De leerling kan zelfstandige naamwoorden (waaronder eigennamen) herkennen.
De leerling kan bepaalde en onbepaalde lidwoorden herkennen en het onderscheid maken tussen lidwoorden en een en het wanneer die geen lidwoord zijn.
De leerling kan voorzetsels herkennen, ook als het voorzetsel achter het zelfstandig naamwoord staat.
De leerling kan zelfstandige werkwoorden en hulpwerkwoorden herkennen (ook scheidbare werkwoorden wanneer die gesplitst voorkomen).
De leerling kan (stoffelijke) bijvoeglijke naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden van een werkwoord herkennen (een deelwoord als bijvoeglijk naamwoord).
De leerling kan het onderscheid maken tussen een voorzetsel en een deel van een scheidbaar werkwoord.
De leerling kan vragende en aanwijzende voornaamwoorden herkennen.
De leerling kan onbepaalde voornaamwoorden herkennen.
De leerling kan persoonlijke voornaamwoorden herkennen.
De leerling kan bezittelijke voornaamwoorden herkennen.