De leerkracht geeft de kinderen de opdracht op een blaadje hun hand om te trekken en kruisjes te zetten op de plekken waar ze delen van de hand kunnen bewegen. Vervolgens krijgen de kinderen de opdracht ditzelfde te doen met een schets van hun lichaam. De leerkracht bespreekt klassikaal wat de kinderen getekend hebben en stuurt naar de conclusie dat er punten in je lichaam zijn die beweging mogelijk maken. Die punten noemen we gewrichten. Om je lichaamsdelen te kunnen bewegen heb je spierkracht nodig. En doordat je skelet bestaat uit allemaal losse delen, de botten, kun je je gemakkelijk bewegen.