HV5 periode 3: D-toets

HV5 periode 3: D-toets

Inleiding

In deze D-toets komen de volgende onderwerpen aan bod:

- de lidwoorden

- het persoonlijk voornaamwoord: onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, vast voorzetsel, y + en

 

de lidwoorden

Uitleg de lidwoorden

De bepaalde lidwoorden: le, la, l' en les

Deze vertaal je met 'de' of met 'het'.  Je gebruikt het bepaalde lidwoord ook als je over dingen in het algemeen praat.

v.b. Le football est fantastique.

Na de volgende werkwoorden gebruik je altijd het bepaalde lidwoord: aimer, préférer, détester, adorer, supporter, haïr, OOK in de ontkenning!!!

v.b. J'aime le football.
v.b. Je n'aime pas le football.

Het onbepaalde lidwoord: un, une, des

un, une vertaal je met 'een'.
'des' vertaal je niet.

v.b. C'est une bonne idée. = Dat is een goed idee.
v.b. Elle veut acheter des vêtements. = Zij wil - kleren kopen.

LET OP: un, une, des veranderen in de/d' na een ontkenning.

v.b. Elle a une idée intéressante. - Elle n'a pas d'idée intéressante.

Het delend lidwoord: du, de la, de l', des

du: mannelijk EV
de la: vrouwelijk EV
de l': voor een klinker of stomme h.
des: MV

Je gebruikt het delend lidwoord als er in het Nederlands géén lidwoord voor staat.

v.b. Ernie eet - bananen. = Ernie mange des bananes.

LET OP: het delend liwoord (du, de la, de l', des) verandert in DE of D' ...

1. ... na een ontkenning.
v.b. Ernie mange des bananes. - Ernie ne mange pas de bananes.

2. ... na een woord van hoeveelheid. (un kilo, un litre, une bouteille, combien etc.)
v.b. Ernie mange un kilo de bananes.

3. ... als het bijvoeglijk naamwoord voor het zelfstandig naamwoord staat.
v.b. Ernie mange de bonnes bananes.

Opdracht 1

Het persoonlijk voornaamwoord

Uitleg persoonlijk voornaamwoord

Bekijk het onderstaande schema van het persoonlijk voornaamwoord goed.
 

Onderwerp                   Lijdend voorswerp Meewerkend voorwerp Vast voorzetsel

je

tu

il

elle

me

te

le

la

me

te

lui

lui

moi

toi

lui

elle

nous

vous

ils

elles

nous

vous

les

les

nous

vous

leur

leur

nous

vous

eux

elles

 

Opdracht 1

Uitleg zinsvolgorde

Bij het onleden van de zin is het handig om de vaste volgorde van een Franse zin te onthouden. Dit is:

 

Onderwerp - Werkwoorden - Lijdend voorwerp - Meewerkend voorwerp - Plaats - Tijd

Opdracht 2

Uitleg onderwerp

We kijken nu alleen naar het onderwerp.

Onderwerp                  Lijdend voorswerp Meewerkend voorwerp Vast voorzetsel

je

tu

il

elle

me

te

le

la

me

te

lui

lui

moi

toi

lui

elle

nous

vous

ils

elles

nous

vous

les

les

nous

vous

leur

leur

nous

vous

eux

elles

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij het enkelvoud vervangt 'il' een mannelijk woord en 'elle' een vrouwelijk woord.

voorbeeld 1: Pierre donne un cadeau à Luc. - Il donne un cadeau à Luc.

voorbeeld 2: Madame Aubert donne un cadeau à sa fillle. - Elle donne un cadeau à sa fille.

Bij het meervoud kun je gebruik maken van het volgende schema:



voorbeeld 1: Pierre et moi allons à l'église. - Nous allons à l'église.

voorbeeld 2: Jean et vous allez à l'église. - Vous allez à l'église.

Let op: bij het meervoud gaan de mannen voor in Frankrijk.
 

voorbeeld 3: Yvette et Paul vont à l'église. - Ils vont à l'église.

Opdracht 3

Uitleg lijdend voorwerp

We kijken nu alleen naar het lijdend voorwerp.

Onderwerp                  Lijdend voorswerp Meewerkend voorwerp Vast voorzetsel

je

tu

il

elle

me

te

le

la

me

te

lui

lui

moi

toi

lui

elle

nous

vous

ils

elles

nous

vous

les

les

nous

vous

leur

leur

nous

vous

eux

elles

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De plaats: normaal voor het eerste werkwoord, behalve als er een heel werkwoord in de zin staat, dan voor het hele werkwoord.

voorbeeld 1: Pierre donne le cadeau à Luc. - Pierre le donne à Luc.

voorbeeld 2: Pierre veut donner le cadeau à Luc. - Pierre veut le donner à Luc.

Opdracht 4

Uitleg meewerkend voorwerp

We kijken nu alleen naar het meewerkend voorwerp.

Onderwerp                  Lijdend voorswerp Meewerkend voorwerp Vast voorzetsel

je

tu

il

elle

me

te

le

la

me

te

lui

lui

moi

toi

lui

elle

nous

vous

ils

elles

nous

vous

les

les

nous

vous

leur

leur

nous

vous

eux

elles

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De plaats: normaal voor het eerste werkwoord, behalve als er een heel werkwoord in de zin staat, dan voor het hele werkwoord.

voorbeeld 1: Pierre donne le cadeau à Luc. - Pierre lui donne le cadeau.

voorbeeld 2: Pierre veut donner le cadeau à Luc. - Pierre veut lui donner le cadeau.

Opdracht 5

Uitleg lijdend voorwerp + meewerkend voorwerp

We kijken nu alleen naar het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp in één zin.

me le
te le
le lui

nous le
vous le
le leur

Let op: 'le' kan vervangen worden door: la, l'; les

De plaats: normaal voor het eerste werkwoord, behalve als er een heel werkwoord in de zin staat, dan voor het hele werkwoord.

voorbeeld 1: Pierre donne le cadeau à Luc. - Pierre le lui donne le cadeau.

 

Opdracht 6

Uitleg: y + en

de + ding = en

andere voorzetsel + ding  = y

voorbeeld 1: Il parle de Paris. - Il en parle.
voorbeeld 2: Il va à Paris. - Il y va.

Plaats: normaal voor het eerste werkwoord, behalve als er een heel werkwoord in de zin staat.

Als 'y' en 'en' in dezelfde zin staat, dan staat 'y' voor 'en'.

v.b. Il y a des stylos? - Oui, il y en a.

 

  • Het arrangement HV5 periode 3: D-toets is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt, maakt en deelt.

    Auteur
    Antoine van Dinter Je moet eerst inloggen om feedback aan de auteur te kunnen geven.
    Laatst gewijzigd
    2021-03-29 09:58:42
    Licentie

    Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding 4.0 Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding vrij bent om:

    • het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat
    • het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
    • voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.

    Meer informatie over de CC Naamsvermelding 4.0 Internationale licentie.

    Aanvullende informatie over dit lesmateriaal

    Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar:

    Toelichting
    In deze D-toets komen de volgende onderwerpen aan bod: - het betrekkelijk voornaamwoord: qui, que, qu' - de werkwoorden: devoir, dire, connaître in: futur, futur du passé, imparfait, passé composé en présent - het persoonlijk voornaamwoord: onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, vast voorzetsel, y + en - de lidwoorden
    Eindgebruiker
    leerling/student
    Moeilijkheidsgraad
    gemiddeld
    Studiebelasting
    4 uur en 0 minuten
  • Downloaden

    Het volledige arrangement is in de onderstaande formaten te downloaden.

    Metadata

    LTI

    Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI koppeling aan te gaan.

    Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.

    Arrangement

    IMSCC package

    Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.

    Meer informatie voor ontwikkelaars

    Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op onze Developers Wiki.