Stap 2: Wat waren de oorzaken?

Afbeeldingsresultaat voor trechtervorm noordzee

Nu we weten wat de watersnoodramp is en wanneer deze plaatsvond, is de vraag natuurlijk: hoe kon deze ramp gebeuren? We gaan daarvoor terug naar de nacht van 31 januari 1953. Die nacht was er een noordwesterstorm. De storm blies het water recht in het gat tussen Nederland en Groot-Brittanniƫ, een soort trechter. Dit kan je zien op het plaatje hiernaast. (c) On'wijs 2003

Het water kon niet allemaal tegelijk door die trechter. Daardoor werd het water opgestuwd en werd de stand van het water erg hoog. Dit noemen we stormvloed, dat is een vloed door een storm.

Vloed wil zeggen dat het water hoog staat. Het tegenovergestelde van vloed is eb. Eb betekent dus dat het laag water staat. Eens in de twee weken is het verschil tussen eb en vloed zo groot, dat hebben we de naam springvloed gegeven. Dat wil zeggen dat het water van heel erg laag, naar heel erg hoog gaat. De springvloed en stormvloed zorgden er samen voor dat in de nacht van de watersnoodramp het water extra hoog kwam te staan. De dijken
in het gebied bij Zeeland moesten het land beschermen tegen dat water. Dijken zijn stukken
opgehoogd land die het water tegenhouden. Rondom Zeeland waren de dijken niet hoog en
stevig genoeg voor zo'n grote hoeveelheid water. Dit is de reden dat de dijken doorbraken.

Ook omdat Zeeland onder het NAP ligt, overstroomde het gebied makkelijker. NAP betekent
Normaal Amsterdams Peil, dus dat houdt in dat Zeeland lager ligt dan de zee. Dit is de reden
dat Zeeland onder water komt te staan als de dijken doorbreken.