De leerling kan in een enkelvoudige zin het werkwoordelijk gezegde vinden (ook als het werkwoordelijk gezegde te of aan het bevat of een verplicht wederkerend werkwoord). De werkwoordelijke uitdrukking als werkwoordelijk gezegde wordt nog buiten beschouwing gelaten.
De leerling kan in een enkelvoudige zin het onderwerp vinden (ook als het onderwerp een vraagwoord is als wie of wat, of als het niet in het meervoud kan worden gezet).
De leerling kan in een enkelvoudige zin het lijdend voorwerp vinden (ook in een zin met een toevallig wederkerend werkwoord).
De leerling kan in een enkelvoudige zin het meewerkend voorwerp vinden, zowel met aan als met voor (bij wordt nog buiten beschouwing gelaten).
De leerling kan voorzetsels herkennen, ook als het voorzetsel achter het zelfstandig naamwoord staat. Dit behoort tot het onderdeel woordsoortbenoeming (taalkundig ontleden), maar is vereist om het voorzetselvoorwerp te kunnen herkennen.
De leerling kan in een enkelvoudige zin het voorzetselvoorwerp herkennen.
De leerling kan in een enkelvoudige zin de bijwoordelijke bepaling(en) herkennen.