|
Lesweek |
Inhoud |
Doel |
|
8 |
Verslagen maken, informatie zoeken/verwerken en analyseren |
Lay-out: de leerling weet in welke vorm hij of zij het verslag moet gieten. |
Na deze les kun je:
• Verslagen in de juiste vorm gieten;
• Hoofd- en bijzaken onderscheiden;
• De betrouwbaarheid van bronnen inschatten;
• Informatie expliciteren en concreet maken;
• Taal effectief en correct inzetten;
• Verantwoording nemen voor een verzorgd verslag.
De vorm van een verslag
Ieder verslag heeft min of meer dezelfde opbouw. Dit is handig, want zo weet de lezer altijd waar hij aan toe is. Ook lijkt het netjes. Wanneer iedereen zijn eigen manier gebruikt bij het schrijven van verslagen, wordt het een rommeltje. Wanneer je een langer verslag schrijft, horen de volgende onderdelen er altijd in te staan: titelpagina, inhoudsopgave, inleiding, kern, conclusie, bronvermelding en eventueel: bijlagen. Wanneer je een groot verslag schrijft, bijvoorbeeld een scriptie, hoort er ook nog een voorwoord, nawoord en samenvatting in.
Titelpagina
Op de voorkant van je werkstuk komt de titel, eventueel met ondertitel, bijvoorbeeld: De bevolkingsdichtheid in Nederland. Het verschil tussen de Randstad en het Oosten van het land. De titel staat meestal op de bovenste helft van het titelblad, in grote letters. Links of rechts onderaan kun je met kleinere letters je naam en achternaam vermelden. Vermeld ook altijd de datum, het vak waarvoor je het werkstuk hebt gemaakt en eventueel je leerling- of studentnummer.

Inhoudsopgave
In de inhoudsopgave staan alle onderdelen van het werkstuk genoemd, van de inleiding tot de bronvermelding. Voor elke hoofdstuktitel vermeld je het hoofdstuknummer, voor elke paragraaftitel het paragraafnummer. Achter elk onderdeel zet je het paginanummer waarop het begint. Zorg dat je deze paginanummers netjes uitlijnt, zodat ze niet gaan ‘zweven’ over de pagina.
Dat leest prettiger!
Voorwoord
Het voorwoord is meestal maar kort, en in veel werkstukken kun je het ook weglaten. Het is de plaats waar je iemand kunt bedanken die je geholpen heeft, bijvoorbeeld iemand die je hebt geïnterviewd, of een bibliotheekmedewerker die je heeft geholpen met het zoeken naar informatie. Verder kun je hier iets zeggen over waarom je het onderwerp hebt uitgekozen en of je het leuk vond om het werkstuk te maken. Je schrijft het voorwoord pas helemaal op het laatst, als alle andere onderdelen al af zijn. In plaats van een voorwoord kun je ook een nawoord schrijven, dat aan het einde van het werkstuk komt.
Inleiding
In de inleiding laat je de lezer weten hoe het werkstuk is opgebouwd. Dit doe je door eerst te vertellen wat je hebt onderzocht. Dit wordt vaak probleemstelling of hoofdvraag genoemd. Wanneer je een verslag schrijft, ben je altijd bezig om de lezer van informatie te voorzien over een onderwerp. De lezer moet dus iets te weten komen over jouw onderwerp. Dat is je probleemstelling. Wat is er aan de hand met het onderwerp waarover je een verslag schrijft? En waarom schrijf je het verslag? Als je bijvoorbeeld een verslag schrijft over een boek, is de inhoud van dit boek wat je onderzocht hebt. De hoofdvraag of probleemstelling is dan: waarover gaat boek X? Wanneer je een verslag schrijft over de auto, kan de vraag zijn: Hoe is een auto opgebouwd?
Als je een groot verslag schrijft kun je verschillende deelonderwerpen hebben. Wanneer je bijvoorbeeld een verslag schrijft over een auto, kun je als deelonderwerpen noemen: de motor, de wielen, het stuur etc. Wanneer je een onderzoek doet kun je deelvragen hebben. In de inleiding noem je daarom ook stuk voor stuk de deelvragen van je onderzoek of deelonderwerp. Ook vertel je in welk hoofdstuk je welke deelvraag gaat beantwoorden. Vervolgens zeg je dat er na de hoofdstukken een samenvatting en een conclusie volgen, waarin je antwoord zal geven op de hoofdvraag en de deelvragen. Het is belangrijk dat je nog niets vertelt over de antwoorden die je gevonden hebt op de probleemstelling en de deelvragen, want je wilt de lezer hier nieuwsgierig maken! Nu moet hij of zij eerst de hoofdstukken gaan lezen en dan komen de antwoorden pas.
De inleiding schrijf je dus ook pas als het werkstuk al helemaal af is.
De kern
De kern van je verslag is je eigenlijke verslag. Hierin vertel je wat je allemaal te weten bent gekomen over je onderwerp en je deelonderwerpen. Het is een goed idee om per deelonderwerp één hoofdstuk te schrijven. Wanneer je het dus gaat hebben over de motor, het stuur en de wielen van de auto krijg je vier hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk leg je dan algemeen uit wat je hebt gevonden over de auto. Vervolgens krijg je een hoofdstuk ‘motor’, ‘stuur’ en ‘wielen’. Leg per deelonderwerp uit wat je gevonden hebt. Zo werk je op een logische manier naar de conclusie toe. Je kunt de hoofdstukken titels geven, maar hiervoor kun je ook de deelvragen of de onderwerpen noemen.
De samenvatting
In een groot werkstuk komt een samenvatting. Vooral wanneer je een onderzoek gedaan hebt met meerdere deelvragen, is dit belangrijk. In een kleiner werkstuk kun je de samenvatting ook opnemen in de conclusie, of weglaten. Wat je ook kiest, in de samenvatting som je op wat de probleemstelling van je werkstuk is, wat de deelvragen of -onderwerpen zijn, en wat je antwoorden op de deelvragen zijn. Het antwoord op de hoofdvraag bewaar je altijd voor de conclusie.
De conclusie
In de conclusie vertel je dan eindelijk aan de lezer wat het antwoord op je hoofdvraag is. Soms is een antwoord maar een paar zinnen lang, soms veel langer. Hoe lang je conclusie is maakt eigenlijk niet uit; het belangrijkste is dat je hier een duidelijk antwoord kunt formuleren op de probleemstelling. Je hoofdvraagkomt dus altijd terug in de conclusie. Maar let op: je mag nooit nieuwe informatie geven in de conclusie. Alles wat je vertelt moet al een keer besproken zijn in de voorgaande hoofdstukken. Je conclusie moet dus logisch passen bij wat je al verteld hebt.
Nawoord
Je kunt een nawoord in je werkstuk opnemen, maar het hoeft niet. Als je een nawoord schrijft, schrijf je meestal geen voorwoord, want ook een nawoord is bedoeld om te vertellen hoe je het maken van het werkstuk hebt ervaren, of om mensen te bedanken. Je kiest dus: of een voorwoord, of een nawoord, en dat houd je kort en to the point. Als er niemand is die je speciaal wilt bedanken, en je hebt niets bijzonders mee te delen over je ervaring tijdens het maken van het werkstuk, kun je beter helemaal geen voor- of nawoord opnemen.
Bronvermelding
De bronvermelding of bibliografie van je werkstuk is heel belangrijk. Je hebt je onderzoek gedaan door het lezen en bestuderen van bronnen, of door iemand te interviewen. Zonder deze bronnen zou je niet ver gekomen zijn. Daarom vermeld je hier alle bronnen die je hebt gebruikt. Meestal doe je dat in alfabetische volgorde, waarbij je de achternaam van de (eerste) auteur aanhoudt als richtlijn. Als iemand nu jouw werkstuk leest en meer over het onderwerp wil weten, heeft hij of zij ook meteen een leeslijst om mee te beginnen.
Hoofd- en bijzaken
Wanneer je een verslag gaat schrijven, moet je informatie zoeken die je wilt gaan gebruiken in je verslag. Maar je wilt natuurlijk alleen belangrijke dingen in je verslag opnemen. Maar wat is nou belangrijk, en wat niet? Teksten geven vaak heel veel informatie, en niet alles is altijd even nuttig.
Belangrijk is daarom dat je de hoofdzaken uit een tekst kunt halen. Deze kun je vinden in de hoofdgedachte en de kernzinnen. De hoofdgedachte is één zin die vertelt waar de hele tekst over gaat. De kernzin is de belangrijkste zin uit een alinea. Deze zinnen kun je vaak vinden in de eerste, tweede of laatste zin van de alinea. Deze plaatsen noemen we voorkeursplaatsen.
Bijzaken zijn stukken tekst die informatie geven die weggelaten kan worden, zonder dat de hoofdgedachte of strekking van de tekst daardoor veranderd. We nemen als voorbeeld weer de auto. Wanneer je vertelt dat je auto gisteren kapot is gegaan, dan is de hoofdgedachte: de auto is kapot. Alle zaken die belangrijk zijn om het kapotgaan van de auto te begrijpen, zijn dan belangrijk. Bijvoorbeeld hoe de auto kapot is gegaan en hoe het voorkomen kan worden. Als je vertelt hoe laat de auto kapot is gegaan en wat voor kleur je auto heeft, zijn dat bijzaken.
Ga dus altijd na wat de hoofdgedachte van een tekst is en vraag jezelf af: moet ik dit weten om de hoofdgedachte te kunnen begrijpen? Als het antwoord ‘nee’ is, is het hoogstwaarschijnlijk een bijzaak. Soms is het moeilijk om hoofd- en bijzaken uit elkaar te halen. Onthoud dan dat hoofdzaken vaak in de eerste, tweede of laatste zin van een alinea staan.
Wanneer je de belangrijkste informatie hebt gevonden, kun je het gaan gebruiken voor je verslag.
Hoofd- en bijzaken en het leren van toetsen
Wanneer je leert voor een toets, is het ook belangrijk om hoofd- en bijzaken te kunnen onderscheiden. Op een toets worden namelijk alleen de hoofdzaken gevraagd!
Opdracht:
- Huiswerk bespreken
- Theorie + opdracht
Huiswerk:
Neem de volgende les een verslag mee van een ander vak.