Bijlage 1: Begrippenlijst

Exitkaart: Formatieve evaluatie instrument dat gebruikt kan worden om de opgedane kennis te toetsen.

Filters (licht): Filters die ervoor zorgen dat alleen licht met een bepaalde kleur door kan.

Fotodiodes: Halfgeleider component dat licht omzet in een elektrische spanning.

Fototransistor: Transistor dat gevoelig is voor de hoeveelheid licht.

Illusie: Verkeerde interpretatie van de werkelijkheid door de hersenen.

Kleurenspectrum (zichtbaar): Reeks van kleuren (uit wit licht) die zichtbaar zijn voor het menselijk oog.

Kleursensor: Sensor die de kleur van een oppervlak (voorwerp) kan waarnemen.

LDR (Light Dependent Resistor of photoresistor): Weerstand dat gevoelig is voor de hoeveelheid licht.

Licht: Elektromagnetische straling dat zich zowel als golf en als deeltje (foton) gedraagt.

Lichtsensor: Sensor die de lichtsterkte in de buurt van de sensor meet.

NTC (Negatieve Temperatuur Coëfficiënt): Weerstand dat gevoelig is voor de temperatuur van de omgeving.

RGB (Rood-Groen-Blauw): Basiskleuren van licht. Met een combinatie van deze drie kleuren is het mogelijk om andere kleuren te maken.

Sensor: Elektronische component dat de omgeving kan waarnemen.

Systematische Probleem Aanpak (SPA): een gestructureerde methode om complexe vraagstukken op te lossen, waar je niet direct een antwoord op hebt.

Temperatuursensor: Sensor die de temperatuur in de buurt van de sensor meet.