Verleden tijd zwakke en modale werkwoorden

Verleden tijd van de zwakke werkwoorden

Zwakke werkwoorden zijn de makkelijkste werkwoorden die er zijn. Dit komt vooral doordat hun stam te allen tijde hetzelfde blijft. Het enige wat verandert, is de uitgang die je erachter moet plakken.
 

Vorm:   Uitgang:
  ich stam+te
  du stam+test
  er/sie/es stam+te
  wir stam+ten
  ihr stam+tet
  sie/Sie stam+ten



Als de stam eindigt op een -d of -t:

Vorm: Uitgang:
ich stam+ ete
du stam+etest
er/sie/es stam+ete
wir stam+eten
ihr stam+etet
sie/Sie stam+eten


Als de stam dus eindigt op een -d of -t, komt er eerst een extra -e bij alle vormen (!) en dan pas de uitgang van de verleden tijd.

Verleden tijd van de Modalverben

In blok 2 hebben we de tegenwoordige tijd van de Modalverben behandeld. Hieruit konden we de volgende regel trekken:
1) de meervoudsvormen worden vervoegd volgens de regel van de zwakke werkwoorden
2) bij enkelvoudsvormen verandert de stam en krijgt alleen de 'du'-vorm een uitgang

In dit blok komt de verleden tijd van de Modalverben erbij. Deze worden allemaal vervoegd volgens de regel 'stam+uitgang'. In onderstaande tabel staan de uitgangen die je moet gebruiken:

ich stam+te
du stam+test
er/sie/es stam+te
wir stam+ten
ihr stam+tet
sie/Sie stam+ten

 

Om de verleden tijd te kunnen maken, heb je dus de stam nodig. Deze is niet altijd hetzelfde als de stam in de tegenwoordige tijd! Deze verleden tijd stam moet je dus uit je hoofd kennen! Per Modalverb staan de vervoegingen hieronder uitgeschreven.

dürfen

ich durfte
du durftest
er/sie/es durfte
wir durften
ihr durftet
sie/Sie durften

 

können

ich konnte
du konntest
er/sie/es konnte
wir konnten
ihr konntet
sie/Sie konntet

 

müssen

ich musste
du musstest
er/sie/es musste
wir mussten
ihr musstet
sie/Sie mussten

 

sollen

ich sollte
ich solltest
ich sollte
ich sollten
ich solltet
ich sollten

 

mögen

ich mochte
du mochtest
er/sie/es mochte
wir mochten
ihr mochtet
sie/Sie mochten

 

wissen

ich wusste
du wusstest
er/sie/es wusste
wir wussten
ihr wusstet
sie/Sie wussten

 

wollen

ich wollte
du wolltest
er/sie/es wollte
wir wollten
ihr wolltet
sie/Sie wollten

 

Präteritum von den Modalverben

Präteritum von den Verben