
Het Romeinse rijk ontstond zo’n 3000 jaar geleden. De Latijnen, een stam van vroeger, besloten toen een nieuw rijk te stichten. Zij besloten om dit te doen op de 7 heuvels waarop Rome nu is gebouwd. Dit was een hele goede plek om te gaan wonen, omdat ze vanaf de heuveltoppen hun vijanden vanaf ver konden zien aankomen. Ook was het naast de rivier de Tiber. Deze beschermde hen, omdat het lastig was om zonder een brug over de rivier heen te komen. Ook hadden ze watervoorraad in overvloed. Verder konden ze over de rivier makkelijk naar zee reizen. Al snel groeide de nieuwe stad van de Latijnen en sloten omliggende dorpjes zich bij hen aan.
Er waren natuurlijk ook dorpjes die zich niet bij deze grote, nieuwe stad wilden aansluiten. Zij vochten terug tegen de opkomst van Rome. Het Romeinse leger was sterker en zo bleef de nieuwe stad toch groeien. Het groeide uit tot een rijk. Elke keer dat de Romeinen nieuw land veroverden, bevolen ze de bewoners van dit land in in hun eigen leger. Van deze bewoners kregen ze snel informatie over het nieuwe land waardoor ze niet verrast werden door gevaarlijke dingen in het land. Het Romeinse rijk bleef maar groeien, tot het op zijn grootst was in 117 na Christus.
Op dat moment strekte het zich uit van Portugal tot aan Perzië, bij de grens van het huidige Turkije, en van Engeland helemaal tot aan Egypte. Om het rijk te beschermen bouwden de Romeinen stevige grenzen. In Nederland lag deze grens bij de rivier de Rijn. Deze grens ten Noorden van het rijk werd de ‘Limes’ genoemd. Ook in Duitsland en Oostenrijk zijn nog resten van deze grens te vinden.
Ook een deel van Nederland hoorde bij het Romeinse rijk. Dit was het deel ten zuiden van de Rijn. De Bataven waren een van de volkeren die in Nederland woonden en werden overgenomen door de Romeinen. Zij leefden in vrede met de Romeinen en veel Bataven dienden in het Romeinse leger. In 69 na Christus eindigde deze vrede. Gebruikmakend van de bestaande onvrede onder de Romeinen kwamen de Bataven in opstand. Onder leiding van Julius Civilis leek het er even op dat de opstand een succes zou worden en dat de Bataven zouden winnen. Een paar maanden later werden de Bataven echter alsnog verslagen door het sterke Romeinse leger.
Om de grenzen van het Romeinse rijk te beschermen waren veel soldaten nodig. Het Romeinse rijk had daarom door de jaren heen een groot leger opgebouwd.
Toen het rijk net bestond, was het leger opgebouwd uit een groep ongetrainde mannen. Deze mannen hadden allemaal een andere baan en werden opgeroepen als ze nodig waren. Ze waren dus niet getraind en moesten zelf voor wapens zorgen. Toen het rijk uitbreidde werd het leger steeds beter georganiseerd. Er ontstond een goed geoefende vechtmachine. Soldaat zijn werd nu een fulltime baan, als je niet aan het vechten was, moest je trainen.
De meeste Romeinse soldaten vochten te voet. Met behulp van een kort zwaard moesten ze de vijand verdrijven. Ook had elke soldaat een schild om zichzelf mee te beschermen. Er waren ook Romeinse soldaten die op een paard vochten. Die soldaten te paard noem je de cavalerie.
Een belangrijke tactiek die de Romeinse soldaten gebruikten om zichzelf te beschermen noemde je ‘testudo’. Dit betekende dat alle soldaten heel dichtbij elkaar gingen staan en al hun schilden vlak naast elkaar hielden. Hierdoor ontstond een soort groot schildpaddenschild. De soldaten die onder dit schild stonden konden niet geraakt worden door vijandige projectielen zoals pijlen.
De Romeinse soldaten moesten natuurlijk ook ergens wonen, waar ze makkelijk konden trainen en het rijk verdedigen. Meestal woonden ze in een fort vlakbij de grens die ze op dat moment moesten verdedigen. Zo’n fort noemden ze bij de Romeinen een castellum. Na een grote overwinning verschoof de grens en moesten de soldaten verhuizen naar een nieuw fort bij de nieuwe grens. Om de soldaten niet te veel in verwarring te brengen werd elk fort precies hetzelfde gebouwd. Hierdoor wisten de soldaten precies de weg in elk fort waar ze naartoe verhuisden.
In Rome woonden naast soldaten natuurlijk ook nog andere mensen. In het Romeinse rijk heerste een sterke rangorde. Dat betekende dat niet alle mensen als even belangrijk werden gezien.
De hoogste rang in het Romeinse rijk waren de patriciërs. Dit waren de mensen uit rijke families. Deze mensen hadden het meeste geld en de meeste macht. Oorspronkelijk mochten ook alleen de mensen die tot de patriciërs hoorden in de regering, het senaat.
De middenklasse waren de plebejers. Deze mensen hadden veel minder geld dan de patriciërs en hadden daardoor ook minder te vertellen. Ze mochten niet meedoen in het senaat. Dat vonden ze niet eerlijk. Na veel protesteren kregen de plebejers uiteindelijk gelijk en mochten ook zij meedenken in het senaat. De patriciërs hadden nog steeds de meeste macht, maar de plebejers mochten nu in ieder geval meedenken en als ze het ergens echt niet mee eens waren, hadden ze het recht tegen stemmen.
De onderste rang in de Romeinse samenleving waren de slaven. Deze mensen hadden niets te vertellen over hun eigen leven. Ze waren eigendom van de rijke families. De slaven waren vaak gevangen genomen soldaten van vijanden of mensen die zoveel schulden hadden dat de enige oplossing was om zichzelf te verkopen. Dat verkopen van slaven gebeurde op veilingen. Sommige slaven hadden geluk. Zij werden gekocht door aardige families en werden soms zelfs vrijgelaten als ze hard genoeg hadden gewerkt. De meeste slaven hadden het minder goed. Zij moesten hard werken, hadden geen vrije dagen en werden soms zelfs geslagen.
Het Romeinse rijk was zo groot dat het moeilijk werd om alles goed te regelen. In de 4e eeuw na Christus kreeg het Romeinse rijk het heel moeilijk. Er was veel ziekte en honger, de prijzen stegen, de inwoners waren ontevreden daarbovenop waren er steeds meer aanvallen van vijanden. In 395 na Christus bezweek het rijk onder de druk. Om te proberen het nog een beetje te redden werd het rijk opgesplitst in twee delen, het oosten en het westen. Het westelijke rijk hield het hierna nog maar kort vol. 80 jaar na de splitsing, in 476 na Christus, viel het uiteen. Het oostelijke rijk hield het nog bijna duizend jaar langer vol.