
Pluto, de heerser van de onderwereld was verliefd op Persephone, de lieve dochter van de oogstgodin Ceres. Hij vroeg aan Jupiter om met het meisje te mogen trouwen. Jupiter aarzelde, hij wilde zijn broer niet afwijzen, maar hij begreep ook wel dat Ceres nooit zou instemmen in een huwelijk tussen haar dochter en de heerser van het grauwe schimmige dodenrijk. Jupiter zei tegen Pluto dat hij er over na wilde denken; Pluto moest later maar eens terugkomen. Zoveel geduld had Pluto niet.
Op een zonnige zomerdag, terwijl Persephone bloemen plukte in een wei, kwam Pluto plotseling uit de onderwereld tevoorschijn. Hij greep haar en nam haar mee. Net zo snel als hij gekomen was verdween hij weer met het gillende en tegenspartellende meisje in een spleet in de aarde.
Ceres werd ongerust toen haar dochter die avond niet thuis kwam. Ze ging op zoek naar haar, maar vond haar nergens. Niemand kon haar vertellen waar haar het meisje kon zijn. Ceres werd wanhopig. Ze dronk niet en at niet. Haar laatste hoop was Helios, god van de zon, en hem vragen of hij iets had gezien. Helios, die alles zag, vertelde wat hij wist: Pluto had Persephone meegenomen naar de onderwereld.
Ceres had toen echt alle hoop verloren. Nooit zou ze haar dochter terugzien. Ze was razend op Jupiter, die had alles toegelaten door te doen alsof hij het niet zag. Ceres vertoonde zich daarom vanaf dat moment niet meer op de Olympus. Ze vermomde zich als een oude vrouw en zwierf diepbedroefd over de wereld. Ze zorgde niet meer voor het graan en de andere gewassen. Het kon haar niet schelen dat de aarde verdroogde en verdorde en de mensheid van honger dreigden om te komen, zo diep was haar verdriet om haar verloren dochter.
Ondertussen maakte Jupiter zich zorgen. Hij wilde de mensheid niet laten uitsterven. Bovendien had hij medelijden met Ceres en kon hij haar verdriet niet langer aanzien. Jupiter stuurde een bericht naar zijn broer en vroeg hem om Persephone aan haar moeder terug te geven. Pluto stemde toe, maar onder één voorwaarde: Persephone moest een laatste avondmaal eten, tijdens dit maal at ze zes granaatappelpitten. Wanneer er eenmaal iets in de onderwereld gegeten was, kon men niet meer voor altijd terug. Voor elke pit die Persephone gegeten had moest ze een maand naar de onderwereld terug. En zo gebeurde het dat zij elk jaar zes maanden bij haar moeder was, die in al haar vreugde de gewassen en bloemen liet groeien, de lente en de zomer. Daarna ging ze weer terug naar de onderwereld, naar Pluto, waardoor het weer dor werd op de aarde: de herfst en de winter.