PO 1 - Bloeddruk meten

Instructie

Tijdens dit practicum gaan jullie de bloeddruk meten van een groepsgenoot in rust én na 40 kniebuigingen. Beide metingen doe je drie keer.

De bloeddrukmeters (figuur 14) voor de pols zijn niet minder betrouwbaar dan de bloeddrukmeters voor de bovenarm. Ze zijn gevoeliger, let daarom goed op de aanwijzingen in de methode.

Houd in gedachten dat bloeddruk van nature varieert gedurende de dag, en ook wordt beïnvloed door vele factoren zoals roken, alcoholgebruik, medicatie en fysieke activiteit.

 

Methode:

 

A - Hypothese

Volgens de theorie is de MAP evenredig met de cardiac output en de perifere weerstand.

  1. Het slagvolume; de hoeveelheid bloed in milliliters die bij elke samentrekking de aorta in wordt gepompt.
  2. De hartfrequentie; het aantal slagen per minuut.

 

 

Geef op basis van de begrippen hierboven een goed onderbouwde voorspelling bij de volgende vragen.

  1. Gaat je onderdruk omhoog/omlaag na inspanning?

Leg uit:

  1. Gaat je bovendruk omhoog/omlaag na inspanning?

 

 

B - Metingen en verwerking (zie de instructie op de vorige pagina)

Vul de tabel hieronder in en bereken je eigen MAP in twee situaties.

Meting       

Bovendruk (mm Hg)

Onderdruk (mm Hg)

MAP (mm Hg)

Hartslag frequentie

(slagen/minuut)

rust

1

2

3

na 40

kniebuigingen/ of traplopen

1

2

3

 

C - Conclusie

Wat valt je op aan de metingen?  Komen je verwachtingen uit? Zo niet probeer een

uitleg voor de uitkomst van de metingen te bedenken.