Werken in groepen, do's.

Tips voor samenwerkend leren in groepen

Vooraf aan het samenwerken geldt:

Zorg voor een volledige instructie voor het zelf werken. Denk aan een duidelijke taakomschrijving en aan afspraken rond regels (zie andere tab).

Tijdens het samenwerkend leren gelden twee vuistregels:

  1. De docent doet niets wat de leerlingen zelf kunnen. Dat wordt vooral bepaald door het uitstellen van hulp en door vragend te helpen (dwz geen antwoorden, maar vragen waardoor de leerling zelf weer vooruit kan).
  2. De aanwezigheid van de docent verleent meerwaarde aan het samenwerken van leerlingen. Dat kan in de rol van scheidsrechter (veiligheid) of in de rol van coach (de groep zonder de docent laten werken met een beperkt aantal steunmomenten.)

Na het samenwerken geldt:

  1. Een nabespreking van de inhouden: wat heeft de groep opgeleverd (bv werkplan, mindmap, etc). 
  2. Nabespreking van het proces als tweede doel van de les: hoe verliep de samenwerking in de groep? Hield iedereen zich aan de taken? Werd er naar elkaar geluisterd? 

Op scholen vindt samenwerkend leren regelmatig plaats door leerlingen samen te laten werken in tweetallen of groepjes. De mate waarin dergelijk groepswerk effectief is, hangt af van de manier waarop het groepswerk wordt georganiseerd. Om samenwerkend leren in tweetallen en groepjes effectief te laten zijn, moet aan vijf voorwaarden zijn voldaan. 

1. Positieve wederzijdse afhankelijkheid: De leerlingen zijn van elkaar afhankelijk om de leerdoelen te behalen. Zonder samen te werken kunnen zij de leerdoelen niet behalen. Men spreekt van positieve wederzijdse afhankelijkheid, omdat men samen tot een beter resultaat komt dan wanneer ieder voor zich had gewerkt.

2. Individuele verantwoordelijkheid: De leerling is verantwoordelijk voor zijn eigen bijdrage aan de opdracht. Een leerling kan persoonlijk worden afgerekend op zijn bijdrage. Hierdoor wordt voorkomen dat leerlingen meeliften.

3. Directe simultane interactie: Tijdens het groepswerk is er veel interactie tussen de leerlingen. De leerlingen wisselen met elkaar ideeƫn en informatie uit. Er is sprake van simultane interactie, omdat in meerdere groepjes tegelijkertijd interactie plaatsvindt. Hierdoor zijn veel meer leerlingen aan het woord dan het geval zou zijn bij een klassikale les.

4. Samenwerkingsvaardigheden: De docent besteedt expliciet aandacht aan het ontwikkelen van samenwerkingsvaardigheden. Er kan op twee manieren aandacht besteed worden aan samenwerkingsvaardigheden. Ten eerste kan bij elke samenwerkingsopdracht naast een inhoudelijk doel ook een sociaal doel worden gesteld. De leerlingen oefenen dan specifiek met deze samenwerkingsvaardigheid in de functionele context van de samenwerkingsopdracht. Ten tweede kan de leerkracht een samenwerkingsvaardigheid expliciet aanleren door bijvoorbeeld rollenspellen.

5. Evaluatie van het groepsproces: Nadat de leerlingen met elkaar hebben samengewerkt, wordt het samenwerken geĆ«valueerd. Bij de evaluatie wordt zowel aandacht besteedt aan het inhoudelijke als het sociale doel. 

 

Positieve wederzijdse afhankelijkheid en individuele verantwoordelijkheid realiseren 

Positieve wederzijdse afhankelijkheid kan op verschillende manieren gerealiseerd worden :

1. Doel-afhankelijkheid

De docent stelt een gemeenschappelijk doel waarvoor de leerlingen elkaar nodig hebben om dat te bereiken. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden door de groep een gezamenlijke product te laten maken, zoals een werkstuk. Of door als criterium te stellen dat alle leerlingen 8 van de 10 opgaven goed moeten hebben. De leerlingen zijn er dan ook verantwoordelijk voor dat de andere groepsleden dit doel halen.

2. Beloning-afhankelijkheid

De groep als geheel wordt beloond wanneer het gemeenschappelijke doel is bereikt. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat de leerlingen samen iets hebben bereikt waar ze alleen niet toe in staat waren.

3. Rol-afhankelijkheid

Iedereen in de groep vervult een eigen rol die van belang is om de opdracht tot een goed einde te brengen. Over de verschillende type rollen vindt je informatie in ander tabblad. 

4. Materiaal-afhankelijkheid

Ieder lid van de groep heeft een gedeelte van het materiaal of een gedeelte van de informatie tot zijn beschikking. De leerling zijn hierdoor gedwongen om samen te werken.

5. Volgorde-afhankelijkheid

De taak moet in een bepaalde volgorde worden gemaakt. Ieder groepslid is verantwoordelijk voor een ander deel van de taak. De leerlingen moeten zorgen dat uiteindelijk alle groepsleden op de hoogte zijn van alle verkregen informatie.

6. Identiteit-afhankelijkheid

De groep vormt een eenheid doordat de groepen bijvoorbeeld een eigen groepsmotto of logo hebben.