Bloeddruk meten
Het bloed in je lichaam drukt tegen de wanden van je bloedvaten. Die druk is de bloeddruk. Je bloeddruk schommelt tussen een hoge en een lage waarde. De bloeddruk is maximaal als de kamers samentrekken. Dat noem je de bovendruk. Tijdens de hartpauze is de bloeddruk minimaal: de onderdruk. Je bloeddruk is het hoogst in je slagaders. De wanden van de slagaders rekken bij elke hartslag een beetje uit en veren daarna weer terug, doordat de spieren in de wand samentrekken. ln je aders is de bloeddruk het laagst.
De dokter meet de bloeddruk in je armslagader (zie afbeelding). Hij doet een manchet om je arm en pompt deze op. De manchet gaat steeds strakker zitten. Als hij met de stethoscoop niets meer hoort is de slagader dichtgedrukt. Dat zie je in tekening 1. Vervolgens laat hij langzaam lucht uit de manchet ontsnappen, tot hij korte, heldere tonen hoort. Op dat moment leest hij de bovendruk af. Dat zie je in tekening 2.
Als de lucht verder uit de manchet loopt, blijft hij de tonen horen. Als het geluid wegvalt, leest hij de onderdruk af: tekening 3. Hij laat de manchet verder leeglopen en haalt hem van je arm af. De bloeddruk wordt uitgedrukt in millimeter kwikdruk. Jouw bloeddruk is waarschijnlijk ongeveer 110/70. Het eerste getal is de bovendruk, het tweede getal de onderdruk.

1 Hoe ontstaat je bloeddruk?
2 Hoe heet het bloedvat waarvan de bloeddruk wordt gemeten?
3 Hoe hoog is de bloeddruk van de proefpersoon?
4 Geef aan of de volgende zinnen goed of fout zijn:
a Je bloeddruk heeft altijd een constante waarde.
b De bovendruk wordt gemeten tijdens samentrekken van de kamers.
c Bij een bloeddruk 120/80 is de onderdruk 120.
d De onderdruk is de minimale bloeddruk.
e De bloeddruk is het hoogst in je aders.
Hieronder zie je een lijndiagram van de bloeddruk in je bloedvaten.

5 Welk type bloedvat stellen de nummers 1 tot en met 3 voor?
Stel dat in het diagram de bloeddruk van de persoon uit de afbeelding hierboven is weergegeven.
6 Welke getallen horen dan op de verticale as bij a en b?
Neem de tabel hieronder over in je document.

Luister met een stethoscoop of voel met je wijs- en middelvinger op de plaatsen die in de eerste kolom van de tabel staan.
7 Waar kun je je hartslag horen of voelen? Kruis dat aan in de
tweede en derde kolom.
8 Welke slagader voel je dan? Noteer dat in de vierde kolom.
9 Waarom kun je geen hartslag in je aders voelen?