|
Lesweek |
Inhoud |
Doel |
|
5 |
Presenteren, informatie zoeken en analyseren. |
Informatie zoeken: de leerling kan de relevantie en betrouwbaarheid van bronnen inschatten. Informatie gebruiken: de leerling kan verbanden tussen concepten leggen en abstracte gegevens concreet maken. Opbouw: de leerling kan de informatie in de presentatie logisch ordenen. |
Na deze les kun je:
• Het doel van de presentatie bepalen;
• Helder formuleren en het taalgebruik afstemmen op de doelgroep;
• Betrouwbare informatie vinden;
• De presentatie logisch ordenen;
• Feedback geven, ontvangen en verwerken;
• Zijn of haar eigen mening analyseren en verklaren;
• ICT correct inzetten.
Helder formuleren
Wanneer je presenteert, is het belangrijk dat je helder formuleert. Formuleren betekent: wat je uitspreekt op een bepaalde manier zeggen. Helder formuleren betekent dus dat je duidelijk spreekt en dat je rekening houdt met de doelgroep. Duidelijk spreken doe je bijvoorbeeld door iets harder te praten of goed te articuleren. Articuleren betekent dat je met je mond duidelijk de beweging maakt die hoort bij de uitspraak die je doet. Zo kunnen mensen, die het niet goed verstaan, toch weten wat je zegt doordat ze het zien!
Let erop dat je:
Wat harder spreekt
Duidelijk articuleert
Je spraak afstemt op de doelgroep
Het taalgebruik afstemmen op de doelgroep
Tegen een baby spreek je anders dan tegen een volwassene. En wanneer je iets vertelt aan je vrienden doe je dit op een andere manier dan wanneer je iets vertelt aan je leraren. Je stemt je taalgebruik dus af op de doelgroep. Dit kun je op een aantal manieren doen.
Ten eerste kun je formeel of informeel spreken. Formeel betekent officieel en zakelijk. Je spreekt dan beleefd en spreekt de mensen aan met ‘u’ of ‘meneer/mevrouw’. Vaak gebruik je jargon, dit betekent vaktaal. Je spreekt dan in termen die specifiek zijn voor het vak of de doelgroep waarvoor je presenteert.
Informeel is het tegenovergestelde van formeel. Wanneer je informeel spreekt, spreek je de mensen aan met ‘je’ en ‘jij’. In veel gevallen noem je de mensen bij de voornaam. In een informele presentatie kunnen ook grapjes zijn verwerkt. In een formele presentatie is het ongepast om grappen te maken.
Ook kun je jouw taalgebruik afstemmen op de doelgroep door het volume en de intonatie aan te passen. Intonatie betekent toonhoogteverschil. Voor een jong en uitgelaten publiek moet je bijvoorbeeld harder spreken dan voor een groep volwassenen. Ook zal je beter je best moeten doen om de aandacht vast te houden, door met toonhoogte in je stem te spelen. Het publiek raakt anders verveeld en raakt de concentratie kwijt. En dit wil je niet!

De betrouwbaarheid van bronnen inschatten
Wanneer je een presentatie houdt, moet je informatie zoeken. De plek waar je jouw informatie vindt noemen we een bron. Deze bronnen zijn niet altijd betrouwbaar. Lees voor tips het hoofdstuk over de betrouwbaarheid van bronnen die staat onder “Verslagen maken, informatie zoeken en analyseren”.
De presentatie logisch ordenen
Een presentatie die rommelig is, is moeilijk te volgen. Houd daarom altijd een vaste indeling aan. Zo voorkom je dat je publiek de draad kwijtraakt en kun je een goed verhaal houden. Een presentatie heeft altijd een inleiding, een middenstuk en een slot. Ook wel “kop, romp en staart” genoemd.
Inleiding
In de inleiding stel je jezelf voor en vertel je wat het onderwerp van je presentatie is. Als je een betoog houdt, vertel je ook je standpunt. Daarnaast geef je aan hoe de opbouw van de presentatie eruit ziet. Je geeft een soort inhoudsopgave van de presentatie. Op deze manier weet je publiek wat het kan verwachten. Ook is tijdens de inleiding het moment om te vertellen wanneer het publiek vragen mag stellen.
Middenstuk
Het middenstuk is het langste deel van je presentatie. Hierin geef je de belangrijke informatie. Je doel moet juist in het middenstuk duidelijk worden. Je legt je onderwerp verder uit en wanneer je een betoog geeft, kom je hier met argumenten. Omdat het middenstuk lang is, is de kans groot dat het publiek zijn aandacht verliest. Spring hier op in door gebruik te maken van afbeeldingen, filmpjes en een goed verhaal. Speel met je intonatie en volume en betrek het publiek. Stel bijvoorbeeld eens een vraag tussendoor.
Slot
In het slot komt je conclusie. Wat is de moraal van je verhaal? Bedank ook het publiek en eventuele mensen die je geholpen hebben bij de presentatie.
Opdracht:
- Lees de tekst.
- Welke conclusie trek je uit het filmpje over dierproeven?
- Wat is de inleiding, kern, slot?
Huiswerk:
- Bedenk een onderwerp aan de hand van je mee gebrachte artikelen. Bereid een kort betoog voor van ongeveer 2 minuten in twee tallen.
Inleiding: vertel je onderwerp, hoe je hierop bent gekomen en wat jullie mening is.(vorm een stelling).
Kern: Geef twee redenen die deze mening ondersteunt en een kort voorbeeld uit de praktijk.
Conclusie: geef een korte conclusie.
Dit wordt gepresenteerd in een powerpoint of prezi.
- Lees de tekst van de volgende les.