Ontwikkelingspathologie in de school

Ontwikkelingspathologie in de school

Inleiding

Welkom op deze wiki over "Ontwikkelingspathologie in de school". Wij, Tom en Britt, hebben deze wiki gemaakt over verschillende met als doel om bruikbare informatie en handvatten te bieden voor leerkrachten en docenten binnen alle soorten onderwijs.

In deze wiki wordt aandacht besteedt aan verschillende (ontwikkelings)problematieken, waaronder ADHD, ASS, depressie en verslaving.

Alle onderwerpen worden uitgelegd door middel van literatuur en filmpjes, aansluitend worden de risico- en beschermende factoren benoemd en wat men kan doen in de klas of om hulp te bieden.

Tenslotte is er een extra kopje genaamd de executieve functies toegevoegd. Reden hiervoor is dat wij dit een mooie aanvulling vinden op de aanbevelingen en tips.

Op de volgende pagina wordt ingegaan op het thema “ADHD”.

ADHD

Attention (aandacht)

Deficit (gebrek aan)

Hyperactivity (hyperactiviteit)

Disorder (Aandoening)

 

De diagnose ADHD staat omschreven in de DSM, dat staat voor Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Het handboek van de psychiatrie, dat eenheid biedt in de diagnoses en alle symptomen die voorkomen bij een ziektebeeld helder omschrijft. In het kopje "Wat is ADHD?" wordt hier verder uitleg over gegeven.

Wat is ADHD?

ADHD wordt volgens de DSM-5 (American Psychiatric Association, 2013) tot de neurobiologische ontwikkelingsstoornissen gerekend. Het wordt omschreven als een aanhoudend patroon van onoplettendheid en/of hyperactiviteit-impulsiviteit dat het functioneren of de ontwikkeling belemmert

Voor het stellen van de diagnose ADHD zijn de volgende criteria van belang.

  • Het symptoom criterium: als zes of meer symptomen (zie tabel hieronder) van beide typen symptomen aanwezig zijn.
  • Leeftijdscriterium: meerdere symptomen aanwezig waren vóór het twaalfde jaar.
  • Context criterium: de symptomen moeten aanwezig zijn in meer dan één context, zoals thuis, school, met vrienden of werk.
  • Beperkings criterium: er moeten aanwijzingen zijn dat het sociale of schoolfunctioneren wordt belemmert of dat de kwaliteit verminderd.
  • Ander stoornissen criterium: de symptomen kunnen niet verklaard worden door een andere diagnose, zoals angststoornis.

NOS De waarheid over ADHD

Het brein

Mensen met ADHD hebben vaak problemen met motivatie en de executieve functies, zoals remfunctie (inhibitie), werkgeheugen, emotie-regulatie enzovoort (Barkley, 2012). Onderzoek toont aan dat de rijping van deze functies achterlopen bij een ‘normale’ ontwikkeling (Willcutt, Doyle, Nigg, Faraone, & Pennington, 2005).

ADHD en het brein

Leeftijd

Gedragskenmerken van ADHD kunnen verschillen per leeftijd. In Richtlijn ADHD (2017, p. 21) staan een aantal voorbeelden van leeftijdsgebonden uitingen:

Risico- en beschermende factoren

In een groep heb je te maken met veel verschillende leerlingen die elk zijn of haar eigenschappen hebben. Daarbij zullen leerlingen met ADHD in zekere mate opvallen. Zij vertonen gedragingen die kenmerkend zijn voor hun (ontwikkelings)stoornis. Daarbij kun je onderscheid maken tussen belemmerende en sterke factoren.

De Locker - Luca heeft ADHD

Comorbiditeit

ADHD gaat vaak samen met andere problemen en stoornissen, comorbiditeit. Uit onderzoek blijkt dat ADHD:

  • ruim 60% tot 100% samen gaat met minstens één andere psychische stoornis.

  • ruim 50% met andere gedragsproblemen of gedragsstoornissen.

  • ruim 50% heeft problemen met motorische coördinatie.

  • bij ongeveer ⅓ is er ook sprake van leerproblemen, zoals dyslexie of dyscalculie.

  • ruim 25% tot 50% heeft slaapproblemen.

  • ongeveer ¼ heeft last van angst- of stemmingsproblemen.

  • ruim 20% heeft een ticstoornis.

Men kan stellen dat het hebben van ADHD op zichzelf een risicofactor is voor het ontwikkelen van andere problemen.

ADHD-symptomen kunnen ook optreden als onderdeel van andere psychische stoornissen of daar soms zelfs het eerste verschijnsel van zijn. In dat geval is er geen sprake van comorbiditeit, maar moet een andere diagnose worden gesteld (Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming, z.d.).

Leerprestaties

Leerlingen met ADHD zijn vaak onderpresteerders. Als leerkracht heb je vaak het idee dat een leerling minder laat zien, dan je zou verwachten. Echter hoeft dit niets te maken hebben met intelligentie. Hieronder worden een aantal vakken met daarbij moeilijkheden benoemd:

  • Rekenen: moeite met het consistent toepassen van strategieën en moeite met automatiseren.

  • Schrijven: motorische onrust.

  • Technisch lezen: verbale-, articulatie-, automatiserings- en aandachtsproblemen.

  • Begrijpend lezen: minder werkgeheugen en beperkte aandachtsspanne (Horeweg, 2021).

Wat kun je doen in de klas?

Ten eerste is het van belang dat de leerling, de ouders, maar ook de leerkracht moeten leren omgaan met ADHD. Met een aantal wijzigingen in de dagelijkse routine kun je een heel eind komen. Leerlingen met ADHD ontwikkelen dagelijks benodigde vaardigheden langzamer dan anderen. Deze vaardigheden kunnen ze wel leren, alleen hebben ze hier langer en meer ondersteuning bij nodig. Deze ondersteuning en aanpassingen moeten zowel op organisatorisch, pedagogisch als didactisch gebied worden gedaan. Op het moment dat de moeilijkheden worden erkend, dan zal de leerling beter functioneren in de klas en zal het tevens bijdragen aan een beter welbevinden (Horeweg, 2021).

Effectieve instructie met het Directe instructiemodel

KVK: Ik heb ADHD

Klokhuis ADHD

ADHD behandeling

Een ADHD behandeling kan uit verschillende onderdelen bestaan. Het is vaak een combinatie van:

Psycho educatie: Bij psycho educatie krijgen, kinderen, ouders, broertjes en zusjes, leerkrachten en andere naasten voorlichting over ADHD en de eventuele behandeling. Het doel van psycho-educatie is dat men een beter beeld krijgt van wat ADHD inhoudt en wat de beste omgangsvorm is. Hierdoor zal er meer begrip ontstaan en realistisch verwachting ten aanzien van een behandeling (Corkum, Rimer & Schahar, 1990; Hoza et al.,2000).

Voor sommige gezinnen en leerkrachten is het aanbieden van psycho educatie voldoende, naarmate de leerling ouder wordt is herhaling van psycho educatie van belang en wordt het gedrag van de leerling beter hanteerbaar. Wanneer dit niet voldoende is kan worden gekozen voor medicatie of voor psychosociale interventies.

Medicatie: Wanneer voor medicatie wordt gekozen is het belangrijk dat het zorgvuldig gebeurt het is maatwerk om te bepalen welk middel iemand nodig heeft. Ritalin is hier een voorbeeld van. De medicatie mag alleen worden voorgeschreven door een gespecialiseerde arts of psychiater.

Psychosociale interventies: Voor ADHD zijn er verschillende soorten psychosociale interventies beschikbaar. Sommige interventies richten zich op de ouders en andere interventies richten zich op leerkrachten of op de leerlingen.

De meeste interventies zijn gedragstherapeutische en richten zich op het minder maken van ADHD symptomen of comorbide problemen, zoals opstandig gedrag, opvoedproblemen, problemen op school. Ouders en leerkrachten leren vaardigheden om het gedrag van de leerling te sturen en de kinderen leren plannen of aanleren van sociale vaardigheden en zelfregulatie (Pelham & Fabiano, 2008; Evans et al., 2014).

Gedragstherapeutische oudertraining: Ouders leren in de gedragstherapeutische training om structuur aan te brengen in de omgeving van het kind. Tevens leren ze hoe ze passend kunnen reageren op ongewenste gedragingen en beogen deze interventies een positief gevoel om de ouderlijke competentie te versterken (Kenniscentrum kinder- en jeugdpsychiatrie, 2016).

School en leerkracht training: Leerlingen met ADHD hebben vaak problemen op school, zoals moeite om een langere tijd alert en gemotiveerd te blijven. Ze hebben moeite om te plannen en organiseren, hun werk op tijd af te hebben. Leerkrachten spelen een belangrijke rol in de behandeling van leerlingen met ADHD. Een juiste aanpak van ADHD in de klas is van groot belang voor het succes van deze kinderen op school. (DuPaul & Weyandt, 2006; Hinfelaar, Verheijden & Prins, 2011; Pieterse, Luman, Paternotte & Oosterlaan, 2013; Boer et al., 2016). Deze interventies zijn gericht op het training van leerkrachten op het verbeteren van werkhouding en taakgericht gedrag van de leerlingen en op het terugdringen van storende gedragingen ​​(Boer et al., 2016; Hoekstra et al., 2015).

ASS

Autisme

Spectrum

Stoornis

Autisme en zintuiglijke waarneming

Wat is ASS?

Bij mensen met het autisme spectrum stoornis (ASS) wordt de informatie in de hersenen anders verwerkt dan bij mensen die geen autisme hebben. Mensen met autisme nemen de wereld in losse deeltjes waar, als een serie foto’s in plaats van een film. Autisme kun je aan de buitenkant niet zien, maar je kunt wel merken of iemand het heeft.

Autisme is niet bij iedereen hetzelfde en kenmerken kunnen per persoon verschillen. Echter zijn er twee kenmerken die altijd te maken hebben met autisme, namelijk:

  • Hoe ze met anderen omgaan: Ze worden niet altijd even goed begrepen. Ze hebben moeite om een ander te begrijpen hoe hij zich voelt of hoe diegene denkt.

  • Hoe ze zich gedragen: Ze kunnen bepaalde onderwerpen interessant vinden en alles hiervan (willen) weten. Mensen met ASS kunnen alleen maar aan dit onderwerp denken. Ze herhalen de dingen die ze doen en kunnen hier in opgaan.

De naam autismespectrumstoornis (ASS) wordt gebruikt voor de overkoepelende vormen van ASS. Echter uit autisme zich bij ieder individu anders. Met autismespectrumstoornis worden verschillende diagnoses bedoeld: Klassiek Autisme, Asperger, PDD-NOS en McDD (Hersenstichting, 2021).

In Hulpgids (2021) staat over de DSM-5 criteria ASS het volgende:

Het brein

ASS en het brein

Leeftijd

Autisme heeft invloed op alle levensterreinen, in alle levensfasen. De mate waarin is sterk individueel bepaald en hangt vaak ook af van iemands levensfase.

Schoolkinderen

Kinderen met autisme kunnen niet goed tegen dingen die veranderen of anders verlopen dan vooraf gepland. Ze kunnen dan boos of angstig worden. Kinderen met autisme zijn het liefst bezig met een bepaalde hobby of onderwerp. Tevens kunnen kinderen autisme snel last hebben van externe prikkels, zoals harde geluiden of kriebelige stoffen.

Kenmerken leeftijdsfase:

  • moeite met veranderingen.

  • moeite met contact maken.

  • weinig gevoel voor wat anderen van hem of haar verwachten in een bepaalde situatie.

  • angstig in gezelschappen of onbekende situaties.

  • nauwelijks begrip voor emoties van anderen.

  • doen graag alles op dezelfde manier (routines).

  • beperkt inzicht in non-verbale communicatie (gebaren).

Pubers

Het lichaam verandert in de pubertijd, hormonen zorgen dat een kind zich ontwikkelt tot een volwassenen. Voor kinderen met autisme kunnen lichaamsveranderingen beangstigend zijn. Als je autisme hebt loopt je ontwikkeling niet altijd gelijk met je ‘kalenderleeftijd’. Op het ene gebied ontwikkelt het zich sneller, terwijl het op een ander gebied juist wat langzamer ontwikkelt. Voorbeeld: Een puber kan zijn 14e verjaardag vieren, maar op sociaal-emotioneel gebied functioneren het als een 5-jarige. Terwijl het kennis van bijvoorbeeld schaken heeft op het niveau van een volwassenen (NVA, z.d).

Risico- en beschermende factoren

Leerlingen met ASS zullen in zekere mate opvallen. Zij vertonen gedragingen die kenmerkend zijn voor hun (ontwikkelings)stoornis. Daarbij kun je onderscheid maken tussen belemmerende en sterke factoren.

Comorbiditeit

Personen met ASS hebben vaak nog een andere (niet aan ass gerelateerd) aandoening naast ASS. Dit wordt comorbiditeit genoemd. Meest voorkomende aandoeningen met ASS:

  • OCD, Obsessieve- Compulsieve Stoornis (dwanggedachten). ASS en OCD gaan vaak samen en beïnvloeden, overlappen en versterken elkaar en levert vaak chronische vermoeidheid op.

  • Depressie, burnout. Naast een negatief zelfbeeld blijken een burn-out en depressie bij mensen met ASS een veel voorkomende geestelijke aandoening.

  • Angststoornissen. Mensen met ASS hebben vaak moeite met een sociale angststoornis, waarbij ze angst hebben voor sociale interacties.

  • Eetstoornissen. Smaak is een geheel aan prikkeling van onze zintuigen. Bij eetstoornissen en ASS heeft het te maken met selectief eetgedrag of vanuit de psycho/emotie (Leven met autisme, 2020).

Wat kun je doen in de klas?

Als leerkracht moet je in je communicatie een aantal basisregels in acht nemen, hierdoor kun je het contact met leerlingen met autisme vergemakkelijken. Ook kun je in de omgeving een aantal aanpassen doen, om de omgeving zo voorspelbaar mogelijk maken. Tenslotte is het raadzaam om aandacht te hebben voor specifieke onderdelen tijdens de instructie, activiteiten, pauzes, gym en huiswerk. Dit kan je als volgt doen:

Wij doen ook mee!

Klokhuis Autisme

Premack Principe
Premack Principe

ASS behandeling

Het is nog niet bekend wat de oorzaken van ASS zijn. Hierdoor is het niet mogelijk om deze te verhelpen. ASS is nog maar beperkt te behandelen en (nog) niet te genezen. De behandeling richt zich voornamelijk op twee aspecten. Namelijk:

  • Aanleren van vaardigheden om zo goed mogelijk met de de beperkingen om te gaan.

  • Aanpassen van gericht op de omgeving, zoals vaste werkplek of een vaste dagindeling (Hersenstichting, 2021).

Executieve functies

Executieve functies maken het ons mogelijk om ons gedrag te organiseren en korte termijn behoeften opzij te schuiven ten behoefte van langetermijndoelen. Dankzij deze vaardigheden kunnen we activiteiten plannen en organiseren, onze aandacht ergens op gericht houden en de uitvoering van een taak volhouden. Executieve functies stellen ons in staat om emoties te reguleren en onze gedachten te monitoren, zodat we efficiënter en effectiever kunnen werken.

Kinderen met ADHD en ASS hebben zwakke executieve vaardigheden, hierdoor is het raadzaam om extra aandacht te besteden aan het ontwikkelen van de executieve functies.

Per executieve functie zal kort worden beschreven wat de vaardigheid inhoud, met aansluitend tips voor het stimuleren van de vaardigheid (Dawson & Guare, 2019).

Executieve functies

Basis aanbeveling

Metacognitie

Beertje Bedachtzaam
Beertje Bedachtzaam

Metacognitie is het vermogen om jezelf te monitoren en evalueren door te vragen ‘hoe doe ik het? of hoe heb ik het gedaan?

De leerling geeft blijk van metacognitie door:

  • Uitgevoerd werk controleren voordat het in wordt geleverd.

  • Aangeven dat een taak niet wordt begrepen.

  • Eigen vaardigheden beoordelen om persoonlijke doelen te bereiken.

  • Een strategie kiezen om een taak te volbrengen.

Tips bij het stimuleren van metacognitie:

  • Personage “Beertje Bedachtzaam” gebruiken als reminder “Hoe doe ik het?” of “Hoe heb ik het gedaan?”

  • Leer de leerling reflecteren op eigen werk.

  • Werk met een emotiemeter en laat ze reflecteren op eigen emoties.

  • Bedenk samen stappen en strategieën en maak ze visueel.

  • Teken gesprekken uit.

  • Geef de leerling in stappen stukjes autonomie in het zelfstandig werken.

  • Bied succeservaringen en bespreek ze.

  • Beoordeel het proces, niet de leerling (Dawson & Guare, 2019).

Metacognitie

Reactie-inhibitie

Rob Stop
Rob Stop

Nadenken voordat je iets doet. De vaardigheid om een reactie tegen te houden of uit te stellen. Kinderen die moeite hebben met reactie-inhibitie zijn impulsief, zeggen of doen dingen zonder eerst na te denken.

De leerling geeft blijk van reactie-inhibitie door:

  • In de klas de hand op te steken en pas te spreken na toestemming van de leerkracht.

  • Zijn of haar beurt af te wachten in een gesprek of activiteit.

  • Aanvaardbaar taalgebruik te hanteren om conflicten af te handelen.

  • Op de plaats of ruimte te blijven tijdens een opdracht of les.

Tips bij het stimuleren van reactie-inhibitie:

  • Personage “Rob Stop” gebruiken als reminder “STOP, denken, doen”.

  • Vermijd het noemen van constat een naam op afstand. Loop naar de leerling toe en een hand op zijn of haar schouder is al vaak genoeg.

  • Beloon gewenst gedrag.

  • Bied aandacht aan beurtgedrag, maar heldere afspraken.

  • Biedt een concrete en korte instructie die visueel ondersteund is.

  • Wees situaties voor die het gedrag kunnen uitlokken (Dawson & Guare, 2019).

Reactie-inhibitie

Werkgeheugen

Onno de Onthouder
Onno de Onthouder

Informatie in het geheugen houden, zoals eerder geleerde vaardigheden of strategieën en deze toe kunnen passen in een actuele of toekomstige situatie.

De leerling geeft blijk van het werkgeheugen door:

  • Het huiswerk in de agenda of mobiel te noteren.

  • Elke dag alle benodigde spullen meenemen naar school en weer naar huis.

  • Opdrachten op tijd inleveren.

  • Instructie nauwkeurig volgen, eventueel een checklist maken.

Tips bij het stimuleren van het werkgeheugen:

  • Personage “Onno de Onthouder” gebruiken als reminder “strategieën gebruiken en onthouden”.

  • Spelletjes waarbij ze stappen moeten onthouden, liedjes zingen, rijmpjes maken.

  • Ezelsbruggetjes bedenken.

  • Maak gebruik van een aantekeningenschrift.

  • Geef visuele aanwijzingen.

  • Één stap tegelijk.

  • Zet de taken op het bord.

  • Verdeel lange auditieve taken in korte taken.

  • Laat de opdrachten of instructie door de leerlingen herhalen (Dawson & Guare, 2019).

Werkgeheugen

Emotieregulatie

Emotiebot
Emotiebot

Emoties kunnen reguleren om doelen te realiseren, zoals taken te volbrengen of eigen gedrag te kunnen sturen.

De leerling geeft blijk van emotieregulatie door:

  • Gedurende een les in de klas blijven en om hulp vragen als het niet lukt.

  • In de pauze spelen zonder verbale of fysieke agressie te tonen.

  • Niet of rustig te reageren als iemand emoties probeert uit te lokken.

  • Strategie gebruiken om te herstellen als hij of zij van streek raakt.

Tips bij het stimuleren van emotieregulatie:

  • Personage “Emotibot”, het zusje van Rob Stop, gebruiken als reminder “emoties beheersen”

  • Strategieën aanleren of samen bedenken die hen helpen om emoties te reguleren.

  • Geef feedback op de emoties die je bij je leerlingen ziet.

  • Bereid leerlingen voor, door te bespreken wat ze kunnen verwachten.

  • Vermijd stressvolle situaties, zoals te weinig tijd om opdrachten af te maken.

  • Help leerlingen hun gevoelens te herkennen, door gebruik te maken van een emotiemeter (Dawson & Guare, 2019).

Emotie regulatie

Flexibiliteit

Flexi Lexi
Flexi Lexi

Kunnen omgaan met veranderende omstandigheden door plannen te herzien bij tegenslagen of belemmeringen.

De leerling geeft blijk van flexibiliteit door:

  • Zich snel en rustig aan te passen als iets onverwachts gebeurt.

  • Om te gaan met overgangen tussen omgevingen en activiteiten zonder angst of storend gedrag.

  • Te komen met een alternatief plan of oplossing als iets niet werkt.

  • Vrije opdrachten volbrengen volgens een bepaald criterium.

Tips bij het stimuleren van flexibiliteit:

  • Personage “Flexi Lexi” gebruiken als reminder “ga met de stroom mee en blijf kalm”.

  • Rollenspel om scenario’s te oefenen.

  • Leren omgaan en voorbereiden op nieuwe of onverwachte situaties.

  • Het is belangrijk dat de leerling gaat beseffen dat er soms meerdere goede antwoorden of manieren zijn.

  • Houd vaste routines aan.

  • Hang regels zichtbaar op.

  • Verander niet te veel en niet te snel.

  • Werk met emoticons waarop de leerling in bepaalde situaties kan aangeven wat de emotie is (Dawson & Guare, 2019).

Flexibiliteit

Volgehouden aandacht

Hocus Pocus
Hocus Pocus

Volgehouden aandacht: Ondanks afleiding of dergelijke kunnen blijven focussen op een taak of situatie.

De leerling geeft blijk van het vermogen aandacht vol te houden door:

  • Het schoolwerk te voltooien binnen de toegewezen tijd of termijn.

  • Lessen met aandacht te volgen.

Tips bij het stimuleren van volgehouden aandacht:

  • Personage “Hocus Pocus” gebruiken als reminder “Hocus pocus, waar is je focus?”.

  • Een timer om vaardigheden op te splitsen in hanteerbare stukjes tijd.

  • Bewust worden welke momenten ze makkelijk en wanneer ze moeilijk op kunnen letten (verantwoordelijk voelen).

  • Strategieën aanleren om de aandacht erbij te houden (Dawson & Guare, 2019).

Volgehouden aandacht & doorzettingsvermogen

Doelgericht doorzettingsvermogen

Diana de Doorzetter
Diana de Doorzetter

Doelgericht doorzettingsvermogen: Doelen formuleren en realiseren door eventueel andere behoeften opzij te zetten of zich niet laten afleiden.

De leerling geeft blijk van doelgericht doorzettingsvermogen door:

  • Een plan te maken en te volgen om een doel te bereiken.

  • Weerstand te bieden aan verleiding die een doel verstoren.

  • Belemmeringen te overwinnen om een doel te bereiken.

Tips bij het stimuleren van doelgericht doorzettingsvermogen:

  • Personage “Diana de Doorzetter” gebruiken als reminder “naar de top van de berg klimmen!” en “het kost tijd om een doel te bereiken, maar we geven niet op!”.

  • Vraag de leerling naar een favoriete sportheld, artiest of bekende die ze bewonderen. Van daaruit kun je benadrukken dat het inspanning en doorzettingsvermogen kost om een doel te bereiken.

  • Benadruk de inspanning en wat de leerling al bereikt heeft.

  • Leerlingen willen “het goed doen”, benadruk dat er altijd meer dan één manier is om activiteiten op te lossen of te maken (Dawson & Guare, 2019).

Volgehouden aandacht & doorzettingsvermogen

Taakinitiatie

Sta Op en Ga
Sta Op en Ga

Op een efficiënte wijze met een taak starten en op tijd af hebben, zonder treuzelen.

De leerling geeft blijk van taakinitiatie door:

  • Binnen drie minuten na het teken beginnen met werken.

  • Het werk alleen voor korte tijd onderbreken en snel hervatten.

Tips bij het stimuleren van taakinitiatie:

  • Personage “Sta Op en Ga” gebruiken als reminder “ga ervoor”.

  • Daag de leerlingen uit om binnen bijvoorbeeld 2 minuten alles op tafel te hebben liggen.

  • Instructie laten herhalen.

  • Opsplitsen van taak.

  • Je de te nemen stappen duidelijk maakt voor ze.

  • Ze even kort op weg helpt als ze moeten beginnen (zeg letterlijk wat ze moeten opschrijven) (Dawson & Guare, 2019).

Taakinitiatie

Plannen en organiseren

Jan Plan
Jan Plan

Planning en prioriteiten stellen: Plannen bedenken om een taak te voltooien of een doel te bereiken. Daarbij gaat het om beslissingen nemen en aandacht hebben voor het plan.

De leerling geeft blijk van vaardigheden in planning en prioriteiten stellen door:

  • Dagelijks plannen te maken en te volgen.

  • Aantekeningen te maken.

  • Langetermijn taken opsplitsen in kleine deeltaken.

  • Voor toetsen te leren door zich te concentreren op het belangrijkste materiaal (Dawson & Guare, 2019).

Organisatie: Kunnen ordenen en organiseren volgens een bepaald systeem.

De leerling geeft blijk van organisatie door:

  • Materialen op een bepaalde (vaste) plek bergen.

  • Consequent een organisatiesysteem volgen.

  • Opgeruimd bureau en laatje.

Tips bij het stimuleren van planning en organisatie:

  • Personage “Jan Plan” gebruiken als reminder “stappenplannen en geheugensteuntjes”.

  • Modeling van organisatie- en planningsvaardigheden.

  • Opgeruimd en georganiseerd lokaal.

  • Eigen werkplek leren ordenen.

  • Leren prioriteiten stellen, waar moet je mee beginnen (rangschikken van taken d.m.v. een lijst met taken).

  • Visuele reminders voor bepaalde dingen waar de leerling aan moet denken, bijvoorbeeld een huiswerkmap of sleutels (Dawson & Guare, 2019).

Plannen & organiseren

Timemanagement

Vera de Verplaatser
Vera de Verplaatser

In kunnen schatten hoeveel tijd er nodig is, indelen van tijd en zich aan deadlines kunnen houden. En verplaatsing, overgang van de ene naar de andere situatie.

De leerling geeft blijk van timemanagement door:

  • Op tijd aanwezig te zijn.

  • Opdrachten op vastgestelde datum af te hebben.

  • Werkplan maken voor grote opdrachten.

  • Nauwkeurig schatten in hoeveel tijd iets af is.

Tips bij het stimuleren van verplaatsing en timemanagement:

  • Personage “Vera de Verplaatser” gebruiken als reminder “Van hier naar daar, zo voor elkaar!”.

  • Een timer, zodat ze weten wanneer er een verandering of wisseling plaatsvindt.

  • Tijdschema aan de muur of een persoonlijk rooster voor de leerling.

  • Dagelijks het rooster doornemen.

  • Inlassen van een voorspelbare en en consequente ‘verplaatsingstijd’ in het rooster.

  • Geef de leerlingen 2-3 minuten voor een wisseling of verplaatsing, dit kan ook een kalmerende activiteit zijn als diep ademhalen of water drinken (Dawson & Guare, 2019).

Timemanagement

Depressie

Leven met de Zwarte Hond die Depressie heet

Wat is een depressie?

Een depressie is een stoornis die de stemming en gevoelens raakt. Als je depressief bent kun je ondergedompeld raken in somberheid. Je kunt niet meer genieten en verliest de interesse in de mensen en dingen om je heen. Mochten de gevoelens langer dan twee weken aanhouden dan is het zaak om actie te ondernemen in de vorm van preventie of behandeling (Depressievereniging, 2019).

In Hulpgids (2021) staat over de DSM-5 criteria depressie het volgende:

Het brein

Wat gebeurt er in je hoofd als je depressief bent?

Leeftijd

Kenmerken van een depressie zijn per leeftijd verschillend. Echter zijn er specifieke kernsymptomen, namelijk:

Verklaringen

Lichamelijke verklaring

Stoffen in het lichaam kunnen de kans op een depressie vergroten, zoals medicijnen, alcohol en drugs. Ook kunnen ontstekingen in het lichaam een factor zijn. Andere oorzaken dat depressieve gevoelens stimuleert kan zijn:  afwijkingen aan de schildklier, diabetes, hart en vaatziekten of de ziekte van Parkinson (Depressievereniging, 2019).

Kwetsbaarheid-stressmodel
Kwetsbaarheid-stressmodel

Kwetsbaarheid-stressmodel

Het kwetsbaarheid-stressmodel verklaard dat een depressie ontstaat door een wisselwerking meerdere (risico)factoren. De kans op een depressie kan vergroot worden door bijvoorbeeld hormonale processen, negatieve levensgebeurtenissen, enzovoort. Deze ervaringen kunnen stress opleveren, tevens kan het de kwetsbaarheid vergroten. Op het moment dat iemand een hoge kwetsbaarheid heeft, dan zal het weinig veerkracht bezitten en bij minimale stress een depressie kunnen ontwikkelen. Daarentegen heeft iemand met een lage kwetsbaarheid veel stress nodig om een depressie te ontwikkelen. De ene persoon is dus gevoeliger dan de ander.

Negatieve levensgebeurtenissen, zoals kindermishandeling staan bekend als de littekens hypothese. Personen die al eerder in hun leven een tegenslag of een depressieve periode hebben gehad, hebben meer kans op het ontwikkelen van een nieuwe depressieve periode. Dit heeft te maken met een drietal vormen van overgevoeligheid:

Risico- en beschermende factoren

Voor depressiviteit zijn veel risicofactoren, waaronder factoren op niveau van het kind en ouders en het gezin, daarnaast speelt de leefomgeving en de school een rol. Aansluitend wordt ingegaan op de beschermende factoren. Factoren die risicofactoren zouden kunnen verminderen.

Comorbiditeit

Depressie gaat vaak samen met andere aandoeningen, psychische stoornissen of klachten:

  • Angststoornissen. 
  • Anorexia nervosa en dwangstoornissen.
  • Burn-out of chronische vermoeidheid.
  • Persoonlijkheidsstoornissen, zoals borderline-persoonlijkheidsstoornis.
  • Psychoses en schizoaffectieve stoornis.
  • Rouwreactie (GGZ groep, 2021).

Hoe biedt je steun?

Wat kun je als leerkracht doen?

  • Luister naar wat de leerling te vertellen heeft. Geef het de ruimte om zijn hart te luchten en toon medeleven.

  • Geef alleen advies als het kind/jongere hier om vraagt.

  • Ga niet mee in het gevoel van hopeloosheid van het kind/jongere.

  • Wees eerlijk en durf te benoemen wat nog niet goed gaat, blijf rustig en kalm praten (Stikkelbroek, 2015).

  • Overtuig de leerling dat de achterstand weer in te halen zijn en bespreek de stappen die daarvoor nodig zijn.

  • Wees flexibel, maar heb realistisch verwachtingen.

  • Help de leerling met het aanbrengen van structuur in de dag.

  • Stimuleer de leerling om dingen te doen die hem een positief en actief gevoel geven.

  • Moedig de leerling aan om iets te doen wat hij graag doet.

  • Stimuleer de leerling om contact te zoeken of te houden met anderen.

  • Stimuleer de leerling om te sporten.

  • Besteed extra aandacht aan de veilige groepsomgeving.

  • Beloon positief gedrag, geef bewust complimenten zodra daar aanleiding toe is.

  • Verlaag de werkdruk. Geef eventueel  1 opdracht tegelijk.

  • Toon begrip, houdt rekening met de gemoedstoestand.

  • Verlaag de drempel om vragen te stellen, open houding.

  • Blijf contact houden als de leerling thuiszit en weigert om naar school te gaan (KJP, 2021).

 

Volgens Stikkelbroek (2015, pag. 67-68) kun je kinderen/jongeren begeleiden in het oplossen van problemen door middel van onderstaand stappenplan:

  • Stap 1: Omschrijf het probleem. Probeer dit rustig te doen en geef aan wat het probleem met jou doet. Geef de ander ook de ruimte om vanuit zijn perspectief de situatie te beschrijven.

  • Stap 2: Brainstorm over mogelijke oplossingen. Dit houdt in dat je samen zoveel mogelijk oplossingen bedenkt voor het probleem. Het mogen ook absurde oplossingen zijn en ze hoeven niet haalbaar te zijn.

  • Stap 3: Onderzoek samen de voor- en nadelen van de oplossingen.

  • Stap 4: Kies en probeer een oplossing. Kies een oplossing die voor iedereen acceptabel is, veel voordelen heeft en zo weinig mogelijk nadelen. Probeer die oplossing uit.

  • Stap 5: Ga na of de oplossing heeft gewerkt. Ga na hoe vaak het plan heeft gewerkt. Stel het plan bij door kleine dingen te veranderen of voor een andere oplossing te kiezen.

Jongeren met een depressie

Behandeling

Aangezien depressie veel risicofactoren kent, moet een behandeling ook dermate afgestemd worden op al deze factoren. Essentiële onderdelen voor de behandeling van depressie bij een kind zijn:

Psycho-educatie: Voorlichting over wat een depressie inhoudt, wat de kenmerken en mogelijke oorzaken zijn en hoe een behandeling eruit ziet. Het doel van psycho-educatie is om informatie en adviezen te geven, maar ook om ouders, broers en zussen een beeld te geven van wat een depressie is.

E-mental health: Online interventies, zoals voorlichting, online behandeling door een hulpverlener, chatten met lotgenoten, enzovoort. Voorbeelden van websites zijn: www.zwaarweer.nl en www.troostvoortranen.nl.

Gezinsbenadering: De gezinssituatie speelt een belangrijke rol bij het ontstaan en in stand houden van een depressie. Jonge kinderen die depressief zijn kunnen enkel via de ouders worden behandeld door middel van gezinsbenadering. Ook kan er hulp worden geboden door opvoedingsondersteuning, oudertraining, gezinstherapie enzovoort.

Individuele psychotherapie: Als het kind ouder of adolescent is, is psychotherapie mogelijk. Echter kan dit alleen met instemming van ouders. Er zijn twee methoden, namelijk cognitieve gedragstherapie en interpersoonlijke psychotherapie.

Medicatie: Bij kinderen wordt vrijwel altijd gekozen voor therapie. Het toepassen van medicatie wordt zelden toegepast. De medicatie mag alleen worden voorgeschreven door een gespecialiseerde arts of psychiater.

Residentiële hulpverlening: Alleen bij ernstige depressie of als het kind of adolescent een gevaar vormd voorzichzelf of zijn omgeving of als de thuissituatie geen ondersteuning kan bieden of de depressie verergert, kan er een reden zijn om een kind of adolescent op te nemen in een jeugd GGZ instelling.

Een behandeling waarbij meerdere benaderingen worden geïntegreerd leveren een positief resultaat (Rigter, 2016).

Verslaving

Er zijn veel verschillende soorten verslavingen. In deze wiki ligt de nadruk op "social media- en gameverslaving" en het middelengebruik, zoals alcohol en drugs.

Vanaf dit punt wordt het onderdeel 'Verslaving' opgedeeld in 'Sociale media- en gameverslaving' en 'Alcohol- en drugsverslaving'.

Social media- en gameverslaving

We appen, posten en liken meer dan ooit. Dit is terug te zien in de groei van het aantal social media verslavingen. Een social media verslaving is een vorm van internetverslaving, maar gaat specifiek om het overmatig gebruik van sociale platformen zoals Facebook, Instagram, Snapchat of Whatsapp.

In de grafiek hiernaast is de groei van het aantal Nederlanders dat gebruik maakt van de verschillende platformen te zien.

Gamen, oftewel het spelen van computerspellen, is regelmatig in het nieuws. Er zijn veel zorgen bij ouders, docenten, en zorgprofessionals over het digitale speelgedrag van de Nederlandse jeugd. Anderzijds worden games ook steeds vaker ingezet om doelen te bereiken, door bijvoorbeeld het onderwijs leuker te maken.

In de volgende kopjes wordt verder ingegaan op de social media- en gameverslaving.

Gameverslaving

Op de website van Nocadic-Kentron is de gemiddelde leeftijd van gameverslaafden 25 jaar, maar er zijn steeds vaker jongeren vanaf 12 jaar die behandeld willen worden aan hun gameverslaving. 94.5% van de aanmeldingen zijn jongens. Overmatig internetten of gamen kan tot grote problemen leiden en gaat vaak gepaard met andere problemen, zoals gebrek aan sociale vaardigheden, problemen met werk,school of recreatie en problemen binnen het gezin.

Signalen die kunnen wijzen op een beginnende gameverslaving:

  • vaak meer of langer gamen of internetten dan afgesproken of gepland

  • moeite hebben om te stoppen met gamen of internetten

  • Telkens bezig zijn internetten of gamen, zowel in gedachten of in het echt

  • uitstelgedrag van andere activiteiten

  • vluchtgedrag laten zien om negatieve emoties te onderdrukken

  • slechte school en werkprestaties

  • minder sociale contacten in de echte wereld of alleen nog maar sociale contacten via game of internet

  • een verstoord dag- en nachtritme

  • minder aandacht voor persoonlijke verzorging

  • boos reageren als het spel wordt verstoord of als iemand op het gedrag wordt aangesproken. (Nocadic-Kentron, 2016).

Gevolgen

Gedrags- en emotionele problemen naar gamegroep en geslacht (Van Rooij, Dalinghaus & Van den Eijnden, 2019)
Gedrags- en emotionele problemen naar gamegroep en geslacht (Van Rooij, Dalinghaus & Van den Eijnden, 2019)

Gamen staat op nummer één, vrienden en familie op nummer twee. Dit kan resulteren in ontwrichting.

Een gameverslaving kan allerlei lichamelijke en psychische klachten veroorzaken, zoals;

  • Obsessieve gedachten;

  • Gezondheidsproblemen, zoals hoofdpijn of slapeloosheid;

  • Moeite met persoonlijke relaties, opleiding en werk;

  • Depressie;

  • Eenzaamheid;

  • Angst voor ‘live’ sociaal contact;

  • Drugsverslaving (Mindverslaving, z.d).

In de grafiek hiernaast is af te lezen welke gedrags- en emotionele problemen er zijn per gamegroep en geslacht.

Sociale media verslaving

Bij social media verslaving wil men continu op de hoogte blijven van wat anderen doen, roddels, nieuws etc. De beloning van erkenning, likes en contact is groot voor iemand die verslaafd is aan social media. De persoon in kwestie zal moeilijk inzien dat hij/zij verslaafd is aan socialmedia, want Facebook en andere kanalen worden vaak gezien als een andere vorm van een nieuwsbron. De onderlinge interactie zien ze als sociaal zijn. Maar wanneer ook hier weer de offline contact steeds minder wordt en men geen dag zonder een like of tweet kan, of zelfs bij offline contactmomenten op Facebook zit, is de kans groot dat er een serieuze verslaving verborgen houdt.

Symptomen van social media verslaving.

  • Continu online (willen) zijn dan gewoonlijk

  • Zich niet aan opgestelde limieten (door bijv. ouders) houden, ongehoorzaamheid

  • Minder offline sociale contacten en activiteiten ondernemen

  • Slechtere prestaties op school of werk

  • Depressie

  • Afzonderen en/of volledige verdiept zijn in spel, chatten e.d. Traag of niet reageren op externe prikkels (stiekem) toch doorgaan met de internetactiviteiten, ondanks opgestelde consequenties (GGZ interventie, 2021).

Behandeling

Elk persoon en elk verslaving is anders. De behandeling zal dan ook altijd maatwerk zijn. Voor internet- en gameverslavingen is de behandeling ambulant. Men krijgt gesprekken met een psycholoog en wordt de naar de onderliggende oorzaak gezocht (GGZ interventie, 2021).

Aanbeveling

Bij een social media verslaving kun je denken aan;

  • een ouderwetse wekker i.v.p. wekker op de mobiel.

  • zet notificaties uit.

  • deactiveer apps of accounts.

  • verminder de databundel.

Verder is een goed gesprek een belangrijke eerste stap op weg naar een oplossing.

Het benoemen van de voor- en nadelen. Laat de persoon de voor- en nadelen opnoemen van het gamen of social mediagebruik. En ook van het stoppen of minderen.

Het maken van afspraken. Probeer afspraken te maken over het gamen of social mediagebruik, laat dit vanuit de persoon zelf komen.

Het bepalen van een doel. Bepaal een doel voor het stoppen of minderen. Dit kan door middel van een planning om af te bouwen.

Het bijhouden van het speelgedrag. Laat de persoon het het gamen of social mediagebruik bijhouden om inzicht te krijgen in het dagelijks gebruik.

Het uitvinden wat riskante situaties zijn. Bespreek de moeilijke momenten, wat zijn triggers om te gamen of social media te gebruiken. Wie of wat kan helpen om op deze momenten de behoefte te verminderen?

Het maken van een actieplan. Laat aan de hand van bovenstaande stappen een actieplan maken (Jellinek, 2015).

Alcohol- en drugsverslaving

Genotsmiddelen worden om uiteenlopende redenen gebruik, onder andere ter ontspanning, om de aandacht te vergroten, stress, verdriet, angst, maar ook om plezier. Experimenteren en kennismaking met middelen begint over het algemeen vanaf de adolescentie, maar er is ook een aanzienlijke groep kinderen die al op jonge leeftijd experimenteren met onder andere alcohol.

Op het Nederlands Jeugdinstituut (2019, 2021) wordt het volgende benoemd over verslavingen:

“In 2015 zijn circa 8.500 jongeren onder de 25 jaar wegens middelenmisbruik of afhankelijkheid behandeld in een instelling voor verslavingszorg. Dit is circa 13 procent van alle personen die in behandeling zijn geweest bij verslavingszorg.”

“Zwaar drankgebruik komt in 2020 voor bij ruim 22 procent van de 16- tot 20-jarige jongeren die drinken (2021).”

De werking van drugs op het brein

Fasen

Op het moment dat je lichamelijk en/of geestelijk afhankelijk bent van een middel en het je leven dusdanig beheerst ben je verslaafd. Daarbij is het gedrag gericht op het innemen en verkrijgen van het middel. Een verslaving is een proces dat wordt gekenmerkt door meerdere fasen. De tijd waarin de fasen worden doorlopen is afhankelijk van de leefomstandigheden en het middel.

Nuggets: Kiwi tastes a golden nugget. It's delicious.

DSM-5 criteria

In Hulpgids (2021) staat over de DSM-5 criteria het volgende:

Risicofactoren

Er wordt ingegaan op de risicofactoren in het gebruik van alcohol en cannabis. Reden hiervoor is dat alcohol- en cannabisgebruik de meest voorkomende problematieken bij jongeren zijn. De risicofactoren worden ingedeeld volgens de drie domeinen van het psychosociale model (Rigter, 2004), namelijk de biologische, persoonlijke en sociale factoren.

Comorbiditeit

Problematisch middelengebruik is vaak in combinatie met psychische aandoeningen of een stoornis. Een beïnvloeding van één of meerdere aandoeningen wordt comorbiditeit genoemd. Hieronder wordt aandacht besteedt aan de verschillende stoornissen in combinatie met een verslaving:

Beschermende factoren

Naast de risicofactoren, zijn er ook beschermende factoren die juist een preventieve werking hebben. Hieronder staan de positieve factoren puntsgewijs opgesomd.

Persoonlijke gevolgen

Het puberbrein blijft zich ontwikkelen tot ongeveer het 24ste levensjaar. In deze fase is het extra kwetsbaar voor het effect van blowen en alcohol. Daarnaast zijn pubers extra gevoelig voor de belonende effecten. De kans is dus groter dat het uitproberen van drugs en alcohol niet bij één keer blijft.

Alcohol- en drugsverslaving heeft zowel psychische als lichamelijke gevolgen:

Dit doet alcohol met het brein van een puber - RTL NIEUWS

Craving of trek

Verslavende middelen zijn onweerstaanbaar. Het verlangen naar en de afhankelijkheid blijven. Ook als je afgekickt bent blijft de behoefte aanhouden. Deze gedragingen en dwangmatige gedachten worden craving of trek genoemd.

De hersenen zijn blijvend veranderd en hebben de prikkeling van het goede gevoel opgeslagen in het geheugen. Hierdoor zijn de herinneringen aan het middel als een krachtige ervaring opgeslagen. Dit maakt dat iemand die al jaren afgekickt is, door een straat kan lopen waar hij destijds middelen heeft gebruikt en opeens sterke drang krijgt naar het goede gevoel.

Niet het middel, maar de herinnering activeert zijn lichaam. Het risico op een terugval heeft voornamelijk te maken met een beschadiging aan de hersenen.

Aanbeveling

Een goed gesprek is de eerste stap op weg naar een oplossing.

Aanbeveling 1: Begin een gesprek niet met de problemen die je zelf ervaart. Mocht de jongere onder invloed zijn van middelen, zoals drank en drugs dan kan dit leiden tot onvoorspelbare reacties. Vaak is de jongere de dag erna vergeten wat er is gezegd.

Aanbeveling 2: De gebruiker ervaart voordelen van zijn verslaving. Zijn naasten ondervinden er hinder van en hebben er vaak een duidelijke mening over. Vraag in gesprek met een gebruiker; Wat het hem oplevert? Wat het hem brengt? Hierdoor wordt het gesprek minder gespannen.

Tevens kun je het bruggetje maken om ook de nadelen van middelengebruik te bespreken. Vraag dan ook: Welke nadelen heeft het gebruik? Vaak komt de gebruiker zelf wel met iets, zoals de kosten, het is slecht voor je gezondheid. Dan heb je een makkelijker aanknopingspunten om te praten over wat het gebruik voor jou en jouw leven betekent. Een gebruiker komt pas tot een besluit om iets aan zijn gebruik te veranderen, als hij een serieuze afweging heeft gemaakt van de voor en nadelen. Als iemand anders telken zijn problemen oplost heeft hij geen reden om over de nadelen na te denken. Hierdoor raakt hij niet gemotiveerd om iets aan zijn gebruik te veranderen.

Aanbeveling 3: Zeg tegen een gebruiker niet ‘Ik vind het niet prettig dat je zoveel drinkt’. Dit leidt makkelijk tot een discussie over het woordje veel. Wees concreet naar een gebruiker ‘Je wordt luidruchtig als je gedronken hebt en dat vind ik vervelend. Dit betekent dat je het gedrag waar je last van hebt veroordeeld, en niet de persoon.

Aanbeveling 4: Gebruik geen loze dreigementen. Je hoeft maar één keer een dreigement niet waar te maken en je wordt niet meer serieus genomen. Loze bedreigingen vaak in een opwelling van woede of machteloosheid. Het is beter dat je iets bedenkt wat je wel kunt uitvoeren. Ik verbreek de verbinding als je mij dronken belt. Echter is het noodzakelijk om grenzen te stellen. Dit kan escaleren in een ruzie, maar wanneer je dit niet doet denkt de gebruiker dat hij door kan gaan. Gebruikers proberen grenzen op te rekken en proberen vaak anderen zover te krijgen dat zij zich steeds meer aan gaan passen aan hun wensen.

Wat kun je nog meer doen?

  • Laat de gevolgen van het gebruik bij de gebruiker.

  • Stel grenzen en maak deze duidelijk.

  • Veroordeel het gedrag waar je last van hebt, en NIET de persoon.

  • Praat met anderen in vertrouwen over het probleem (Petersen, 2012).

Literatuur

ADHD

American Psychiatric Association (2013). Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed.). Washington DC: APA.

Barkley, R.A. (2012). Executive functions. What they are, how the work, and why they evolved. New York: The Guilford Press.

Barkley, R. A. (2020). Omgaan met ADHD op school. Evidenced based methoden voor leerkrachten. Amsterdam: SWP.

Boer, F., Hoofdakker, B. van den, Prins, P., Hogeman-Weijers, W., Oud, M., Glind, G. van de & Sinnema, H. (2016). Richtlijn ADHD voor jeugdhulp en jeugdbescherming. Utrecht: Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk, Nederlands Instituut van Psychologen, Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen.

Corkum, P., Rimer, P., & Schahar, R. (1999). Parental knowledge of attention-deficit hyperactivity disorder and opinions of treatment options: Impact on enrollment and adherence to a 12-month treatment trial. Canadian Journal of Psychiatry, 44, 1043-1048.

Gedragsproblemen in de klas (z.d.). ADHD in de klas. Geraadpleegd op 2 juni 2021 van https://gedragsproblemenindeklas.nl/gedrags-en-ontwikkelingsstoornissen/adhd/

Hamerslag, R., Oostdam, R., & Tavecchio, L. (2015). De Rol van Sociaal-emotionele en Gedragsmatige Aspecten bij het Leerproces van Jonge Kinderen: het Concept Schoolrijpheid afgestoft’. Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 54(11/12), 517-531.

Haringsma, R. (2020, 17 juli). De psycholoog. Wat is ADHD? Geraadpleegd op 3 juni 2021, van https://www.depsycholoog.nl/wat-is-adhd

Horeweg, A. (2021). ADHD in de klas. Een praktisch handboek voor leraren. Tielt: Lannoocampus.
Kenniscentrum kinder- en jeugdpsychiatrie (2016). ADHD bij kinderen en adolescenten. Utrecht: Kenniscentrum KJP.

Nadeau, K., Littman, E. & Quinn, P. (2016). Meisjes met ADHD. Hoe voelen meiden met ADHD zich en waarom doen ze zoals ze doen? Hogrefe Uitgevers Bv.

Pelham Jr, W. E., & Fabiano, G. A. (2008). Evidence-based psychosocial treatments for attentiondeficit/hyperactivity disorder. Journal of Clinical Child & Adolescent Psychology, 37(1), 184-214.

Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming (z.d.). ADHD. Comorbiditeit. Geraadpleegd op 4 juni 2021, van https://richtlijnenjeugdhulp.nl/adhd/wat-is-adhd/adhd-comorbiditeit/

Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming (2017, april). Richtlijn ADHD. NVO, BPSW en NIP. Geraadpleegd op 3 juni 2021, van https://elo.windesheim.nl/Start.aspx#-210

Willcutt, E.G., Doyle, A.E., Nigg, J.T., Faraone, S.V., & Pennington, B.F. (2005). Validity of the executive function theory of attention-deficit/hyperactivity disorder: A meta-analytic review. Biological Psychiatry, 57(11), 1336-1346.

ASS

Berckelaer-Onnes, I. & Degrieck, S. (2017). Autisme en zintuiglijke problemen. Amsterdam: Boom uitgevers.

Gedragsproblemenindeklas (2021). Autisme spectrum stoornis in de klas. Geraadpleegd op 9 juni 2021, van https://gedragsproblemenindeklas.nl/gedrags-en-ontwikkelingsstoornissen/ass/#Voorspelbaar-tijd

Hersenstichting (2021). Autismespectrumstoornissen. Geraadpleegd op 9 juni 2021, van   https://www.hersenstichting.nl/hersenaandoeningen/autismespectrumstoornissen-ass/

Hulpgids (2021). Autismespectrumstoornis - DSM- 5. Geraadpleegd op 10 juni 2021, van https://hulpgids.nl/informatie/ziektebeelden/neurobiologische-ontwikkelingsstoornissen/autistische-stoornis/autistische-stoornis-dsm

Leven met autisme (2020). Autisme en comorbiditeit. Geraadpleegd op 8 juni 2021, van https://www.mijnautisme.info/autisme/autisme-en-comorbiditeit/

NVA Nederlandse Vereniging voor Autisme (z.d.). Autisme bij (school) kinderen. Autisme bij pubers. Geraadpleegd op 3 juni 2021, van https://www.autisme.nl/over-autisme/levensfases/school-kinderen/

Executieve functies

Dawson, P. & Guare, R. (2019) Executieve functies bij kinderen en adolescenten. Amsterdam: Hogrefe Uitgevers.

Voor meer informatie over de afbeeldingen verwijzen we u naar: https://efs2therescue.com/

Depressie

Depressie vereniging (2019). Wat is een depressie? Geraadpleegd op 26 mei 2021, van https://depressievereniging.nl/depressie/depressieve-stoornis/

GGZ groep (2021). Comorbiditeit. Geraadpleegd op 26 mei 2021, van https://www.depressie.nl/depressie/epidemiologie/comorbiditeit

Hulpgids (2021). Depressie - DSM- 5. Geraadpleegd op 29 mei 2021, van https://hulpgids.nl/informatie/ziektebeelden/depressieve-stemmingsstoornissen/depressie/depressieve-stoornis-dsm-5

KJP Kindcentrum Kinder - en JeugdPsychiatrie (2021) Depressie bij kinderen. Geraadpleegd op 29 mei 2021, van https://www.kenniscentrum-kjp.nl/scholen/depressie/

NCJ Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (2016). JGZ-richtlijn Depressie. Geraadpleegd op 26 mei 2021, van https://www.ncj.nl/richtlijnen/alle-richtlijnen/richtlijn/depressie

Rigter, J. (2016). Handboek ontwikkelingspsychopathologie bij kinderen en jeugdigen. Bussum: Uitgeverij Coutinho.

Stikkelbroek, Y. (2015). Depressie bij kinderen. Als een kind prikkelbaar en somber is. Houten: uitgeverij Lannoo Campus.

Verslaving

GGZ interventie (2021). Verslaafd aan internet en gamen. Geraadpleegd op 19 mei 2021, van https://ggzinterventie.nl/internetverslaving-is-de-meest-voorkomende-verslaving-onder-jongeren/

Hulpgids (2021). Alcohol, Verslaving - DSM- 5. Geraadpleegd op 19 mei 2021, van https://hulpgids.nl/informatie/ziektebeelden/depressieve-stemmingsstoornissen/depressie/depressieve-stoornis-dsm-5

Jellinek (2015, augustus). Hoe behandel je iemand met een gameverslaving? Geraadpleegd op 22 mei 2021, van  https://www.jellinek.nl/vraag-antwoord/hoe-behandel-je-iemand-met-een-gameverslaving/

Kindcentrum kinder- en jeugdpsychiatrie (z.d.). Jeugd-ggz voor jongeren met problematisch middelengebruik en/of verslaving. Geraadpleegd op 19 mei 2021, van https://www.kenniscentrum-kjp.nl/professionals/dossiers/verslaafde-jongeren/

Mindverslaving (z.d). Alcoholverslaving. Geraadpleegd op 22 mei 2021, van https://mindverslaving.nl/verslaving/soorten-verslavingen/alcoholverslaving

Mindverslaving (z.d). Alcoholverslaving. Geraadpleegd op 22 mei 2021, van  https://mindkorrelatie.nl/onderwerpen/alcoholverslaving

Mindverslaving (z.d). Drugsverslaving. Geraadpleegd op 22 mei 2021, van   https://mindkorrelatie.nl/onderwerpen/drugsverslaving

Mindverslaving (z.d). Gameverslaving. Geraadpleegd op 22 mei 2021, van https://mindkorrelatie.nl/onderwerpen/gameverslaving

NJi, Nederlands Jeugdinstituut (2021, 17 mei). Cijfers over alcoholgebruik. Geraadpleegd op 1 juni 2021, van https://www.nji.nl/cijfers/alcoholgebruik

NJi, Nederlands Jeugdinstituut (2019, 24 mei) Cijfers over middelenmisbruik en afhankelijkheid. Geraadpleegd op 1 juni 2021, van https://www.nji.nl/cijfers/middelenmisbruik-en-afhankelijkheid

Novadic-Kentron (2016) Gameverslaving. Geraadpleegd op 19 mei 2021, van https://www.novadic-kentron.nl/ben-ik-verslaafd/gameverslaving/

Rigter, J. (2016). Handboek ontwikkelingspsychopathologie bij kinderen en jeugdigen. Bussum: Uitgeverij Coutinho.

Van Rooij, J., Dalinghaus, N., & Van den Eijnden, R. (2019). (On) gezond gamegedrag van Nederlandse jongeren. Trimbos Instituut & Universiteit Utrecht

NJi, Nederlands Jeugdinstituut (2021). Middelenmisbruik en verslaving. Gevolgen drugsgebruik. Geraadpleegd op 19 mei 2021, van https://www.nji.nl/middelenmisbruik-en-verslaving/gevolgen-drugsgebruik

Petersen, M. (November, 2012). Verslaafd aan jou. Geraadpleegd op 19 mei 2021 van. https://xerte.windesheim.nl/USER-FILES/494-mt0047909-Nottingham/media/Verslaafd_aan_jou_-_Trimbos_Instituut.pdf

VNN (z.d.). Whitepaper Wat is verslaving? Waarom lichaam en geest afhankelijk worden. Geraadpleegd op 19 mei 2021, van https://www.vnn.nl/meer-over-middelen/kenmerken-van-drugsgebruik/wat-een-verslaving