Trainen met data

AI-training begint met data: dat zijn allemaal voorbeelden zoals foto’s, teksten of getallen. Net als jij oefent met wiskunde of taal, geeft data de computer steeds nieuwe oefenstof. Tijdens het trainen bekijkt de AI duizenden plaatjes of zinnen en zoekt hij steeds naar overeenkomsten. Zo leert hij bijvoorbeeld dat een kat vaak puntige oren en snorharen heeft. Hoe meer en beter de data, hoe slimmer de AI wordt. Uiteindelijk kan hij op basis van wat hij geleerd heeft zelf nieuwe dingen herkennen of voorspellen.

 

Een voorbeeld: een professor van de Universiteit Leiden onderzocht hoe een AI leerde om vissen te herkennen. Hij ontdekte dat de AI dacht dat een bepaalde vis vingers had... Dat komt natuurlijk niet voor bij vissen. De reden? De AI was getraind met foto’s van vissers die hun vangst lieten zien—met hun vingers in beeld. Zo trok de AI de verkeerde conclusie omdat de data onbedoelde aanwijzingen bevatten. Dit laat zien hoe belangrijk het is om je data zorgvuldig te kiezen, zodat een AI leert van juiste voorbeelden en geen vreemde fouten maakt.

 

Opdracht 1

Pak je werkblad erbij. Vul de antwoorden in tijdens het kijken van het filmpje.