De leerling kan de verwijswoorden gebruiken die passen bij het woordgeslacht.
De leerling kan de juiste verwijswoorden gebruiken.
De leerling kan correct verwijzen naar personen en dingen.

UITLEG - Verwijswoorden
Geschreven uitleg over verwijswoorden.
UITLEG en OEFENING - Verwijswoorden
Geschreven uitleg en oefenmateriaal over verwijswoorden.

UITLEG - Verwijswoorden
Geschreven uitleg over verwijswoorden.
OEFENING - Verwijswoorden 1
Oefenzinnen waarin het juiste verwijswoord moet worden ingevuld. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - Verwijswoorden 2
Oefenzinnen waarin het juiste verwijswoord moet worden ingevuld. Digitaal in te vullen en direct te controleren.

OEFENING - De of het 1
Oefening waarbij de juiste lidwoorden moeten worden gegeven bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - De of het 2
Oefening waarbij de juiste lidwoorden moeten worden gegeven bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - De of het 3
Oefening waarbij de juiste lidwoorden moeten worden gegeven bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - De of het 4
Oefening waarbij de juiste lidwoorden moeten worden gegeven bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - De of het 5
Oefening waarbij de juiste lidwoorden moeten worden gegeven bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - De of het 6
Oefening waarbij de juiste lidwoorden moeten worden gegeven bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - De of het 7
Oefening waarbij de juiste lidwoorden moeten worden gegeven bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - De of het 8
Oefening waarbij de juiste lidwoorden moeten worden gegeven bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - De of het 9
Oefening waarbij de juiste lidwoorden moeten worden gegeven bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - De of het 10
Oefening waarbij de juiste lidwoorden moeten worden gegeven bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - De of het 11
Oefening waarbij de juiste lidwoorden moeten worden gegeven bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - De of het 12
Oefening waarbij de juiste lidwoorden moeten worden gegeven bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - Die of dat 1
Oefening waarbij die of dat moet worden ingevuld bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - Die of dat 2
Oefening waarbij die of dat moet worden ingevuld bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - Die of dat 3
Oefening waarbij die of dat moet worden ingevuld bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - Die of dat 4
Oefening waarbij die of dat moet worden ingevuld bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - Die of dat 5
Oefening waarbij die of dat moet worden ingevuld bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - Dit of deze 1
Oefening waarbij dit of deze moet worden ingevuld bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - Dit of deze 2
Oefening waarbij dit of deze moet worden ingevuld bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - Dit of deze 3
Oefening waarbij dit of deze moet worden ingevuld bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - Dit of deze 4
Oefening waarbij dit of deze moet worden ingevuld bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.
OEFENING - Dit of deze 5
Oefening waarbij dit of deze moet worden ingevuld bij zelfstandige naamwoorden. Digitaal in te vullen en direct te controleren.

UITLEG - Verwijswoorden
Geschreven uitleg over verwijswoorden.
UITLEG - Wat, dat, wie, of die
Geschreven uitleg over wat, dat, wie of die.
UITLEG - Jou of jouw
Geschreven uitleg over jou of jouw.
UITLEG - Ons of onze
Geschreven uitleg over ons of onze.
UITLEG - U, uw, U of Uw
Geschreven uitleg over u, uw, U of Uw.
UITLEG - Wier of wiens
Geschreven uitleg over wier of wiens.
UITLEG - Ze/zij, hen/hun
Geschreven uitleg over ze/zij, hen/hun.
OEFENING - Ze/zij, hun/hen 1
Oefenzinnen waarin het juiste verwijswoord moet worden gekozen. Digitaal via meerkeuzemenu en direct controleerbaar.
OEFENING - Ze/zij, hun/hen 2
Oefenzinnen waarin het juiste verwijswoord moet worden gekozen. Digitaal via meerkeuzemenu en direct controleerbaar.