Gezond eten is 'in'. Zo eten mensen bijvoorbeeld graag een ‘broodje gezond’.
Alleen al door de naam denken mensen dat ze iets gezonds eten.
Maar is echt ieder ‘broodje gezond’ wel zo goed voor je gezondheid?
In dit thema staat voeding centraal.
Je zoekt uit hoe je een broodje gezond maakt en ontdek je of een broodje gezond ook echt gezond is.
Voordat je hiermee aan de slag gaat, moet je iets weten over voedingsmiddelen, voedingsstoffen, gezonde voeding en hygiënisch werken.
Dat leren jullie in de opdrachten in dit thema.
Als opwarmertje beginnen we met deze video! Bekijk hem goed. Denk je dat dit broodje gezond is?
Waarom wel of waarom niet? Bespreek het met een klasgenoot.
Planning
In dit thema ga je aan de gang met zes opdrachten en de afsluiting.
In de tabel staat per onderdeel hoeveel lessen je ongeveer nodig hebt.
Activiteit
Tijd
Eindopdracht
Inleiding
0,5 lesuur
Opdracht: Eetgewoontes
2 lesuren
Een recept van een wereldgerecht.
Opdracht: Voedingsstoffen
2 lesuren
Een toets maken of
Een practicum met een onderzoeksverslag.
Opdracht: Energie en gewicht
2 lesuren
Het invullen van een eetdagboek
Opdracht: Gezonde voeding
2 lesuren
Het schrijven van een verslag of
Het maken van een toets.
Opdracht: Voedselbereiding
2 à 3 lesuren
Waarschuwingspictogram
Afsluiting
3 lesuren
Broodje gezond maken.
Diagnostische toets.
Totaal
ongeveer 14 lesuren
De tijd is een indicatie en afhankelijk van de keuze van het eindproduct.
Werkplan
Het thema 'Voeding’ bestaat uit een groot aantal opdrachten/oefeningen.
Het is belangrijk dat je goed bijhoudt welke opdrachten je gedaan hebt.
Om je hierbij te helpen is er een werkplan gemaakt.
Op dat werkplan kun je bijhouden welke onderdelen je al gedaan hebt.
Het werkplan is als Googledocument beschikbaar.
Om het werkplan in te kunnen vullen, maak je een kopie van het Googledocument en plaats je het in je eigen Google-omgeving.
Download hier het Werkplan ‘Voeding’
Eetgewoontes
Intro
Ieder land heeft zo zijn eigen eetgewoontes.
Niet alleen wat je eet, ook hoe je eet is afhankelijk van je cultuur en de omgeving waar je eet.
Tafelmanieren verschillen per land. In Aziatische landen eten ze vaak met stokjes, in sommige landen is slurpen en boeren netjes en in Amerika organiseren ze zelfs wereldkampioenschappen hotdog eten.
Kijk naar de ‘regels’ in onderstaand filmpje. Wat weet jij van tafelmanieren?
Eindproduct-Beoordeling
Eindproduct
Je rondt deze opdracht af door een recept van een 'wereldgerecht' te maken. Kies bijvoorbeeld voor een Indiaas, Mexicaans, Indonesisch, Zuid-Afrikaans, Thais, Turks of Pools gerecht.
Overleg met je docent of je het gerecht ook mag maken.
Beoordeling
In je recept staat duidelijk vermeld:
waar het gerecht vandaan komt.
welke ingrediënten je nodig hebt om het gerecht te maken.
hoe je het gerecht moet bereiden.
hoe het gerecht gegeten moet worden.
Als je het gerecht ook echt maakt, zorg je voor een foto van je gerecht bij het recept.
Leerdoelen
Na deze opdracht kun je:
twee redenen noemen voor de veranderde eetgewoonten in Nederland.
het verschil tussen een vegetariër en een veganist benoemen.
een aantal voedingsmiddelen opnoemen die vleesvervangers zijn.
Werkwijze
Groepsgrootte
Sommige stappen maak je alleen. Soms moet je samenwerken met je klasgenoten.
Het eindproduct maak je samen met een klasgenoot.
Benodigdheden
Als je het gerecht gaat maken:
ingrediënten voor het wereldgerecht.
keukenspullen.
Tijd
Je hebt ongeveer één lesuur nodig voor stap 1 t/m 4 en één lesuur voor het eindproduct.
Stap 1
Wereld(w)eten
Of je iets lekker vindt, wordt niet alleen bepaald door de geur, kleur en smaak van voedsel.
Ook wat je gewend bent speelt een belangrijke rol.
Kijk naar de video. Wat is de invloed van je afkomst op je smaak?
Nederlandse gerechten?
Erwtensoep en stamppot zijn typisch Nederlandse gerechten, maar zijn dat niet altijd geweest.
Zelfs de aardappel is van oorsprong niet Nederlands.
Hij is hier pas in de 16e eeuw gekomen sinds de ontdekking van Amerika.
Onze eetgewoonten veranderen steeds. De afgelopen eeuw zijn er veel nieuwe gerechten en producten in de Nederlandse keuken in gebruik genomen en komen er nog steeds meer bij.
Die producten zijn veelal uit het buitenland naar Nederland gekomen. We hebben ze leren kennen tijdens een vakantie in het buitenland. Of ze zijn bijvoorbeeld door iemand die in het buitenland is geboren in Nederland geïntroduceerd.
Er staan tegenwoordig verschillende gerechten uit andere landen op onze menukaart.
Er zijn veel restaurants en eetgelegenheden waar je pizza, roti en kousenband, shoarma, kebab, couscous, tandoori kip, saté of taco kunt eten of halen.
Wereldeten
Uit welk land komt welk gerecht oorspronkelijk vandaan en wat kan de reden zijn?
Zoek de juiste combinaties.
Combineer het land waar het gerecht vandaan komt en de reden waarom het in Nederland is, bij het juiste gerecht.
Stap 3
Godsdiensten
Het christendom, het boeddhisme, de islam, het hindoeïsme en de joodse godsdienst zijn wereldgodsdiensten. Elke godsdienst schrijft wel enkele wetten voor omtrent het eten.
Hieronder lees je over de invloed op het eten van de genoemde godsdiensten.
Lees de informatie door.
Maak voor je verder leest eerst de oefening.
Zo kan je ontdekken wat je al over deze godsdiensten en hun eetgewoontes weet.
Stap 4
Vegetarisch eten
Bij de stap over godsdiensten heb je al gemerkt, dat mensen die hindoeïstisch zijn vaak vegetarisch eten. Er zijn echter nog meer redenen, waarom mensen vegetarisch eten.
In diverse Westerse landen neemt het aantal vegetariërs toe.
Welke redenen hebben mensen om vegetarisch te eten?
Hieronder een aantal opties. Bespreek ze met een klasgenoot.
Zijn het redenen om vegetarisch te eten?
Kunnen jullie nog andere redenen bedenken?
Ze vinden het lekkerder dan vlees.
Ze willen dierenleed tegengaan.
Het is een manier van vasten.
Voor het verbouwen van vegetarisch voedsel is minder grond nodig dan voor dierlijk voedsel.
Hun geloof schrijft het voor.
Ze vinden het gezonder dan het eten van vlees.
Bekijk het volgende filmpje over vleesvervangers.
Discussieer na het bekijken van de video met een klasgenoot over de volgende stelling: “Vleesvervangers hoeven niet naar vlees te smaken.”
Vegetariërs eten geen vlees, gevogelte en vis.
Bijna alle vegetariërs eten of drinken wel eieren, melk en melkproducten, zoals kaas.
Sommige mensen die zich vegetarisch noemen, eten wel vis.
Ongeveer vier procent van de Nederlandse bevolking eet elke dag vegetarisch.
Daarnaast is er een groeiende groep parttime vegetariërs of 'flex'vegetariërs, die een of meer dagen per week geen vlees eten.
Veganisten eten helemaal geen producten van dierlijke oorsprong, dus ook geen melk, melkproducten of eieren.
Met vlees krijg je belangrijke voedingsstoffen binnen. Missen vegetariërs die dan?...Nee!
Vegetariërs en zelfs veganisten kunnen heel gezond eten als ze vleesvervangers eten, zoals noten, tofu, tempé en peulvruchten.
Stap 5
Eindproduct
Als eindproduct van deze opdracht maak je een recept van een wereldgerecht. Kies bijvoorbeeld voor een Indiaas, Mexicaans, Indonesisch, Zuid-Afrikaans, Thais, Turks of Pools gerecht.
Zorg dat in het recept duidelijk staat waar het recept vandaan komt, welke ingrediënten je nodig hebt om het recept te maken en hoe je het gerecht moet bereiden.
Overleg met je docent of jullie de gerechten ook echt mogen maken.
Maak dan een boodschappenlijstje van de ingrediënten.
Ga boodschappen doen.
Zorg voor de keukenspullen die nodig zijn om het gerecht te bereiden.
Bereid het gerecht en serveer het aan enkele klasgenoten.
Maak een mooie foto van het gerecht dat je hebt gemaakt en voeg die toe aan het recept.
Eet smakelijk!
Voedingsstoffen
Intro
In Nederland gebruikt iedere persoon gemiddeld 81 kilo aardappelen per jaar.
Niet alleen als aardappel op je bord, maar in veel meer producten.
Bekijk de video op de site van SchoolTV.
Welke producten kan je nog meer van aardappels maken?
Schrijf er minimaal drie op.
Bespreek je antwoorden met een klasgenoot.
Hebben jullie dezelfde antwoorden gevonden?
Probeer nog meer producten te verzinnen die van aardappel worden gemaakt.
Eindproduct-Beoordeling
Eindproduct
Je rondt deze opdracht af met het practicum 'Zetmeel aantonen'.
Van dit practicum maak je een onderzoeksverslag.
Beoordeling
Het onderzoeksverslag beoordeel je eerst zelf.
Daarna laat je het onderzoeksverslag beoordelen door je docent.
Leerdoelen
Na deze opdracht kun je:
het verschil tussen voedingsstoffen en voedingsmiddelen beschrijven.
vier verschillende groepen voedingsstoffen benoemen.
de functies van deze verschillende voedingsstoffen benoemen.
de aanwwezigheid van zetmeel in een voedingsmiddel vaststellen.
Werkwijze
Groepsgrootte
Deze opdracht doe je alleen.
Je overlegt wel regelmatig met een klasgenoot.
Er is een verschil tussen voedingsmiddelen en voedingsstoffen.
Maak nu de volgende oefening en sleep het product in de juiste kolom.
Stap 2
Vitamines en mineralen zijn beschermende stoffen.
Als je niet voldoende beschermende stoffen binnnen krijgt, krijg je een gebreksziekte.
Bekijk de voorbeelden in de tabellen.
Wat doe jij om dagelijks voldoende vitaminen en mineralen binnen te krijgen?
Stap 3
Zetmeel aantonen
Hoe weet je welke voedingsstoffen in welke voedingsmiddelen zitten?
Dat kun je uitzoeken met indicatoren. Een indicator is een stof, waarmee je andere stoffen kunt aantonen.
Een voorbeeld van een indicator is een joodoplossing.
Hiermee kun je zetmeel (= koolhydraat) in een voedingsmiddel aantonen.
Een joodoplossing heeft een geelbruine kleur. Als de joodoplossing in aanraking komt met zetmeel verandert de kleur naar blauwzwart.
Zit er geen zetmeel in het product dan verandert de kleur niet.
Voedingsstoffen
Bruikbare delen in voedingsmiddelen (voedsel); voedingsstoffen worden direct opgenomen in de darmen of verteerd tot stoffen die kunnen worden opgenomen in de darmen.
Bouwstoffen
Voedingsstoffen met als functie: opbouw, herstel en groei van organismen. Bijvoorbeeld: eiwitten, vetten en water.
Brandstoffen
Voedingsstoffen met als functie: leveren van energie door verbranding. Bijvoorbeeld: koolhydraten en vetten en in mindere mate eiwitten.
Reservestoffen
Voedingsstoffen die dienen als reservestof. Bijvoorbeeld: vetten.
Beschermende stoffen
Voedingsstoffen met als functie: weerstand tegen ziektes vergroten. Bijvoorbeeld: mineralen en vitaminen.
Eiwitten
Voedingsstoffen die vooral dienen als bouwstoffen. Pas wanneer de koolhydraten en vetten opgebruikt zijn, worden ook eiwitten gebruikt als brandstof.
Koolhydraten
Voedingsstoffen die vooral dienen als brandstof, maar ook als bouwstof en reservestof gebruikt worden. Koolhydraten zijn ontstaan uit glucose. Bijvoorbeeld: suiker, zetmeel en cellulose.
Vetten
Voedingsstoffen die vooral als brandstof en reservestof dienen, maar ook als bouwstof kunnen worden gebruikt. Wanneer de koolhydraten opgebruikt zijn, worden vetten gebruikt als brandstof.
Water
Belangrijke bouwstof voor organismen die ontstaat bij verbranding van glucose en die nodig is voor de fotosynthese van planten.
Mineralen
Stoffen die in kleine hoeveelheden voorkomen in eten en drinken en die werken als beschermende stof: ze zorgen ervoor dat je gezond blijft. Ze leveren geen energie. Bijvoorbeeld: ijzer en zout.
Vitaminen
Stoffen die in kleine hoeveelheden voorkomen in eten en drinken en die werken als beschermende stof: ze zorgen ervoor dat je gezond blijft. Ze leveren geen energie. Bijvoorbeeld: vitamine C.
Indicator
Een stof waarmee je andere stoffen kunt aantonen.
Bijvoorbeeld: een joodoplossing voor het aantonen van zetmeel in producten.
Energie en gewicht
Intro
Lekker eten is gezellig en als het dan ook nog gezond eten is, is het prima.
Maar helaas is lekker eten niet altijd gezond.
Sommige voedingsmiddelen bevatten veel meer vetten of koolhydraten dan je nodig hebt.
En dat kan er toe leiden dat je te dik wordt.
In deze opdracht staan energie en gewicht centraal.
In de volgende oefening lees je zes stellingen.
Geef aan of ze waar of niet waar zijn.
Stap 2
Energiebalans
Eet je te veel of te weinig? Of precies genoeg?
Als je niet méér eet dan je nodig hebt, kom je ook niet aan.
Je energiebehoefte is dan in balans.
Als je te weinig eet dan je nodig hebt, dan val je af.
Eet je te veel dan kom je aan.
Of je energiebehoefte in balans is, heb je grotendeels zelf in de hand.
Jij bepaalt immers zelf hoeveel je eet en hoe actief je bent.
Als je actief bent dan verbrand je ook meer brandstoffen.
Als je niet zo actief bent, gebruik je minder energie dan als je wel actief bent.
Bewegen is dus belangrijk.
Beweeg jij wel genoeg? Test het zelf! www.30minutenbewegen.nl - flash
Stap 3
Energiebehoefte
De hoeveelheid energie die iemand per dag nodig heeft, hangt af van zijn/haar gewicht en de die dag geleverde inspanning.
De geleverde inspanning wordt gegeven met de inspanningsindex.
Om de energiebehoefte in kilocalorieën uit te rekenen, kun je gebruikmaken van de volgende vuistregel:
Voor de meeste mensen is eten de normaalste zaak van de wereld.
Helaas zijn er ook een aantal mensen bij voor wie dat niet zo is.
Deze mensen hebben last van een zogenaamd eetprobleem.
Een eetprobleem kan zeer ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid van iemand.
Te veel eten is niet goed, maar te weinig eten ook niet.
Anorexia is een ziekte waarbij mensen te weinig eten.
Margreet ontmoet in een kliniek voor eetstoornissen een paar meisjes die daar voor anorexia worden behandeld.
Kijk de volgende aflevering van het Klokhuis helemaal.
Bespreek de inhoud van deze aflevering van Klokhuis met een klasgenoot.
Zorg dat je weet:
hoe het komt dat mensen aan anorexia lijden.
wie er vooral aan anorexia lijden.
welk zelfbeeld mensen hebben die anorexia hebben.
wat een diëtist is en hoe hij/zij iemand met anorexia kan helpen.
Stap 5
Eindtoets
Voor je aan de slag gaat met het eindproduct maak je een toets.
Probeer een zo hoog mogelijke score te halen.
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
Eetdagboek
Eetproblemen voorkom je door bewust om te gaan met eten.
Je gaat één dag bijhouden wat je eet. Je houdt ook bij wat de belangrijkste activiteiten op die dag zijn.
Sla het Googledocument op in je eigen omgeving zodat je het kunt bewerken.
Lees het werkblad een keer helemaal door.
Spreek met een klasgenoot af op welke dag jullie de tabellen gaan invullen.
Vul die dag de tabellen zo nauwkeurig mogelijk in.
Ga nu naar de website www.voedingscentrum.nl en zoek uit wat jij volgens het voedingscentrum per dag zou moeten eten.
Schrijf in het dagboek het advies van het voedingscentrum op.
Vergelijk het advies met jouw eetdagboek. Zijn er grote verschillen?
Schrijf de belangrijkste verschillen in je dagboek.
Klaar?
Laat het eetdagboek dan beoordelen door je docent.
Begrippenlijst
Energiebehoefte
De hoeveelheid energie uit voedsel dat je dagelijks nodig hebt.
Body Mass Index (BMI)
Waarde berekend op basis van gewicht en lengte, die aangeeft in hoeverre je een gezond gewicht hebt.
Obesitas
Eetstoornis waarbij overgewicht het gevolg is van te veel eten. Ook wel vetzucht genoemd
Anorexia Nervosa
Eetstoornis waarbij ondervoeding het gevolg is van te weinig eten.
Gezonde voeding
Intro
In de opgave staat gezonde voeding centraal.
Kook jij zelf ook wel eens? Wat vind je leuk/lekker om te koken?
Wat vind je belangrijker dat het lekker is of dat het gezond is?
Of gaat dat bij jou altijd hand in hand?
Bekijk het volgende YouTube-filmpje.
Bespreek na het kijken met een klasgenoot of deze maaltijd niet alleen makkelijk is, maar ook gezond.
Eindproduct-Beoordeling
Eindproduct
Je rondt deze opdracht af met het bestuderen van een aantal recepten.
Van die recepten geef je aan of het gerecht dat wordt gemaakt wel of niet gezond is.
Natuurlijk leg je uit waarom het gerecht wel of niet gezond is.
Je bevindingen verwerk je in een kort verslag (max 1 A4).
Beoordeling
Het verslag laat je eerst beoordelen door een klasgenoot.
Daarna laat je het verslag beoordelen door je docent.
Leerdoelen
Na deze opdracht kun je:
de maaltijdschijf (schijf van vijf) gebruiken.
de productinformatie op een etiket lezen.
van een gerecht aangeven of het wel of niet gezond is.
Werkwijze
Groepsgrootte
Deze opdracht doe je alleen.
Je overlegt wel regelmatig met een klasgenoot.
Tijd
Voor deze opdracht heb je 1 à 2 lesuren nodig.
Stap 1
Schijf van vijf
Bestudeer nu uit de kennisbank de volgende pagina:
Op de verpakking van een voedingsmiddel moet staan wat er precies in het voedingsmiddel zit.
Bekijk de verpakking van minimaal drie voedingsmiddelen en kijk bij ieder voedingsmiddel of je de volgende informatie kunt vinden:
De voedingswaarde per 100 g.
De energiewaarde van het product in kCal of kJoule.
De voedingsstoffen die in het product zitten.
Welke E-nummers in het product zitten.
Schrijf per verpakking van minimaal twee E-nummers op wat de functie van het E-nummer is.
Bespreek met een klasgenoot de volgende stelling.
“Van mij hoeft al die productinformatie niet op de verpakking te staan.
Ik proef gewoon of ik het lekker vind en dan vind ik het goed."
Bedenk samen twee redenen waarom je het wel met de stelling eens zou kunnen zijn.
Bedenk samen ook twee redenen waarom je het niet met de stelling eens zou kunnen zijn.
Bespreek jullie redenen met een ander tweetal. Hebben jullie dezelfde redenen?
Stap 3
Eindproduct
Als eindproduct van deze opdracht bestudeer je drie recepten. Gebruik internet om de recepten op te zoeken. Je kijkt vooral naar de ingrediënten die worden gebruikt.
Zijn de gerechten die worden beschreven gezond of niet?
Van je bevindingen schrijf je een kort verslag.
In je verslag leg je duidelijk uit of de gerechten wel of niet gezond zijn. Natuurlijk kleed je het verslag aan met afbeeldingen van de gerechten.
Lees voor je begint in de reisgids de tips voor het maken van een verslag.
Klaar?
Laat je verslag eerst beoordelen door een klasgenoot.
Vraag tips om je verslag te verbeteren.
Laat je verslag vervolgens beoordelen door je docent.
De docent zal bij de beoordeling letten op de inhoud en op de vormgeving/netheid.
Begrippenlijst
Schijf van vijf
Hulpmiddel opgesteld door het Voedingscentrum dat je kunt gebruiken bij het kiezen van gezonde voeding. Eet elke dag iets uit alle vijf vakken; van de grootste vakken moet je het meeste eten.
Ballaststoffen
Onverteerbare resten van plantaardig voedsel; deze voedingsvezels zijn belangrijk voor een effectieve darmperistaltiek en verlaten je lichaam met de ontlasting.
Voedselbereiding
Intro
Wist jij dat bacteriën en schimmels zeer nuttig kunnen zijn bij het bereiden van voedsel? Nee?
Misschien wist je dan wel dat bacteriën en schimmels voedselvergiftiging kunnen veroorzaken en er voor kunnen zorgen dat sommige voedingsmiddelen bederven.
Bacteriën en schimmels kunnen zowel nuttig als lastig zijn.
Hoe dat precies zit ga je in deze opdracht leren.
Je leert meteen ook hoe je voedsel goed kunt bewaren en hoe je hygiënisch werkt in de keuken.
Genoeg te doen.
Aan de slag!
Eindproduct-Beoordeling
Eindproduct
Deze opdracht rond je af door het maken van een verslag (bacterieonderzoek) en het maken een pictogram.
Het pictogram zal jou en je klasgenoten herinneren aan de hygiëneregels die gelden in de keuken.
Beoordeling
De docent beoordeelt het pictogram aan de hand van de volgende vragen:
Is duidelijk wat met het pictogram wordt bedoeld?
Heeft het pictogram te maken met een hygiëneregel in de keuken?
Ziet het pictogram er verzorgd uit?
Zijn er geen of weinig woorden in het pictogram te zien?
Bij de beoordeling van het verslag wordt gelet op de volgende punten:
Heeft het verslag een passende titel?
Bevat het verslag een inleiding met onderzoeksvraag?
Bevat het verslag een hypothese?
Zijn de gebruikte materialen opgenomen in het verslag?
Wordt de werkwijze in het verslag beschreven?
Bevat het verslag de resultaten en een conclusie?
Leerdoelen
Na deze opdracht kun je:
het verschil tussen de cellen van bacteriën en schimmels benoemen.
twee voorbeelden beschrijven waaruit blijkt dat bacteriën en schimmels nuttig zijn.
benoemen dat bacteriën en schimmels ziekteverwekkend kunnen zijn.
benoemen dat bacteriën en schimmels kunnen zorgen voor voedselbederf.
uitleggen waarom een goede hygiëne (in de keuken) belangrijk is.
beschrijven wat kruisbesmetting is.
Werkwijze
Groepsgrootte
Deze opdracht doe je alleen.
Je overlegt wel regelmatig met een klasgenoot.
Benodigdheden
Het practicum Bacteriën + benodigdheden (zie practicum).
Tijd
Voor deze opdracht heb je 2 à 3 lesuren nodig.
Let op het practicum bestaat uit twee delen. De twee delen moeten een week na elkaar worden gedaan.
Levende organismen worden onderverdeeld in vier rijken:
het dierenrijk
het plantenrijk
het rijk van de schimmels
en het rijk van de bacteriën.
Tot welk rijk een organisme behoort, kun je zien aan de cellen waaruit het organisme is opgebouwd.
Je kijkt dan of de volgende onderdelen van een cel wel of niet aanwezig zijn:
celwand
celkern
bladgroen
Vul in de oefening de tabel in.
Maak zo nodig gebruik van de informatie uit de kennisbank.
Stap 2
Schimmels en bacteriën
Bestudeer uit de kennisbank de volgende pagina's:
Maak de oefening over schimmels, die nuttig en lastig kunnen zijn.
Stap 3
Practicum bacteriën
Overal om ons heen zitten bacteriën. Bacteriën kun je met het blote oog niet zien.
Bacteriën kunnen zich heel snel vermenigvuldigen. Ze groeien in kolonies.
Een kolonie kun je wel met het blote oog zien.
In dit practicum ga je zelf bacteriën kweken en bekijken.
Bekijk de zes voedingsmiddelen in de oefening hieronder.
Kies de juiste term per voedingsmiddel wat gedaan moet worden om het beter te kunnen bewaren.
Heb je dezelfde antwoorden als je klasgenoot?
Stap 5
Hygiëne
Bestudeer uit de kennisbank de volgende pagina:
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
De onderstaande antwoorden moet je zelf nakijken; vergelijk jouw antwoorden met de goede
antwoorden, en geef aan in welke mate jouw antwoorden correct zijn.
Eindproduct
Als eindproduct van deze opdracht maak je een waarschuwingspictogram.
Een pictogram is een symbool of afbeelding die de plaats inneemt van een tekst.
Zonder woorden begrijpt iedereen wat het betekent.
Het waarschuwingspictogram dat je gaat maken, gaat over de hygiëneregels in de keuken. Denk bijvoorbeeld aan het handen wassen voordat je gaat koken. Of het voorkomen van kruisbesmetting. Of ...
Je mag helemaal zelf kiezen welk materiaal en welke verwerkingsmethode je gebruikt voor het pictogram. Je mag knippen, plakken, kleuren of digitaal werken.
De keuze is aan jou.
Eventueel kan je nog inspiratie opdoen in de reisgids.
Klaar en tevreden?
Laat het resultaat beoordelen door je docent.
Extra
Voedingscentrum
Op de website van het voedingscentrum vind je veel informatie over voeding.
Kijk bijvoorbeeld eens op: De waarheid op tafel
Koelbewust
Speel ook het spel Koelbewust (Flash) over het bewaren van levensmiddelen.
Veel plezier!
Begrippenlijst
Schimmels
Organismen waarvan de cellen een celkern hebben en een celwand, en geen bladgroenkorrels. Er bestaan zowel eencellige (gist) als meercellige schimmels (zoals paddenstoelen).
Bacteriën
Eencellige organismen zonder kern. Bacteriën hebben vaak nuttige eigenschappen voor mensen (10% van het lichaamsgewicht bestaat uit bacteriën): ze ruimen dode organismen op, maken voedingsmiddelen en helpen bij de spijsvertering. Ze kunnen ook schadelijke eigenschappen hebben, zoals ziekten veroorzaken en voedselbederf.
Mycelium
Ook wel zwamvlok genoemd; het netwerk van alle schimmeldraden van een schimmel.
Sporen
Voortplantingscellen van schimmels en sporenplanten.
Sporendrager
De organen van de schimmel waarin de sporen gevormd worden.
Zwamvlok
Ook wel mycelium genoemd; het netwerk van alle schimmeldraden van een schimmel.
Melkzuurbacterie
Bacterie die gebruikt wordt om producten zoals yoghurt, karnemelk en zuurkool te maken.
Conserveren
Voedsel zo bewaren dat het relatief lang eetbaar blijft.
Pasteuriseren
Bij pasteuriseren worden de meeste sporen van de schimmel bestreden (bij 70 graden Celcius).
Steriliseren
Bij steriliseren worden alle sporen van de schimmel bestreden (bij 120 graden Celcius).
Vacuüm verpakken
Als je iets vacuüm verpakt, pak je het in zonder zuurstof. De meeste schimmels gaan dan dood, omdat voor hen zuurstof noodzakelijk is.
Voedselvergiftiging
Je spreekt van een voedselvergiftiging als je ziek bent door een schimmel en/of bacterie die zich in je eten bevond.
Hygiëne
Alles wat je doet om ervoor te zorgen dat organismen (planten, dieren en mensen) gezond blijven door ziekteverwekkers uit de buurt te houden of uit te schakelen.
Afsluiting
Eindopdracht
Je rondt dit thema af door het maken van een broodje gezond.
Je maakt ook een kaartje voor in een broodjeswinkel waarop de productinformatie van het broodje gezond staat.
Op het kaartje komt te staan welke ingrediënten zijn gebruikt en welke voedingstoffen in deze ingrediënten zitten.
Ook geef je op het kaartje informatie over de voedingswaarde van het broodje.
Natuurlijk komt er op het kaartje ook een foto van het broodje zelf.
Eet smakelijk!
Beoordeling
Gebruik bij de beoordeling de volgende vragen:
10p: Hebben jullie het broodje gezond van het recept gemaakt?
20p: Hebben jullie een duidelijke foto of tekening gemaakt?
20p: Is het duidelijk welke voedingsstoffen in het broodje zitten?
10p: Is aangegeven hoeveel energie het broodje bevat?
20p: Hebben jullie tijdens het klaarmaken hygiënisch gewerkt?
20p: Ziet het etiket of kaartje er aantrekkelijk uit?
Werkwijze
Groepsgrootte
Deze opdracht doe je samen met een klasgenoot.
Tijd
Voor het maken van het eindproduct heb je 2 uur de tijd.
0,5 uur voor het opzoeken van het recept en het maken van een boodschappenlijstje of het doen van boodschappen.
0,5 uur voor het maken van het broodje en het maken van een foto of tekening.
1 uur voor het maken van het kaartje.
Benodigdheden
Fototoestel of mobiele telefoon met camera
Schaar en lijm
Potlood en papier
Ingrediënten voor het broodje gezond
Stap 1
Zoeken informatie
Op de website www.brood.net/brood-recepten vind je allerlei tips voor het samenstellen van een broodje gezond.
Stel met behulp van de site een recept samen. Overleg met je docent.
Pas het recept zo nodig aan naar jullie eigen smaak.
Print het recept (met ingrediënten en bereiding) uit.
Ingrediënten kopen
Koop nu samen de ingrediënten die jullie nodig hebben om het broodje gezond te maken.
Stap 2
Voedingsstoffen en voedingswaarde
Welke en hoeveel voedingsstoffen zitten straks in jullie broodje gezond?
Hoeveel energie bevat dit broodje? Als je een recept van www.brood.net hebt gebruikt, vind je veel informatie onderaan het recept.
Stap 3
Bereiding
Maak het broodje klaar op een hygiënische manier.
Denk aan het handen wassen voordat je gaat beginnen!
Bereiding
Maak, voor je het broodje opeet, een foto of tekening van het broodje.
Maak met behulp van het recept, de foto of tekening én het overzicht van de voedingsstoffen en energie het kaartje voor in een broodjeswinkel.
Klaar?
Laat het kaartje beoordelen door je docent.
Terugkijken
Hoe is het gegaan?
Overleg met z'n tweeën wat jullie hebben geleerd tijdens het maken van het broodje gezond en schrijf dit op.
Gebruik daarbij de volgende vragen:
Ging het zoeken van een recept voor een broodje gezond goed?
Ging het maken van een boodschappenlijstje gemakkelijk?
Het arrangement Thema Voeding vmbo-kgt12 is gemaakt met
Wikiwijs van
Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt,
maakt en deelt.
Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen
3.0 Nederland licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding en publicatie
onder dezelfde licentie vrij bent om:
het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of
bestandsformaat
het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.
Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten
terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI
koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI
koppeling aan te gaan.
Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.
Arrangement
Oefeningen en toetsen
Energie en gewicht
Hygiëne
Voedselbereiding
IMSCC package
Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.
Oefeningen en toetsen van dit arrangement kun je ook downloaden als QTI. Dit bestaat uit een ZIP bestand dat
alle informatie bevat over de specifieke oefening of toets; volgorde van de vragen, afbeeldingen, te behalen
punten, etc. Omgevingen met een QTI player kunnen QTI afspelen.
Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en
het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op
onze Developers Wiki.