Hoofdstuk 2 Leesvaardigheid en Studievaardigheden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

§ 1 Laagland Literatuur & Lezer
Bij Leesvaardigheid maken we, naast teksten op deze site, ook gebruik van de literatuurmethode die je hebt ontvangen, Laagland Literatuur & Lezer. Je hebt daarvan een theorieboek en een verwerkingsboek gekregen. Zoals de naam al zegt, staat in het theorieboek de nodige informatie om literatuur te kunnen begrijpen. Het verwerkingsboek bevat opdrachten, waarbij de theorie wordt gekoppeld aan korte verhalen, fragmenten uit romans of toneelteksten en gedichten. Je docent je in deze eerste module door de eerste vier cursussen (hoofdstukken) van Laagland. Aan het eind van de module krijg je een toets over de behandelde stof. Verder krijg je de opdracht een of misschien wel twee boeken te lezen, die ook getoetst worden. Deze toets kan zowel een schrijfopdracht, een mondelinge opdracht of nog een andere soort opdracht zijn. Je hoort dit te zijner tijd van je docent. 
 
Vraag voordat je een boek gaat lezen altijd aan je docent of zij dit een goede keuze vindt. Het zou jammer zijn als je een boek gelezen hebt dat je niet op je literatuurlijst mag zetten.
 

 

Zus wilde mee, maar hij zag het niet                                                             

Philip Snijder 

Recensie  

 

Ook de vijfde roman van Philip Snijder (1956) gaat over zijn eigen leven, maar dit keer is de invalshoek anders en dat levert zijn interessantste boek tot nu toe op.

 

"Snijder gaat zichzelf dit keer met een fileermes te lijf."

 

Een man dwaalt door het huis van zijn onverwacht gestorven zusje en vraagt zich af waarom ze geen deel uitmaakten van elkaars leven.

 

 

Bloed krijg je er nooit meer uit van Philip Snijder

 

1) ‘Voor mijn zusje’ stond er negen jaar geleden voorin Zondagsgeld, het debuut van Philip Snijder (1956). Het boek was een overduidelijk autobiografisch relaas over een jongen die opgroeide in de jaren zestig op het Bickerseiland in Amsterdam, toen een even vergeten als doodarm hoekje stad tussen het spoor en het IJ. Iedereen kende iedereen, de meeste mensen waren er familie van elkaar. De opdracht was opmerkelijk, omdat er in dat hele boek geen zusje voorkwam.

2) Snijder schreef sinds het succesvolle Zondagsgeld nog drie boeken: Retour Palermo, Het geschenk en De volcontinu. Die romans grijpen nadrukkelijk in elkaar. Steeds zien we dezelfde hoofdpersoon, die zich probeert te bevrijden van zijn volkse afkomst en daar met veel moeite en de nodige schaamtegevoelens in slaagt. Lang worstelt de hoofdpersoon zich door moeilijke relaties en zinloze baantjes – waarbij het schrijverschap hem rond zijn vijftigste de bevrijding biedt. Een zekere monotonie is Snijder niet vreemd – na elk boek vermoed je dat de auteur nu toch echt uitverteld zal zijn.

3) Snijder is een documentaire schrijver. Meer dan om het scheppen van een nieuwe werkelijkheid, gaat het hem om het vastleggen van het verleden. Daarbij hoort een observerende stijl met een groot oog voor detail. Zo lezen we in het nu verschenen Bloed krijg je er nooit meer uit deze beschrijving van een bank vol brandplekken: ‘Het drukke motief van de bekleding – grillig gebogen takken, met blaadjes en bloemetjes eraan – heeft het even voor me verborgen weten te houden, maar nu zie ik dat tante Trudie niet heeft overdreven, gisteren aan de telefoon. In het dal dat het bovenlichaam van mijn zus in vele maanden liggen en hangen – járen, dwing ik mezelf onder ogen te zien – in het zitkussen heeft afgedrukt, zit een grote donkere vlek. Bijna zwart in het midden, iets lichtere langwerpige uitstulpingen aan de zijkanten.’

Bloedspuwingen

4) Het is het bloed uit de titel, het bloed van de zus van de hoofdpersoon. Deze Francien is op dat moment in de vertelling net een halve dag dood, op haar negenendertigste bezweken na een reeks bloedspuwingen. De broer dwaalt rond in het kleine appartement van de zus op het Bickerseiland tussen de sporen van een zelfverwaarlozing van het soort dat op den duur niet goed meer van zelfvernietiging te onderscheiden is. Hij is er om dingen te ‘regelen’, al is hij nooit eerder in het huis van Francien geweest. Terwijl hij in de spullen van de overledene rommelt denkt hij terug aan het leven van zijn zus, waarbij de leidende vraag is waarom hij eigenlijk nooit contact met haar had. De scènes in het huis worden afgewisseld met taferelen van de familie die, massaal naar het ziekenhuis gekomen, hoort dat het leven van Francien ten einde is.

5) Ze zat van jongs af aan onder de make-up met een ‘toef slagroom van hoog opgeklopte kunstkrullen op haar hoofd en die stelten van naaldhakken’. Talent voor geluk had ze niet: weinig opleiding, een tienerzwangerschap waarbij geen familielid de vader van Dylan ooit leerde kennen – de jongen was meestal bij zijn oma. Er was een kort huwelijk met een Turkse crimineel die met de noorderzon vertrok toen de poorten van de Bijlmerbajes voor hem openden. De laatste jaren van haar leven kwam ze de deur amper nog uit. Haar literflessen Italiaanse rosé verstopte ze achter in de meterkast; haar moeder bracht af en toe wat eten langs.

6) Snijder brengt het pijnlijk scherp in beeld, maar toch gaat het in Bloed krijg je er nooit meer uit niet in de eerste plaats om de zus, maar om de verteller zelf. Die ondergaat in zekere zin een metamorfose ten opzichte van Snijders eerdere werk – en dat geeft extra diepgang. In de eerdere boeken van Snijder ging het steeds om de ambitie en de groei van de hoofdpersoon. Die wilde vooruit in de wereld, wist niet precies hoe dat moest, maar wist wel zeker dat hij weg wilde van het arme en eenzelvige Bickerseiland. Nu beschrijft hij diezelfde upward mobility in heel andere termen. In termen van verraad. Aan zijn familie, maar vooral aan dat tien jaar jongere zusje.

7) Meedogenloos beschrijft Snijder hoe de hoofdpersoon wegdook als hij een familielid op straat meende te ontwaren – hij woonde elders op het Bickerseiland voor hij naar de oerdegelijke Watergraafsmeer verhuisde. Zo merkte hij nooit dat zijn zus zwanger was: ‘Ik vermoed dat ik haar tijdens die zwangere maanden ook wel zo nu en dan ben tegengekomen op het eiland [...] Als ik mijn zus, strompelend op hoge hakken over de kinderhoofdjes van het eiland, in de verte zag aankomen, schoot ik zelfs als het even kon een zijstraat in.’

Diepe schaamte

8) Zo gingen de jaren voorbij; tot broer en zus elkaar helemaal niet meer kenden. En dat lag niet aan haar. De tweede keer dat ze op zijn verjaardag onverwacht langskwam negeerde hij haar uit diepe schaamte en/of bezatte hij zich zo dat hij zich later niets meer kon herinneren (maar bleek wel de kamer opgeruimd). En de keer dat zij, nog minderjarig, alleen de trein naar Italië had genomen was hij alleen maar kwaad. Hij geneerde zich tegenover zijn Italiaanse vrienden die haar te hulp moesten schieten en zag niet wat er werkelijk aan de hand was: een meisje dat méé wilde, ook de grote wereld in die haar broer aan het ontdekken was.

9) Nu, na haar dood ziet de hoofdpersoon dat wel en hij meet zijn falen breed uit. Expliciet én impliciet: als hij een lange tirade schrijft tegen de ontrouwe man van zijn zus weet hij zelf ook wel waarom hij dat doet. Die man is immers de enige die Francien nog harder heeft laten vallen dan hijzelf. Zoals hij zich welbewust is van het wrange feit dat zijn zusje niet voorkwam in zijn eerste boek. Ze overleed toen hij net de drukproeven binnen had gekregen. Alleen de opdracht was nog voor haar over.

10) En nu dus deze mooie, pijnlijke en toch ook weer ijdele roman – Snijders radicale zelfbeschuldiging is natuurlijk óók niet vrij van ijdelheid. Want de zus kunnen we niet meer vragen of ze zich echt door hem verraden voelde. Het maakt Bloed krijg je er nooit meer uit tot Snijders meerduidigste en interessantste werk tot nu toe. Literaire jury’s lieten zijn boeken meestal links liggen, mogelijk afgeschrikt door de evidente autobiografie. Daar moet maar eens een einde aan komen: er zijn weinig auteurs die zichzelf zo voortvarend met het fileermes te lijf gaan.

Arjen Fortuin  26 augustus 2016

 

 

Opdracht 1

Maak de vragen en opdrachten bij de recensie van Arjen Fortuin over het boek

Bloed krijg je er nooit meer uit van Philip Snijder

 

  1. Neem alle onderstreepte woorden en woordgroepen over in je schrift en zet de betekenis erachter. Probeer die eerst af te leiden uit de context voordat je een woordenboek gebruikt.
  2. Beantwoord de volgende vragen en voer de opdrachten uit. Doe dit zo volledig mogelijk en in hele zinnen.

 

  1. Philip Snijder is niet zo’n bekende schrijver. Leg in je eigen woorden uit wat je over hem te weten bent gekomen?
  2. Waarover gaat Bloed krijg je er nooit meer uit? Gebruik tussen de 40 en 50 woorden voor je antwoord.
  3. Wat is het oordeel van de recensent over dit boek?
  4. Welke argumenten voert hij hiervoor aan?
  5. Vaak wordt de roman die gerecenseerd wordt vergeleken met andere romans. Dat is hier ook het geval. Met welke boeken wordt deze roman vergeleken en van welke auteur(s)?
  6. Welke overeenkomsten of verschillen ziet de recensent tussen de genoemde werken?
  7. Geeft Arjen Fortuin de lezer impliciet of expliciet een advies om het verhaal wel of niet te lezen? Zo ja, wat is dan dat advies en waar staat het in de recensie?
  8. Tot welk genre zou jij het verhaal rekenen? Waarom?
  9. Zou je het boek willen lezen? Waarom wel of niet?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Recensie over de film Tonio, naar het boek van A.F.Th. van der Heijden

 

Van een in Nederland zelden vertoond niveau

 

1)  Ooit hoorde ik dichter Jean Pierre Rawie vertellen over Sterfbed, dat vaak op uitvaarten wordt voorgedragen. Hoe hij zijn verdriet over zijn vaders dood in een sonnet verwerkte. Kwatrijn, volta, terzine: schuivend met woorden voelde Rawie – niet zonder schuldgevoel – zijn verdriet grondstof voor een kunstwerk worden.

2)  Iedereen weet dat je over trauma’s moet praten, dat ze je anders van binnenuit verteren. Dat je er een verhaal van moet maken dus: schrijvers lijken in het voordeel bij rouwverwerking. Zie A.F.Th. van der Heijden, die in Tonio een hartverscheurend monument oprichtte voor zijn 21-jarige zoon Tonio, op de ochtend van 23 mei 2010 met zijn fiets geschept na een nacht stappen in Club Trouw.

3)  Tonio leest eerst als een draaikolk van observatie, verdriet, schuld en herinnering, tot de schrijver op onderzoek gaat en de roman verhaal wordt. Waarom was Tonio die avond niet in Paradiso met Jenny, dat meisje dat hij drie dagen eerder fotografeerde? Waarom kruiste zijn fietsroute de Stadhouderskade? Er is geen waarom, zo blijkt. Hooguit een hoe: het is noodlot. Maar dan rest alleen het machteloze falen van de vader-beschermer.

4)  In Tonio krijgt het verlies wel betekenis: als verhaal, requiem, zelfanalyse. En Paula van der Oest (regisseur) verdient grote lof dat ze in Van der Heijdens boek deze film vond van een in Nederland zelden vertoond niveau. Tonio begint op een lome zondagochtend in Amsterdam-Zuid: zonlicht dat geel door de gordijnen filtert, zaterdagkrant op bed, gestommel in de keuken. Dan de deurbel, een schreeuw: de realiteit fragmenteert in ontzet gestamel in de taxi en de bleekheid van het ziekenhuis, doorsneden door ondraaglijk warme flashbacks.

5)  Dan de rouw. We zien echtgenote Mirjam – een fenomenale Rifka Lodeizen – het doorleven: opgerold als foetus, huilend, schreeuwend. En de schrijver, Pierre Bokma, verstijfd in ontzetting: hij beleeft, in eigen woorden, zijn verlies als innerlijke bloeding. Er is pijnbestrijding in de vorm van bijna suïcidale volumes alcohol en valium. Tot het paar zich opricht door het verhaal van hun verlies te zoeken.

6)  Er worden meer films dan ooit gemaakt over rouwverwerking, films waarin we de rouwstadia van Kübler-Ross doorlopen om na die reis door de nacht te ervaren dat de zon toch weer opkomt, al is het een schrale, bleke zon. Zo ook in Tonio, een intense film die alles uit de kast haalt – kleurenfilters, extreme montage.

7)  Eén scène vat samen hoe knap Tonio is: als de schrijver eindelijk de dvd durft af te draaien van de bewakingscamera die het ongeluk vastlegde. Dat akelig lege kruispunt bij nacht, Tonio die komt aanfietsen zonder licht, wiebelig, in zichzelf gekeerd. Beeldje voor beeldje schokt de dvd verder, maar wij willen die klap evenmin zien als de schrijver. Stop, zet uit, verniel dat nare schijfje.

8)  Misschien is dat een handicap van de schrijver bij rouwverwerking: hij kan de tijd omkeren. Van der Heijden blijft Tonio tot leven wekken, onlangs in feuilleton President Tsaar op Obama Beach. In de roman doet hij ook iets anders met de dvd: hij bekijkt Tonio’s ongeluk juist keer op keer, bij wijze van acceptatie. Zou het? Dat Van der Oest het tegendeel kiest, bewijst hoe knap zij Tonio interpreteert.

 

Tonio

Regie: Paula van der Oest. Met: Pierre Bokma, Rifka Lodeizen, Chris Peters. Release in de Stadsschouwburg Arnhem, daarna previews. Wijde release vanaf 13 oktober.

 

Dit artikel is verschenen in de nrc.next van donderdag 22 september op pagina 11

 

 

​Opdracht 2

Maak de vragen en opdrachten bij de recensie over de film Tonio

  1. Neem alle onderstreepte woorden en woordgroepen over in je schrift en zet de betekenis erachter. Probeer die eerst af te leiden uit de context voordat je een woordenboek gebruikt.
  2. Beantwoord de volgende vragen en voer de opdrachten uit. Doe dit zo volledig mogelijk en in hele zinnen.

 

  1. Leg uit wat er bedoeld wordt met: … voelde Jean Pierre Rawie –niet zonder schuldgevoel- zijn verdriet grondstof voor een kunstwerk worden. (al. 1)
  2. Waarom zouden schrijvers in het voordeel zijn bij rouwverwerking? (al. 2)
  3. Waar gaat de film Tonio over? Gebruik tussen de 40 en 50 woorden voor je antwoord.
  4. Wat vindt de recensent van de film?
  5. Welke argumenten heeft hij daarvoor?
  6. De film wordt vergeleken met het boek en met andere films. Wat zijn de overeenkomsten en de verschillen tussen deze film en het boek en andere films?
  7. In deze recensie komt nogal veel beeldspraak voor. Citeer twee voorbeelden daarvan en leg uit wat er met de beeldspraak bedoeld wordt en welke vorm van beeldspraak het is.
  8. Tot welk genre reken je deze film? Waarom?
  9. Zou je de film willen zien? Waarom wel of niet?
  10. Zou je het boek willen lezen voor je literatuurlijst? Waarom wel of niet?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Opdracht 3

Vergelijk de twee recensies van opdracht 1 en 2 door de volgende vragen te beantwoorden:

  1. Welke aspecten komen in beide bovenstaande recensies naar voren? Noem er ten minste drie.
  2. Wat kun je nu concluderen over wat een goede recensie inhoudt?