22. Nou en of

22.1 intro

Opgave 1

Opgave 2

Opgave 3

22.2 Ongelijkheden

Opgave 4

Opgave 5

Opgave 6

Intervallen

Intervallen
Je hebt bij de slakkengang van opgave 6d vier stukjes van de tijdbalk gekleurd. Zulke stukjes noemen we tijdsintervallen.
Bij de biedprijzen van opgave 5f heb je afstandsintervallen gekleurd.


Voorbeeld
Welke getallen kan x voorstellen als \(3x+2<11\)?
Op deze vraag is het antwoord: \(x<3\). Zie opgave 2.
De getallen die \(x\) kan voorstellen, vormen een interval.

Dit interval is getekend op een getallenlijn.

 


Een interval is een deel van de getallenlijn “uit één stuk”. Dat wil zeggen: een aaneengesloten deel, zonder gaten. “Inter” betekent “tussen”; “interval” betekent letterlijk “tussenruimte”.
Er zijn acht typen intervallen: vier met één grenspunt en vier met twee grenspunten. Van elk type staat hiervan een voorbeeld. Naast het plaatje staat het interval beschreven met behulp van de variabele \(x\).

In plaats van “\(x<3\)” kun je ook schrijven: “\(3>x\)”.

In plaats van “\(‐2≤x<3\)” kun je ook schrijven: “\(3>x≥‐2\)”. Enzovoort.

 

Opgave 7

Voorbeeld


Voorbeeld

Vraag:

 

Voor welke getallen \(x\) geldt: \(3x+5<11\)?

Oplossing:

 

\(3x+5<11\)

   

\(3x<6\)

   

\(x<2\)

Plaatje:

 

 

 

Voorbeeld

Vraag:

 

Voor welke getallen \(x\) geldt: \(5−2x≥1\)?

Oplossing:

 

\(5−2x≥1\)

   

\(4≥2x\)

   

\(2≥x\)

Plaatje:

 

 

 

 

Opgave 8

Opgave 9

Opgave 10

Opgave 11

22.3 Diagrammen

Opgave 12

Opgave 13

Opgave 14

Voegwoorden


De voegwoorden en en of spelen in de wiskunde een belangrijke rol.
Het voegwoord en wordt in de wiskunde hetzelfde gebruikt als in het dagelijks
leven; bij en zijn er dus geen problemen.
Het voegwoord of wordt in de wiskunde wel andersgebruikt dan in de gewone
spreektaal. Kijk maar eens naar het voorbeeld.


Het wiskundige of is dus wat in het dagelijks leven “en/of” wordt genoemd.

Opgave 15

Opgave 16

Opgave 17

Opgave 18

Opgave 19

Opgave 20

22.4 En/of

Opgave 21