5.1. - Dotter- en stentbehandeling

Door een dotterbehandeling en het plaatsen van een stent worden vernauwingen van kransslagaders opgeheven. Voorafgaand aan een dotterbehandeling worden de kransslagaders van de patiënt eerst onderzocht met behulp van een hartkatheterisatie (dit is een onderzoek van de kransslagaders). Na toediening van contrastvloeistof worden kransslagaders met een röntgenfoto in beeld gebracht. De foto laat zien in welke mate de kransslagader vernauwd is (figuur 45; rode pijl).

 

 

 

 

Het dotteren gaat als volgt in zijn werk (figuur 46, links). De arts schuift via de liesslagader met een katheter een ballonnetje naar de plek van de vernauwing en blaast het op. Hierbij wordt de plaque samen met de vaatwand naar buiten gedrukt, zodat het bloedvat weer ruim genoeg is voor de bloedstroom.

Vervolgens laat hij het ballonnetje weer leeglopen. Hij voert deze handeling meestal meerdere keren uit, zodat de slagader niet meer uit zichzelf terugveert.

Het plaatsen van een stent is een voortzetting van de dotterbehandeling. Een stent lijkt op een balpenveertje en is gemaakt van een metaal dat het lichaam kan verdragen. Dit metalen hulsje houdt de verwijde kransslagader op zijn plaats (figuur 46, rechts). Een stent voorkomt het terugveren. Tegenwoordig worden steeds meer stents gebruikt met een medicijn dat de vorming van plaques in de stent tegen gaat.

Na het dotteren en eventueel het plaatsen van een stent, controleert de arts met contrastvloeistof en röntgenstraling of alle behandelde vernauwingen zijn opgeheven. Meer dan 95% van de dotterbehandelingen slaagt.

Figuur 46. Links een dotterbehandeling                 Rechts een stent behandeling