
Tot in de jaren 80 hebben er schepen gevaren, veel uit de Groninger kustvaart, met houten scheepsluiken.

Ze kwamen in sponningen te liggen van zogenaamde "beams", dragers over de breedte van het ruim.
Deze lagen weer op het ingevette luikhoofd en konden naar het voor- of achterschip verschoven worden, afhankelijk van waar geladen werd.
Het ruim open leggen was zwaar werk.
Met twee man en een luikenhaak werd er vanuit het midden een luik opgepakt en op de zijkant op het luikhoofd of in het gangboord gelegd.
Daarna het luik eentje naast het midden ophalen en wegleggen, en zo door naar de zijkant.
Dichtleggen moest bij regenachtig weer soms snel gebeuren, dus enige handigheid in deze beweging was wel op zijn plaats.

1 Beam
2 Luikhoofd
3 Luiken
4 Presenning (dekkleed)
5 keggen
6 Keggenbank


Over de luiken kwamen dekkleden, "presennings" die vastgezet werden met keggen in de keggenbank.
Over de presennings kwamen stalen sluitijzers te liggen die ook in de keggenbank vastgezet werden.
Omdat we vroeger dus keggen sloegen in de keggenbank heet het gedeelte van het luikhoofd waarin tegenwoordig de knevels zitten vandaag nog steeds keggenbank genoemd.
Hoewel dat prima voldeed was men natuurlijk wel op zoek naar makkelijkere en vooral snellere methodes om het ruim te openen en sluiten.