Elke week lees je minimaal 1 tekst voor het vak Nederlands. Dat doe je thuis, of in studie-uren. Je print de tekst en je maakt de volgende opdrachten:
1. Tijdens het lezen van de tekst omcirkel je de voor jou moeilijke woorden. Deze noteer je vervolgens in je moeilijke-woordenlijst. Schrijf de betekenis van deze woorden daarbij.
2. Signaalwoorden markeer je. Noteer ook bij welk tekstverband het signaalwoord hoort.
3. Noteer om wat voor soort tekst het gaat: een uiteenzetting, een beschouwing of een betoog. Leg uit waarom je voor deze tekstsoort kiest.
De laatste les van de week is de tekst af. Je zorgt dat je een snelhechter hebt waar je wekelijks een tekst in kan stoppen. Je docente bewaart deze mapjes, bekijkt deze regelmatig en bespreekt je voortgang.