De meeste mensen geloven tegenwoordig in 1 god, maar de Romeinen geloofden in heel veel verschillende goden. De goden werden door de Romeinen gebruikt als verklaring voor natuurverschijnselen die ze niet begrepen. Het verhaal van Persephone geeft bijvoorbeeld een verklaring voor de verschillende seizoenen. De Romeinen wisten nog niet dat dit werd veroorzaakt door het draaien van de aarde, dus zeiden ze dat de goden dit veroorzaakten. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor onweer. De Romeinen wisten niet hoe onweer ontstond, dus vertelden ze verhalen over Jupiter die het liet onweren als hij boos werd. De Romeinen geloofden ook dat de goden hen beschermden. Ze hadden bijvoorbeeld goden die de oogst beschermden en goden die hun huis beschermden. Voor elk natuurverschijnsel en alles dat bescherming nodig had, hadden ze een andere god. Met een mooi woord heet dit het meergodendom.
Tegenwoordig vind je in elke stad een kerk. De Romeinen bouwden vroeger geen kerken maar tempels om hun goden in te vereren. Veel goden hadden een eigen tempel. Bij deze tempels lieten de Romeinen offers voor de goden achter. Een offer was een cadeau voor de god. Wanneer een zeeman bijvoorbeeld een lange reis moest gaan maken, ging hij naar de tempel van Neptunus. Hij bracht daar dan een offer in de hoop door de god beschermd te worden op zijn reis. Offers waren vaak maaltijden, wijn of dieren.
Een tempel was vaak mooi versierd. Om de hele tempel heen stonden grote zuilen. De zuilen aan de voorkant waren vaak prachtig versierd. Op de muren waren schilderingen die verhalen over de god uitbeeldden en binnen in de tempel stond meestal een groot beeld van de god waar de tempel voor was.
De Romeinen geloofden dus in heel veel verschillende goden. Veel van deze goden waren familie van elkaar. Een aantal goden waren het belangrijkst in het Romeinse geloof. De goden Jupiter, Juno, Neptunus, Pluto, Apollo en Venus zijn zes van deze belangrijke goden.
Jupiter was de allerbelangrijkste. Hij was de koning van de goden. De Romeinen zagen hem als de god van de donder, bliksem en stormen. Jupiter werd vaak afgebeeld met een bliksemschicht, omdat de Romeinen dachten dat het zou gaan onweren als deze god boos werd.

De vrouw van Jupiter heette Juno. Zij was de godin van de vrouwen en het huwelijk. Deze godin zie je altijd met een gouden scepter en een kroon.
Apollo was een zoon van Jupiter. Hij was de god van het licht, de muziek en de dichtkunst. Hij werd vaak getekend met een lier, dat was een soort muziekinstrument. Ook stonden er vaak een laurierkrans en een zilveren boog bij op de afbeelding.
Jupiter had twee broers. Een van die broers heette Neptunus. Neptunus was de god van de zee. De Romeinen tekenden hem altijd met een drietand. Hij lijkt dat daardoor net op de vader van de kleine zeemeermin. Die had ook altijd een drietand bij zich.

Jupiter en Neptunus hadden nog een andere broer. Dit was Pluto. Pluto was de god van de onderwereld. De Romeinen tekenden hem met een scepter en soms ook wel eens op een troon van ebbenhout of met een driekoppige hond.

Een andere belangrijke godin was Venus. Zij was de godin van de liefde en de schoonheid. Zij werd altijd getekend met weinig kleding en een schelp.
Elke Romeinse familie vereerde ook nog andere beschermgoden, de Lares en de Penaten. Iedere ochtend verzamelde een Romeins gezin bij het altaar van deze huisgoden. Dit altaar had de vorm van een kleine tempel, met de figuren van de beschermheiligen. De Romeinen offerden ze hier wijn, koeken en bloemen.
De Lares waren de huisgoden. Deze beschermden de familie bij geboortes en huwelijken. Daarnaast beschermden ze het huis tegen onheil. De Lares kregen iedere dag een deel van maaltijden, bij het verlaten van het huis werd afscheid van ze genomen en bij binnenkomst werden ze door de familie begroet. Wanneer een familie verhuist, nemen ze de Lares met zich mee naar hun volgende woning.
De Penaten waren de beschermers van het haardvuur. Zij zorgden ervoor dat het vuur in de haard nooit uit zou gaan. Ook zorgden ze ervoor dat de familie altijd genoeg te eten zou hebben. De Penaten werden bij een verhuizing achtergelaten. Deze goden hoorden echt bij het huis en moesten ook de volgende bewoners bescherming bieden.