit een ander land?)

  • Hoe wordt het gemaakt of geteeld? (bijv. van graan tot brood, van melk tot yoghurt)

  • Is het duurzaam of milieuvriendelijk? (seizoensproduct, biologisch, korte of lange reis)

  • Hoe kun je het het beste bewaren? (koelkast, vriezer, kast)

  • Zijn er gezondere varianten? (bijv. volkoren brood i.p.v. wit brood)

  • Wat gebeurt er als je er te weinig of te veel van eet?

  • Wordt dit product in andere landen of culturen veel gebruikt?

  • Een leuk weetje of feitje (bijv. hoeveel mensen dit eten of drinken).

Oefenstof Thema 4

Inleiding

In thema 4 leer je alles over relaties en seksualiteit. Je krijgt informatie over voortplanting, menstruatie, het menselijk lichaam en verschillende soorten relaties. Met deze studiewijzer krijg je extra oefenstof zodat je je beter kunt voorbereiden op je proefwerk.

Veranderingen in de puberteit

De puberteit is een periode van ongeveer 12 tot 16 jaar waarin je veel veranderingen doormaakt:

Geestelijke veranderingen: Je kunt vaker last hebben van emoties zoals boosheid, verdriet of onzekerheid. Ook wordt seksualiteit belangrijker en kun je verliefd worden.

Sociale veranderingen: Je wordt zelfstandiger en wilt graag bij een groep horen.

Lichamelijke veranderingen: Door hormonen groei je sneller (groeispurt), krijg je haar onder je oksels en rond je geslachtsorganen, en ontwikkelen je secundaire geslachtskenmerken.

Geslachtskenmerken

Er zijn primaire en secundaire geslachtskenmerken:

Primaire geslachtskenmerken zijn al bij de geboorte aanwezig:

  • Jongens: balzak en penis

  • Meisjes: schaamlippen en vagina

Secundaire geslachtskenmerken ontstaan vanaf ongeveer het 10e levensjaar:

  • Jongens: borsthaar, baardgroei, zwaardere stem, gespierde lichaamsbouw

  • Meisjes: borsten, bredere heupen, rondere lichaamsvormen

Hormonen spelen een belangrijke rol bij de ontwikkeling van deze kenmerken.

Voortplantingsstelsel van de man

Het voortplantingsstelsel bestaat uit organen die zorgen voor de voortplanting en beginnen te werken in de puberteit.

Balzak: bevat teelballen en bijballen, houdt de temperatuur iets lager voor de ontwikkeling van zaadcellen.
Teelballen: maken zaadcellen.
Bijballen: slaan zaadcellen tijdelijk op.
Zaadleiders: vervoeren zaadcellen.
Zaadblaasjes en prostaat: voegen vocht en voedingsstoffen toe aan de zaadcellen.
Urinebuis: vervoert urine en sperma.
Penis: brengt sperma in de vagina.

  • Zwellichamen zorgen voor een erectie.

  • Eikel vangt prikkels op die kunnen leiden tot een orgasme.

  • Voorhuid bedekt de eikel; bij besnijdenis wordt deze verwijderd.

Zaadlozing: Sperma komt met schokken uit de penis, wat kan gebeuren tijdens geslachtsgemeenschap, zelfbevrediging (masturbatie) of in de slaap (natte droom).

Het voortplantingsstelsel  van een man
Het voortplantingsstelsel van een man

Het voortplantingsstelsel van een vrouw

Het voortplantingsstelsel van een vrouw:

  • Eierstokken: Hier rijpen de eicellen, dit gebeurt van de puberteit tot de overgang.

  • Eileiders: Vervoeren de eicellen.

  • Baarmoeder: Hier groeit een baby tijdens de zwangerschap.

  • Vagina:

    • Ontvangt sperma bij geslachtsgemeenschap.

    • Bij menstruatie wordt bloed en slijmvlies via de vagina uitgescheiden.

    • Bij de geboorte komt het kind via de vagina ter wereld.

  • Schaamlippen: Binnenste schaamlippen maken slijm om de vagina glad te houden. Buitenste schaamlippen beschermen de binnenste.

  • Clitoris: Voelt prikkels die kunnen leiden tot een orgasme.

  • Maagdenvlies: Een dun randje weefsel aan het begin van de vagina.

Meisjesbesnijdenis: Het verwijderen van de schaamlippen en/of clitoris. Dit is een vorm van verminking en is verboden.

 

Ovulatie, bevruchting en innesteling:

  • Ovulatie: De eisprong, waarbij een eicel vrijkomt uit de eierstok. De eicel leeft 12 tot 24 uur.

  • Bevruchting: De zaadcel versmelt met de eicel in de eileider. Dit kan alleen gebeuren tijdens de vruchtbare periode.

  • Innesteling: Het bevruchte eitje (klompje cellen) nestelt zich in de baarmoederwand.

 

Het voortplantingsstelsel  van een vrouw
Het voortplantingsstelsel van een vrouw
Uitwendige voortplantingsorganen van een vrouw
Uitwendige voortplantingsorganen van een vrouw

Menstruatie

Menstruatie en de menstruatiecyclus

  • Menstruatie: Dit is het afstoten van een deel van het baarmoederslijmvlies wanneer een eicel niet is bevrucht. Dit wordt ook wel 'ongesteld zijn' genoemd.

  • Hygiëne: Tijdens de menstruatie gebruik je maandverband of een tampon. Het is belangrijk om dit regelmatig te vervangen en je met water te wassen.

  • Menstruatiecyclus:

    • Ovulatie (eisprong): Vindt meestal elke vier weken (+/- 28 dagen) plaats.

    • Menstruatie: Gebeurt ongeveer 14 dagen na de ovulatie als er geen bevruchting is geweest.

Menstruatiecyclus
Menstruatiecyclus

Relaties

Relaties en Seksualiteit

Er zijn twee soorten relaties:

  • Zakelijke relaties: Deze hebben te maken met werk of geld. Je werkt bijvoorbeeld samen of hebt iemand ergens voor nodig.

  • Persoonlijke relaties: Deze gaan over gevoelens en vriendschap.

Kenmerken van een goede persoonlijke relatie:

  • Je kunt elkaar vertrouwen.

  • Je voelt je veilig bij elkaar.

  • Je kunt je gevoelens met elkaar bespreken.

Seksualiteit is alles wat je voelt en doet met je eigen lichaam en dat van een ander. Dit kan een speciaal of opgewonden gevoel geven.

Seksualiteit speelt een rol in:

  • Het hebben van een speciale relatie.

  • Voortplanting.

  • Lustbeleving.

Voorbehoedmiddelen helpen om zwangerschap te voorkomen.

Seksuele voorkeuren:

  • Heteroseksueel: Aangetrokken tot het andere geslacht.

  • Homoseksueel: Aangetrokken tot hetzelfde geslacht.

  • Lesbisch: Homoseksuele meisjes of vrouwen.

  • Biseksueel: Aangetrokken tot beide geslachten.

Seksueel geweld kent verschillende vormen:

  • Ongewenste intimiteiten: Iemand aanraken zonder toestemming.

  • Aanranding: Seksueel betasten tegen iemands wil.

  • Verkrachting: Geslachtsgemeenschap onder dwang.

  • Incest: Seksueel misbruik door een familielid of vertrouwenspersoon.

  • Loverboy: Een jongen die een meisje verleidt en dwingt tot prostitutie.

Zwangerschap en geboorte

Zwangerschap en de ontwikkeling van het embryo

Tijdens de zwangerschap verandert het lichaam van een vrouw:

  • Ze heeft geen menstruatie.

  • Haar borsten worden groter omdat de melkklieren zich ontwikkelen.

Embryo en de baarmoeder:

  • Een embryo is het kindje dat in de baarmoeder groeit.

  • In het begin krijgt het embryo voeding via het baarmoederslijmvlies.

  • Later zorgt de placenta (moederkoek) voor de uitwisseling van voedingsstoffen en afvalstoffen tussen moeder en embryo.

  • De navelstreng verbindt het embryo met de placenta.

  • Het embryo zit in vruchtwater en wordt beschermd door twee vruchtvliezen. Dit beschermt tegen stoten, uitdroging en temperatuurwisselingen.

Geboorte:
Na ongeveer negen maanden begint de bevalling met weeën: samentrekkingen van de baarmoeder- en buikwandspieren.

Veilig vrijen

Hoe bescherm je jezelf tegen soa’s en zwangerschap?

  • Veilig vrijen: gebruik voorbehoedmiddelen om soa’s en zwangerschap te voorkomen.

  • Soa’s (seksueel overdraagbare aandoeningen): ziekten die je krijgt door intiem contact met een besmet persoon.

  • Geboorteregeling: samen beslissen of je een kind wilt of niet.

  • Condoom: een hoesje om de penis dat beschermt tegen soa’s en zwangerschap.

  • De pil: voorkomt zwangerschap door hormonen die de eisprong tegenhouden.

  • Onbetrouwbare methoden:

    • Periodieke onthouding: geen seks tijdens de vruchtbare dagen.

    • Coïtus interruptus/voor het zingen de kerk uit: terugtrekken vóór de zaadlozing.

  • Morning-afterpil: noodgevalpil tot 3 dagen na onveilige seks.

  • Abortus: een zwangerschap laten stoppen (mogelijk tot 23 weken).

Chlamydia en hiv

Chlamydia is de meest voorkomende soa in Nederland. Het wordt veroorzaakt door een bacterie en heeft vaak geen duidelijke symptomen. Soms is er afscheiding, pijn bij het plassen of bloedverlies. Zonder behandeling kan het bij vrouwen onvruchtbaarheid veroorzaken en bij mannen een bijbalontsteking. Chlamydia kan worden genezen met antibiotica.

Aids is een ernstige ziekte die wordt veroorzaakt door het hiv-virus. Het tast het afweersysteem aan, waardoor het lichaam zich niet meer goed kan verdedigen tegen ziektes. Besmetting gebeurt via bloed, sperma, vaginaal vocht, voorvocht of moedermelk, vaak door onveilige seks of gedeelde injectienaalden. Hiv kan niet worden genezen, maar hiv-remmers kunnen de ziekte vertragen.