
Theorie

Goed kunnen lezen is erg belangrijk.
Tijdens je studie en later als je werkt, zul je merken dat teksten steeds moeilijker en vaak ook langer worden.
Het is daarom belangrijk dat je leesvaardigheid en tekstinzicht steeds blijft oefenen.
Leesvaardigheid is ook een belangrijk onderdeel van Centraal examen.
Deze onderdelen zijn belangrijk:
a) Leesstrategieën
b) Tekstdoelen en tekstsoorten
c) Publieksgerichtheid
d) Tekstopbouw: Indeling, vaste tekststructuren
e) Tekstopbouw, vervolg: Alinea- en tekstverbanden
f) Signaalwoorden

Hieronder vind je van elk vetgedrukt onderdeel een filmpje en een overzicht/schema met uitleg. Bekijk steeds het bijbehorende filmpje, voordat je de theorie bestudeert.
Met de juiste leesstrategie kun je al vrij snel het tekstdoel bepalen. Het woord zegt het al, het doel is de bedoeling van de tekst. Wat wordt er met de tekst precies bedoeld en wat is het doel van de schrijver? Daar gaat het om. Is de tekst bedoeld om ervan te leren, of is er misschien een andere doelstelling? Je ziet nog meer voorbeelden in het overzicht hieronder.
Er zijn diverse tekstsoorten, bij elk tekstdoel past wel een tekstsoort. Zo heeft een tekst die bedoeld is om er iets van te leren een informerend tekstdoel. Daar passen ook bepaalde tekstvormen bij. Een studieboek bijvoorbeeld is meestal erg overzichtelijk ingedeeld, gericht op informatie-overdracht. Hieronder zie je in het overzicht, hoe de verschillende tekstdoelen, tekstsoorten en tekstvormen elkaar versterken:
Tekstdoel
Tekstsoort
Tekstvorm

|
Tekstdoel |
Tekstsoort |
Tekstvorm |
|
De schrijver geeft de lezer vooral informatie. |
Informatieve teksten |
Voorbeelden: schoolboekteksten, teksten in studieboeken, nieuwsberichten, artikelen in kranten en tijdschriften, gebruiksaanwijzingen, recepten, handleidingen. |
|
De schrijver brengt vooral een mening naar voren en probeert de lezer ervan te overtuigen dat zijn mening juist is. Hierbij gebruikt hij argumenten. |
Betogende teksten |
Voorbeelden: boek- of filmbesprekingen, ingezonden brieven, betogen. |
|
De schrijver spoort de lezer vooral aan iets te gaan doen. |
Aansporende of activerende teksten |
Voorbeeld: reclame teksten |
|
De schrijver wil de lezer vooral vermaken door iets boeiends, ontroerends of bijzonders te vertellen.
|
Amuserende teksten |
Voorbeelden: jongerenromans, gedichten. |
Leesstrategieën

Hieronder zie je de leesstrategieën schematisch weergegeven.
Waar moet je op letten bij een tekst?
Hier gaat het om de zakelijke (non-fictie)teksten.
Waar moet je op letten bij een boek?
Hier gaat het om de informatieve (non-fictie, leer-, school-)boeken.

|
|
1 Oriënterend lezen |
2 Globaal lezen |
3 Intensief lezen |
4 Kritisch lezen |
|
Doel |
een eerste indruk krijgen van een tekst onderwerp /hoofdgedachte /publiek bepalen |
hoofdzaken uit de tekst halen |
een tekst helemaal begrijpen |
een tekst beoordelen |
|
Let op bij een tekst |
titel, tussenkopjes, illustraties, inleiding, slot, cursieve of vette tekst, schrijver, bron |
kernzinnen (meestal de eerste of de laatste zin van een alinea), signaalwoorden / signaalzinnen |
betekenis van woorden, verwijswoorden, verbanden, opbouw, tekstdoel |
Is de informatie juist, volledig en actueel? Zijn de argumenten eerlijk, overtuigend en logisch-samenhangend? |
|
Let op bij een boek |
inhoudsopgave, register, flaptekst, schrijver, uitgever |
|
|
|
Onderwerp en hoofdgedachte
Wat is het verschil tussen die twee?

Kortom: De aanleiding ligt in het (recente) verleden en het doel ligt in de toekomst.

Tekstdoelen en tekstsoorten
Bij informatieve teksten gaat het om het overdragen van informatie, om uitleg, bijvoorbeeld in schoolboekteksten.
Bij persuasieve teksten gaat het erom, dat de lezer wordt overtuigd van een bepaalde mening. Ook kan de auteur de lezer aansporen tot nadenken over bepaalde kwesties.
Een nog sterkere vorm is het activeren van de lezer, waarbij de lezer overgaat tot actie nadat hij wordt aangespoord door de tekst.
|
Zakelijke teksten |
Tekstdoel |
Tekstsoort |
|
Informatieve teksten deze teksten geven informatie |
Informeren Uiteenzetten |
Informerende teksten Uiteenzettende teksten |
|
Persuasieve teksten deze teksten proberen de lezer te overtuigen, te laten nadenken of aan te sporen |
Overtuigen Beschouwen Activeren |
Betogende teksten Beschouwende teksten Activerende teksten |
Tekstdoelen
Hier zie je verschillende tekstdoelen nogmaals op een rijtje:
Informeren: iets nieuws vertellen.
Mening vertellen: vertellen wat je van iets vindt.
Gevoelens tot uitdrukking brengen: zeggen wat je voelt.
Overtuigen: duidelijk maken waarom je mening juist is.
Aasporen: de lezer overahalen iets te gaan doen; de lezer activeren.
Amuseren: de lezer vermaken door iets grappigs, bijzonders of boeiends te vertellen. Dit doel komt vooral voor bij fictie, maar soms zijn zakelijke teksten zo geschreven, dat ze de lezer ook willen amuseren, bijvoorbeeld bij columns.

Daarnaast tref je in teksten regelmatig de volgende twee doelen aan:
Adiviseren: goede raad geven.
Waarschuwen: op een gevaar of risico wijzen.

In een tekst kunnen verschillende doelen zitten, maar meestal heeft een schrijver maar één doel met zijn tekst.
Zo kan een schrijver in een tekst over tabaksreclame de lezer eerst informeren, daarna zijn mening geven en ten slotte de lezer er van overtuigen dat reclame voor tabak verboden zou moeten worden.
Het hoofddoel van de schrijver in dit voorbeeld is overtuigen. De andere doelen zijn ondergeschikt.

Je ziet verschillende doelen vaak ook bij reclameteksten. Eerst krijgt je informatie daarna probeert de tekst je te overtuigen dat het product goed is en ten slotte spoort de tekst je aan het product te gaan kopen. Het belangrijkste en uiteindelijke doel van de reclame tekst is: de lezer aansporen het artikel te gaan kopen.
Als je het doel van een tekst moet noemen, vraag je dan altijd af:
Wat wil de schrijver vooral met deze tekst?
Tekstsoorten en tekstvormen
Omdat de doelen van een schrijver met een tekst kunnen verschillen, zijn er ook verschillende soorten teksten. Bij een bepaalde tekstdoel hoort een bepaalde tekstsoort.
Een tekstsoort kan verschillende vormen hebben, bijvoorbeeld nieuwsbericht, reclametekst of gedicht. Hoe de tekst eruitziet, noemen we de tekstvorm.

|
Tekstdoel |
Tekstsoort |
Tekstvorm |
|
De schrijver geeft de lezer vooral informatie. |
Informatieve teksten |
Voorbeelden: schoolboekteksten, teksten in studieboeken, nieuwsberichten, artikelen in kranten en tijdschriften, gebruiksaanwijzingen, recepten, handleidingen. |
|
De schrijver brengt vooral een mening naar voren en probeert de lezer ervan te overtuigen dat zijn mening juist is. Hierbij gebruikt hij argumenten. |
Betogende teksten |
Voorbeelden: boek- of filmbesprekingen, ingezonden brieven, betogen. |
|
De schrijver spoort de lezer vooral aan iets te gaan doen. |
Aansporende of activerende teksten |
Voorbeeld: reclame teksten |
|
De schrijver wil de lezer vooral vermaken door iets boeiends, ontroerends of bijzonders te vertellen.
|
Amuserende teksten |
Voorbeelden: jongerenromans, gedichten. |
Publiekgerichtheid: Tell, tell & tell
Als je een publiek aanspreekt, zowel mondeling als schriftelijk, is het belangrijk om goed te letten op de opbouw van je (geschreven of gesproken) tekst. Dit kan jou daarbij helpen: Tell, tell & tell. Het is gemakkelijk te onthouden. Kijk maar naar het overzicht hieronder.



|
Tell-1 |
Inleiding |
Vertel, wat je gaat vertellen |
|
Tell-2 |
Middenstuk |
Vertel je argumenten/visies/deelonderwerpen |
|
Tell-3 |
Slot |
Vertel, wat je hebt verteld |
Tekstopbouw, functies van de inleiding
Je inleiding is erg belangrijk, hiermee trek je de aandacht van je lezerspubliek.
In het overzicht hieronder zie je een aantal functies die de inleiding kan hebben.
Kun je er zelf nog meer bedenken?
|
Functies van de inleiding |
|
Tekststructuren
|
Tekststructuur |
Hoofdvraag |
|
Voor- en nadelenstructuur Vroeger- en –nu – structuur Vroeger – nu – toekomststructuur Probleem-en-oplossing structuur Verschijnsel- en verklaring structuur Bewering-en-argumentstructuur Verschijnsel-en-bespreking structuur |
Wat zijn de voor- en nadelen? Wat is er veranderd? Wat is er veranderd en wat gaat er nog veranderen? Op welke manier kan het probleem worden opgelost? Welke verklaringen zijn er voor dit verschijnsel te vinden? Waarom is…… waar? Welke aspecten kent dit verschijnsel? |
Tekstopbouw, vervolg

De verbanden tussen delen van teksten worden aangegeven door diverse signaalwoorden. Dit schema is zeker niet compleet, waarschijnlijk weet je nog wel meer signaalwoorden bij de genoemde verbanden. Ook komt het voor, dat signaalwoorden op verschillende manieren kunnen worden gebruikt. Het woord 'zo' kan worden gebruikt bij een voorbeeld, maar ook bij een conclusie. Dit overzicht kan je helpen met de meest voorkomende signaalwoorden.
|
Alineaverbanden |
Signaalwoorden |
|
Tegenstellend verband Opsommend verband Oorzakelijk/causaal verband Redengevend verband Uitleggend/toelichtend verband Concluderend verband Samenvattend verband Voorwaardelijk verband Vergelijkend verband Doel-middel verband |
Maar, daarentegen, doch, echter, integendeel, enerzijds, anderzijds En, ook, niet alleen…maar ook, bovendien, verder, nog, daarnaast Doordat, daardoor, zodat, waardoor, ten gevolge van, vanwege Omdat, want, daarom, immers, namelijk, hierdoor, zodoende Dat wil zeggen, zo, met andere woorden, bijvoorbeeld Dus, concluderend, derhalve, hieruit volgt Kortom, samenvattend, om kort te gaan, al met al Als, indien, op voorwaarde dat, mits, tenzij, wanneer Net als, zoals, evenals, hetzelfde, eenzelfde geval, soortgelijk Om, opdat, daartoe, met het oog op |
Leesteksten gelinkt aan
Natuur & Milieu
Leesteksten gelinkt aan
Economie & Werkgelegenheid
Leesteksten gelinkt aan
Onderwijs & Zorg
Leesteksten gelinkt aan
Jeugdbeleid & Jeugdzorg
Leesteksten gelinkt aan
Vluchtelingen & Asielbeleid