Het schrijven van een brief in het Duits is al lastig genoeg. Het grootste voordeel is dat de zinsopbouw wel voor een groot deel gelijk is aan de zinsopbouw van het Nederlands. Er is slechts één uitzondering en dat is ook wel eens prettig! Hieronder wordt stap voor stap beschreven hoe je Duitse zinnen op moet bouwen. Dit geldt niet alleen voor het schrijven, maar ook voor het spreken. Feit is wel dat de Duitsers tijdens het spreken zelf ook niet heel erg op hun zinsopbouw letten. Bij het schrijven van brieven dan weer wel en dus gaan wij dat ook doen.
Zoals hierboven al beschreven staat, scheelt de zinsopbouw van het Duits niet veel van het Nederlands. Toch is het goed om er even aandacht aan te besteden, omdat je in het Nederlands je zinnen zonder er veel bij na te denken opschrijft. Je beheerst het Nederlands goed, dus dit gebeurt onbewust. Bij een vreemde taal ligt dat toch even iets anders.
Met een enkelvoudig werkwoord wordt niks anders bedoeld dan dat er maar één werkwoord in de zin voorkomt. De opbouw is hetzelfde als in het Nederlands:
Ik ken hem niet. → Ich kenne ihn nicht.
Ook als je de zin vragend maakt, blijft de woordvolgorde hetzelfde:
Ken ik hem niet? → Kenne ich ihn nicht?
Met meerdere werkwoorden wordt bedoeld dat er twee of meerdere werkwoorden in een zin voorkomen. Een samengesteld werkwoord betekent dat er één werkwoord in de zin staat, maar dat dit werkwoord uit elkaar gehaald kan worden (zie het eerste voorbeeld). Ook deze zinsopbouw is hetzelfde als in het Nederlands.
Ik ga graag uit. → Ich gehe gern aus.
Ik heb hem vanmorgen nog gezien. → Ich habe ihn heute morgen noch gesehen.
Het eerste deel van het werkwoord (samengesteld of bij meerdere werkwoorden) is dus de persoonsvorm en staat zo ver mogeijk vooraan. Het tweede gedeelte van het werkwoord komt dus helemaal achteraan in de zin te staan.
Er is sprake van een werkwoordgroep als er in één zin sprake is van meerdere infinitieven (=hele werkwoord). Let op: dit is dus niet hetzelfde als meerdere werkwoorden in één zin! Bij bovenstaand voorbeeld zijn het namelijk geen meerdere infinitieven, maar verschillende vormen van een werkwoord. Verder moet je erg goed letten op de persoonsvorm: heeft deze namelijk de infinitief-vorm, telt deze niet mee als infinitief, maar als persoonsvorm. Een voorbeeld hiervan is de volgende zin:
Wij hebben jullie mogen zien.
Hierbij is 'hebben' niet de infinitief, maar de persoonsvorm die gelijk is aan de infinitief qua vorm!
Deze vorm is de enige vorm die afwijkt van het Nederlands.
De regel voor zinnen met een werkwoordgroep is het volgende:
Alle Modalverben en de werkwoorden sehen, hören, lassen en helfen komen helemaal achteraan in de zin te staan. In het Nederlands is dit juist omgekeerd:
Ik heb hem niet kunnen helpen. → Ich habe ihm nicht helfen können (Modalverb staat dus altijd achteraan!)
Jij hebt haar niet zien komen. → Du hast ihr nicht kommen sehen.
Je herkent een bijzin haast altijd aan het feit dat het met een koppelwoord begint. In het Duits vaak het woordje 'dass', maar ook 'weil', 'deshalb' en 'da' zijn wooren die een bijzin aan kunnen geven. Voor de woordvolgorde van de bijzijn bestaan een aantal makkelijke regels:
1) De persoonsvorm komt zover mogelijk achteraan te staan.
Ik weet, dat ze niet kan komen → Ich weiß, dass sie nicht kommen kann.
2) Bij twee infinitieven achter elkaar, komt het hulpwerkwoord (Modalverb) achter de andere infinitief.
Ik hoorde, dat hij niet heeft kunnen komen. → Ich höre, dass er nicht kommen können hat. (de persoonsvorm staat dus wel gewoon achteraan!)
Verder geldt er nog de regel: tijd gaat voor plaats (net als in het Nederlands)
Ich laufe schon Stunde in der Stadt → Ich laufe in der Stadt schon Stunde.
In de bijgevoegde Powerpoint staat alles puntgewijs nog eens opgesomd!
We hebben nu dus ondertussen geleerd welke fouten er vaak in Duitse brieven voorkomen en hoe de zinsopbouw in elkaar zit. Tijd om weer met wat korte schrijfopdrachten aan de slag te gaan!