2022-2023 Yuverta MBO KLAS HO31x: IBS 3.3 Inventariseren

2022-2023 Yuverta MBO KLAS HO31x: IBS 3.3 Inventariseren

Wat houdt deze IBS in?

Wat moet je doen om deze IBS voldoende af te sluiten?

Kick-off | WOB

Kennistoets | HSO

Praktijktoets | BNN

Producttoets | BNN

Opstellen plan van aanpak | BNN

Lesplanner

Week Maandag - 1e uur | Theorie
6 Opstellen plan van aanpak - agendabeheer
7
8 vakantie
9 Opstellen plan van aanpak - invullen plan van aanpak
10 Bodem - structuur theorie
11 Bodem - structuur praktijk
12 Bodem - bodemwater
13 Bodem - waterprofielen
14 Uitloop / toetsing
15 2e paasdag

Agendabeheer

Inleiding

Het opstellen van een planning is niet moeilijk. Het is een puzzel waar je uit komt als je de tijd ervoor neemt en keuzes kan maken. Het werken met een planning hoeft ook niet moeilijk te zijn. Drie eigenschappen zijn belangrijk om planmatig te kunnen werken:

  • Impulsbeheersing
  • Taakinitiatie
  • Taakaandacht

Als je dit van jezelf weet, kan je hier mee aan de slag. Dit hoeft geen rol te spelen in het opstellen van een planning.

 

Stap 1 bij het maken van een planning is het opstellen van een takenlijst of ‘todo list’
schrijf voor jezelf eens alle taken op die je de komende week zou moeten of willen doen. Slapen hoeft niet maar denk wel aan hobby’s e.d. Geef de taken een letter, bv a) voetbaltraining

 

Er is een verschil tussen een taak en zijn deadline. De taak is de activiteit en de deadline is het moment waarop het klaar moet zijn. De belangrijkste deadlines zijn die deadlines die extern aan de taak gekoppeld zijn. Daarna komen de deadlines die je zelf aan een activiteit geeft.

 

Stap 2 welke externe deadlines hebben de taken in je takenlijst? Zet de deadlines in je agenda. Doe dit met een andere kleur of eventueel met hoofdletters o.i.d. Zolang het maar anders is dan de taken die we daarna in de agenda gaan zetten.

 

Stap 3 hoeveel tijd denk je kwijt te zijn aan de taken? Schat dit realistisch in.

 

Sommige taken kan je pas doen als een andere taak gedaan is. Zo kan je pas planten als de planten besteld en geleverd zijn.

 

Stap 4 geef aan of een taak afhankelijk is van een andere taak. Zet achter de taak b.v. d > f

 

Sommige taken kan je opknippen. Naar de kapper gaan kan je niet in twee of meer keren doen maar het uitwerken van een opdracht kan bv ook in meerdere etappes.

 

Stap 5 geef bij elke taak aan of deze te knippen is of niet door er een K achter te zetten.

 

Stap 6 nu ga je de agenda invullen. Dit doe je door de activiteit als een blokje van tijd, in de agenda te zetten.

  • Je vult eerst de taken met een externe deadline die niet te knippen zijn. Houd rekening met de afhankelijkheid.
  • Daarna vul je de taken met een externe deadline die wel te knippen zijn. Knip deze op indien noodzakelijk. Houd rekening met de afhankelijkheid.
  • Daarna kijk je of je de taken waar nog geen externe deadline voor is maar die niet geknipt kunnen worden nog ergens in de agenda passen. Houd rekening met de afhankelijkheid.
  • Als je dat gedaan hebt (als het überhaupt gelukt is) ga je tenslotte kijken of er nog ruimte is voor geknipte taken zonder externe deadline. Houd weer rekening met de afhankelijkheid.

Invullen plan van aanpak

Voor deze IBS moet je, of tijdens de praktijklessen (BOL) of in je eigen tijd (BBL) verschillende werkzaamheden uitvoeren en dus ook inplannen.

Om te zorgen dat je alles op tijd doet en niets vergeet maak je een plan van aanpak. Hieronder vind je een leeg plan.

Opdracht 1

Maak koppels en verdeel de stappen die in het plan staan. Bepaal per stap de volgende zaken:

  • Wat ga je precies doen?
  • Wat heb je hier voor nodig?
  • Wie heb je hiervoor nodig?

Vul deze zaken in het plan van aanpak in. Hiervoor zal de docent het plan in Teams zetten zodat we hier allemaal in kunnen werken.

Opdracht 2:

Vul voor jezelf in dit plan van aanpak de data in.

Uitvoeren inventarisatie | WOB

Lesplanner

Lesmateriaal en opdrachten

Kaart lezen | HSO

Lesplanner

Lesmateriaal en opdrachten

Gereedschappen | HSO

Lesplanner

Lesmateriaal en opdrachten

Rapporteren | WOB

Lesplanner

Lesmateriaal en opdrachten

Bodem en bemesting | BNN

Lesplanner

Week Maandag - 1e uur | Theorie
6 Opstellen plan van aanpak - agendabeheer
7
8 vakantie
9 Opstellen plan van aanpak - invullen plan van aanpak
10 Bodem - structuur theorie
11 Bodem - structuur praktijk
12 Bodem - bodemwater
13 Bodem - waterprofielen
14 Uitloop / toetsing
15 2e paasdag

Bodemstructuur - theorie

Als we een beeld willen krijgen van de bodemgesteldheid, kunnen we gebruiken maken van drie vormen van (veld)onderzoek; een profielkuil, een grondboring en een kluitonderzoek.

In de afgelopen periode hebben jullie een profielkuil moeten graven. De overige twee vormen hebben jullie misschien ook al eens toegepast.

Profielkuil

Kluitonderzoek en grondboring

Opdracht 1: Eén van de eigenschappen die we in beeld willen krijgen is de structuur van de grond. Lees paragraaf 2.2 van de module Bodem en bemesting en maak de vragen die bij deze paragraaf horen.

Opdracht 2: Nu je weet wat bedoeld wordt met de structuur van de grond, moet je weten dat er verschillende vormen hiervan zijn. Voor het gemak hanteren we drie 'hoofd' structuurvormen; de kruimelstructuur, de korrelstructuur en de massieve structuur (plaatstructuur).

Lees paragraaf 2.3 en beantwoord de volgende vragen:

2a) Wat kan je zeggen over de verdeling van grote en kleine porien in de drie structuurvormen?

2b) Wat zegt dit over de water- en luchthuishouding van de verschillende structuren?

Een slechte bodemstructuur ontstaat meestal door menselijk handelen. De docent zal de volgende oorzaken kort bespreken:

  • Onbedekte of kale grond
  • Bewerking op natte grond
  • Zware belasting
  • Te sterke verkruimeling
  • Veelvuldige grondbewerking (> 1/jaar)

Bodemstructuur - praktijk

Structuurbepaling

We gaan in deze les de structuur van de bodem beoordelen. We doen dat in twee stappen:

  1. Bepaling bodemdichtheid (mbv een bodemprikstok)
  2. Bepaling bodemstructuur (mbv de kluitproef en valproef)

Ad. 1 Met een bodemprikstok kan je globaal vast stellen wat de bodemdichtheid is. Duw de stok met je duim de grond in. Bij een weerstand van ongeveer 1,5 mPa lukt dit niet meer. Duw dan met je vlakke hand. Wanneer ook dat niet meer gaat heb je een weerstand van ongeveer 3 mPa. Wortels gaan het moeilijk krijgen bij 2 mPa. Bij 3 mPa of meer is de wortelgroei ernstig belemmerd.

Ad. 2 Bij de kluitproef steken we voorzichtig een kluit uit van 1 steek breed en 1 steek diep. Doe het voorzichtig zodat deze niet uit elkaar valt. Kijk naar de wortelgroei, zie je veel of juist weinig wortels, groeien die wortels mooi recht of zitten er rare knikken in en hoe ruikt de grond? Krab met een mesje of een pen een kluitje uit de zijwand. Is deze hard en hoekig, mooi kruimelig of valt het als los zand uit elkaar?

Voor de valproef neem je weer een kluit (mag nu iets dieper) en laat deze vanaf ongeveer 1 m op de grond vallen. Bekijk hoe deze uit elkaar valt.

Aanpak:

Verdeel de groep in tweetallen. Ga in tweetallen bij elkaar zitten en bespreek welke bodemstructuren je waar in de schooltuin denkt te kunnen aantreffen (hypothese). Kies twee locaties en voer de drie proeven uit op beide locaties.  Noteer de gegevens.

Uitwerking:

Stel met z'n tweeen een rapport op waarin je omschrijft wat je hypothese was, waar je de proeven gedaan hebt, welke proeven je gedaan hebt en wat de uitkomst was. Was er een verschil met je hypothese en de bevindingen?

Je kan dit rapport inleveren bij de docent.

Bodemwater

Al de neerslag die op de bodem valt zakt voor een groot gedeelte de grond in. In de bodem zitten lagen en wanneer dit water op een ondoordringbare laag stuit ontstaat een grondwaterlaag. Hoe diep deze laag zit wisselt per regio en is ook afhankelijk van de hoeveelheid neerslag.

De waterhuishouding van de bodem hangt dan ook voor een groot gedeelte af van de stand van dit grondwater. Te diep en het terrein is droogtegevoelig, te ondiep en je hebt wateroverlast.

Waterprofielen

Grondwaterprofiel of hangwaterprofiel?

Voor het opstellen van een beplantingsplan is het belangrijk te weten met welk profiel je te maken hebt. Als je het heel precies wilt vaststellen moet je een uitgebreid onderzoek doen maar er is ook een eenvoudige manier om een redelijk goede indicatie te krijgen.

Stap 1. Bepaal de GVG en de GLG. Dit kan je op een bodemkaart opzoeken maar moet je ook altijd middels een veldonderzoek staven.

Stap 2. Bepaal de grondsoort. Ook hier geld weer, dit kan je op een bodemkaart opzoeken maar moet je ook altijd middels een veldonderzoek staven.

Stap 3. Bepaal de capillaire opstijging welke bij deze grondsoort past. Gebruik hierbij onderstaande tabel:

Stap 4. Tel de capillaire opstijging bij de GVG op en bepaal de diepte vanaf waar het grondwater bereikbaar is.

Stap 5. Tel de capillaire opstijging bij de GLG op en bepaal de diepte vanaf waar het grondwater bereikbaar is.

Als het profiel geen belemmeringen heeft, reiken de wortels van kruidachtige planten tot ongeveer 90 cm diepte en van houtige planten tot ongeveer 130 cm diepte.

Wanneer je beplanting in de zomer het grondwater kan bereiken heb je te maken met een grondwaterprofiel. Wanneer je beplanting alleen in het voorjaar het grondwater kan bereiken is het een contactprofiel. Wanneer je beplanting zowel in het voorjaar als in de zomer niet bij het grondwater kan, heb je te maken met een  hangwaterprofiel.

Lesmateriaal en opdrachten